Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3429

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
BRE 18_2292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering gedogen thuisteelt cannabis voor eigen medicinaal gebruik geen Awb-besluit. Nieuwe jurisprudentielijn uitspraak Afdeling 24 april 2019. Geen sprake van zeer uitzonderlijke situatie, want niet onevenredig bezwarend om geschil over interpretatie rechtsregels via een eventuele handhavingsprocedure aan de orde te stellen.

Bezwaar is ten onrechte ontvankelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/2292 GEMWT

uitspraak van 25 juli 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. H.M. Dunsbergen,

en

de burgemeester van de gemeente Goes, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 maart 2018 (bestreden besluit) van de burgemeester. Dit besluit gaat over de weigering om het thuis telen van cannabis voor eigen medicinaal gebruik te gedogen.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij het toezenden van de gedingstukken heeft de burgemeester onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om geheimhouding van een aantal documenten. De rechtbank heeft dit verzoek bij beslissing van 26 oktober 2018 gedeeltelijk gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de in die beslissing nader omschreven stukken. De burgemeester heeft daarop de rechtbank verzocht om het voorblad en de documenten 3 en 4 terug te sturen. Eiseres heeft bij brief van 1 februari 2019 de rechtbank meegedeeld dat zij geen toestemming geeft om de stukken die haar niet bekend zijn bij de beoordeling van het beroep te betrekken. De rechtbank heeft de desbetreffende stukken ter zitting aan de burgemeester teruggegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 17 juni 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S. van Minderhout. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. van Belzen.

Overwegingen

De feiten

1. Eiseres heeft bij brief van 28 januari 2017 het college van burgemeester en wethouders verzocht om haar te voorzien van een gedoogbeschikking waardoor het haar is toegestaan cannabis voor eigen medicinaal gebruik te kweken. Bij brief van 23 februari 2017 heeft de burgemeester eiseres bericht dat hij niet bereid is om de gevraagde gedoogverklaring te verstrekken. De burgemeester heeft daartoe overwogen dat de Zeeuwse burgemeesters, de politie en het openbaar ministerie gezamenlijk hebben besloten om in Zeeland het thuis kweken van cannabis voor eigen medicinaal gebruik niet te gedogen vanwege de negatieve aspecten die daar vanuit openbare orde en veiligheid aan zijn verbonden.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van de burgemeester van 23 februari 2017. Bij besluit van 26 april 2017 heeft de burgemeester dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de weigering een gedoogverklaring te verstrekken geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummer BRE 17/4325 GEMWT). Bij uitspraak van 20 februari 2018 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 26 april 2017 vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw (inhoudelijk) besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester eiseres meegedeeld dat hij, na heroverweging, niet bereid is om een gedoogverklaring aan eiseres te verstrekken.

Het beroep van eiseres

2. Eiseres voert, zakelijk weergegeven, aan dat zij aan ondraaglijke pijnen lijdt, waarvoor geen behandeling meer mogelijk is. Zij heeft uitsluitend nog baat bij het gebruik van THC en hennepolie. Zij verwijst hiervoor naar de brief van haar behandelend anesthesioloog [naam] van 7 december 2016. Deze middelen zijn echter duur en de verstrekking daarvan door de apotheek wordt niet langer door de zorgverzekering vergoed. Daarom wil eiseres zelf hennepplanten kweken. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van haar verzoek disproportioneel is en in strijd met artikel 4:84 van de Awb. Zij wijst erop dat de burgemeester haar uitzonderlijke medische noodtoestand niet heeft meegewogen. Ook betwist eiseres dat de openbare orde en veiligheid in het geding zijn. Verder bestrijdt zij dat zij van slecht levensgedrag is en dat zij overlast veroorzaakt. Eiseres ontkent nadrukkelijk zich schuldig te hebben gemaakt aan discriminatie.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder rechtshandeling wordt een handeling verstaan die is gericht op enig rechtsgevolg.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Beoordeling door de rechtbank

4.1

Niet in geschil is dat het verzoek van eiseres betrekking heeft op het telen van vijf tot maximaal acht hennepplanten in haar woning voor eigen (medicinaal) gebruik.

