Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3473

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
C/02/360550 KG ZA 19-395
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming vakantie Thailand verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/02/360550 KG ZA 19-395

25 juli 2019

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

[naam 1] ,

wonende te Geldermalsen,

e i s e r e s bij dagvaarding van 15 juli 2019,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.E. de Wal,

t e g e n :

[naam 2] ,

wonende te Loon op Zand,

g e d a a g d e ,

hierna te noemen de man.

1. Het verloop van het geding

1.1 Het verloop van het geding blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 15 juli 2019,

- de akte tot eisvermeerdering.

1.2 Partijen hebben ter zitting van 18 juli 2019 hun stellingen mondeling toegelicht.

1.3 De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. Aan een collega-rechter is bijzondere toestemming verleend bij de zitting aanwezig te zijn.

2 Het geschil

2.1

De vrouw vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. vervangende toestemming te verlenen voor het uitreizen, de reis en het verblijf van de hierna te noemen minderjarige naar en in Thailand onder begeleiding van de vrouw van 30 juli 2019 tot 15 augustus 2019;

b. te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;

c. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum waarop het in deze zaak te wijzen vonnis wordt uitgesproken;

d. te bepalen dat de man het paspoort van de minderjarige op 18 juli 2019 aan de vrouw afgeeft op straffe van een dwangsom € 500,00;

e. de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen en ophalen van een paspoort voor de minderjarige en te bepalen dat deze vervangede toestemming strekt tot vervanging van de toestemming/instemming van de man bij het aanvragen en ophalen van het paspoort van de minderjarige ingeval de man het paspoort niet aan de vrouw heeft opgegeven op 18 juli 2019.

2.2

De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw en concludeert tot afwijzing hiervan.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat het volgende vast:

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: [naam 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011 (hierna te noemen: [naam minderjarige] ).

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] .

- Bij beschikking van 5 december 2017 heeft de rechtbank bepaald dat [naam minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de man.

3.2

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen ter zitting staat het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering naar het oordeel van de voorzieningenrechter vast.

3.3

Partijen hebben ieder hun standpunten ter zitting toegelicht. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, op onderstaande wijze ingegaan.

Vervangende toestemming vakantie Thailand

3.4

De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen ouders een geschil bestaat over de uitoefening van hun gezamenlijk ouderlijk gezag over [naam minderjarige] als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voorzieningenrechter neemt - ingevolge lid 1 van voormeld artikel - een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

3.5

De vrouw acht het in het belang van [naam minderjarige] dat zij mee kan op vakantie naar Thailand, samen met haar zusje [naam 5] en de partner van de vrouw, met wie zij in gezinsverband samenleeft. De vrouw heeft de man om toestemming voor deze vakantie gevraagd. De man heeft toestemming verleend, maar heeft deze later weer ingetrokken. Het is de bedoeling dat zij een week bij de grootmoeder moederszijde verblijven en dat zij daarna naar het strand of de bergen gaan. De vrouw wil [naam minderjarige] graag het land laten zien waar de vrouw vandaan komt en [naam minderjarige] haar familie laten ontmoeten. De vrouw heeft met haar partner een stabiele relatie en een hecht gezinsleven met een veilige en fijne verblijfplaats in Nederland. Haar partner heeft een eigen bedrijf in de fruitteelt in Nederland. De vrouw is verankerd in Nederland. Zij heeft derhalve geen reden om zich in Thailand te vestigen. De vrouw heeft de Nederlandse en Thaise nationaliteit, maar beschikt enkel nog over een Nederlands paspoort. Naar aanleiding van een mededeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verkeerde de vrouw eerder in de veronderstelling dat zij niet langer de Thaise nationaliteit had. Inmiddels heeft zij van de Thaise ambassade begrepen dat zij deze nog wel heeft.

