Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3271

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
02-025007-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerwet. Verlaten oprit met te hoge snelheid. Gegeven de omstandigheden was voetje voor voetje achteruit rijden geboden. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/025007-18

vonnis van de meervoudige kamer van 18 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1]
raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2019, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 29 juni 2017 te Yerseke, gemeente Reimerswaal als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bestelbus), daarmede rijdende over de weg, de Postweg zich zodanig heeft
gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend,
terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt/belemmerd, en/of
terwijl hij, verdachte, voornemens was en/of bezig was een bijzondere
manoeuvre uit te voeren zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, vanaf de oprit/uitrit van de woning
gelegen aan de [adres 2] achteruit de Postweg is opgereden met een
snelheid die te hoog lag voor een veilig verkeer ter plaatse waarbij hij,
verdachte, de bestuurder van een over de Postweg rijdende fiets niet voor
heeft laten gaan,
waardoor die fietser (genaamd [naam] ) zwaar lichamelijk letsel, te
weten een dwarslaesie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juni 2017 te Yerseke, gemeente Reimerswaal als
bestuurder van een voertuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg, de
Postweg,
terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt/belemmerd, en/of
terwijl hij, verdachte, voornemens was en/of bezig was een bijzondere
manoeuvre uit te voeren zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, vanaf de oprit/uitrit van de woning
gelegen aan de [adres 2] achteruit de Postweg is opgereden met een
snelheid die te hoog lag voor een veilig verkeer ter plaatse waarbij hij,
verdachte, de bestuurder van een over de Postweg rijdende fiets niet voor
heeft laten gaan,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg
werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,
voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in
dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Zij gaat hierbij uit van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Voor wat betreft het primair tenlastegelegde is er geen sprake van roekeloosheid, zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag of aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid rijgedrag aan de zijde van verdachte. Voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde is er geen sprake is van veroorzaken van gevaar of hinder op de weg. Verdachte heeft er, gegeven de situatie, alles aan gedaan om veilig vanuit de uitrit de weg op te komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 29 juni 2017 reed verdachte in een bestelbus de oprit aan [adres 2] te Yerseke op, omdat hij aan het werk was voor [bedrijf] om pakketten te bezorgen.1 De rechtbank heeft door middel van de foto’s in het dossier vastgesteld dat dit een relatief lange bestelbus betreft.2 Verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer één of twee weken voor het incident op het adres [adres 2] geweest is.3 Tevens heeft hij verklaard dat hij sinds ongeveer drie jaar vaste chauffeur is in dit gebied en sinds een jaar met de betreffende bestelbus reed. Op het adres [adres 2] moest hij één pakket afleveren. Hij heeft dit pakket afgeleverd en wilde de oprit verlaten. Verdachte heeft ervoor gekozen om achteruit de oprit af te rijden. Er zat een snelheidsbegrenzer op de bestelbus waarbij de achteruitrijsnelheid van de bestelbus was begrensd op 8 kilometer per uur. Verdachte heeft verklaard dat hij met ongeveer 7 kilometer per uur achteruit reed. De bestelbus was niet voorzien van hulpmiddelen om zicht te houden op het verkeer bij het achteruit rijden en was ook niet voorzien van een waarschuwingssignaal bij het achteruit rijden. Toen verdachte achteruit reed, zag hij een fietser op het fietspad aankomen rijden uit de richting van Kapelle.4 Dit bleek later [naam] te zijn (hierna: [naam] ).5 Verdachte zag dat [naam] dichtbij was en trapte hard op de rem. De bestelbus kwam tot stilstand en [naam] reed tegen de zijkant van de bus aan. Het veroorzaakte een harde klap. Uit de letselbeschrijving blijkt dat [naam] een dwarslaesie heeft door gebroken borstwervels met blijvende uitval van lichaamsfuncties zoals lopen.6

[naam] heeft verklaard dat hij met ongeveer 35-40 kilometer per uur op het fietspad reed en in een flits de bestelbus op de oprit achteruit zag rijden. Hij heeft geprobeerd een aanrijding te voorkomen door uit te wijken, hij dacht naar links, maar dit is niet gelukt. In het proces-verbaal van forensisch onderzoek verkeersdelict wordt bevestigd dat [naam] ongeveer 39 kilometer per uur reed.