4.2

Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende. In de uitspraak van 20 februari 2018 overwoog de rechtbank dat het voor eiseres - gelet op de buitengewoon schrijnende situatie waarin zij verkeert - onevenredig bezwarend is om een handhavingsprocedure af te wachten. Om die reden heeft de rechtbank de weigering om een gedoogverklaring te verstrekken aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat de rechtbank bij inmiddels onherroepelijke uitspraak heeft geoordeeld dat sprake is van een besluit, staat er niet aan de in weg dat de rechtbank in de onderhavige procedure de vraag of van een besluit kan worden gesproken opnieuw moet beantwoorden. De vraag of de brief van 23 februari 2017 een besluit is, betreft immers een door de bestuursrechter ambtshalve te beoordelen aspect. In het feit dat de lijn in de jurisprudentie met betrekking tot gedoogbeslissingen in belangrijke mate is gewijzigd, ziet de rechtbank te meer reden voor een uitdrukkelijke hernieuwde beoordeling.

4.3

De vaste jurisprudentie met betrekking tot gedoogbeslissingen is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1356) aangescherpt. De nieuwe lijn in de rechtspraak houdt kort gezegd in dat de gedoogbeslissing, de weigering een gedoogbeslissing te nemen en de intrekking van een gedoogbeslissing, op een enkele uitzondering na, geen besluiten zijn in de zin van de Awb en daarmee ook niet worden gelijkgesteld. Zo’n uitzondering kan mogelijk worden aangenomen als het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. In het algemeen kan het afwachten van een besluit over handhaving niet als onevenredig bezwarend worden aangemerkt. De Afdeling heeft geoordeeld dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van een betrokkene niet kan worden gevergd om door voortzetting van de overtreding een handhavingsbesluit uit te lokken.

4.4

Om te kunnen vaststellen of de weigering aan eiseres een gedoogverklaring af te geven een besluit is, moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een zeer uitzonderlijk geval in de hierboven bedoelde zin.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een zeer uitzonderlijke situatie. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie o.a. de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738), artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden “daartoe aanwezig” moeten de drugs daar voor de verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig zijn. Dit betekent dat de burgemeester niet bevoegd is om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden, indien niet - op zijn minst - aannemelijk is dat de aangetroffen drugs zich (ook) met het oog op de handel in het pand hebben bevonden.

4.6

De rechtbank stelt voorop dat door de burgemeester thans uitdrukkelijk wordt erkend dat het verzoek van eiseres tot het kweken van 5 tot 8 planten uitsluitend betrekking heeft op het kweken van cannabis voor eigen gebruik. De burgemeester heeft ter zitting echter gesteld dat het voor hem niet uitmaakt of eiseres de cannabis voor eigen gebruik dan wel voor de handel zou kweken en dat hij zich bij elke aanwezigheid van verdovende middelen in de woning van eiseres bevoegd acht een last onder bestuursdwang op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is die stelling - gelet op de hierboven weergegeven jurisprudentie van de Afdeling - evident onjuist.

4.7

Nu in deze omstandigheden geen sprake is van een situatie waarin het door eiseres gewenste aantal planten in beginsel (mede) bestemd kan worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking, ontbreekt de bevoegdheid van de burgemeester om daartegen handhavend op te treden. Het risico dat eiseres geconfronteerd wordt met een (rechtsgeldig) besluit tot sluiting van haar woning wegens het kweken van cannabis voor eigen gebruik, is daarom afwezig. De zeer uitzonderlijke situatie dat van eiseres niet gevergd kan worden om door voortzetting van de overtreding een handhavingsbesluit uit te lokken, doet zich daarom naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

Conclusie

5.1

Gelet op het voorgaande is de weigering aan eiseres een gedoogverklaring te verstrekken geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Omdat daartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, moet worden geconcludeerd dat de burgemeester het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

5.2

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

5.3

De rechtbank zal de burgemeester veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzitter, en mr. J.J.M. van Lanen en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.