Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:337

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
02-085496-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd, met excessieve snelheden, boven de 290 km/h. Vervolging n.a.v. filmpje op social media (YouTube).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/085496-18

vonnis van de kantonrechter d.d. 30 januari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] Haarlem,

raadsman mr. K. Kasem, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is, nadat deze was aangebracht op de zitting van 11 september 2018 en de behandeling ter zitting was aangehouden, inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2019. Verdachte is verschenen. De officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1

hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Eindhoven en/of te Tilburg, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig te weten een personenauto (merk/type Audi RS6) voorzien van het kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Rijksweg A67 en/of de Rijksweg A2 en/of de Rijksweg A58 (telkens in de richting van Tilburg), (bij voortduring) met (te) hoge snelheid (te weten met (een) snelheid/snelheden van respectievelijk ongeveer 289 kilometer per uur en/of 248 kilometer per uur en/of 293 kilometer per uur) heeft gereden, terwijl op de naast hem gelegen rijstro(o)k(en)/uitvoegstrook(en)/afrit(ten) van die voornoemde Rijksweg(en) zich (veel langzamer) rijdende voertuigen bevonden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(art. 5 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Eindhoven en/of te Tilburg, althans in Nederland, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto merk/type Audi RS6) voorzien van het kenteken [kenteken] op de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), te weten de Rijksweg A67 en/of de Rijksweg A2 en/of de Rijksweg A58 (telkens in de richting van Tilburg), bij voortduring geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod

of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid/snelheden van ongeveer 289 kilometer per uur en/of 248 kilometer per uur en/of 293 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met (telkens) meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden;

(art. 62 jo bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990)

2

hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2016 tot en met 6 juni 2016 te Tilburg, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto merk/type Audi RS6 kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Spoorlaan en/of de Bosscheweg en/of de Centaurusweg en/of de Jules Verneweg en/of de Ringbaan Oost en/of de Ringbaan West, allen gelegen binnen de bebouwde kom, met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid heeft gereden, namelijk:

-176 kilometer per uur (op 27 maart 2016 op de Spoorlaan, zie pagina 307 t/m 312) en/of

-153 kilometer per uur (op 2 april 2016 op de Bosscheweg, zie pagina 301 t/m 306) en/of

-149 kilometer per uur (op 14 mei 2016 op de Centaurusweg, zie pagina 272 t/m 283) en/of

-163 kilometer per uur (op 16 mei 2016 op de Jules Verneweg, zie pagina 294 t/m 300) en/of

-165 kilometer per uur (op 2 juni 2016 op de Ringbaan Oost, zie pagina 313 t/m 319) en/of

-181 kilometer per uur (op 6 juni 2016 op de Ringbaan West, zie pagina 284 t/m 293),

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(art. 5 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2016 tot en met 6 juni 2016 te Tilburg, althans in Nederland, binnen de bebouwde kom, (te weten de Spoorlaan en/of de Bosscheweg en/of de Centaurusweg en/of de Jules Verneweg en/of de Ringbaan Oost en/of de Ringbaan West), als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto merk/type Audi RS6 kenteken [kenteken] ) telkens heeft gereden met een snelheid van ongeveer:

-176 kilometer per uur (op 27 maart 2016 op de Spoorlaan, zie pagina 307 t/m 312) en/of

-153 kilometer per uur (op 2 april 2016 op de Bosscheweg, zie pagina 301 t/m 306) en/of

-149 kilometer per uur (op 14 mei 2016 op de Centaurusweg, zie pagina 272 t/m 283) en/of

-163 kilometer per uur (op 16 mei 2016 op de Jules Verneweg, zie pagina 294 t/m 300) en/of

-165 kilometer per uur (op 2 juni 2016 op de Ringbaan Oost, zie pagina 313 t/m 319) en/of

-181 kilometer per uur (op 6 juni 2016 op de Ringbaan West, zie pagina 284 t/m 293),

in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden.

