Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3198

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
02/820703-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen – hennepkwekerijen – vermenging – investering in panden – hypotheken – fictieve huur – verbeurdverklaring panden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820703-13

vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1967 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

bijgestaan door mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam en mr. F.J.H.M. Berndsen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 22 januari 2019, 24 januari 2019 en 1 april 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Boerlage, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 14 juni 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en op 15 juli 2019 weer gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 mei 2014, op een of meer plaatsen te Breda en/of te Zevenbergen en/of te Etten-Leur en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) van onderstaande voorwerp(en) de herkomst verborgen en/of verhuld en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden gehad en/of onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

te weten

-(een) woning(en) en/of (een) pand(en) en/of (een) perce(e)l(en) gelegen aan:

1. [Straatnaam 1] te Etten-Leur en/of

2. [Straatnaam 2] te Zevenbergen en/of

3. [Straatnaam 3] te Breda en/of

4. [Straatnaam 4] te Breda en/of

5. [Straatnaam 5] te Breda en/of

6. [Straatnaam 6] te Breda en/of

7. [Straatnaam 7] te Breda en/of

8. [Straatnaam 8] te Breda en/of

9. [Straatnaam 9] te Breda en/of

10. [Straatnaam 10] te Breda en/of

11. [Straatnaam 11] te Breda en/of

12. [Straatnaam 12] te Breda en/of

13. [Straatnaam 13] te Breda en/of

14 [Straatnaam 14] te Breda en/of

15. [Straatnaam 15] te Breda en/of

16. [Straatnaam 16] te Breda en/of

17. [Straatnaam 17] te Breda en/of

18. [Straatnaam 18] te Breda,

en/of het/de aankoopbedrag(en) van dat/die woning(en) en/of pand(en) en/of perce(e)l(en);

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden , dat dat/die voorwerpen en/of (aankoop)

bedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014 op meerdere plaatsen in Nederland, althans (telkens) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (steeds)

te weten:

-in een pand aan de [Straatnaam 2] te Zevenbergen een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten te weten:

op 14 oktober 2009 800 hennepplanten en/of

op 19 januari 2012 400 hennepplanten en/of 221 hennepstekjes en/of

-in een pand aan [Straatnaam 16] te Breda een (of meer) hoeveelhe(i)d(en)

hennepplanten te weten 184 planten en/of

-in twee althans een garagebox(en) van pand [Straatnaam 3] te Breda een

hoeveelheid/hoeveelheden van een of meer delen van hennepplanten en/of

-in een pand aan [Straatnaam 11] te Breda een(of meer) hoeveelhe(i)d(en)

hennepplanten te weten 214 hennepplanten althans (telkens)een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [Medeverdachte 1] en/of [Medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen op meerdere plaatsen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014 te Etten-Leur en/of Breda althans (telkens) elders in Nederland met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad

-in een pand aan de [Straatnaam 2] te Zevenbergen een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1507 hennepplanten , althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, en/of

-in twee althans een garagebox(en) van pand [Straatnaam 3] te Breda (een) hoeveelheid/hoeveelheden van delen van hennepplanten en/of

-in een pand aan [Straatnaam 11] te Breda een hoeveelheid van 214 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, en/of

-in een pand aan [Straatnaam 16] te Breda, een hoeveelheid van 184 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014 te Breda e/of Zevenbergen in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [Medeverdachte 1] en/of die [Medeverdachte 2] en/of aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd(e) pand(en) en/of garageboxen voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

feit 3

hij op meerdere althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 oktober 2009

tot en met 20 mei 2014 op en of meer plaatsen te Zevenbergen en/of Breda , in elk geval op meerdere plaatsen in Nederland tezamen, en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

-.uit een pand aan [Straatnaam 2] te Zevenbergen, (een) hoeveelheid/heden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en/of

-uit het pand aan [Straatnaam 16] te Breda,(een) hoeveelheid/heden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

die/dat weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en/of

-uit het pand aan [Straatnaam 7] te Breda,(een) hoeveelheid/heden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en/of

-.uit het pand aan [Straatnaam 8] te Breda,(een) hoeveelheid/heden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en/of

3. uit een of meer ruimten behorende bij het pand aan [Straatnaam 3] te Breda,(een) hoeveelheid/heden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

die/dat weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en/of

feit 4

hij in of omstreeks 20 mei 2014 in een pand aan de [Adres] en/of [Adres] in de gemeente Breda een busje cs-gas zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft bepleit dat door het Openbaar Ministerie is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdediging heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat er sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en dat er in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. Deze schendingen/verzuimen moeten volgens de verdediging primair leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, subsidiair tot een straf gelijk aan nihil.

De verdediging heeft meer specifiek gewezen op het belang van de voortgang van de berechting en het obstructieve handelen van het Openbaar Ministerie op dit punt, zonder dat er sprake was van bijzondere en zwaarwegende omstandigheden die uitstel rechtvaardigden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat door het stil liggen van het onderzoek en het lang niet verstrekken van dossiers, zonder dat hiervoor een plausibele reden is gegeven, de verdediging een eerlijk proces is ontnomen. Hierdoor kon ontlastend materiaal niet meer worden getraceerd, zoals ten aanzien van de door verdachten betwiste stortingen bij de bank. De verdediging is hierdoor op een dusdanige achterstand gezet dat er geen sprake is van gelijke middelen en mogelijkheden om het onderzoeksmateriaal te falsifiëren en verifiëren. Verdachten moesten al die jaren leven in een wachtstand op het einde van een procedure en men kon geen permanente inhoud geven aan het leven. Dit heeft geleid tot onherstelbare sociaal economische gevolgen voor verdachten. Gelet hierop en gezien de ernstige overschrijding van de redelijke termijn met bijna 5,5 jaar, kan in de ogen van de verdediging niet anders dan tot de niet-ontvankelijkheid worden besloten. Verder meent de verdediging dat sprake is van een feitelijke en onbegrijpelijke willekeur in de vervolging nu verdachten wel en medeverdachten [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 4] niet zijn vervolgd. Dit levert strijd op met een behoorlijke procesorde en ook om die reden zou dit primair tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden.

De officier van justitie erkent dat, hoewel het een omvangrijk dossier betreft en er naar aanleiding van onderzoekswensen in 2018 nog getuigen zijn gehoord, er inderdaad sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dit betekent volgens de officier van justitie echter niet dat hieraan de conclusie moet worden verbonden dat het Openbare Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, maar zij heeft hiermee wel in de strafeis rekening gehouden. De officier van justitie betwist dat zou zijn gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de rol die het Openbaar Ministerie aan verdachten toeschrijft een andere is dan die van de medeverdachten [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] . Bovendien was ten aanzien van deze medeverdachten nog geen beslissing genomen over de vervolging. Inmiddels heeft het Openbaar Ministerie besloten om alsnog tot vervolging over te gaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Blijkens vaste jurisprudentie komt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376).

Schending van de redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De redelijke termijn is gestart op het moment dat verdachte is gehoord, te weten 26 mei 2015. Vanaf dat moment kon verdachte in redelijkheid verwachten dat het Openbaar Ministerie hem zou gaan vervolgen. Er is geen sprake van omstandigheden die maken dat de zaak niet binnen twee jaar na 26 mei 2015 afgedaan had kunnen worden. Dit betekent dat vanaf 26 mei 2017 de redelijke termijn is verstreken. Desondanks verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie in verband hiermee niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard. Zo’n overschrijding kan immers niet tot het door de verdediging gewenste rechtsgevolg leiden (zie: Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De regel is dat een overschrijding wordt gecompenseerd in de strafoplegging. In de omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn van de Hoge Raad. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank reële en effectieve mogelijkheden gehad om tegen het aan verdachte gemaakte verwijt in te brengen wat hij in het belang van zijn verdediging nodig acht. Dit verweer wordt verworpen.

Schending gelijkheidsbeginsel

Ten aanzien van de door de verdediging betoogde schending(en) van het gelijkheidsbeginsel wegens het niet strafrechtelijk vervolgen van, kort gezegd, de medeverdachten [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 4] overweegt de rechtbank als volgt.

De door de verdediging aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel veronderstelt dat in gelijke zaken met ongelijke maten worden gemeten. De enkele omstandigheid dat ten aanzien van medeverdachten (nog) niet tot vervolging is overgegaan, terwijl dit in de onderhavige zaak wel is gebeurd, brengt niet met zich dat de onderhavige vervolging in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Gelet op de stukken in het dossier is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat in de onderhavige zaak sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Aan verdachte wordt daarin immers een andere rol toegeschreven dan aan de medeverdachten. Bovendien heeft de officier van justitie ter terechtzitting betoogd dat ook de medeverdachten nog zullen worden vervolgd.