Verkeerssituatie

De Postweg te Yerseke is een voorrangsweg. Het fietspad van de Postweg was een verplicht fietspad en werd fysiek gescheiden van de hoofdrijbaan door een grasberm met bomen. Het fietspad bestond uit één rijbaan, die door middel van een onderbroken as-markering was verdeeld in twee rijstroken bestemd voor verkeer in de richting van Kapelle en in de richting van Yerseke. Het fietspad werd doorsneden door een oprit, gesitueerd vanaf [adres 2] richting de Postweg. Er was geen maximumsnelheid voor bestuurders van fietsen op het fietspad.7

Verdachte heeft verklaard dat er naast het fietspad een hoge heg stond, waardoor het fietspad, vanaf de oprit van [adres 2] , moeilijk te overzien was.8 Uit het zichtonderzoek blijkt dat de begroeiing naast de oprit 140 centimeter hoog was, waarna de begroeiing doorliep tot 180 centimeter hoog. Tijdens dit onderzoek is tevens het mogelijke zicht van verdachte op [naam] vastgesteld op het moment dat hij met de bestelbus stilstond op de oprit. Vanuit deze positie was [naam] vanaf 10 meter mogelijk zichtbaar voor verdachte.9

Is er sprake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat verdachte op 29 juni 2017 in de bij het ongeval betrokken bestelauto heeft gereden. De bij dit ongeval bij [naam] ontstane dwarslaesie merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel. In artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) wordt het veroorzaken van de dood of (zwaar) lichamelijk letsel van een ander in het verkeer verboden. Het vereist een zogenoemd tweeledig causaal verband. Enerzijds moet er een causaal verband zijn tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval. Anderzijds moet er een causaal verband zijn tussen het verkeersongeval en het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Dat laatste staat, gelet op de feitenvaststelling en de letselbeschrijving, vast. Het eerstgenoemde causale verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval ziet op het schuldvereiste in de relatie tussen het gedrag en het verkeersongeval. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW valt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in zijn algemeenheid niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van dit artikel. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder die is begaan. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin, hoe ernstig ook die gevolgen kunnen zijn. Van schuld is sprake indien de verdachte zich roekeloos, dan wel in zeer of in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen.

Met roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW wordt gedoeld op de zwaarste schuldvorm in geval van overtreding van artikel 6 WVW. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid worden - gelet op rechtspraak van de Hoge Raad - strenge (motiverings)eisen gesteld. Dat geldt met name ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in artikel 175, derde lid, WVW omschreven gedragingen, omdat die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het op basis van artikel 175, tweede lid, WVW voor roekeloosheid geldende strafmaximum. Van dergelijk - in juridische zin - roekeloos handelen zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de term roekeloosheid in de zin van de WVW een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met de betekenis die in het normale spraakgebruik onder die term wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in dit concrete geval sprake is van roekeloosheid, moeten zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door buitengewoon onvoorzichtige gedraging(en) van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer van de in artikel 175, derde lid, WVW omschreven zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

De rechtbank is, gelet op de feitenvaststelling, van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat waaruit blijkt dat verdachte bewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen voor andere weggegebruikers en de verkeersveiligheid volledig heeft veronachtzaamd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte roekeloos in de zin van artikel 6 WVW heeft gehandeld en wordt hij hiervan vrijgesproken.

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van schuld in de zin van zeer of aanmerkelijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag overweegt de rechtbank het volgende.

Omdat verdachte sinds een jaar met de bestelbus reed voor zijn werk, kan hij worden aangemerkt als beroepschauffeur. Hij wordt geacht de kenmerken van de bus bij het rijden te kennen en hij moest dus weten op welke momenten hij extra voorzichtig moest zijn. Hiernaast is verdachte al drie jaar vaste chauffeur in het betreffende gebied, waardoor hij wordt geacht te weten hoe de verkeerssituatie op de Postweg was. Hij was ook al eerder op het betreffende adres geweest en was daardoor bekend met de situatie ter plaatse. Van verdachte had dan ook verwacht mogen worden dat hij extra voorzichtigheid en oplettendheid had betracht, gezien de vastgestelde situatie waarin hij, achteruitrijdend, zeer beperkt zicht had.

Verdachte heeft verklaard dat hij met ongeveer 7 kilometer per uur achteruit de oprit afreed. De rechtbank gaat van die snelheid uit aangezien de snelheid van de bestelbus op 8 kilometer per uur was begrensd. Op verdachte rustte de verplichting ter plaatse extra goed op te letten, nu hij een bijzondere manoeuvre uitvoerde, te weten het achteruit van een oprit de weg oprijden (artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Hij wist dat hij, voordat hij de weg kon opdraaien, eerst een fietspad moest kruisen en het verkeer op dat fietspad voorrang moest verlenen. De bestelbus beschikte niet over hulpmiddelen om zicht te houden op het fietspad, terwijl deze achteruit reed. Ook was geen sprake van waarschuwingssignalen tijdens het achteruit rijden. Hiernaast had verdachte door de begroeiing van de berm vanuit zijn bestelbus ook nog eens zeer beperkt zicht op het fietspad.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gegeven de omstandigheden, met een te hoge snelheid gereden. Hij had zijn snelheid meer moeten aanpassen. In zo’n onoverzichtelijke situatie had hij voetje voor voetje, dus aanmerkelijk langzamer dan 7 kilometer per uur, moeten gaan rijden, zodat hij voorrang kon verlenen aan weggebruikers op het fietspad. Op deze manier had hij de weggebruikers ook de mogelijkheid kunnen geven om uit te wijken op het moment dat hij het fietspad op kwam rijden. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte deze handelingen heeft verricht, terwijl hij een relatief lange bestelbus bestuurde. Er moet, in de gegeven situatie, extra voorzichtigheid door een bestuurder in acht worden genomen wanneer met een dergelijke bestelbus de rijbaan van zwakkere verkeersdeelnemers wordt gekruist, waar tevens het verkeer van verschillende kanten kan komen.

