Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3203

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
02-800565-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van hasjiesj, hennep en 176.600 Xtc-pillen en witwassen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Verdachte moet meewerken aan gedragsinterventie en moet zich ook aan andere voorwaarden houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800565-18

vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te PI Zuid West – De Dordtse Poorten, Kerkeplaat 25, 3313 LC Dordrecht

raadsman mr. E. Thomas, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juli 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Zegge, gemeente Rucphen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 176.600 tabletten (6181 gram), in elk geval een ((grote) handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine

(3,4-methyleendioxymethamfetamine), zijnde amfetamine

(3,4-methyleendioxymethamfetamine), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Zegge, gemeente Rucphen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 60 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of 5218,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 11 oktober 2018, te Zegge, gemeente Rucphen, althans in Nederland,

zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij van een contant geldbedrag van (ongeveer) 1445 euro, althans van enig(e) contant(e) geldbedrag(en), en/of

een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ), en/of een Audi A3 ( [kenteken 2] ) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze contante geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat de tenlastelegging van feit 3 ziet op diverse varianten van witwassen van twee auto’s en geldbedragen. Uit de behandeling ter zitting is gebleken dat de officier van justitie en de verdediging de tenlastelegging ook als zodanig hebben opgevat. In de afsluitende zinssnede over de wetenschap van verdachte worden echter slechts de geldbedragen genoemd en niet de auto’s/goederen. De rechtbank ziet deze omissie als een kennelijke verschrijving. Overigens zijn niet alleen de varianten witwassen en schuldwitwassen impliciet cumulatief opgenomen in de tenlastelegging, maar ook het eenvoudig witwassen.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie tenlastegelegde feiten heeft begaan. Voor feit 1 baseert zij zich op het aantreffen van de XTC-tabletten en de verklaring van verdachte dat hij de dozen voor iemand bewaarde en daarbij geen vragen over de inhoud van de dozen heeft gesteld. Voor feiten 2 en 3 baseert zij zich op het aantreffen van de hennep en hasjiesj en de bekentenis van verdachte dat hij handelde in hennep en met het geld dat hij daarmee verdiende ook zijn auto’s heeft betaald.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van alle feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 11 oktober 2018 hebben verbalisanten de woning van verdachte aan de [adres 2] te Zegge betreden1. In de trapkast van de woning zagen zij drie dozen. In de bovenste doos zaten pakketjes die met grijs plastic dicht geseald waren. Ook in de andere twee dozen zaten soortgelijke pakketjes. Deze dozen met pakketjes zijn in beslag genomen, er bleken pillen in de pakketjes te zitten.

De pillen zijn gewogen en bleken samen een nettogewicht van 61,81 kilogram te hebben2. Een afzonderlijke pil woog 0,35 gram. Hieruit is geconcludeerd dat er in totaal 176.600 pillen zijn aangetroffen. De pillen waren onderverdeeld in drie kleuren en van ieder van de drie kleuren is een monster genomen3. Deze monsters zijn onderzocht door het Nederland Forensisch Instituut (hierna NFI)4. Het NFI heeft geconcludeerd dat de drie monsters van de tabletten MDMA bevatten. Hierbij heeft het NFI ook vermeld dat MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de dozen waarin de pillen zijn aangetroffen, heeft bewaard voor een kennis5. De naam van deze kennis wilde hij niet noemen. Hij had het vermoeden had dat de inhoud van de dozen mogelijk softdrugs bevatte, maar hij heeft niet gevraagd wat er in de dozen zat en hij heeft ook niet in de dozen gekeken.

Nu verdachte er zelf vanuit ging dat de dozen drugs bevatten, komt het naar het oordeel van de rechtbank voor zijn risico dat hij de inhoud niet heeft onderzocht voordat hij tot opslag overging. Dat verdachte dacht dat het om softdrugs ging, doet daar niet aan af. De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de 176.600 tabletten bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting6;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 1]7;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2]8;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 3]9;

- het proces-verbaal van bevindingen verdovende middelen10.

Feit 3

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting11;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 4]12.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 11 oktober 2018 te Zegge, gemeente Rucphen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 176.600 tabletten bevattende amfetamine

(3,4-methyleendioxymethamfetamine), zijnde amfetamine

(3,4-methyleendioxymethamfetamine), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 11 oktober 2018 te Zegge, gemeente Rucphen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 60 gram, hasjiesj en 5218,36 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3

op 11 oktober 2018, te Zegge, gemeente Rucphen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ), en een Audi A3 ( [kenteken 2] ) voorhanden gehad , terwijl hij, verdachte, wist, dat deze auto’s middellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf

en

zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, immers heeft hij enige geldbedragen voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat deze contante geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, kan in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. De officier van justitie vordert aan de voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan een gedragsinterventie en meewerken aan het vinden van een fatsoenlijke dagbesteding. Daarnaast vordert de officier van justitie op te leggen een geldboete ter hoogte van € 13.968,00. Deze geldboete kan worden voldaan uit het reeds gelegde conservatoir beslag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt de eis van de officier van justitie redelijk, maar heeft verzocht de straf te beperken zodat verdachte zo spoedig mogelijk weer in vrijheid wordt gesteld. De verdediging verzet zich niet tegen de gevorderde geldboete gelet op de toezegging van de officier van justitie dat er dan geen ontnemingsvordering meer volgt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 11 oktober 2018 60 gram hasjiesj, ruim 5 kilo hennep en ruim 175.000 XTC-tabletten voorhanden gehad. Hasjiesj en hennep zijn softdrugs die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Ook het gebruik van XTC-tabletten brengt gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel. Dit is ook de reden dat het aanwezig hebben en de handel in deze middelen verboden is. Alleen al met het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid soft- en harddrugs heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het instandhouden van het drugsmilieu. Het is immers duidelijk dat dergelijke hoeveelheden bestemd zijn voor de handel.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van auto’s en het witwassen van zijn eigen opbrengsten uit drugshandel. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij al een jaar handelde in hasjiesj en hennep en dat hij de opbrengsten onder andere gebruikte voor het aankopen van auto’s. Hiermee heeft verdachte gelden uit criminele activiteiten binnen het reguliere economische verkeer gebracht. Geldstromen afkomstig uit criminele activiteiten hebben een ontwrichtende werking op het economisch verkeer en de maatschappij.

Uit de oriëntatiepunten van de rechtbank en de jurisprudentie volgt dat in soortgelijke zaken hoge gevangenisstraffen worden opgelegd. Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte slechts 23 jaar oud is. Op zijn strafblad staan geen soortgelijke feiten. Verdachte is bovendien teruggekomen op zijn aanvankelijke ontkennende proceshouding en heeft verantwoording genomen voor de feiten die hij heeft gepleegd. Omdat verdachte blijkbaar intensief betrokken was bij de handel in het drugsmilieu is de rechtbank echter van oordeel dat het niet gepast is om verdachte direct in vrijheid te stellen. Zij ziet wel aanleiding voor een groter deel voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd.

Over verdachte is een reclasseringsrapport opgemaakt op 10 januari 2019 mede met het oog op een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis. Na het opmaken van dit rapport is de proceshouding van verdachte gewijzigd. Aan de opdracht om een aanvullend rapport op te maken en anders op zitting aanwezig te zijn, is door de reclassering niet voldaan. Om die reden zal de rechtbank gebruik maken van het reclasseringsrapport van 10 januari 2019, maar rekening houden met de sindsdien gewijzigde houding van verdachte. De reclassering benoemt in het rapport dat het vermoeden bestaat dat er sprake is van een negatief sociaal netwerk en dat mogelijk ook gebrekkige vaardigheden een rol spelen bij de criminele gedragskeuzes van verdachte. Om deze reden wordt geadviseerd als bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een locatiegebod met elektronisch toezicht en een inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van een dagbesteding in de vorm van (betaalde) arbeid.

Verdachte heeft verklaard mee te zullen werken aan de door de reclassering genoemde voorwaarden. Met uitzondering van het locatiegebod met elektronisch toezicht is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarden verdachte een goede kans geven om uit het drugsmilieu te komen en een leven op te bouwen zonder crimineel gedrag. Om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Omdat de gewenste verandering tijd nodig heeft en verdachte hierbij de hulp van de bijzondere voorwaarden nodig heeft, zal de rechtbank bepalen dat de proeftijd 3 jaar zal bedragen.

Gelet op al het voornoemde is de rechtbank allereerst van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gepast en geboden is, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met daaraan verbonden voornoemde bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie heeft ter zitting toegezegd dat zij afziet van een ontnemingsvordering indien aan verdachte een geldboete van € 13.968,00 wordt opgelegd. Deze geldboete komt overeen met de waarde van het conservatoire beslag. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee de kans wordt gegeven om zijn leven opnieuw te beginnen. Verdachte raakt de inbeslaggenomen goederen en gelden kwijt, maar hierdoor blijven hem een hoge ontnemingsvordering en jarenlange betalingsregelingen bespaard. Om die reden acht de rechtbank ook de gevorderde geldboete van € 13.968,00 gepast en geboden. De geldboete kan worden verrekend met het in onderhavige zaak gelegde conservatoire beslag.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 57, 420bis en 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;

Feit 3: witwassen, meermalen gepleegd,

en

eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34, 4819 EW Breda en zich daarna zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd zal deelnemen aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, of andere gedragsinterventie die is gericht op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan verdachte zullen worden gegeven;

* dat verdachte zich inspant voor het behouden dan wel verkrijgen van een zinvolle dagbesteding in de vorm van (betaalde) arbeid;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 13.968,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 104 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Feraaune, voorzitter, mr. De Brouwer en mr. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2019.

Mr. De Brouwer en mr. Gillesse zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, met nummer PL2000-2018247456, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, genummerd van pagina 1 tot en met 221. Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 76 tot en met 78.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 102.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 112 tot en met 114.

4 Het rapport identificatie veel voorkomende drugs pagina’s 115 en 116.

5 De verklaring van verdachte ter zitting van 2 juli 2019.

6 De verklaring van verdachte ter zitting van 2 juli 2019.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina’s 74 en 75.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 76 tot en met 78.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina’s 106 en 107.

10 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgenomen op pagina’s 110 en 111.

11 De verklaring van verdachte ter zitting van 2 juli 2019.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 219 tot en met 221.