(art. 20 ahf/ond a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990)

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De kantonrechter is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Volgens de raadsman heeft het openbaar ministerie het verbod van willekeur geschonden door verdachte strafrechtelijk te vervolgen aan de hand van een YouTube-filmpje waarop een vermeende snelheidsovertreding is te zien. De raadsman is van mening dat op het internet legio filmpjes circuleren waarin (forse) snelheidsovertredingen worden gemaakt en waarop niet - op zodanige wijze - gerechercheerd wordt door politie en justitie, laat staan dat het openbaar ministerie overgaat tot vervolging van degene die op de filmpjes te zien is. Voorts is verdachte niet de enige persoon die in het betreffende filmpje te zien is. De raadsman is van mening dat de enige reden tot vervolging de (naams)bekendheid van verdachte is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij eerder te maken heeft gehad met verdachte bij een incident waarbij de verbalisant gefilmd is. Dit bewoog verbalisant [verbalisant] ertoe onderzoek te doen naar het YouTube-kanaal van verdachte. Op dit kanaal werd een filmpje gedeeld waarop een excessieve snelheidsovertreding werd geconstateerd, die naar het oordeel van de verbalisant werd gepleegd door verdachte. Dit is voldoende aanleiding geweest om vervolging in te stellen tegen verdachte.

De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Het openbaar ministerie heeft een ruime discretionaire bevoegdheid om te beslissen of een verdachte moet worden vervolgd. Deze vervolgingsbeslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, in dit geval dus het verbod op willekeur.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen, dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging1. Ten aanzien van het verbod op willekeur geldt voorts dat het ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte.

Uit het dossier en de nadere toelichting van de officier van justitie ter zitting kan worden afgeleid dat de vervolging is ingesteld naar aanleiding van de constatering door een verbalisant van een excessieve overtreding, te weten een (aantal) buitensporige overschrijding(en) van de maximum snelheid. Dat op het internet meerdere constateringen zijn te vinden van (excessieve) overtredingen en dat niet tegen (al) die overtredingen wordt opgetreden, maakt nog niet dat met het instellen van vervolging van onderhavige overtreding sprake is van willekeur. In dat verband overweegt de kantonrechter dat onder de omstandigheden dat er meerdere malen kort achter elkaar dermate hard wordt gereden, dat wordt gefilmd en dat vervolgens wordt geplaatst op YouTube maakt dat er meer dan voldoende reden is om tot vervolging over te gaan. Daarnaast geldt dat gesteld noch gebleken is van de kant van de verdediging dat er identieke gevallen zijn die niet zijn vervolgd. De overtreding en de wijze waarop deze voor een breed publiek in beeld is gebracht, is dus zodanig dat moeilijk voorstelbaar is dat daartegen niet wordt opgetreden.

De politie heeft uitgebreid onderzoek verricht en mogelijk uitgebreider dan normaal gesproken. Dat ligt bij een persoon met een voorbeeldfunctie en bekendheid zoals deze verdachte, en die in verband kan worden gebracht met dit filmpje en daar door het posten ervan kennelijk ruchtbaarheid aan wil geven, in de lijn der verwachting en is verdedigbaar.

Dat enig ander persoon die zich op dat moment ook in de auto bevond in een vergelijkbare positie als die van verdachte, die bestuurder lijkt te zijn, verkeerde is niet (genoegzaam) gebleken. Hierin kan evenmin een grond worden gevonden voor het standpunt dat sprake is van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing, die meebrengt dat een vervolging van verdachte onverenigbaar is met beginselen van de goede procesorde.

De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat er geen sprake is van schending van het verbod op willekeur.

