Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3308

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
AWB 18_8334, 18_8338, 19_1959
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 3 januari 2018 heeft de douane te Antwerpen een hoeveelheid cocaïne aangetroffen in de constructiebalken van een container. Het betrof een hoeveelheid van in totaal ongeveer 40 kilogram cocaïne. Na het verwijderen van deze drugs is 7,7 gram teruggeplaatst en is de container vanwege opsporingsdoeleinden door politie en justitie onafgebroken gevolgd, waarbij zij zijn uitgekomen op het terrein van het bedrijf van eiseres sub 2. Zij huurt dit terrein van eiseres sub 1. Dit heeft geleid tot de lasten onder bestuursdwang om een bedrijfspand en een bijbehorende erf te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van twaalf maanden. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Eiseres sub 1 heeft geen procesbelang meer. Het beroep van eiseres sub 2 is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/8334 WET, 18/8338 WET en 19/1959 WET

uitspraak van 16 juli 2019 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

1. [naam eiseres1] ,te [plaatsnaam] , eiseres sub 1,

gemachtigde: mr. M.P. Wolf;

2. [naam eiseres2] .,te [plaatsnaam] , eiseres sub 2,

gemachtigde: mr. W.A.J.A. Welten

en

de burgemeester van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 24 oktober 2018 (bestreden besluiten) inzake de ongegrond verklaring van hun bezwaren tegen de sluiting van het terrein aan de [adres] te [plaatsnaam] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 mei 2019. Eiseres sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Wolf en mr. E.C.J. Wouters. Eiseres sub 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A.J.A. Welten, [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E.J. Wuyts en M.A.P. Moreau.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 3 januari 2018 heeft de douane te Antwerpen een hoeveelheid cocaïne aangetroffen in de constructiebalken van een container met houtafval, afkomstig van een bedrijf uit Ecuador. Het betrof een hoeveelheid van in totaal ongeveer 40 kilogram cocaïne. Na het verwijderen van deze drugs is 7,7 gram teruggeplaatst en is de container vanwege opsporingsdoeleinden door politie en justitie onafgebroken gevolgd, waarbij zij zijn uitgekomen op het terrein van het bedrijf van eiseres sub 2. Zij huurt dit terrein van eiseres sub 1.

Op 8 januari 2018 is op dit terrein tijdens een doorzoeking de hoeveelheid van 7,7 gram cocaïne aangetroffen in de container die op een vrachtwagen stond. Dit heeft geleid tot het voornemen van verweerder van 21 maart 2018 om het perceel te sluiten. Eiseressen hebben hun zienswijze over dit voornemen kenbaar gemaakt.

Bij de primaire besluiten van 11 mei 2018 heeft verweerder eiseressen elk afzonderlijk gelast om binnen twee weken na dagtekening van het besluit het bedrijfspand en het bijbehorende erf aan de [adres] te [plaatsnaam] te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van twaalf maanden. Daarbij is aangekondigd dat op 24 mei 2018 de sloten zullen worden vervangen, dat het pand en de omheining zullen worden verzegeld en dat een aankondiging op de gevel zal worden aangebracht.

Tegen deze besluiten hebben eiseressen bezwaar gemaakt. Zij hebben tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Eiseres sub 1 heeft haar verzoek vóór de behandeling tijdens de geplande tweede zitting weer ingetrokken. Het verzoek van eiseres sub 2 is bij uitspraak van 26 juni 2018 afgewezen.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, de primaire besluiten in stand gelaten.

2. Eiseres sub 1 heeft in haar beroepschrift ook beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift van eiseres sub 2. Dit is zaaknummer 19/1959 WET.

In haar pro forma bezwaarschrift van 20 juni 2018 heeft eiseres sub 1 uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het aan haar gerichte primaire besluit. In haar aanvullend bezwaarschrift van 1 juli 2018 heeft eiseres sub 1 voor het eerst te kennen gegeven dat zij ook bezwaar maakt tegen het aan eiseres sub 2 gerichte primaire besluit. Dit is buiten de termijn van zes weken na verzending van dat primaire besluit. Eiseres sub 1 heeft geen reden gegeven op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar geacht kan worden.

Eiseres sub 1 heeft ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake 19/1959 WET beroep kunnen instellen, maar zij had alvorens beroep in te stellen (tijdig) bezwaar moeten maken. Nu zij dit verzuimd heeft zal de rechtbank haar beroepschrift inzake 19/1959 WET niet-ontvankelijk verklaren.

3.1

Eiseres sub 1 heeft in haar beroep inzake 18/8334 WET primair betoogd dat verweerder niet bevoegd was de sluiting te gelasten en subsidiair dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid.

