Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3331

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
02-665193-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verkrachting. Onvoldoende steunbewijs. Veroordeling in bezit hebben en verspreiden kinderporno. Minderjarige verdachte. Proces-verbaal van bevindingen schriftelijk bescheid in de zin van artikel 339, lid 1, sub 5, Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665193-18

vonnis van de meervoudige kamer van 24 juli 2019

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren te [geboortedag] 2003 te [geboortedatum]

wonende te [adres]

raadsman mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zittingen van 5 juli 2019 en 10 juli 2019, waarbij de officieren van justitie, mr. De Graaf respectievelijk mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op een tijdstip in de periode van 2 januari 2018 tot en met 8 januari 2018 te Breda, althans in Nederland, door feitelijkheden en/of bedreiging met feitelijkheden [naam 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam 1] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [naam 1] geduwd/gebracht en bestaande die feitelijkheden en/of die bedreiging met feitelijkheden hierin dat verdachte die [naam 1] heeft gedreigd een of meerdere foto(s), waarop die [naam 1] (gedeeltelijk) naakt staat afgebeeld, te plaatsen/publiceren op

internet/instagram/snapchat;

art 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 23 december 2017 tot en met 11 januari 2018 te Breda, althans in Nederland, afbeeldingen, te weten foto's en/of een gegevensdrager (Ipad) bevattende afbeeldingen, te weten foto’s van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of verworven en/of in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het geheel of gedeeltelijk naakt (laten)

poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij door de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en/of de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;

(5005.JPG #1 [pagina 1 toonmap] en 5005.JPG #2 [pagina 1 toonmap] en 5005.JPG

#8 [pagina 3 toonmap]);

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal

De officier van justitie is van mening dat het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal kan worden meegewogen in het bewijs. Toen verdachte met de verbalisant sprak, was er geen sprake van een verhoorsituatie. Verdachte wilde zelf met de politie praten. De politie heeft verdachte laten praten. Er hoefde geen advocaat aanwezig te zijn bij dit gesprek. Verdachte wilde niet dat zijn moeder bij het gesprek aanwezig was.

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde verkrachting heeft gepleegd. [naam 1] heeft bij de zorgcoördinator, bij de onderwijsondersteuner van school en bij de politie telkens verteld dat verdachte haar heeft gedwongen tot het hebben van seks. [naam 1] heeft één keer seks gehad met verdachte in Breda. Verdachte ging één keer met zijn penis in haar vagina. Toen [naam 1] zei dat het pijn deed, haalde verdachte zijn penis er weer uit. Er bestaat alleen onduidelijkheid over de precieze datum van de verkrachting. Tegenover de veelal consistente verklaring van [naam 1] staat de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte. Verdachte heeft kennelijk leugenachtig verklaard over het ontvangen van naaktfoto’s, het contact met [naam 2] , het contact met [naam 1] in de kerstvakantie 2017/2018 en het gesprek weergegeven op pagina 12 van het eindproces-verbaal. De officier van justitie baseert zich voor het bewijs tevens op het appbericht dat [naam 1] aan verdachte heeft gestuurd op 2 januari 2018. [naam 1] zegt dan tegen verdachte dat hij haar pijn heeft gedaan. Dat de moeder van [naam 1] verklaarde dat [naam 1] toen zij thuis kwam direct is gaan douchen, sterkt de officier van justitie in de overtuiging dat de verkrachting op 2 januari 2018 is gepleegd.

Feit 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte kinderporno in zijn bezit heeft gehad en die heeft verspreid. [naam 1] heeft verklaard dat verdachte haar onder druk zette om naaktfoto’s te versturen naar hem. Uiteindelijk heeft [naam 1] foto’s van haar vagina en borsten gemaakt en aan verdachte gestuurd. Er zijn meerdere foto’s van borsten en een vagina aangetroffen op de iPad van verdachte. Op die foto’s is ook de accountnaam van [naam 1] te zien. Verdachte heeft verklaard dat hij de iPad gebruikte. Een goede vriend van hem gebruikte de iPad ook, maar daar was verdachte altijd bij aanwezig. Uit het chatgesprek op Instagram van 6 januari 2018 tussen [naam 2] en verdachte kan worden opgemaakt dat verdachte naaktfoto’s van [naam 1] heeft en dat [naam 2] deze toegestuurd wil krijgen. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat hij twee naaktfoto’s heeft gekregen van verdachte. De politie ziet op de telefoon van [naam 2] dat die twee foto’s via Instagram zijn verstuurd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal

Het gesprek van verdachte met de politie dient naar de mening van de verdediging te worden aangemerkt als een verhoorsituatie. Verdachte heeft geen gebruik kunnen maken van consultatie- en verhoorbijstand. De verklaring van verdachte die is verwoord in dit proces-verbaal van bevindingen dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

Feit 1

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van dit feit kan komen. Er is geen technisch bewijs. Het enige dat voorligt is de verklaring van [naam 1] , die bovendien niet erg consistent en geloofwaardig is. Er wordt wisselend verklaard over de datum van de vermeende verkrachting en de verklaring is vrij summier. [naam 1] is voorts weinig kritisch bevraagd over bepaalde details en omschrijvingen. De verklaringen van verdachte zijn geen kennelijk leugenachtige verklaringen. Verdachte heeft de verkrachting altijd ontkend. Ten aanzien van het appbericht waaraan de officier van justitie refereert, merkt de verdediging op dat pijn een begrip is dat ook op een andere wijze kan worden geïnterpreteerd. Dat [naam 1] direct nadat zij thuis is gekomen is gaan douchen, kan ook niet als bewijs gelden voor dat er op die dag sprake is geweest van seks tussen [naam 1] en verdachte. Indien de rechtbank van oordeel is dat wel kan worden bewezen dat [naam 1] seks heeft gehad met verdachte, dan is de verdediging van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Alleen [naam 1] verklaart dat er sprake zou zijn geweest van dwang. Daar is verder geen bewijs voor. De verdediging bepleit verdachte vrij te spreken van dit feit.

Feit 2

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van dit feit kan komen. Verdachte heeft aangegeven dat hij van [naam 1] twee foto’s toegezonden heeft gekregen. Hierop stonden het ontblote boven- en onderlichaam. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte heeft gevraagd om de foto’s. Het commentaar dat onder de foto’s staat duidt er niet op dat de foto’s onder dwang zijn toegezonden. De overige afbeeldingen aangetroffen op zijn iPad kan verdachte niet verklaren. Niet uitgesloten kan worden dat de iPad buiten medeweten van verdachte door iemand anders is gebruikt. Verdachte heeft aangegeven dat hij [naam 2] niet kent. De verspreiding van de foto’s kan uit naam van verdachte hebben plaatsgevonden. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte de foto’s heeft ontvangen en doorgezonden, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dergelijk handelen te kwalificeren als een overtreding van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging bepleit verdachte vrij te spreken van dit feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemene bewijsoverweging

De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van de verdediging ten aanzien van het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal. De verdediging heeft aangevoerd dat dit proces-verbaal dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat verdachte niet is gewezen op zijn recht op consultatie- en verhoorbijstand.

De rechtbank overweegt als volgt.

De processen-verbaal van bevindingen

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 10 van het eindproces-verbaal blijkt dat verbalisant [naam verbalisant] op 11 januari 2018 omstreeks 10.45 uur in gesprek is gegaan met de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] , de zorgcoördinator respectievelijk mentor van de [school] te Breda. Tijdens dit gesprek hebben voornoemde personen – kort gezegd – verteld dat [naam 1] door verdachte gedwongen zou zijn tot het hebben van seks.

Op diezelfde dag omstreeks 11.30 uur is verbalisant [naam verbalisant] ook in gesprek gegaan met verdachte, zoals is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal. Verdachte was naar het politiebureau gekomen en had gevraagd of hij even met de verbalisant kon praten in afwezigheid van zijn moeder. Het gesprek heeft blijkens het proces-verbaal op vrijwillige basis plaatsgevonden en verdachte is ook niet de cautie medegedeeld. De verbalisant heeft met verdachte plaatsgenomen in een afgesloten ruimte aan de balie. De verbalisant merkt verder nog op dat verdachte een lichte verstandelijke beperking heeft. Verdachte heeft verteld over zijn relatie met [naam 1] , waarna hij verklaart over de later ten laste gelegde feiten. De verbalisant heeft verdachte duidelijk gemaakt dat er een onderzoek naar hem loopt.