Volgens de raadsman is verder sprake van (ernstige) vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. De auto is onrechtmatig in beslag genomen en in het dossier zijn geen machtigingen van de rechter-commissaris aangetroffen voor het opvragen van de gegevens bij ASR Traffic & Transport Technology (hierna: ASR) en Moving Intelligence (hierna: Technocon). Daar komt bij dat de vorderingen tot het verstrekken van de gegevens ten onrechte zijn gebaseerd op artikel 126nd, zesde lid, Sv. De raadsman meent dat verdachte hierdoor onevenredig in zijn belangen is getroffen en daarvan nadeel heeft ondervonden. Dit dient primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden. Subsidiair is bewijsuitsluiting aan de orde, hetgeen tot vrijspraak moet leiden, nu de bewijsconstructie van het openbaar ministerie alsdan is gestoeld op onrechtmatig verkregen bewijs.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag inderdaad ten onrechte is gelegd op grond van artikel 94 Sv, maar meent dat volstaan kan worden met de constatering van het vormverzuim nu de inbeslagname verdachte niet in zijn belangen heeft geschaad. De officier van justitie voert hiertoe aan dat de auto niet aan verdachte toebehoorde en hij deze ook niet in zijn bezit had op het moment van de inbeslagname. Daarnaast is ook geen bewijs voortgevloeid uit de inbeslagname dat als ‘fruit of the poisonous tree’ kan worden beschouwd. De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de machtigingen tot het opvragen van de gegevens bij ASR en Technocon er wel degelijk zijn, hoewel ten onrechte niet in het dossier gevoegd, en hij heeft deze ter zitting digitaal aan de raadsman en de kantonrechter ter beschikking gesteld.

De kantonrechter is van oordeel dat ook dit betoog van de raadsman niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daartoe wordt vooreerst – met de raadsman en de officier van justitie – vastgesteld dat de inbeslagname van de auto onrechtmatig was. Nu verdachte evenwel niet de eigenaar van de auto was en hij deze ten tijde van de inbeslagname ook niet in zijn bezit had, wordt – bij gebreke van enig ander daartoe strekkend argument – niet ingezien dat verdachte door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Gelet daarop kan worden volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim.

Gezien de ter zitting nog verstrekte stukken en de toelichting van de officier van justitie is van het gestelde ontbreken van machtigingen terzake het opvragen van gegevens bij ASR en Technocon geen sprake. Dat deze machtigingen niet verstrekt hadden mogen worden wordt ook niet ingezien. Sprake is immers van verdenking van een ander (lichter) feit dan bedoeld in het eerste lid van artikel 126nd Sv, terwijl de bevoegdheid ex artikel 126nd, zesde lid, Sv juist met het oog op minder ernstige strafbare feiten in het leven is geroepen. Om er voor te waken dat van deze bevoegdheid te ruim gebruik wordt gemaakt, is bepaald dat machtiging van de rechter-commissaris nodig is. De rechter-commissaris heeft kennelijk geoordeeld dat sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat de machtigingen konden worden verleend, hetgeen – gelet op de omstandigheden van het geval – de kantonrechter niet onbegrijpelijk voorkomt.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder 1 primair tenlastegelegde feit en van hetgeen verdachte onder feit 2, vijfde gedachtestreepje (gepleegd op 2 juni 2016 te Tilburg aan de Ringbaan-Oost), wordt verweten. Verdachte is door verbalisanten en door een getuige herkend als degene die achter het stuur van de auto te zien is in het door verdachte op zijn YouTube-kanaal geplaatste filmpje en strafrechtelijk onderzoek wijst uit dat de geconstateerde snelheidsovertredingen op 2 juni 2016 zijn begaan. De officier van justitie wijst daartoe op genoemd filmpje en voorts (onder meer) op de KNMI weergegevens en de gegevens van Technocon, inhoudende de ritgegevens van de auto en de daarbij behaalde snelheden. De officier van justitie meent dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de overige onder feit 2 genoemde snelheidsovertredingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat niet duidelijk is (geworden) of het verdachte is die in het filmpje als bestuurder van de auto wordt gezien. De herkenning(en) zijn gebaseerd op aannames. Het betreffende filmpje betreft een gemanipuleerde video waarin kennelijk is geknipt. Het ruwe beeldmateriaal ontbreekt waardoor niet vastgesteld kan worden of geen sprake is van een vertekend beeld van de realiteit. Daarnaast zijn in het filmpje ook andere personen in en bij de auto te zien en kan niet worden uitgesloten dat een ander dan verdachte achter het stuur van de auto heeft gezeten op het moment dat de gestelde snelheden zijn behaald. Voor wat betreft die snelheden van de auto stelt de raadsman zich op het standpunt dat getwijfeld moet worden aan de gegevens van Technocon waarop het openbaar ministerie zich baseert. Een eenvoudige berekening van de gemiddelde snelheid toont aan dat de afgelegde afstand niet juist is, terwijl voorts niet is vastgesteld of de wijze van registratie door Technocon voldoet aan de eisen die het Keurmerk RitRegistratieSystemen hieraan stelt. Voor zover al van de gestelde snelheden kan worden uitgegaan, betekenen die nog niet zonder meer dat sprake is van overtreding op grond van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) nu een enkele overschrijding van de maximaal toegestane snelheid onvoldoende is om het gevaar te construeren waarop in artikel 5 WVW wordt gedoeld. Voor het subsidiair ten laste gelegde artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) is vereist dat de snelheid wordt vastgelegd middels daartoe bestemde meetmiddelen en daarvan is, volgens de raadsman, in casu geen sprake.