Van strijd met enig vervolgingsbeleid of een wettelijke bepaling is ook niet gebleken.

Dit leidt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid heeft kunnen beslissen om tot vervolging van de verdachte over te gaan. Ook dit verweer van de verdediging wordt verworpen.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen door de in de tenlastelegging genoemde panden te verwerven, voorhanden te hebben en van deze voorwerpen gebruik te maken terwijl hij wist dat deze panden geheel of gedeeltelijk onmiddellijk dan wel onmiddellijk afkomstig waren uit misdrijf.

De officier van justitie concludeert dat [Verdachte] en [Medeverdachte 5] illegaal verkregen gelden, te weten winsten uit hennepteelt, hebben gebruikt voor de aankoop van de bedrijfspanden aan [Straatnaam 1] te Etten-Leur en [Straatnaam 2] te Zevenbergen. Een deel van het geld is bovendien afkomstig uit fiscale fraude, gelet op de zwarte inkomsten van [Medeverdachte 5] . Gelet op het inkomen en vermogen van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] is het volgens de officier van justitie volstrekt onduidelijk hoe zij de aankoop van deze panden hebben kunnen financieren. Vervolgens hebben [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , mede met deze woningen als onderpand, hypotheken verkregen waarmee opnieuw woningen zijn aangeschaft, zodat er sprake is van vermenging. Ook zijn deze hypotheken voor een deel verkregen op basis van gefingeerde huurinkomsten. Verdachten ontvingen jarenlang op grote schaal fictieve huurbetalingen. De huur werd vaak contant gestort, waardoor de daadwerkelijke herkomst van de gelden stelselmatig is verhuld. De officier van justitie betoogt dat verdachten hierdoor niet alleen in staat zijn gesteld de waarde van hun vastgoedportefeuille te verdubbelen, zonder hiervoor een toereikend inkomen te hebben. Ook zijn zij in staat gesteld de hypotheek (deels) af te betalen met vervolgprofijt.

Verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst van de gelden, zodat het volgens de officier van justitie niet anders kan zijn dan dat de gelden afkomstig zijn uit enig misdrijf.

feit 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen en opzettelijk aanwezig hebben van:

- 400 hennepplanten en 221 hennepstekjes in een pand aan [Straatnaam 2] te Zevenbergen;

- 184 hennepplanten in een pand aan [Straatnaam 16] te Breda;

- delen van hennepplanten in de garages aan [Straatnaam 3] te Breda;

- 214 hennepplanten in een pand aan [Straatnaam 11] te Breda.

Volgens de officier van justitie stelden [Verdachte] en [Medeverdachte 5] de panden ter beschikking, regelden zij katvangers die huurcontracten op hun naam zetten en zorgden zij ervoor dat de huur en nutsvoorzieningen via verhullende constructies werden betaald. De officier van justitie baseert zich op de processen-verbaal waarin het aantreffen van de hennepkwekerijen wordt gerelateerd, het politieonderzoek naar de huurovereenkomsten en huurbetalingen, de verklaringen van ‘fictieve’ huurders, zoals [Naam 1] , [Naam 2] en [Medeverdachte 5] en ook op de verklaring [Naam 3]

Omdat de op 14 oktober 2009 aangetroffen 800 hennepplanten op [Straatnaam 19] , en niet [Straatnaam 2] zoals ten laste is gelegd, zijn aangetroffen verzoekt de officier van justitie verdachte van dit onderdeel vrij te spreken.

feit 3

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tezamen met anderen de tenlastegelegde diefstallen van elektriciteit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiften, de bevindingen van de politie en ten aanzien van [Straatnaam 7] en [Straatnaam 8] en [Straatnaam 3] te Breda ook op de bekennende verklaring van [Verdachte] .

feit 4

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een busje traangas voorhanden heeft gehad. Zij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van doorzoeking waaruit blijkt dat het busje in de woning van verdachte is aangetroffen en het proces-verbaal forensisch onderzoek. Het standpunt van de verdediging dat de ex-partner het busje heeft achtergelaten in de woning acht de officier van justitie niet geloofwaardig, omdat zij daar al jaren niet meer woonde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank – met uitzondering van de diefstal van elektriciteit uit de panden aan [Straatnaam 7] en [Straatnaam 8] en aan [Straatnaam 3] (feit 3) – niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte hiervoor dient te worden vrijgesproken en wijst daarbij – kort samengevat – op het volgende.

Het Openbaar Ministerie heeft zeer eenzijdig en speculerend een dossier opgebouwd en nagelaten door middel van onafhankelijk, onbevooroordeeld en voortvarend onderzoek haar stellingen te onderbouwen en hetgeen cliënten hebben gesteld, te weerleggen.

feiten 1 en 2

Het dossier biedt geen bewijs voor betrokkenheid bij kwekerijen, maar ook niet voor het tenlastegelegde witwassen. Niet blijkt hoe dan ook van enigerlei wetenschap bij verdachte van de hennepkwekerijen, laat staan van opzettelijke betrokkenheid hierbij. Er wordt ten onrechte gesuggereerd dat verdachten alleen voor panden waarin hennepkwekerijen zijn aangetroffen zelf huurovereenkomsten hebben gemaakt, nu zij dit in alle gevallen hebben gedaan waarin verdachten zelf door huurders zijn benaderd, zonder tussenkomst van bemiddelingsbureaus. Geen van de betrokkenen bij de kwekerijen heeft [Verdachte] en [Medeverdachte 5] herkend van een zogenaamde foslo. Verdachten hebben de door hen aangekochte panden steeds voornamelijk met banken en traceerbaar gefinancierd en hebben in al die jaren ook aan hun overige financiële, fiscale en administratieve verplichtingen voldaan. Zij hebben adviezen ingewonnen van derden en voorts van huurders steeds de identiteitsbewijzen en andere gegevens gecontroleerd en schriftelijk de overeenkomsten vastgelegd. De verdediging betoogt dat sprake is van concrete verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaringen van verdachten waaruit volgt dat de geldstromen met betrekking tot de aangeschafte panden niet van misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat dus geen plaats is voor omkering van de bewijslast en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende aan zijn zorgplicht ten aanzien van de bewijslast heeft voldaan, ook in het licht van artikel 6 van het EVRM en met name op punt van de onschuldpresumptie. De herkomst van de gelden waarmee de panden zijn aangekocht is volledig verifieerbaar. De eerste twee panden zijn gefinancierd met eigen gelden en deels met een lening. Verdachten hadden in 2003 beginvermogen, [Medeverdachte 5] had daarnaast nog huurinkomsten en winst uit het klussenbedrijf en [Verdachte] had inkomsten die voor het grootste deel uit casinowinsten bestonden. De panden 3 tot en met 15 in de tenlastelegging zijn hypothecair gefinancierd. In enkele gevallen is een overschot van de hypothecaire lening gebruikt om een tekort van een andere lening aan te vullen. Bovendien zijn de onder 1 tot en met 15 in de tenlastelegging genoemde panden aangeschaft vóór 7 oktober 2009, terwijl de tenlastegelegde betrokkenheid van verdachten bij hennepkwekerijen ziet op een periode vanaf deze datum. Voor zover de officier van justitie de witwasverdenking daarmee in verband brengt, dan treft dit om die reden geen doel.

De verdediging betwist dat sprake was van nephuurders en dat zij contante stortingen hebben gedaan of hebben laten doen van gelden ter voldoening van huurpenningen, met de bedoeling om deze gelden wit te wassen. Er wordt dan ook betwist dat de panden deels met fictieve huurinkomsten zouden zijn afgelost. Daarnaast geldt volgens de verdediging dat een vermogensvergelijking en een kasopstelling met een negatief resultaat op zichzelf onvoldoende zijn om van een criminele herkomst uit te kunnen gaan. Daar komt bij dat de vermogensvergelijkingen zijn gebaseerd op onvolledige gegevens en doel gekleurd. Telkens is ten onrechte het maximale bedrag opgenomen van wat verdachten volgens het Nibud aan allerlei kosten zouden hebben moeten besteed, zijn de vermeende fictieve huurinkomsten niet mee genomen en zijn de zwarte klusinkomsten van [Medeverdachte 5] en de casinowinsten van [Verdachte] ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Verder betoogt de verdediging dat de verklaringen van [Naam 3] van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat het vergaande, onbetrouwbare, niet objectiveerbare en op fundamentele punten leugenachtige verklaringen zijn. Deze verklaringen zijn kennelijk afgelegd ter belastering van [Verdachte] .