3.6

De man heeft verweer gevoerd. De man gaat ervan uit dat de vrouw nog steeds over haar Thaise paspoort beschikt. Toen hij dit hoorde, heeft hij zijn toestemming voor de vakantie ingetrokken. De man vreest namelijk dat de vrouw met [naam minderjarige] zal achterblijven in Thailand. Dat de grootmoeder moederszijde vijf maanden geleden is verdwenen in Thailand sterkt de man in die overtuiging. Indien [naam minderjarige] in Thailand blijft, zal zij gedurende een lange tijd school missen. Als zij dan wordt teruggevonden, zal zij mogelijk in een detentiecentrum moeten verblijven. De man twijfelt ook sterk aan de stelling van de vrouw dat zij een stabiele relatie heeft met haar partner. Daarnaast betwist de man dat de vrouw familie heeft in Thailand. Hij heeft haar in de tijd dat partijen een relatie hadden nooit over familie in Thailand horen praten. De man is tot slot van mening dat de veiligheid van [naam minderjarige] in Thailand niet kan worden gewaarborgd. Thailand heeft een andere rechtsstaat dan Nederland. Daarnaast zijn er veel dieren in Thailand en dient [naam minderjarige] te worden ingeënt. De man vindt dat [naam minderjarige] hieraan op haar leeftijd niet moet worden blootgesteld.

3.7

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd wat haar beweegredenen zijn om naar Thailand te gaan. Zij heeft haar stelling dat zij op vakantie gaat ook onderbouwd met bescheiden van de reis. Hieruit blijkt dat voor alle gezinsleden op 30 juli 2019 een heenvlucht en op 15 augustus 2019 een terugvlucht is geboekt. De stelling van de man dat de vrouw mogelijk niet zal terugkeren naar Nederland berust naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts op een vermoeden van de man en is door de man onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet in de opmerking van de man dat grootmoeder vijf maanden geleden in Thailand verdwenen zou zijn geen aanleiding om aan te nemen dat deze vrees van de man gerechtvaardigd is.

De stelling van de man dat de relatie van de vrouw niet stabiel zou zijn, is door hem niet onderbouwd. Dat de vrouw in haar land van herkomst geen familie heeft, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Nog daargelaten dat de man zelf verklaard heeft dat de moeder van de vrouw in Thailand verblijft. Zelfs al zou de relatie van de vrouw niet stabiel zijn en de vrouw geen familie hebben in Thailand, valt bovendien niet in te zien waarom dit in de weg zou moeten staan aan het verlenen van toestemming voor de vakantie.

De voorzieningenrechter gaat ook voorbij aan de zorgen van de man over de veiligheid van [naam minderjarige] . Er zijn geen reële veiligheidsrisico’s voor [naam minderjarige] in Thailand. Er geldt geen negatief reisadvies van de rijksoverheid voor Thailand. De man heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat hierover anders moet worden geoordeeld.

3.8

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van [naam minderjarige] kan worden geacht dat zij met haar gezin op vakantie gaat naar Thailand in de periode van 30 juli 2019 tot en met 15 augustus 2019. De stellingen van de man doen daar niet aan af. De vordering van de vrouw om haar vervangende toestemming voor de vakantie te verlenen wordt dan ook toegewezen, op de wijze zoals hierna vermeld.

Afgifte paspoort

3.9

De vrouw heeft gesteld dat de man de afgifte van het paspoort van [naam minderjarige] heeft geweigerd. De man houdt het paspoort in zijn bezit en wil haar het paspoort alleen geven als het nodig is. Als gevolg van de reactie van de man heeft de vrouw de gerede vrees dat de man het paspoort van [naam minderjarige] niet zal afgeven. Zonder paspoort kan [naam minderjarige] niet met de vrouw, [naam 5] en de partner van de vrouw op vakantie naar Thailand. De vrouw vordert dan ook dat de man het paspoort van [naam minderjarige] op 18 juli 2019 aan de vrouw dient af te geven op straffe van een dwangsom van € 500,-.

3.10

De man heeft ter zitting verklaard dat hij er niet mee instemt het paspoort van [naam minderjarige] nog diezelfde dag aan de vrouw af te geven. De man gaat met [naam minderjarige] op vakantie van 19 juli 2019 tot uiterlijk 29 juli 2019. Hij gaat tot 26 juli 2019 naar een vakantiepark van [naam park] in Limburg. Daarna gaat hij nog twee of drie dagen naar Amsterdam. Zolang [naam minderjarige] bij hem is, dient het paspoort in zijn bezit te blijven. De man heeft verder verklaard dat hij het paspoort zal afgeven, indien de voorzieningenrechter vervangende toestemming voor de vakantie van [naam minderjarige] naar Thailand verleent.