4.3

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.4

De bewijsoverwegingen

Op basis van het procesdossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht stelt de kantonrechter vast dat het verdachte is die de auto bestuurt in het filmpje dat op het YouTube-kanaal van verdachte is aangetroffen en dat aanleiding was voor het strafrechtelijk onderzoek. Zowel verbalisant [verbalisant] als getuige [getuige] geven aan verdachte te herkennen als de bestuurder van de auto en voorafgaand aan de beelden van verdachte als bestuurder van de rijdende auto is hij ook in beeld te zien, staand voor de auto, waarbij uit zijn uitlatingen op dat moment kan worden afgeleid dat hij degene is die de auto gaat besturen. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Dit is vanzelfsprekend zijn goed recht, maar onder de gegeven omstandigheden had het op zijn weg gelegen om – indien hij van mening zou zijn dat hij niet degene was die de auto heeft bestuurd, hetgeen hij overigens niet heeft gesteld – aan te geven wie dan wel de bestuurder van de auto in het YouTube-filmpje was, dan wel aan te geven waarom hij het in ieder geval niet is geweest. Verdachte heeft dit, om hem moverende redenen, niet gedaan. Daarmee heeft hij het voor de kantonrechter onmogelijk gemaakt om rekening te houden met enig alternatief scenario. De enkele, niet nader feitelijk onderbouwde, (veronder)stelling van de raadsman dat het filmpje gemanipuleerd is en er in geknipt is, is daarvoor onvoldoende.

Wat de snelheid betreft is de kantonrechter van oordeel dat uit het filmpje kan worden afgeleid dat verdachte er van is uitgegaan dat hij met een snelheid van 300 km/u heeft gereden. Uit het politieonderzoek is gebleken dat de auto die snelheid ook (bijna) kon halen en de gegevens uit de ritregistratie bevestigen dat de auto op een aantal momenten de tenlastegelegde snelheden ook heeft gehaald. Daar komt bij dat de beelden van de omgeving waar de auto in het filmpje reed matchen met de locatie waar de snelheden zijn geregistreerd. Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden bestaat bij de kantonrechter geen twijfel over de juistheid van de geregistreerde snelheden. Daaraan doet niet af het betoog van de raadsman omtrent de gemiddelde snelheid en de conclusies die hij daaraan verbindt. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat dit betoog is gestoeld op een onjuiste wijze van berekening van de gemiddelde snelheid.

Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat verdachte als bestuurder van de auto pieksnelheden van 248 km/u tot 298 km/u heeft gereden op 2 juni 2016 op de rijkswegen A2, A58 en A67 en vervolgens op diezelfde datum op de Ringbaan-Oost te Tilburg 165 km/u. Terecht wordt gesteld dat de enkele overtreding van de maximum snelheid niet zonder meer een overtreding van artikel 5 WVW oplevert. De kantonrechter weegt hierbij echter mee dat sprake is van buitengewone ernstige overtredingen van de maximum snelheid, terwijl beduidend langzamer rijdend (vracht)verkeer aanwezig was op de rijstroken gelegen naast die waarop verdachte reed. Door met meerdere malen op een traject van ongeveer 40 kilometer met deze excessief hoge snelheden te rijden, waarop andere verkeersdeelnemers niet bedacht zijn en ook niet bedacht behoeven zijn, heeft verdachte wel degelijk een grote mate van gevaarzetting doen ontstaan voor medeweggebruikers, zijn medepassagiers en zichzelf. Dat dit op het moment van de overtreding op de Ringbaan-Oost, zijnde binnen de bebouwde kom van Tilburg, anders was valt niet op te maken uit het procesdossier en ook niet uit de verklaring van verdachte. Daarbij wordt meegewogen dat hij tot 165 km/u heeft gereden binnen de bebouwde kom van een grote stad op een weg die – ook op het vroege ochtenduur waarop de overtreding begaan werd – door soms zeer langzaam rijdend en ook kruisend verkeer gebruikt pleegt te worden. Dit rijgedrag wordt dan ook als bijzonder gevaarzettend aangemerkt.

Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter feit 1 primair en feit 2 primair, vijfde gedachtestreepje, wettig en overtuigend bewezen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de kantonrechter van oordeel dat voor de feiten die verdachte onder feit 2 voor het overige zijn tenlastegelegd onvoldoende bewijs voorhanden is, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Eindhoven en/of te Tilburg, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig te weten een personenauto (merk/type Audi RS6) voorzien van het kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Rijksweg A67 en/of de Rijksweg A2 en/of de Rijksweg A58 (telkens in de richting van Tilburg), (bij voortduring) met (te) hoge snelheid (te weten met (een) snelheid/snelheden van respectievelijk ongeveer 289 kilometer per uur en/of 248 kilometer per uur en/of 293 kilometer per uur) heeft gereden, terwijl op de naast hem gelegen rijstro(o)k(en)/uitvoegstro(o)k(en)/afrit(ten)
van die voornoemde Rijksweg(en) zich (veel langzamer) rijdende voertuigen bevonden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 2 juni 2016 te Eindhoven en/of te Tilburg, althans inNederland, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto merk/type Audi RS6) voorzien van het kenteken [kenteken] op de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), te weten de Rijksweg A67 en/of de Rijksweg A2 en/of de Rijksweg A58 (telkens in de richting van Tilburg), bij voortduring geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod
of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur was aangegeven heeft gereden met een snelheid/snelheden van ongeveer 289 kilometer per uur en/of 248 kilometer per uur en/of 293 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met (telkens) meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden;
2
hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2016 tot en met 6 juni 2016 te Tilburg, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto merk/type Audi RS6 kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Spoorlaan en/of de Bosscheweg en/of de Centaurusweg en/of de Jules Verneweg en/of de Ringbaan Oost en/of de Ringbaan West, allen gelegen binnen de bebouwde kom, met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid heeft gereden, namelijk:
-176 kilometer per uur (op 27 maart 2016 op de Spoorlaan, zie pagina 307 t/m 312) en/of