In zoverre subsidiair betoogt de verdediging dat als er al sprake zou zijn van besmet vermogen, bijvoorbeeld doordat hypotheken deels met fictieve huurinkomsten zijn afgelost, dit niet betekent dat daardoor het gehele vermogen als wederrechtelijk verkregen moet worden aangemerkt.

feit 3

[Verdachte] en [Medeverdachte 5] erkennen gefraudeerd te hebben met de elektriciteitsvoorziening ten aanzien van de adressen [Straatnaam 8] en [Straatnaam 7] en [Straatnaam 3] het woonhuis (en niet de garage) en zij hebben het betreffende nadeel hiervan aan [Slachtoffer] voldaan. Enigerlei vorm van wetenschap, medeplegen of medeplichtigheid, laat staan opzettelijkheid van de overige ten laste gelegde diefstallen van elektriciteit wordt betwist. De leveringscontracten van de adressen [Straatnaam 2] en [Straatnaam 16] stonden niet op naam van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] maar waren door de huurders zelf afgesloten en de facturen werden door de huurders betaald. Daar komt nog bij dat verdachten ook geen toegang hadden tot die meteropstellingen zodat zij hiervan dienen te worden vrijgesproken.

feit 4

De verdediging betwist dat [Verdachte] wetenschap had van, laat staan beschikkingsmacht had over, het busje traangas, zodat hij van het bezit hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

feit 1 witwassen

4.3.1.1 Toetsingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

4.3.1.2 Vermoeden van witwassen

Op 20 augustus 2013 vond in het kader van het onderzoek ‘Decker’ een doorzoeking plaats in de woning en garage op [Straatnaam 20] en [Straatnaam 21] te Breda. Opsporingsambtenaar [Naam 4] zag dat naast de doorzochte woning voor twee garagedeuren een zwarte BMW 6 Cabrio met kenteken [Kenteken 1] geparkeerd stond. Een man in de bovenwoning op de [Adres] bevestigde aan [Naam 4] dat het zijn auto was. Tijdens de afhandeling van de doorzoeking werd [Naam 4] door een man, genaamd [Naam 5] , aangesproken, die zei dat de man die in de zwarte BMW met kenteken [Kenteken 1] reed, in de hennep zou zitten en een grote dure Porsche bezat, terwijl hij niet werkte. Hij vertelde verder dat de bewoner van [Adres] een compagnon had en dat zij wat meer op de achtergrond in de handel zouden zitten. Voornoemd kenteken bleek op naam te zijn gesteld van [Verdachte] .1

Bij het TCI (Team Criminele Inlichtingen) is in de periode van juni 2013 tot en met september 2013 informatie binnen gekomen die als betrouwbaar werd aangemerkt. Die informatie hield in dat [Medeverdachte 5] en [Verdachte] al jaren in de hennepteelt zitten en dat zij hiervoor meerdere panden hebben aangekocht of gehuurd. Er worden huurders gezocht die op de hoogte zijn van de kwekerijen en de schuld op zich nemen als de kwekerijen gepakt worden. Ze hebben een klussenbedrijf waarmee ze de panden opknappen en de kwekerijen bouwen. Ze werken vooral met Poolse bouwvakkers. [Medeverdachte 5] houdt zich met name bezig met het bouwbedrijf. Ze hebben veel geld tot hun beschikking.

Uit het verificatiesysteem van de GBA bleek dat [Verdachte] op 26 augustus 2013 stond ingeschreven op het adres [Adres] te Breda2.

[Verdachte] bleek volgens de gegevens van de RDW meerdere voertuigen op naam te hebben geregistreerd, waaronder een 6ER Reihe 645CI Cabrio BMW, kenteken [Kenteken 1] , en een Porsche Panamera 4S, kenteken [Kenteken 2] .

[Verdachte] en [Medeverdachte 5] bleken gezamenlijk eigenaar te zijn van de volgende panden:

datum aankoop koop koopsom

03-10-2003 [Straatnaam 1] , Etten-Leur € 75.000,-

03-12-2004 [Straatnaam 2] , Zevenbergen € 71.400,-

23-12-2005 [Straatnaam 3] Breda €155.000,-

29-01-2007 [Straatnaam 6] Breda €110.000,-

29-01-2007 [Straatnaam 5] Breda €105.000,-

25-05-2007 [Straatnaam 8] Breda €144.000,-

15-01-2008 [Straatnaam 4] Breda €171.000,-

15-01-2008 [Straatnaam 7] Breda €172.500,-

04-04-2008 [Straatnaam 12] [Straatnaam 13] / [Straatnaam 9] [Straatnaam 10] Breda €300.000,-

25-09-2008 [Straatnaam 8] , Breda €175.000,-

15-12-2008 [Straatnaam 14] / [Straatnaam 15] , Breda €280.000,-

16-04-2010 [Straatnaam 16] Breda € 80.000,-

02-06-2010 [Straatnaam 11] Breda €160.000,-

22-10-2012 [Straatnaam 17] / [Straatnaam 18] , Breda €250.000,-3

De politie heeft een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek verricht en vermogensvergelijkingen opgesteld over de jaren 2001 ( [Verdachte] ) dan wel 2002 ( [Medeverdachte 5] ) tot en met 2006 waaruit geconcludeerd wordt dat bij beide verdachten sprake was van een zogenaamd negatief netto privé.4 Bij een negatief netto privé is sprake van niet verantwoorde inkomsten of vermogen dan wel van illegaal verworven gelden. Tevens is onderzoek gedaan naar stortingen en contante bestedingen van verdachten. Voor zover deze stortingen zien op de jaren 2001, respectievelijk 2002, tot en met 2006 zijn deze verwerkt in de vermogensvergelijkingen. Over de jaren 2007 tot en met 2014 zijn summiere kasopstellingen gemaakt voor de verdachten [Verdachte] en [Medeverdachte 5] gezamenlijk. De politie heeft hieruit geconcludeerd dat een aantal contante stortingen en bestedingen zijn gedaan waarvoor geen verklaarbare bron was aan te wijzen.5

Vanuit een ingesteld boekenonderzoek door de Belastingdienst waren van [Verdachte] bij de Belastingdienst al gegevens beschikbaar voor de jaren 2001 en 2002, waarop de vermogensvergelijkingen van 2001 en 2002 zijn gebaseerd. Verder is gebruik gemaakt van andere bescheiden die op vordering werden verkregen van de Belastingdienst, banken en van bescheiden die bij doorzoekingen en/of verhoor in beslag zijn genomen. Uit de vermogensvergelijkingen komt naar voren dat [Verdachte] in de jaren 2001 tot en met 2006 ieder jaar een negatief netto privé had en zijn totaal netto privé over genoemde jaren € 347.459,73 negatief bedroeg.

Voor [Medeverdachte 5] zijn er vermogensvergelijkingen vervaardigd over de jaren 2002 tot en met 2006. Ook bij hem is gebruik gemaakt van de gegevens van de Belastingdienst en van bescheiden die bij doorzoekingen en/of verhoor in beslag zijn genomen. Verder zijn er ook gegevens verkregen van de boekhouder, [Naam 6] . Ook [Medeverdachte 5] had ieder jaar een negatief netto privé. Zijn totaal negatief netto privé over genoemde jaren bedroeg € 121.280,37.6

Vermogensvergelijkingen [Verdachte]

Jaar

Bruto privé

Benoemde posten

Netto privé

2001

€ -6.207,00

€ 28.080,40

€ -34.287,40

2002

€ 14.113,00

€ 72.191,00

€ -58.078,00

2003

€ -7.672,00

€ 52.527,65

€ -60.199,65

2004

€-12.165,00

€ 24.050,43

€ -36.215,43

2005

€ 60.453,72

€132.042,40

€ -71.588,68

2006

€-13.855,06

€ 73.235,51

€ -87.090,57

Netto privé NEGATIEF

€-347.459,73

Vermogensvergelijkingen [Medeverdachte 5]

Jaar

Bruto privé

Benoemde posten

Netto privé

2002

€ 35.791,23

€ 44.564,35

€ - 8.773,12

2003

€ 34.727,38

€ 51.724,81

€ -16.997,43

2004

€ 34.718,36

€ 53.482,90

€ -18.764,54

2005

€ 38.051,80

€ 86.861,90

€ -48.810,10

2006

€ 45.434,66

€ 73.369,84

€ -27.935,18

Netto privé NEGATIEF

€-121.280,37

Gebleken is dat sprake is geweest van contante stortingen van huur voor een aantal van de gezamenlijke panden van verdachten en voor het pand van [Verdachte] aan de [Adres] in Breda.7 Naar de huurders van deze panden en de wijze waarop de verhuur tot stand kwam, werd nader onderzoek gedaan hetgeen leidde tot aanwijzingen dat een aantal huurders niet in de betreffende panden woonden of hadden gewoond, en dat sprake was van fictieve huurbetalingen8.