Verhoorsituatie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de situatie waarin verdachte verkeerde gelijk te stellen is aan een verhoorsituatie.

Gelet op het feit dat de verbalisant kort voor het gesprek met verdachte een gesprek heeft gehad met de zorgcoördinator en de mentor, dat in dit gesprek de naam van verdachte als pleger van het later tenlastegelegde werd genoemd en dat er zo bezien op dat moment sprake was van een concrete verdenking van het plegen van een strafbaar feit, had de verbalisant op grond van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verdachte direct na zijn verzoek om met de verbalisant te praten de cautie moeten geven. De verbalisant kon op dat moment immers vermoeden dat verdachte mogelijk een belastende verklaring zou gaan afleggen. Aan verdachte had de cautie moeten worden gegeven en verdachte had op zijn recht op raadpleging van een advocaat (artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden) moeten worden gewezen. Dat verdachte heeft verklaard dat hij in afwezigheid van zijn moeder in gesprek wilde gaan met de verbalisant, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Integendeel, nu de verbalisant in gesprek is gegaan met een verdachte met een lichte verstandelijke beperking en zij hier blijkens het proces-verbaal van op de hoogte was, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de verbalisant gelegen juist extra voorzichtigheid te betrachten met het oog op het recht op consultatie- c.q. verhoorbijstand.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet geven van de cautie en het niet wijzen van verdachte op zijn recht op raadpleging van een advocaat, een onherstelbaar vormverzuim tijdens het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. De voornoemde verklaring, zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 12 van het eindproces-verbaal, zal door de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als een bewijsmiddel als bedoeld in artikel 339, lid 1, sub 2, Sv. Het proces-verbaal is immers een rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan.

De rechtbank overweegt in dit kader tot slot dat verdachte ter zitting van 10 juli 2019 heeft verklaard dat de verbalisant op pagina 12 van het eindproces-verbaal goed en juist heeft genoteerd wat hij met haar heeft besproken, zodat het proces-verbaal naar het oordeel van de rechtbank wel kan worden aangemerkt als schriftelijk bescheid in de zin van artikel 339, lid 1, sub 5, Sv en dientengevolge via die weg kan worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank zal nu overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de bewijsmiddelen.

Feit 1

Wettelijk kader

Verdachte wordt verdacht van de verkrachting van [naam 1] . Van verkrachting is sprake indien verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (artikel 242 Sr).

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (hierna: of verdachte seks heeft gehad met [naam 1] ). Indien dit het geval is, komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of verdachte [naam 1] heeft gedwongen om seks met hem te hebben.

Start van het onderzoek

Mevrouw [naam 5] , de moeder van [naam 1] , heeft op 13 januari 2018 in een informatief gesprek met de politie verklaard dat [naam 1] op de [school] in Breda zit. Op 10 januari 2018 is zij gebeld door [naam 3] , een zorgcoördinator van school. Hij vertelde dat [naam 1] op school had verteld dat zij tegen haar wil en onder dwang seks heeft gehad met klasgenoot [voornaam verdachte] . [voornaam verdachte] zou hebben gezegd dat hij foto’s van haar lichaam online zou zetten als zij geen seks met hem zou hebben.

[naam 5] heeft diezelfde dag namens [naam 1] aangifte gedaan van verkrachting door [verdachte] , verdachte. [naam 1] zou op 2 januari 2018 in Breda seks hebben gehad met verdachte. Dit heeft de moeder van school gehoord. [naam 1] en verdachte hebben een aantal weken verkering gehad.

[naam 1] is op 30 januari 2018 door de politie in een speciale verhoorstudio gehoord. [naam 1] verklaarde toen, kort gezegd, dat verdachte haar heeft gedwongen om seks met hem te hebben. [naam 1] had een relatie met verdachte. Zij heeft naaktfoto’s naar verdachte gestuurd. Verdachte zei dat hij de foto’s online zou zetten als [naam 1] geen seks met hem zou hebben. [naam 1] heeft om die reden één keer seks gehad met verdachte in Breda op 2 januari 2018, in de vakantie net na oud en nieuw. Verdachte ging met zijn piemel in haar vagina. Hij ging er één keer in. [naam 1] zei dat het pijn deed. Het deed pijn in haar vagina en buik.