-153 kilometer per uur (op 2 april 2016 op de Bosscheweg, zie pagina 301 t/m 306) en/of
-149 kilometer per uur (op 14 mei 2016 op de Centaurusweg, zie pagina 272 t/m 283) en/of
-163 kilometer per uur (op 16 mei 2016 op de Jules Verneweg, zie pagina 294 t/m 300) en/of
-165 kilometer per uur (op 2 juni 2016 op de Ringbaan Oost, zie pagina 313 t/m 319) en/of
-181 kilometer per uur (op 6 juni 2016 op de Ringbaan West, zie pagina 284 t/m 293),
door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2016 tot en met 6 juni 2016 te Tilburg, althans in Nederland, binnen de bebouwde kom, (te weten de Spoorlaan en/of de Bosscheweg en/of de Centaurusweg en/of de Jules Verneweg en/of de Ringbaan Oost en/of de Ringbaan West), als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto merk/type Audi RS6 kenteken [kenteken] ) telkens heeft gereden met een snelheid van ongeveer:
-176 kilometer per uur (op 27 maart 2016 op de Spoorlaan, zie pagina 307 t/m 312) en/of
-153 kilometer per uur (op 2 april 2016 op de Bosscheweg, zie pagina 301 t/m 306) en/of
-149 kilometer per uur (op 14 mei 2016 op de Centaurusweg, zie pagina 272 t/m 283) en/of
-163 kilometer per uur (op 16 mei 2016 op de Jules Verneweg, zie pagina 294 t/m 300) en/of
-165 kilometer per uur (op 2 juni 2016 op de Ringbaan Oost, zie pagina 313 t/m 319) en/of
-181 kilometer per uur (op 6 juni 2016 op de Ringbaan West, zie pagina 284 t/m 293)
in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met (telkens) meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De kantonrechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor feit 1 primair 1 week hechtenis geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte een bedrag ter hoogte van € 4.150,00 stort in een schadefonds en voorts de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig voor de duur van 2 jaren.

Voor feit 2 primair, vijfde gedachte streepje, vordert de officier van justitie 1 week hechtenis geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte een bedrag ter hoogte van € 2.850,00 stort in een schadefonds en voorts de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig voor de duur van 6 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte reeds zwaar getroffen is door het strafrechtelijk onderzoek. Het rijbewijs van verdachte is geruime tijd ingenomen onder valse voorwendselen vanuit het onderzoeksteam van politie. Verdachte is hier nimmer van in kennis gesteld. Daarnaast is de raadsman van mening dat de redelijke termijn inmiddels ruimschoots overschreden is. Het tenlastegelegde feit dateert van ruim tweeëneenhalf jaar geleden waarbij de aanvang van de vervolging vastgesteld kan worden op de datum van 2 september 2016 zijnde de datum van inbeslagname van de auto. Vast uitgangspunt in de rechtspraak is dat de behandeling van een strafzaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Hiermee dient uitdrukkelijk rekening te worden gehouden. Namens verdachte is door de raadsman voorts aangevoerd dat hij afhankelijk is van zijn rijbewijs om naar optredens en andere verplichtingen te gaan. Daarbij wordt in vergelijkbare strafzaken zelden een onvoorwaardelijke rijontzegging tot het besturen van motorvoertuigen opgelegd. De raadsman verzoekt, indien er een bewezenverklaring volgt, tot oplegging van een geheel voorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen en refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de hoogte van een eventueel op te leggen geldboete.

6.3

Het oordeel van de kantonrechter

Verdachte heeft zich op 2 juni 2016 meermalen schuldig gemaakt aan buitengewoon gevaarzettend rijgedrag. Door met de door verdachte gebezigde snelheden over de snelweg en binnen de bebouwde kom te rijden, terwijl zich op die wegen (veel) ander verkeer bevond, heeft verdachte levensgevaarlijke situaties in het leven geroepen. Een argeloze bestuurder, ook als deze oplettend gebruik maakte van zijn spiegels, had nooit adequaat kunnen reageren op het rijgedrag van verdachte en behoefde daarop ook niet bedacht te zijn. Verdachte op zijn beurt had met die snelheden ook nooit adequaat kunnen reageren op voertuigen, die zich ‘ineens’ in het kader van een volstrekt correct uitgevoerde inhaalmanoeuvre op zijn rijstrook zouden begeven, of op voetgangers of fietsers, die in de ochtenduren nietsvermoedend gebruik zouden maken van de weg, die door verdachte als racebaan werd gebruikt. Dit gedrag is zeer afkeurenswaardig, en te meer nu verdachte een bij een breder – en ook zeker jong – publiek bekend persoon is en zijn gedrag, zeker ook door de manier waarop hij het bekend heeft gemaakt, een uitstralend effect heeft, met alle levensgevaarlijke gevolgen van dien – bijvoorbeeld bij kopieergedrag. Gelet daarop moet hiertegen streng worden opgetreden.