Uit het politiesysteem [Naam 7] kwam naar voren dat [Verdachte] 24 antecedenten en 44 registraties op zijn naam had staan op het gebied van overtredingen van de Opiumwet en vermogens- en geweldsdelicten9 en dat [Medeverdachte 5] 2 antecedenten en 7 registraties op zijn naam had staan op het gebied van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet.10

Uit het politieregistratiesysteem bleek tevens dat in de periode van 2009 tot en met 2013 hennepkwekerijen dan wel hennepgerelateerde goederen zijn aangetroffen in panden die verdachten samen in eigendom hadden.11 Uit het politiesysteem [Naam 8] bleek dat verdachten op 28 maart 2007 samen zijn aangehouden in een loods die werd gehuurd door [Medeverdachte 5] nadat daarin een hennepkwekerij is aangetroffen.12

Op 20 mei 2014 is in het onderzoek Duyt een zogeheten actiedag gehouden, waarbij verschillende in eigendom van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] zijnde panden zijn doorzocht en diverse zaken in beslag zijn genomen. In de panden aan de [Adres] , [Straatnaam 16] , [Straatnaam 3] [Straatnaam 11] en [Straatnaam 8] , allen te Breda, werden hennepkwekerijen dan wel hennepgerelateerde goederen aangetroffen.13 Tevens is manipulatie van de elektriciteitsmeter geconstateerd, dan wel is daarvan aangifte gedaan, op de adressen [Straatnaam 2] te Zevenbergen, [Straatnaam 16] te Breda, [Straatnaam 3] te Breda, [Straatnaam 11] te Breda en [Straatnaam 7] en [Straatnaam 8] te Breda, waardoor er geen of onvolledig verbruik werd geregistreerd.14

Bij de doorzoekingen naar aanleiding van de actiedag is bij [Verdachte] een contant geldbedrag van € 3.470,- aangetroffen en bij [Medeverdachte 5] een bedrag van € 1.800,- .15 Op de [Naam 47] van [Verdachte] is op 11 juli 2001 fl. 20.000,- gestort, in 20 biljetten van fl. 1.000,- en op 22 september 2001 fl.10.000,- gestort, in 10 biljetten van fl. 1.000,-. [Verdachte] heeft bij de aankoop van het bedrijf [Naam 9] in oktober 2013 geld opgenomen van de bank in coupures van € 100,- en € 50,-, maar in andere coupures, waaronder enkele biljetten van € 500,- uitbetaald aan de verkopers.

Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden geld in doorgaans grote coupures.

Voornoemde feiten en omstandigheden leiden tot een ernstig vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete en min of meer verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de aanschafbedragen van de in de tenlastelegging genoemde panden.

4.3.1.3 Verklaringen verdachten [Verdachte] en [Medeverdachte 5]

Verdachten hebben verklaard dat zij voldoende beginvermogen en inkomsten hadden om de eerste twee panden aan te schaffen. De overige panden zijn allemaal volledig hypothecair gefinancierd. In enkele gevallen is een overschot van de hypothecaire lening gebruikt om een tekort van een andere lening aan te vullen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vermogensvergelijkingen niet correct zijn aangezien geen rekening is gehouden met huurinkomsten die in het dossier als fictieve huur worden aangeduid en omdat niet mag worden uitgegaan van de gehanteerde Nibud-normen omdat deze geen recht doen aan de daadwerkelijk uitgaven van verdachten die veel lager waren. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met de inkomsten uit casinowinsten van [Verdachte] en met de inkomsten uit werk dat contant werd betaald en niet aan de Belastingdienst is opgegeven, van [Medeverdachte 5] .

De verdediging heeft gecorrigeerde vermogensvergelijkingen van verdachten over de jaren 2002 tot en met 2006 in het geding gebracht.

4.3.1.3.1 [Verdachte]

Fictieve huur

Verdachten verhuurden hun panden. Er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop de verhuur heeft plaats gevonden. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij een aantal panden sprake was van fictieve huur. Dit wordt door de verdediging betwist. Uit het dossier blijkt het volgende.

[Straatnaam 1]

Op 30 maart 2007 werd huurder [Naam 10] aangehouden bij het aantreffen van een hennepkwekerij in de [Straatnaam 1] te Etten-Leur. [Naam 10] verklaarde het pand vanaf augustus of november 2006 te huren.16 De huurovereenkomst had echter als ingangsdatum 1 augustus 2005. De overeenkomst vermeldt als huurbedrag € 1.200,- per maand en een verschuldigde waarborgsom van € 3.600,-.17 Van 8 maart 2004 tot en met 2 augustus 2005 werd er echter al maandelijks voor de huur van [Straatnaam 1] door [Naam 10] een bedrag van € 535,50 bijgeschreven op de [Naam 47] [Rekeningnummer 2] ten name van [Medeverdachte 5] . Vanaf 6 september 2005 is het bedrag verhoogd naar € 1.200,- per maand en vanaf 4 september 2006 naar € 1.250,- per maand. De bedragen tot en met september 2005 werden, behoudens één bancaire overboeking, steeds bijgeschreven via contante stortingen. Vanaf september 2005 werden de bedragen overgemaakt op de [Rekeningnummer 1] ten name van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . In totaal was er ten name van [Naam 10] van 2004 tot en met 2007 € 37.889,- onder de noemer “huur [Straatnaam 1] bijgeschreven. De in de overeenkomst vermelde borgsom is niet bij aanvang van de huurbetalingen bijgeschreven. Wel is op 23 augustus 2005 onder de vermelding “storting eigen rekening” een bedrag van € 3.000,- bijgeschreven op de rekening van [Medeverdachte 5] ( [Rekeningnummer 2] ) en op 8 september 2005 is van deze rekening € 1.500,- met de omschrijving “borg” overgemaakt van deze rekening naar de rekening van [Verdachte] ( [Rekeningnummer 3] ).18 [Naam 10] kon niet uitleggen hoe het met de betalingen was gegaan en wist niet waarom het huurbedrag op 1 augustus 2005 meer dan verdubbelde. Hij verklaarde “wat hun doen moeten hun weten maar ik ben gestraft en wil het achter me laten”.19

Op 11 februari 2010 werd er in het pand aan de [Straatnaam 1] wederom een kwekerij aangetroffen. Het pand was met ingang van 1 januari 2010 verhuurd aan [Naam 11]20 In januari 2010 had [Naam 11] in totaal € 3.600,- overgemaakt naar de [Naam 47] [Rekeningnummer 4] op naam van [Verdachte] / [Medeverdachte 5] en € 8.000,- betaald als kosten voor de inrichting van de kwekerij, terwijl hij op dat moment geen inkomen of uitkering had en wel een schuld van € 15.000,- bij een particulier. Op 17 november 2009 had hij een onderneming opgericht en enkele weken na het aantreffen van de kwekerij was deze weer opgeheven.