Verdachte heeft verklaard dat hij verkering heeft gehad met [naam 1] . Hij ontkent dat hij seks met haar heeft gehad en dat hij haar heeft verkracht.

Tussenconclusie

In zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de gewraakte handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als bewijsmiddel voorhanden is. Ook in onderhavige zaak is dat het geval. De rechtbank stelt vast dat er enerzijds een aangifte en een belastende verklaring van [naam 1] ligt, waarin is opgenomen dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] . Anderzijds ligt er verdachtes ontkennende verklaring.

Wettig bewijs

Om te bepalen of er sprake is van voldoende wettig bewijs waaruit blijkt dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] , dient te worden vastgesteld of de aangifte en de verklaring van [naam 1] steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voornoemde aangifte en verklaring alleen zijn onvoldoende om te voldoen aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv, inhoudende dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze verklaring en aangifte moeten in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal, gelet op de ontkennende verklaring van verdachte. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat deze regel ziet op de tenlastelegging in haar geheel, zodat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging, waaronder begrepen de kern van de strafrechtelijke gedraging, dubbele bevestiging behoeft. Daarbij is van belang dat er sprake moet zijn van steunbewijs dat niet (alleen) van dezelfde bron afkomstig mag zijn.

De rechtbank zal nu bespreken of in de overige bewijsmiddelen uit het dossier steun is te vinden voor de aangifte en de verklaring van [naam 1] dat verdachte seks met haar heeft gehad.

De verklaring van de zorgcoördinator en de mentor van de [school]

In het dossier zit een verklaring van 11 januari 2018 van [naam 3] en [naam 4] , de zorgcoördinator respectievelijk de mentor van de [school] . [naam 1] heeft - aldus deze verklaringen - op school aangegeven dat zij verkering heeft gehad met verdachte. Verdachte heeft [naam 1] onder druk gezet om naaktfoto’s van zichzelf naar hem te sturen. [naam 1] heeft dit gedaan. Verdachte heeft gezegd dat hij die foto’s zou verspreiden als [naam 1] niet met hem naar bed zou gaan. Omdat [naam 1] bang was, is zij in de kerstvakantie met verdachte naar bed geweest. Dit is mogelijk op dinsdag of vrijdag geweest.

De verklaring van de onderwijsondersteuner van de [school]

De politie heeft daarnaast op 23 januari 2018 gesproken met mevr. [naam 6] (juf [naam 6] ), onderwijsondersteuner op de [school] . [naam 1] vertelde over een foto en dat een jongen op school die foto had. Op de vraag wie die jongen was, vertelde [naam 1] dat het om klasgenoot [afkorting voornaam verdachte] ging. [naam 1] vertelde dat zij verkering heeft gehad met [afkorting voornaam verdachte] . Ook vertelde [naam 1] dat zij met [afkorting voornaam verdachte] naar bed moest. Als zij dat niet zou doen, zou [afkorting voornaam verdachte] de foto’s op internet zetten. [naam 1] vertelde dat zij op vrijdag in de kerstvakantie met [afkorting voornaam verdachte] naar bed was geweest. Zij wilde het niet.

Tussenconclusie

De verklaringen van de zorgcoördinator, de mentor en de onderwijsondersteuner van de school bevatten naar het oordeel van de rechtbank een weergave van wat zij van [naam 1] hebben gehoord. Al deze verklaringen zijn te herleiden tot één bron: [naam 1] . Zij kunnen daarom, ook gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, op zichzelf niet voldoende steun bieden aan de aangifte en de verklaring van [naam 1] waarin staat dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] .

De enige bewijsmiddelen uit andere bron die zich voor het overige in het dossier bevinden zijn de eigen waarneming van de moeder van [naam 1] en het onderzoek van de telefoon van [naam 1] . De rechtbank zal bekijken of de aangifte en de verklaring van [naam 1] waarin is opgenomen dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] wel voldoende steun vinden in deze bewijsmiddelen.