3.11

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat [naam minderjarige] beschikt over een eigen paspoort en dat haar paspoort op dit moment in bezit is van de man. Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man het paspoort van [naam minderjarige] tijdens zijn vakantie met [naam minderjarige] nodig heeft. [naam minderjarige] moet zich kunnen identificeren, bijvoorbeeld indien zij aanspraak moet maken op (spoedeisende) hulpverlening. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot afgifte van het paspoort wat betreft de datum van 18 juli 2019 zal afwijzen. Nu de voorzieningenrechter zal toestaan dat de vrouw met [naam minderjarige] afreist naar Thailand en [naam minderjarige] hiervoor haar paspoort nodig heeft, zal de voorzieningenrechter de man veroordelen tot afgifte van het paspoort van [naam minderjarige] aan de vrouw op het moment dat de man [naam minderjarige] afgeeft aan de vrouw maar uiterlijk op 29 juli 2019. Indien de man hiertoe niet overgaat, zal hij de dwangsom van € 500,- verbeuren. De voorzieningenrechter ziet daar gelet op de voorgeschiedenis van partijen, het terugtrekken van de eerder verleende toestemming door de man en het verhandelde ter zitting voldoende aanleiding toe. Tot zover wordt de vordering van de vrouw dan ook toegewezen, als na te melden.

Vervangende toestemming paspoort

3.12

Voor het geval de man niet overgaat tot afgifte van het paspoort van [naam minderjarige] heeft de vrouw vervangende toestemming gevorderd voor het aanvragen van een paspoort.

3.13

Voorop gesteld word dat ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet bij de aanvraag van een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming wordt overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank worden verzocht om vervangende toestemming te verlenen, indien een van de met het (gezamenlijk) gezag belaste ouders toestemming weigert. Vooruitlopend daarop kan de voorzieningenrechter in kort geding in spoedeisende zaken een ordemaatregel treffen.

3.14

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat zij beschikt over een (nood)paspoort, zodat zij naar Thailand kan reizen en daar kan verblijven. Het is een feit van algemene bekendheid dat men zich bij het reizen naar en verblijf in het buitenland moet kunnen identificeren. Gelet op de korte tijd die nog resteert tussen de datum van het vonnis en het moment dat de vrouw met [naam minderjarige] op vakantie wenst te gaan, zal de voorzieningenrechter vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag van een (nood)paspoort voor de minderjarige voor het geval de man de afgifte van het (huidige) paspoort van [naam minderjarige] weigert, zoals hiervoor vermeld. Deze vordering van de vrouw wordt daarom toegewezen, als na te melden.

3.15

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat alles in het werk is gesteld om het vonnis in onderhavige zaak bij vervroeging uit te spreken zodat, mocht het nodig zijn, de voor het aanvragen van een (nood)paspoort benodigde bewijsstukken kunnen worden verkregen.

Proceskosten

3.16

De door de vrouw gevorderde proceskostenveroordeling zal worden geweigerd. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat,

nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, de proceskosten worden gecompenseerd.

4 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter

verleent – ter vervanging van de toestemming van de man – toestemming aan de vrouw om met [naam 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011 af te reizen naar Thailand en aldaar te verblijven in de periode van 30 juli 2019 tot en met 15 augustus 2019;

veroordeelt de man tot afgifte van het paspoort van [naam 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, op het moment dat hij [naam minderjarige] afgeeft aan de vrouw maar in ieder geval uiterlijk op 29 juli 2019;

bepaalt dat de man een dwangsom van € 500,= (vijfhonderd euro) zal verbeuren indien hij in gebreke mocht blijven aan het bevel tot afgifte van het paspoort van [naam minderjarige] te voldoen;

verleent – ter vervanging van de toestemming van de man – toestemming aan de vrouw ter verkrijging van een (nood)paspoort voor [naam 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, in het geval de man het paspoort van [naam minderjarige] niet uiterlijk op 29 juli 2019 afgeeft;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Oomes, voorzieningenrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting in kort geding van 25 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. Saelman, griffier.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.