Naar het oordeel van de rechtbank kon en behoorde verdachte te voorzien dat zijn gedrag tot een ongeval kon leiden en had hij aldus anders moeten en kunnen handelen. Het gedrag van verdachte wijkt substantieel af van het gedrag van een voorzichtig verkeersdeelnemer en het wordt door de rechtbank aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en verwijtbaar gedrag.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. De rechtbank merkt de gedragingen niet aan als zeer onvoorzichtig en onoplettend aangezien is vastgesteld dat verdachte met een relatief geringe snelheid van 7 kilometer per uur heeft gereden. De conclusie is dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 29 juni 2017 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bestelbus), daarmede rijdende over de Postweg zich zodanig heeft
gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl het zicht van verdachte ter plaatse werd beperkt, en terwijl hij, verdachte, bezig was een bijzondere manoeuvre uit te voeren zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, vanaf de oprit/uitrit van de woning
gelegen aan de [adres 2] achteruit de Postweg is opgereden met een
snelheid die te hoog lag voor een veilig verkeer ter plaatse waarbij hij,
verdachte, de bestuurder van een over de Postweg rijdende fiets niet voor
heeft laten gaan, waardoor die fietser (genaamd [naam] ) zwaar lichamelijk letsel, te
weten een dwarslaesie, werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hiernaast vordert zij aan verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor 4 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om geen gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, omdat hierdoor niet alleen zijn leven, maar ook het leven van zijn gezin geruïneerd wordt. Hiernaast verzoekt verdediging een eventuele ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen (OBM) voorwaardelijk op te leggen, omdat de kans bestaat dat hij zijn werk kwijtraakt wanneer er een onvoorwaardelijke OBM wordt opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 29 juni 2017 met een bestelbus [naam] , die op de fiets reed, geen voorrang verleend op de Postweg te Yerseke. [naam] is tegen de bestelbus aangereden en het gevolg is dat hij een dwarslaesie heeft. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag vertoond. Het letsel biedt geen uitzicht op herstel en de gevolgen zijn dan ook blijvend. Het leed dat verdachte bij [naam] , zijn ouders, familie en vrienden heeft veroorzaakt, is zeer ingrijpend en onherstelbaar. [naam] was een jongen die midden in het leven stond en veel aan (wieler)sport deed. Door toedoen van verdachte is [naam] fysiek ernstig beperkt geraakt en staat zijn leven volledig op zijn kop. Ter zitting is namens [naam] verwoord welke gevolgen het ongeval voor hem heeft.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft een gezin en is kostwinner van dit gezin. Hiernaast is een geldig rijbewijs noodzakelijk voor zijn werk en daarmee voor zijn inkomen.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de relatieve ouderdom van het feit (29 juni 2017).

De rechtbank gaat voor de straftoemeting uit van de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit zijn de uitgangspunten voor rechters om tot strafoplegging te komen. Voor een zaak met een mate van schuld zoals in deze zaak is bewezenverklaard en met zwaar lichamelijk letsel als gevolg geldt als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden.

De rechtbank acht in deze zaak een taakstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden. Zij is voorts van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het feit, tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen moet volgen voor de duur van zes maanden, maar zij zal deze, gelet op het tijdsverloop sinds 29 juni 2017 en het feit dat verdachte een geldig rijbewijs nodig heeft om zijn werkzaamheden uit te voeren, geheel voorwaardelijk opleggen. Met deze strafoplegging wijkt de rechtbank sterk af van de eis van de officier van justitie. Dit komt mede door het feit dat de officier van justitie bij de eis is uitgegaan van een zwaardere mate van schuld en de rechtbank tot de lichtste mate van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet concludeert.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is

omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende

hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te

besturen voor de duur van 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

(twee) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te

besturen niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat

verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een

strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. I.M.L. Felix, rechters, in tegenwoordigheid van drs. T. Swint, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juli 2019.

Mrs. Van Voorthuizen en Felix zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met registratienummer: PL2000-2017153784 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 73. De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter zitting op 4 juli 2019.

2 Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict van 5 januari 2019, pagina 28, foto.

3 De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter zitting op 4 juli 2019.

4 De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter zitting op 4 juli 2019.

5 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [naam] , pagina 56.

6 De letselbeschrijving van [naam] van 21 november 2017.

7 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek verkeersdelict van 5 januari 2018, pagina 6, tweede alinea, pagina 7, eerste alinea.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 68, eerste en tweede alinea.

9 Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict van 5 januari 2019, pagina 23, eerste alinea, pagina 25, achtste alinea, pagina 33, tweede alinea.