De eigen waarneming van de moeder van [naam 1]

In de aangifte die [naam 5] namens [naam 1] heeft gedaan op 13 januari 2018 heeft [naam 5] uit eigen waarneming verklaard dat [naam 1] direct ging douchen toen zij op 2 januari 2018 thuis kwam.

Het onderzoek van de telefoon van [naam 1]

In het kader van het onderzoek in onderhavige zaak is de telefoon van [naam 1] onderzocht op contacten met verdachte. In haar chatgeschiedenis bevond zich onder meer een gesprek van 2 januari 2018, waarin door [account verdachte] contact met [naam 1] [telefoonnummer 2] ) is gezocht.

18.22.06

[voornaam verdachte] – Aa kkr hoer mijn dag is verpest door jou

18.22.31

[voornaam verdachte] – W8 maar

18.24.58

[naam 1] – Ik praat nii meer tegen je

18.25.08

[voornaam verdachte] – Hz nie

18.25.14

[naam 1] – Omdat je me pijn hebt gedaan

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat de eigen waarneming van de moeder dat [naam 1] op 2 januari 2018 direct is gaan douchen toen zij thuis kwam en het appbericht waarin [naam 1] zegt dat verdachte haar pijn heeft gedaan voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Er kan niet zonder meer het bewijs uit worden geput dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] . Ook deze bewijsmiddelen bieden daarom onvoldoende steun aan de aangifte en de verklaring van [naam 1] .

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat ook de verklaring van verdachte van 11 januari 2018 tegenover verbalisant [naam verbalisant] , die is verwoord in het proces-verbaal op pagina 12 van het eindproces-verbaal, welk proces-verbaal door de rechtbank in deze zaak wordt gezien als een schriftelijk bescheid, geen steun biedt voor de conclusie dat verdachte en [naam 1] seks hebben gehad.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aangifte en de verklaring van [naam 1] waarin staat dat verdachte seks heeft gehad met [naam 1] onvoldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Omdat er zodoende onvoldoende wettig bewijs is dat er handelingen hebben plaatsgevonden die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [naam 1] door verdachte, komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van dwang en daarmee van verkrachting. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van verdachte

De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat zij gelet op deze conclusie niet toekomt aan een beoordeling van de al dan niet kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van verdachte over feit 1.

Feit 2

Mevrouw [naam 5] heeft op 13 januari 2018 namens haar dochter [naam 1] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 10 januari 2018 van school heeft gehoord dat er blootfoto’s van [naam 1] zouden zijn gemaakt.1

[naam 1] is op 30 januari 2018 door de politie in een speciale verhoorstudio gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte haar vroeg om naaktfoto’s te versturen.2 Verdachte ging haar pushen.3 Verdachte zei dat [naam 1] het gewoon moest doen. Hij bleef maar zeuren.4 [naam 1] heeft een foto van haar vagina gemaakt. Zij heeft deze aan verdachte verstuurd. Ook heeft [naam 1] een foto van haar borsten gemaakt en deze aan verdachte gestuurd. Verdachte had contact met [naam 1] via zijn tablet.5

Verdachte heeft ter zitting van 10 juli 2019 verklaard dat [naam 1] hem twee foto’s heeft gestuurd. Het betreft een foto van haar borsten en een foto van haar vagina. Deze foto’s hebben de kenmerken “Image #1” en “Image #11”. Verdachte maakt gebruik van een iPad. Zijn Instagramaccount is ‘ [verdachte]6

Getuige [naam 2] heeft op 23 januari 2018 bij de politie verklaard dat hij in de klas zit bij [naam 1] en verdachte. Hij heeft via Instagram twee foto’s gehad van verdachte. [naam 2] heeft verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] het contact [verdachte] ’ laten zien. De verbalisanten zagen hierop twee foto’s staan: een foto van een vagina en een foto van een lichaam met blote borsten. Op beide foto’s stond de naam ‘ [naam 1] ’. De verbalisanten zagen dat de foto’s op 6 januari 2018 zijn verstuurd. [naam 2] heeft verklaard dat hij weet dat het [naam 1] is op die foto’s, omdat dit erbij staat.7