Verder is er een afrekening van [Naam 12] op naam van [Naam 13] aangetroffen over de maand januari 2010 van [Straatnaam 1] terwijl [Naam 11] op dat moment de huurder zou zijn.21

[Straatnaam 16]

Op 20 mei 2014 werd in de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] , [Straatnaam 22] te Breda, een originele huurovereenkomst aangetroffen voor het pand [Straatnaam 16] te Breda met [Medeverdachte 1] als huurder. De overeenkomst was gedateerd op 31 oktober 2012 en ging in per 1 november 2011. De huur bedroeg € 1.250.- per maand.22

[Medeverdachte 1] verklaarde door [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 4] te zijn benaderd om een snoepwinkel te beginnen in dit pand. Van [Medeverdachte 4] ontving hij maandelijks € 1.250,- contant. Ze zeiden hem dat hij dit bedrag in twee aparte bedragen moest overschrijven. Hij stortte € 500,- op de zakelijke rekening van [Naam 14] . Dit bedrag maakte hij vervolgens over aan [Medeverdachte 5] en [Verdachte] voor de huur van de snoepwinkel. De € 750,- stortte hij op zijn privérekening en van daaruit maakte hij het over naar de [Naam 47] van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] . De winkel had hij naar eigen zeggen eigenlijk dus gratis. Als de kwekerij in het pand actief zou zijn zou hij € 500,- handje contantje krijgen.23 Hij wist niet waarom hij ook het appartement moest betalen.24

Er is in het pand een huurovereenkomst ingaande op 1 april 2013 tussen [Naam 15] en [Naam 16] aangetroffen, met daarbij een verlopen rijbewijs, terwijl de handtekening op de overeenkomst afwijkt van die op het rijbewijs.25 [Naam 16] heeft verklaard geen woning te hebben gehuurd en ook geen overeenkomst te hebben getekend. Hij had wel aangifte van vermissing van zijn rijbewijs gedaan.26

De bovenwoning zou blijkens een huurovereenkomst met ingang van 1 maart 2013 verhuurd zijn aan [Naam 15] .27 [Naam 15] verklaarde nooit een woning in Breda te hebben gehuurd en daarvoor ook nooit een overeenkomst te hebben ondertekend. [Naam 15] en [Naam 16] verklaarden elkaar niet te kennen.28 Er hebben stortingen en overboekingen op de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] plaatsgevonden op naam van [Naam 15] en [Medeverdachte 1] . Het totale als huur overgemaakte bedrag voor de winkel met woning in de periode van 2010 tot en met 2014 bedroeg € 15.000,-.29

[Straatnaam 3]

Eerder genoemde [Naam 10] zou ook huurder zijn van de garageboxen aan [Straatnaam 3] te Breda. [Naam 10] zou namelijk volgens mutaties op de bankrekeningen in 2006 gedurende 8 maanden in totaal € 4.000,- hebben gestort als zijnde huur voor de garageboxen. Hij was daar echter zelf niet van op de hoogte. Hij verklaarde er ook nooit te zijn geweest en hij had ook geen sleutel van de boxen. [Naam 10] verklaarde dat hij nauwelijks rond kon komen van zijn inkomsten30, terwijl op zijn naam in de jaren 2004 tot en met 2007 voor [Straatnaam 3] en de [Straatnaam 1] beide panden in totaal € 41.889,- was bijgeschreven op de bankrekeningen van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] .

Vanaf november 2007 tot en met maart 2010 werden op naam van [Naam 17] voor een totaal bedrag van € 16.800,- aan huurbetalingen gedaan op de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] ( [Naam 47] [Rekeningnummer 4] ) als zijnde huur voor deze dubbele garage. [Naam 17] legde wisselende verklaringen af over de duur van de huur en de lokale situatie in de garages.31 Vanaf juni 2010 tot en met april 2013 werden betalingen van bedragen (in totaal € 18.500,-) als zijnde huur gedaan op de [Naam 47] van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] door contante stortingen op naam van [Medeverdachte 1] . [Medeverdachte 1] verklaarde dat [Medeverdachte 3] ) en [Medeverdachte 4] hem in 2010 gevraagd hadden [Straatnaam 3] op zijn naam te zetten. Hij wist dat daar weed verbouwd ging worden. Hij was dan de stroman en zou er € 500,- per maand voor krijgen. Hij was er zelf nooit geweest. [Verdachte] en [Medeverdachte 5] zouden als eigenaren aanwezig zijn geweest bij de ondertekening van het huurcontract.32 Hij heeft zelf nooit de huur voor de garageboxen gestort en wist niet hoeveel huur er betaald moest worden. Hij vond het raar dat ze zijn naam hebben kunnen gebruiken voor de stortingen.33

Tijdens de doorzoeking op 20 mei 2014 werd in de aangetroffen hennepkwekerij in de dubbele garage aan [Straatnaam 3] te Breda de originele huurovereenkomst aangetroffen met [Naam 2] als huurder. De huur ging in per 1 april 2013 en bedroeg € 500,- per maand.34 Tijdens de doorzoeking in de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] , [Straatnaam 22] te Breda, werd eveneens een originele huurovereenkomst aangetroffen die volkomen identiek is aan de in hennepkwekerij aangetroffen huurovereenkomst.35

Vanaf mei 2013 tot en met april 2014 werden betalingen gedaan als zijnde huur door stortingen bij [Naam 18] op naam van [Naam 2] , voor een totaalbedrag van € 6.000,-. [Naam 2] verklaarde dat zij eind 2012/begin 2013 door [Medeverdachte 5] was benaderd en dat haar een voorstel was gedaan om twee garageboxen aan [Straatnaam 3] te Breda op haar naam te laten zetten. Er werd een bedrag van € 1.500,- aan contant geld in haar brievenbus gelegd, waarvan zij € 500,- als huur diende over te maken naar de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . Dit deed zij op het [Naam 18] bij het centraal station te Breda.

[Naam 2] verklaarde dat zij het restant van het bedrag dat zij maandelijks ontving voor het op haar naam zeten van de twee garageboxen aan [Straatnaam 3] te Breda zelf mocht houden, te weten € 1.000,- per maand. Ze ontving op een gegeven moment in haar brievenbus een vals huurcontract op naam van [Naam 19] met daarbij een kopie identiteitsbewijs met een begeleidende briefje waarop stond geschreven dat als er iets mis zou gaan, dit een contract was waarmee zij kon verklaren dat de garageboxen door haar onderverhuurd waren.36 Het huurcontract was gedateerd op 1 januari 2014 en de huur bedroeg € 500,- per maand.37 [Naam 19] kende op zijn beurt het huurcontract echter niet. Hij had op 15 november 2010 aangifte gedaan van vermissing van zijn paspoort.38 [Naam 2] verklaarde zelf nooit in de dubbele garage te zijn geweest en ook geen sleutel te hebben gekregen.39 Zij verklaarde dat zij iedere maand thuis opgehaald werd door een kalende man die met haar naar het [Naam 18] reed. Ze overhandigde hem de betalingsbewijzen. Soms moest ze ook [Naam 45] betalen. In de enveloppe die ze dan thuis kreeg met het geld zat dan ook een betaalopdracht van [Naam 45] .40

[Straatnaam 14] [Straatnaam 15]

Ten name van eerder genoemde [Naam 2] zijn in 2009 gedurende een jaar onder de noemer “huur” ook voor het adres [Straatnaam 14] / [Straatnaam 15] te Breda bedragen bijgeschreven op de [Naam 47] [Rekeningnummer 4] van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , terwijl [Naam 2] nimmer op dit adres ingeschreven heeft gestaan. In totaal werd € 7.200,- gestort. Hetzelfde gebeurde ten name van [Naam 13] . Vanaf 2009 tot en met 2014 hebben stortingen van € 800,- per maand plaatsgevonden op de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . In totaal ging het om € 41.600,- op naam van [Naam 13] . De stortingen vonden aanvankelijk plaats op een bankkantoor en vanaf mei 2013 via [Naam 18] In de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] werd tijdens de doorzoeking op 20 mei 2014 een originele overeenkomst aangetroffen met [Naam 13] als huurster en gedateerd op 8 december 2009. De huur ging in per 1 januari 2010 voor een huurbedrag van € 800,- per maand.41

Ook [Naam 13] heeft nimmer op het adres ingeschreven gestaan.42 [Naam 13] verklaarde dat ze het pand niet kende en leefde van een uitkering en voor het doen van boodschappen afhankelijk was van bijdragen van haar familie.43 Dat ze geen middelen had om de huur te betalen blijkt ook uit de gegevens van de Belastingdienst.