Behalve hiermee wordt bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen straffen nog met een aantal andere omstandigheden rekening te houden. Allereerst met het tijdsverloop. Anders dan de raadsman betoogt is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. In dat verband wordt acht geslagen op het feit dat de daadwerkelijke kennisgeving van verdenking van het plegen van een strafbaar feit aan verdachte heeft plaatsgevonden op het moment dat hij een uitnodiging tot verhoor (als verdachte) heeft ontvangen, zijnde op 29 augustus 2017. Dat verdachte eerder op de hoogte was van de strafrechtelijke verdenking is niet genoegzaam feitelijk onderbouwd gesteld noch gebleken. De redelijke termijn is dan ook niet geschonden. Anderzijds wordt wel geconstateerd dat de feiten bepaald gedateerd zijn en zal de kantonrechter zich niet doof houden voor het betoog van verdachte zelf, dat hij ten tijde van de verweten gedragingen nog erg jong was en dat hij zich in de afgelopen jaren – zeker ook ten opzichte van die tijd – in positieve zin heeft ontwikkeld. Hij is niet meer de persoon die hij was in 2016, aldus verdachte. Dit spreekt voor hem. Daarbij komt dat verdachte, gelet op zijn justitiële documentatie, ten tijde van de overtredingen was te beschouwen als een ‘first offender’ inzake overtredingen van de Wegenverkeerswet. Verder wordt bij de bepaling van de straf betrokken dat de thans te bestraffen feiten ook betrokken hadden kunnen worden bij zaken waarvoor verdachte inmiddels is veroordeeld.

Rekening houdend met al deze aspecten en in het achterhoofd houdend dat met het opleggen van een straf meerdere doelen gediend kunnen zijn, zoals het toevoegen van leed, maar ook het voorkomen van herhaling, is de kantonrechter van oordeel dat vooral voorkomen moet worden dat verdachte nogmaals dergelijke overtredingen begaat én dat anderen zijn gedrag gaan kopiëren. Met het oog daarop kan niet worden volstaan met een andere sanctie dan met een forse ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, waarvan een gedeelte voorwaardelijk zal worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde een aanzienlijke geldelijke storting in een schadefonds ten behoeve van verkeersslachtoffers. Daarbij wordt niet uit het oog verloren dat het gedrag van verdachte (gelukkig) niet tot verkeersslachtoffers heeft geleid, maar juist benadrukt dat dit gelukkige gevolg bepaald niet aan het rijgedrag van verdachte te wijten is.

Voor zover sprake is geweest van een situatie dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest in verband met de onderhavige feiten, zal hiermee rekening dienen te worden gehouden in de vorm van aftrek.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 62, 63, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 5, 177, 178, 179 en 188 van de WVW zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De kantonrechter:

vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde feit onder de gedachtestreepjes; een, twee, drie, vier en zes;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

feit 2 primair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

feit 1 primair : veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde uiterlijk op 30 april 2019 een geldbedrag ter hoogte van 4.000,00 euro zal storten in een schadefonds bestemd voor verkeersslachtoffers;

feit 2 primair - onder gedachtestreepje vijf -: veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde uiterlijk op 30 april 2019 een geldbedrag ter hoogte van 2.500,00 euro zal storten in een schadefonds bestemd voor verkeersslachtoffers;

bepaalt dat de tijd dat veroordeelde zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter: mr. Goossens, in tegenwoordigheid van Van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 januari 2019.

1 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, r.o. 2.4.