In het kader van het onderzoek in deze zaak werd door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een onderzoek ingesteld aan een tablet van het merk Apple, type iPad. Deze iPad was in beslag genomen onder verdachte. De verbalisanten zagen dat op de tablet meerdere foto’s stonden die, gezien de lay-out van de applicatie, kennelijk via Snapchat en/of Instagram of soortgelijke software werden verzonden naar het account dat op de betrokken tablet in gebruik was. De verbalisanten zagen dat er afbeeldingen op stonden van een naakt vrouwenlichaam. Enkele daarvan waren close-ups van een vagina en borsten. De verbalisanten zagen dat de afbeeldingen screenshots waren van afbeeldingen die in een tijdelijk bericht waren verzonden. De verbalisanten zagen bij de gegevens van de afbeeldingen dat deze waren gemaakt tussen 23 december 2017 en 6 januari 2018. De verbalisanten zagen dat enkele van de screenshots de accountnaam [naam 1] droegen als verzendende partij.8 Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat [naam 1] ten tijde van het maken van deze foto’s 14 jaar oud was.9

Verbalisant [verbalisant 2] heeft nader onderzoek verricht naar voornoemde iPad, die in beslag is genomen onder verdachte. Toen hij de applicatie Instagram opende, zag hij dat het automatisch ingelogde account ‘ [verdachte] betrof. Hij zag dat er bij de chatberichten in de applicatie Instagram een gesprek stond met de gebruiker [naam 2] . Dit gesprek was voorzien van een datum/tijdstempel ‘6 januari 2018 om 13:20’.10

Tussenconclusie

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat verdachte [naam 1] om naaktfoto’s heeft gevraagd, dat hij deze vervolgens in bezit heeft gehad en dat hij naaktfoto’s van [naam 1] via zijn iPad heeft doorgestuurd naar zijn klasgenoot [naam 2] . De rechtbank hecht daarom geen geloof aan de verklaring van verdachte – inhoudende dat hij [naam 2] niet kent, dat ook een goede vriend gebruikmaakte van zijn iPad en dat foto’s daarom mogelijk door een ander zijn verspreid – en laat deze onder verwijzing naar de bewijsmiddelen terzijde.

Kwalificatieverweer

De verdediging heeft daarnaast bepleit dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om het aan verdachte verweten handelen aan te merken als een overtreding van artikel 240b Sr.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 240b Sr volgt dat bij toepassing van dit artikel als uitgangspunt geldt dat het gaat om een gedraging die – als zij wordt vastgelegd – schadelijk is voor de jeugdige, óf omdat het tot die gedraging brengen al schadelijk is, óf vanwege de publicatie ervan (Kamerstukken II, 2001/02, 27745, 6, p. 8 en 9). De ratio van de strafbaarstelling is niet louter gelegen in de bescherming van de afgebeelde jeugdige, maar ook in de bescherming tegen gedrag dat kan worden gebruikt om jeugdigen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel gedrag en gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van jeugdigen bevordert.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat het beschermd belang dat artikel 240b Sr dient aldus uit meer dan hetgeen door de verdediging is benoemd. Het handelen dat verdachte wordt verweten druist in tegen het hierboven weergegeven belang dat artikel 240b Sr beoogt te beschermen. Dit betekent dat de rechtbank het verweer van de verdediging dienaangaande zal passeren. De rechtbank overweegt nog dat met de omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van verdachte en de soort en hoeveelheid afbeeldingen, bij een eventuele strafoplegging in de strafmaat rekening kan worden gehouden.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 23 december 2017 tot en met 11 januari 2018 te Breda kinderpornografische afbeeldingen van [naam 1] in bezit heeft gehad en heeft verspreid, zoals ten laste is gelegd onder feit 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 23 december 2017 tot en met 11 januari 2018 te Breda, afbeeldingen, te weten foto's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, heeft verspreid en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit het naakt poseren door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij door de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel en de borsten van die persoon in beeld gebracht worden, waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten ernstige feiten zijn, die langer geleden zijn gepleegd. Rekening dient te worden gehouden met het blanco strafblad, de leeftijd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren te vervangen door 90 dagen jeugddetentie. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden dat verdachte de gedragsinterventie ‘Ken je grens’ volgt, dat verdachte meewerkt aan het toezicht van de jeugdreclassering, ook als dat betekent een behandeling bij de GGZ, en een contactverbod ten aanzien van [naam 1] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voor het geval toch een veroordeling volgt benadrukt de verdediging dat verdachte een belast verleden heeft. Hij is met het gezin gevlucht uit Syrië. De situatie zet een zware druk op het gezinssysteem. Gelet op deze omstandigheden en het gesignaleerde cultuurverschil is het van belang dat verdachte professionele hulpverlening krijgt. De verdediging ziet geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie. Verdachte heeft een blanco strafblad en de ten laste gelegde feiten zijn al wat ouder. Verdachte kan instemmen met een contactverbod met [naam 1] en zal ook overigens meewerken aan voorwaarden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en verspreiden van naaktfoto’s van [naam 1] en dus van het in bezit hebben en verspreiden van kinderporno. Daarmee heeft verdachte in de eerste plaats [naam 1] schade berokkend. Door aldus te handelen heeft verdachte ook – zij het indirect – bijgedragen aan de productie van kinderpornografie en daarmee aan het in stand houden van de grove schending van de belangen van kinderen. Verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan deze wereldwijde, kwalijke en schadelijke ‘industrie’. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die kinderporno in bezit hebben en verspreiden.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de leeftijd van verdachte en op de leeftijd van [naam 1] en op het aantal afbeeldingen dat verdachte in bezit heeft gehad en heeft verspreid.