3.2

Ter zitting is gebleken dat eiseres sub 1 de huurovereenkomst met eiseres sub 2 niet heeft ontbonden en dat eiseres sub 2 huur blijft betalen. Weliswaar is er een huurachterstand maar eiseressen hebben de afspraak gemaakt dat eiseres sub 2 deze achterstand inloopt door één van haar chauffeurs te laten rijden voor het bedrijf van eiseres sub 1. Desgevraagd heeft eiseres sub 1 aangegeven dat zij nog procesbelang heeft omdat zij vreest dat eiseres sub 2 failliet gaat ten gevolge van de sluiting, waarna de gemeente de kosten van het opruimen van het terrein op haar zal gaan verhalen. De rechtbank acht dit evenwel geen aannemelijk scenario. Eiseres sub 2 heeft ter zitting verklaard dat de exploitatie wordt voortgezet voor zover dat mogelijk is zonder verwerking op eigen terrein en dat na afloop van de sluitingstermijn de exploitatie op het terrein aan de [adres] zal worden voortgezet. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres sub 1 geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het aan haar gerichte bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank ook het beroepschrift inzake 18/8334 WET niet-ontvankelijk verklaren.

4.1

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.2

Eiseres sub 2 heeft niet betwist dat verweerder bevoegd was het terrein (met de overkapping) te sluiten. Ook de rechtbank gaat hiervan uit.

4.3

Eiseres sub 2 heeft aangevoerd dat verweerder vanwege bijzondere omstandigheden de sluiting achterwege had moeten laten dan wel minder dan 12 maanden had mogen laten duren. Zij heeft hierbij gewezen op de grote financiële gevolgen van de sluiting en op het feit dat geen sprake is geweest van daadwerkelijke loop naar het terrein en evenmin van overlast of aantasting van de openbare orde. Daarnaast heeft eiseres sub 2 betoogd dat haar geen verwijt gemaakt kan worden.

4.4

De rechtbank stelt voorop dat een sluiting als de onderhavige altijd financiële gevolgen heeft voor de gebruiker van het lokaal met bijbehorend erf en dat dergelijke gevolgen in de jurisprudentie over artikel 13b van de Opiumwet niet doorslaggevend zijn geacht. De door eiseres sub 2 gestelde financiële consequenties vormen hierop geen uitzondering. Namens eiseres sub 2 is aangevoerd dat op het terrein nog 10.000 ton papier ligt maar verweerder heeft na de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening nogmaals een begunstigingstermijn gegeven om eiseres sub 2 de gelegenheid te geven om de voorraden af te voeren en de bedrijfsvoering elders voort te zetten. Daarnaast heeft verweerder toegezegd mee te werken aan het tussentijds openstellen van het perceel om de schade te beperken en de voorraden af te voeren. Voorts is hiervoor al aangegeven dat eiseres sub 2 bedrijfsactiviteiten voortzet voor zover daarbij verwerking op eigen terrein niet nodig is. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat eiseres sub 2 failliet zal gaan ten gevolge van de sluiting.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de inbeslagname van de drugs niet aan alle in de beleidsregels genoemde doelstellingen is voldaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de aangetroffen hoeveelheid drugs deel uitmaakte van een aanzienlijk grotere hoeveelheid van in totaal ongeveer 40 kg cocaïne, hetgeen wijst op een professionele organisatie van dit drugstransport. Voorts is een familielid van de beide vennoten van eiseres sub 2 strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld vanwege betrokkenheid bij het drugstransport. Door de effectuering van de last wordt voor een ieder duidelijk dat de overkapping en de daarbij behorende erven aan het drugscircuit zijn onttrokken.

4.6

In onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:90, is geoordeeld dat voor het mogen aanwenden van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet vereist is dat de betrokkene een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Het ontbreken van verwijtbaarheid kan een rol spelen in de belangenafweging. In het onderhavige geval heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet gezegd kan worden dat eiseres sub 2 geen verwijt treft. Zoals hiervoor reeds aangegeven was een familielid van de beide vennoten van eiseres sub 2 betrokken bij het drugstransport en is namens eiseres sub 2 ter zitting verklaard dat de schuifpoort die toegang geeft tot het terrein, nooit afgesloten was zodat de chauffeurs – ook ’s nachts – het terrein konden oprijden om hun lading te lossen.

4.7

In navolging van onder meer de uitspraak van AbRS van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:113, overweegt de rechtbank dat verweerder alle omstandigheden van het geval dient te betrekken bij zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In het bestreden besluit heeft verweerder alle specifieke omstandigheden van dit concrete geval nog eens tegen het licht gehouden, maar heeft hij daarin geen aanleiding gezien om geheel of gedeeltelijk terug te komen op het primaire besluit. De rechtbank acht deze uitkomst niet onredelijk.

5. Dit betekent dat het beroep van eiseres sub 2 inzake 18/8338 WET ongegrond verklaard dient te worden. Nu de beide beroepen van eiseres sub 1 niet-ontvankelijk verklaard zullen worden, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van eiseres sub 1 niet-ontvankelijk en verklaart het beroep van eiseres sub 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. V.E.H.G. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019

P.H.M. Verdonschot, griffier M.Z.B. Sterk, voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.