Op naam van [Medeverdachte 1] hebben op 28 mei 2010 drie contante stortingen plaatsgevonden van in totaal € 1.800,- op de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] als zijnde huur [Straatnaam 14] .44 [Medeverdachte 1] verklaarde dit pand niet te kennen.45

[Straatnaam 2]

Op 19 januari 2012 werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen op de [Straatnaam 2] te Zevenbergen. Op de onder [Verdachte] in beslag genomen computer is een gegevensbestand aangetroffen, inhoudende een huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte met verdieping aan de [Straatnaam 2] te Zevenbergen, met [Naam 1] als huurder, gedateerd 12 oktober 2011. De huur zou volgens dit contract ingaan per 13 oktober 2011 voor een bedrag van € 1.000,- per maand.46 [Naam 1] verklaarde dat hij door [Verdachte] als tussenpersoon was ingezet en dat hij hiervoor € 750,- van hem ontving.47 Hij heeft de loods via [Verdachte] weer onderverhuurd aan [Naam 20] voor een bedrag van € 400,- per maand inclusief, terwijl de huur € 1.000,- per maand bedroeg. Op de in de woning van [Verdachte] in beslag genomen externe harde schijf is een gegevensbestand aangetroffen, inhoudende een huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte met verdieping [Straatnaam 2] te Zevenbergen, met [Naam 21] , h.o.d.n. [Naam 20] als huurder. De huur ging in per 1 maart 2012 voor een bedrag van € 400,- per maand.48

Op de rekeningen van [Naam 1] en [Naam 20] vonden voorafgaand aan de bancaire overboekingen naar [Medeverdachte 5] / [Verdachte] niet traceerbare contante stortingen plaats.49 [Verdachte] verklaarde dat hij niet in het bezit was van een huurovereenkomst met [Naam 1]

Op 8 januari 2013 werd er opnieuw een kwekerij in het pand aangetroffen. Er werden meerdere huurovereenkomsten aangetroffen met als ingangsdatum 6 augustus 2012 maar op verschillende namen (één op naam van [Naam 22]50 en één op naam van [Naam 22] en [Naam 23]51).52 De huurder [Naam 22] verklaarde dat hij het pand vanaf augustus 2012 huurde voor € 650,- per maand, terwijl in de huurovereenkomst een bedrag van € 1.000,- per maand was opgenomen. Hij verklaarde de huur van € 650,- contant te hebben betaald (en eenmalig in december 2012 per bank). Hij zou het pand mondeling, zonder huurovereenkomst hebben onderverhuurd aan twee personen, waarvan hij van de ene alleen de voornaam en woonplaats wist en van de andere alleen de roep- en achternaam. Nadat hij in december 2012 het geld contant van de onderhuurders had ontvangen had hij dit op zijn bankrekening gestort en aan de verhuurders overgemaakt.53

Het totale als huur overgemaakte bedrag met betrekking tot [Straatnaam 2] in 2011 en 2012 bedroeg € 5.590,-.54

[Straatnaam 11]

Ten aanzien van het pand aan [Straatnaam 11] , is gebleken dat in de periode 17 juni 2010 tot en met 2 mei 2014 € 86.635,- is bijgeschreven op de gezamenlijke [Naam 47] [Rekeningnummer 4] , met betrekking tot deze woning. Op naam van [Naam 24] , [Naam 25] en [Medeverdachte 5] hebben onder de noemer huur, contante stortingen op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] ten name van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] plaatsgevonden. Het ging om de volgende bedragen: [Naam 24] € 12.750,-, [Naam 25] € 1.990,- en [Medeverdachte 5] € 29.785,-.

Op de in de woning van [Verdachte] in beslag genomen externe harde schijf is een huurovereenkomst aangetroffen gedateerd 29 november 2011, waarop [Naam 25] als huurder van [Straatnaam 11] is vermeld met ingang van 1 december 2011 voor een bedrag van € 1.990,- per maand.55 In de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] is de originele huurovereenkomst aangetroffen voor het woonhuis met garage aan [Straatnaam 11] te Breda met [Medeverdachte 5] vermeld als huurster met ingang van 1 december 2011 voor een bedrag van € 1.990,- per maand.56

Allen hebben verklaard dat zij nooit in het pand hebben gewoond en dat zij het pand niet kennen. [Naam 25] heeft in 2011 aangifte gedaan van verlies van zijn paspoort en in 2012 van vermissing van zijn rijbewijs.57 [Naam 24] verklaarde dat in 2008 zijn paspoort was ontvreemd bij een woninginbraak.58 [Medeverdachte 5] verklaarde dat zij bescheiden heeft ondertekend waarvan zij wist dat deze betrekking hadden op een pand in Breda waarin hennep werd gekweekt. De huur van € 1.990,- per maand heeft zij nooit gestort, dat kon zij ook niet betalen.59

Er hebben ook nog stortingen plaats gevonden op naam van [Naam 26] (€ 750,- op 7 juli 2010), [Naam 27] (€ 9.000,- in de periode van 2 maart 2011 tot en met 1 augustus 2011) en [Naam 28] € 4.500,- in de periode van 1 september 2011 tot en met 2 november 2011).

Op naam van [Medeverdachte 2] is in totaal € 27.860,- gestort op de gezamenlijk rekening als zijnde huur van [Straatnaam 11] . Over de periode 2 april 2013 tot en met 1 oktober 2013 is € 13.930,- (7 keer € 1.990,-) bijgeschreven op rekening [Rekeningnummer 4] . In de periode van 1 november 2013 tot en met 2 mei 2014 is 7 keer € 1.990,- bijgeschreven op deze rekening, waarbij in de omschrijving onder meer is vermeld ‘ [Naam 18] huur/ [Medeverdachte 2] ’.60 Uit onderzoek kwam naar voren dat [Medeverdachte 2] niet de draagkracht en/of financiële middelen had om deze huur te voldoen.61 [Medeverdachte 2] heeft daarbij wisselende verklaringen afgelegd over het aanleggen van de kwekerij en het bij aanvang van de huur aantreffen van goederen in het pand die gebruikt waren bij een kwekerij. Vanaf het moment van aankoop tot 20 augustus 2014 heeft niemand ingeschreven gestaan op dit adres.62 Op 20 mei 2014 werd in het pand een hennepkwekerij aangetroffen.63

[Adres]

Bij de doorzoeking van het pand aan de [Adres] op 20 mei 2014 is een fotokopie aangetroffen van een huurovereenkomst voor dit pand op naam van [Naam 29] .64 De originele huurovereenkomst is aangetroffen in de [Straatnaam 22] te Breda, de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] .65 Door de [Naam 48] is ook een huurovereenkomst op naam van [Naam 29] uitgeleverd.66 De huurovereenkomsten hebben allemaal 1 november 2006 als ingangsdatum en zijn gedateerd 24 oktober 2006, maar hebben tekstueel verschillende inhoud. De huurbetalingen van de [Adres] ten name van [Naam 29] in de periode vanaf november 2006 tot en met november 2010 vonden uitsluitend via contante stortingen van € 2.500,- of € 1.500,- per maand plaats op [Naam 47] [Rekeningnummer 5] ten name van [Verdachte] . Het betrof in totaal € 105.999,99.67

[Naam 13]

Een afrekening van [Naam 12] over de maand januari 2010 voor [Straatnaam 1] stond op naam van [Naam 13] terwijl [Naam 11] op dat moment de huurder zou zijn.68 Deze naam [Naam 13] komt ook voor bij bijschrijvingen op de bankrekening van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] met betrekking tot de panden [Straatnaam 2] en [Straatnaam 14] .69

[Naam 3]

, de ex-partner van [Verdachte] , verklaarde over het pand aan dat [Adres] te Breda dat dit nooit is verhuurd omdat [Verdachte] er hennep kweekte.

[Naam 3] heeft verder verklaard dat het inkomen van [Verdachte] bestond uit wiethandel en kinderbijslag. Ten aanzien van de aankoop van de [Straatnaam 1] verklaarde zij dat [Verdachte] aan haar had bevestigd dat dit pand was aangekocht met wietgeld. [Verdachte] had haar ook verteld dat elk volgend pand makkelijker zou worden omdat hij dan kon aantonen dat hij huurders had. [Verdachte] deed het volgens haar voorkomen alsof hij huurders had, waarvan hij inkomsten had die hij zelf contant ging storten bij het postkantoor. Dit was natuurlijk zijn eigen geld, afkomstig uit de hennepteelt en -handel. Zij was een paar keer bij het storten geweest. Het waren altijd pakketjes briefgeld. Hij deed dit vanaf het begin tot het einde van hun relatie. Zij heeft zelf gezien dat [Verdachte] aan een persoon met een verlopen uiterlijk geld betaalde. Dat was huurgeld aan een katvanger. Deze constructie met onderhuurders heeft hij later ook bij andere panden waarin hij hennep teelde toegepast. [Verdachte] had haar verteld dat hij iemand had die salarisstrookjes maakte. Op papier was de [Adres] verhuurd in de periode dat [Verdachte] bij haar ingeschreven stond, maar in werkelijkheid woonde hij er zelf. [Verdachte] was huurder van het pand aan de [Straatnaam 23] te Breda, maar op papier verhuurde hij het deels onder. Dit om zelf buiten schot te blijven op het moment dat een hennepkwekerij ontdekt zou worden door de politie70

Conclusie over fictieve huur

Uit het voorstaande is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de voornoemde huurders van de panden van verdachten niet de gebruikers waren van de gehuurde ruimten. Dit wordt onder andere afgeleid uit het feit dat:

  • -

    de huurovereenkomsten in alle voornoemde gevallen door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] zelf zijn opgesteld (en niet door de huurbemiddelaars [Naam 30] en [Naam 31] die dit bij andere panden vaak wel voor hun rekening namen) en er vrijwel steeds sprake was van een ongebruikelijke wijze van huurbetaling, namelijk met contante storting van het huurbedrag. Deze manier van betalen ligt niet voor de hand gelet op de extra kosten en het feit dat de huurders iedere maand naar een bank of grenswisselkantoor toe moeten gaan om de huur te storten. Er bleek in een aantal gevallen ook al huur te worden gestort terwijl er (nog) geen huurcontract was of er bleken voor de verhuur van een pand twee contracten te zijn met gelijke ingangsdatum maar verschillende huurders. Bovendien blijken de huurders in veel gevallen personen met zeer weinig of helemaal geen financiële ruimte om de op papier overeengekomen huur te kunnen bekostigen, terwijl dan ook wel op naam van één persoon zelfs voor meerdere panden geldbedragen worden gestort. Dat huurders, zoals in de huurcontracten is afgesproken, een borgsom hebben betaald is niet terug te vinden in de administratie, of er is, zoals bij de [Straatnaam 1] , wel een contante storting geweest, kennelijk voor borg, maar van een ander bedrag dan is overeengekomen en onder vermelding “storting eigen rekening”. Meerdere huurders hebben verklaard dat ze zijn benaderd om (tegen vergoeding) het pand op hun naam te laten zetten. Een aantal van hen heeft verklaard dat hen daarbij is verteld dat het de bedoeling was om in het pand hennep te kweken.

  • -

    In meerdere gevallen is een constructie met onderhuur geconstateerd waarbij de in de contracten genoemde onderhuurders nergens vanaf bleken te weten en kennelijk gebruik is gemaakt van hun gestolen of vermiste identiteitsbewijzen. Als reden voor deze constructie is aangegeven dat zo bij ontdekking de verantwoordelijkheid voor een hennepkwekerij kon worden afgewenteld op een ander. Afgezien van het pand aan de [Straatnaam 14] is door de politie in alle panden eenmaal of meermalen een hennepkwekerij dan wel hennep gerelateerde goederen aangetroffen.

  • -

    In een aantal gevallen waren de huurders niet in het bezit van een sleutel van het huurpand en stonden er ook niet ingeschreven.

Op de zitting zijn [Verdachte] en [Medeverdachte 5] uitvoerig bevraagd over de totstandkoming van deze huurovereenkomsten en de wijze van betaling van de huur. Beide verdachten hebben – in hun eigen zaak – weliswaar in algemene zin gesteld dat zij onderzoek hebben gedaan naar de financiële draagkracht van de huurders, maar op de vraag waaruit dat onderzoek dan bestond en op welke wijze zij dat documenteerden konden zij geen ondubbelzinnig antwoord geven. Ook over de wijze waarop het innen en het terugbetalen van de borg plaatsvond en hoe dit in hun administratie werd bijgehouden, en over de opmerkelijke wijze waarop de huur werd overgemaakt, bleef een duidelijk antwoord uit. Tegen de achtergrond van de voornoemde feiten en omstandigheden hebben beiden verdachten naar het oordeel van de rechtbank geen overtuigende verklaring kunnen geven voor de schimmige gang van zaken rond de verhuur van deze panden. Gelet op de genoemde verklaringen van de “huurders” en andere bewijsmiddelen kan het niet anders dan dat verdachten zelf bemoeienis hadden bij het tot stand komen van fictieve huurcontracten en het maken van afspraken rondom de te storten fictieve huurbedragen.

De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [Naam 3] buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat zij kennelijk leugenachtig zou hebben verklaard. Gelet op het feit dat zij een ex-partner is van [Verdachte] en het contact tussen hen erg moeizaam verloopt, betracht de rechtbank voorzichtigheid bij het gebruik van deze verklaringen. De verklaringen van [Naam 3] vinden echter op belangrijke onderdelen bevestiging in andere onderzoeksbevindingen. De rechtbank verwijst daarbij in het bijzonder naar het proces-verbaal van bevindingen onderzoek verklaring [Naam 3]71 De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door de verdediging benoemde onjuistheden in de verklaringen niet maken dat tot onbetrouwbaarheid van de verklaringen dient te worden geconcludeerd.

De rechtbank gaat derhalve, mede in aanmerking genomen de verklaringen van [Naam 3] , net als de officier van justitie er vanuit dat op de (gezamenlijke) rekening(en) van verdachten fictieve huurbetalingen zijn gestort, te weten:

Fictieve huur [Verdachte] en [Medeverdachte 5]72

jaar

[Straatnaam 1]

[Straatnaam 2]

[Straatnaam 3]

[Straatnaam 14]

[Straatnaam 11]

[Straatnaam 16]

2004

€ 5.355,00

2005

€12.084,00

2006

€15.900,00

€ 5.200,00

2007

€ 7.550,00

€ 4.800,00

2008

€ 4.800,00

2009

€ 4.800,00

€ 8.000,00

2010

€ 3.600,00

€ 4.700,00

€10.600,00

€12.000,00

2011

€ 2.000,00

€ 6.000,00

€ 9.600,00

€17.985,00

2012

€ 3.590,00

€ 6.000,00

€ 9.600,00

€23.825,00

€ 2.500,00

2013

€ 7.000,00

€ 9.600,00

€24.865,00

€ 9.500,00

2014 t/m mei

€ 2.000,00

€ 3.200,00

€ 7.960,00

€ 3.000,00

totaal

€ 44.489,00

€ 5.590,00

€ 45.300,00

€ 50.600,00

€ 86.635,00

€ 15.000,-

Fictieve huur [Verdachte]

Jaar

[Adres]

2006

€ 7.500,00

2007

€ 29,999,99

2008

€ 32.500,00

2009

€ 21.000,00

2010

€ 15.000,00

totaal

€105.999,99

Dit betekent dat deze bedragen terecht niet zijn meegenomen bij de vermogensvergelijkingen.

Casinowinsten

De verdediging heeft ten aanzien van de vermogensvergelijkingen van [Verdachte] gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de volgende door [Verdachte] gemaakte casinowinsten door het spelen van roulette:

2002 € 16.900,-

2003 € 30.200,-

2004 € 24.050,-

2005 € 44.470,-

2006 € 30.250,-.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of deze verklaring van [Verdachte] omtrent casinowinsten concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De rechtbank stelt vast dat in 2004 een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden bij [Verdachte] , naar aanleiding waarvan de Belastingdienst een vermogensopstelling heeft gemaakt die resulteerde in een netto negatief privé over de jaren 2001 en 2002. Bij doorzoeking in de woning van [Verdachte] op 20 mei 2014 is een controlerapport aangetroffen van dat ingestelde boekenonderzoek. [Verdachte] had in dat verband tegenover de Belastingdienst verklaard dat hij een systeem had ontwikkeld, waarbij hij steeds zijn inzet verdubbelde, waardoor hij altijd met winst naar huis ging. Met [Verdachte] is hierop de afspraak gemaakt dat hij exact bij zou gaan houden wat zijn casinowinsten waren en het beginbedrag wat hij had ingezet. De winst zou hij dezelfde dag of de dag erna storten op zijn bankrekening.73

Verdachte heeft ter zitting gesteld dat hij zich aan de gemaakte afspraken met de Belastingdienst heeft gehouden. In de woning van [Verdachte] en bij zijn boekhouder zijn lijsten en een kladblok aangetroffen met data en bedragen met daarbij de vermelding “R”, “E” en “d” over de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008. De rechtbank stelt vast dat de lijsten steeds winsten en een enkele keer verlies vermelden, maar dat hieruit niet blijkt wat steeds de begin inzet is geweest. In de periode van 2002 tot en met 2008 was de grens voor speelwinstverklaringen € 10.000,-. Hierbij valt op dat de op de lijsten vermelde winsten steeds onder deze grens liggen. Tevens stelt de rechtbank vast dat uit het dossier niet blijkt dat de gedane stortingen steeds verband houden met de gestelde casinowinsten en als dat al zo zou zijn, dan zegt dit niets zolang de inzet onbekend is.

In de woning van [Verdachte] is een pasje van [Naam 32] aangetroffen dat geldig was tot en met 7 januari 2004. Er is navraag gedaan bij [Naam 32] , waaruit volgt dat de bezoekdata door hen maximaal vijf jaar worden bewaard. Er was een registratie op naam van [Verdachte] beschikbaar van 26 januari 2008. Verder konden geen relevante gegevens worden verstrekt over eventuele casinobezoeken door [Verdachte] en de rechtbank stelt vast dat het dossier hierover ook geen andere informatie bevat. Wel heeft [Naam 32] nog opgemerkt dat verdachte bij het spelen van het door hem gestelde systeem zou aanlopen tegen een maximale inzet per tafel.