Naast de ernst van het feit heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte op geen enkele manier berouw heeft getoond en dat hij naar de rechtbank begrijpt zijn rol zelfs heeft proberen te bagatelliseren. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf tevens rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte.

Verder heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf meegewogen het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 13 juni 2019 en de toelichting hierop ter zitting. Over het algemeen is het beeld dat men heeft van verdachte positief. In de thuissituatie ervaren de ouders geen problemen. Verdachte doet het goed op school. Hij loopt stage en werkt. Verdachte groeit in twee werelden op. Thuis wordt verdachte opgevoed in een streng religieuze cultuur. Wanneer verdachte naar buiten gaat, krijgt hij te maken met de openlijkere en meer aanwezige seksualiteit in de Nederlandse samenleving. De Raad meent dat begeleiding van de jeugdreclassering op dit gebied passend is. Mocht een verdere behandeling noodzakelijk zijn, dan dient de jeugdreclassering dit in te kunnen zetten. De Raad adviseert de rechtbank verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat het verdachte wordt verboden om op welke wijze dan ook contact te leggen met [naam 1] en dat verdachte meewerkt aan behandeling door de GGZ, indien de jeugdreclassering dit nodig acht.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank alleen feit 2 bewezen acht, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand passend en noodzakelijk is. Daarbij zal de rechtbank verdachte, naast de algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden opleggen dat verdachte meewerkt aan een behandeling bij de GGZ, indien de jeugdreclassering dit nodig acht, dat verdachte de gedragsinterventie ‘Ken je grens’ volgt en dat verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] . Met deze voorwaardelijke straf en de daarbij behorende voorwaarden wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [naam 1] is een schadevergoeding gevorderd van

€ 6.016,85 voor feit 1, bestaande uit € 6.000,- ter zake van immateriële schade en € 16,85 ter zake van reiskosten.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2: Afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben en verspreiden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering uit te voeren door de Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Roosendaal als gecertificeerde instelling;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

* dat verdachte meewerkt aan een behandeling bij de GGZ, indien de jeugdreclassering dit nodig acht;

* dat verdachte de gedragsinterventie “Ken je grens” volgt;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] ;

- draagt deze gecertificeerde instelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Huiskamp, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Toekoen en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Saelman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 juli 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018008837 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 54. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] , pagina’s 15 tot en met 16.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 23.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 24.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 25.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 25.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 10 juli 2019.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 19.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 41.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 42.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 43.