In de politieverhoren op 31 mei 2015 en 1 juni 2015 gaf [Verdachte] geen reactie op de aan hem gestelde vragen over de casinowinsten, maar zei wel te kunnen uitleggen hoe hij in het casino te werk ging en zou daar later op terug willen komen. Op 18 januari 2019, en dus kort voor de inhoudelijke behandeling, is door de verdediging een kopie overgelegd van een boekje met daarin, naar zij stelt, de door [Verdachte] bijgehouden resultaten van zijn casinospelen. Tevens heeft de verdediging bij die gelegenheid spreadsheets overgelegd waarin de gestelde casinowinsten zijn vermeld, alsmede een uitwerking van enkele voorbeelden. Exacte data ontbreken hierin. Hieruit zou volgens de verdediging volgen hoe het boekje gelezen moet worden, om welke jaartallen het ging en hoe hoog de inzet steeds is geweest.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de verklaring van verdachte niet verifieerbaar is en dat een objectieve onderbouwing ontbreekt. De enkele lijsten, zonder dat deze steun vinden in enig ander stuk of verklaring, tonen niet aan dat er casinowinsten zijn behaald. Hetzelfde geldt voor de vlak voor de inhoudelijke behandeling en jaren na het laatste politieverhoor in het geding gebrachte kopie van het zogenaamde casinoboekje met cijfers. De toelichting die hierop door de verdediging is gegeven maakt dat niet anders. Dat verdachte de bovengenoemde casinowinsten zou hebben behaald acht de rechtbank derhalve ook hoogst onwaarschijnlijk.

Ook acht de rechtbank in dit verband de verklaring van [Naam 3] van belang. [Verdachte] ging volgens haar regelmatig naar verschillende [Naam 32] in Breda, Eindhoven, Rotterdam en Scheveningen. Het ging erom dat hij kon aantonen dat hij in het [Naam 32] was geweest. Ze heeft nooit gezien of gehoord dat hij wat won. Bij de controle van de Belastingdienst in 2004 is met [Verdachte] afgesproken dat hij het gewonnen geld de dag daarna moest gaan storten op zijn bankrekening.74

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [Verdachte] gestelde casinowinsten terecht niet zijn betrokken bij de vermogensvergelijkingen.

Nibud-correcties

De rechtbank stelt voorop dat er voor de vaststelling van de hoogte van de kosten in de vermogensvergelijkingen en de kasopstellingen is aangeknoopt bij de referentiebudgetten zoals deze worden gebruikt door het Nibud, omdat exacte gegevens over bepaalde posten grotendeels ontbreken.

De verdediging heeft betoogd dat ten aanzien van meerdere kostenposten de gehanteerde Nibud-norm geen goede weergave is van de werkelijkheid, omdat de daadwerkelijke kosten lager zijn geweest. De verdediging heeft in dit verband ten aanzien van verschillende punten een alternatief budgetbedrag genoemd.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie de verdediging hierin deels heeft gevolgd, voor zover het uitdrukkelijk genoemde en aantoonbaar gemaakte kosten betreft en dat de officier en de verdediging voornamelijk nog van mening verschillen over de correctiepost vervoer, zodat zij ook alleen op deze post zal ingaan.

De verdediging is van mening dat een bedrag aan vervoerskosten van circa

€ 10.000,- per jaar waar het Nibud-budget vanuit gaat veel te hoog is. De verdediging voert aan dat de BMW geschorst was, de Mercedes dateert van 12 juni 2000 en geheel door [Verdachte] zelf is opgeknapt en onderhouden en dat de Ford Escort een zeer oude auto was die volledig was afgeschreven en waarvan het onderhoud ook door [Verdachte] zelf plaatsvond.

De rechtbank stelt vast dat [Verdachte] van 2002 tot en met 2004 steeds vier auto’s op zijn naam had staan. In 2002 stonden een BMW 633 CSI, Mercedes W124 cabriolet, een Ford Escort en een VW Caddy op zijn naam. De Ford Escort is op 6 november 2002 verkocht. In 2003 en 2004 stonden de volgende auto’s op zijn naam: BMW 633 CSI, Mercedes W124 cabriolet, een VW Caddy en een Jeep Grand Cherokee. Aangezien in ieder geval één van de auto’s vermoedelijk een restauratie-auto betreft is in de Nibud budgetrekening in het voordeel van [Verdachte] rekening gehouden met slechts twee auto’s.75 Naast auto’s, was [Verdachte] ook nog in het bezit van een aantal boten.76

De rechtbank is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat ten aanzien van de uitgavenpost vervoer terecht van het toegepaste bedrag van de Nibud-norm is uitgegaan.

Voor het overige volgt de rechtbank het betoog van de officier van justitie dat zelfs als rekening wordt gehouden met de door de verdediging voorgestelde en door de officier geaccepteerde correcties op de uitgavenposten er dan nog altijd een negatief resultaat resteert in de vermogensvergelijkingen en summiere kasopstellingen.

4.3.1.3.2 [Medeverdachte 5]

Fictieve huur

De rechtbank verwijst op dit punt naar hetgeen zij hierover bij [Verdachte] heeft overwogen.

Zwarte klussen

De verdediging heeft betoogd dat [Medeverdachte 5] met zijn klussenbedrijf ook wel zwarte klussen deed en dat de verhouding witte en zwarte klussen 50/50 was. De verdediging is van mening dat ook de inkomsten van de zwarte klussen bij de vermogensvergelijkingen meegenomen hadden moeten worden. Ter onderbouwing zijn door de verdediging kort voor de zitting een aantal schriftelijke verklaringen van klanten overgelegd waarin gesproken wordt over klussen die door [Medeverdachte 5] zouden zijn verricht waarvoor contant zou zijn betaald. De gemaakte kosten bij deze klussen zijn door [Medeverdachte 5] niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden, de gestelde inkomsten uit de zwarte klussen onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn. Dit betekent dat hiermee bij het opstellen van de vermogensvergelijkingen terecht geen rekening is gehouden.

Bovendien heeft [Medeverdachte 5] naar eigen zeggen nagelaten om deze inkomsten op te geven bij de Belastingdienst en hierover afdrachten te doen. Dat betekent dat als deze inkomsten er al waren, deze deels afkomstig zouden zijn van fiscale fraude en om die reden al niet opgenomen moeten worden in het overzicht van de legale inkomsten die voor financiering van panden ter beschikking waren.

Nibud-correcties

Net als bij [Verdachte] verschillen de officier van justitie en de verdediging van [Medeverdachte 5] op dit moment voornamelijk nog van mening over de uitgavenpost vervoer.

Volgens de verdediging was er sprake van slechts één privé auto (en niet vijf voertuigen), te weten een 12 jaar oude Mercedes, en kan er slechts maximaal voor één privé auto worden gecorrigeerd omdat de andere auto op naam stond van de zaak en deze kosten al ten laste van het ondernemingsresultaat zijn gekomen.

De rechtbank stelt vast dat [Medeverdachte 5] in 2002 vier auto’s op zijn naam had staan, te weten een Honda XL500, een WBH 500 M Enduro, een Mercedes Benz 200 TE en een Ford. De Ford is opgenomen in de jaarrekening van Klussenbedrijf [Medeverdachte 5] .77 In 2003 stonden een

Honda XL500, een WBH 500 M Enduro, een Mercedes Benz 200 TE, tot 17 juli 2003 een Ford en vanaf 28 juni 2003 een VW Bestel op zijn naam.78 In 2004 stonden nog steeds vier voertuigen op zijn naam.79

In de Nibud budgetrekeningen is steeds rekening gehouden met twee auto’s. Uit het voorgaande blijkt dat [Medeverdachte 5] steeds meer dan twee auto’s heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat van andere bedragen dan de Nibud-norm uit dient te worden gegaan.

4.3.1.4 Conclusie verklaringen [Verdachte] en [Medeverdachte 5]

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de fictieve huurinkomsten, de casinowinsten en de inkomsten uit zwarte klussen terecht niet zijn opgenomen in de vermogensvergelijkingen en kasopstellingen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat met de door de verdediging voorgestelde en de door de officier van justitie geaccepteerde correcties op de Nibudbudgetnorm nog steeds blijkt van een negatief netto privé. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de vermogensvergelijkingen in het procesdossier omdat deze gebaseerd zijn op de gegevens van de boekhouder en de belastingaangiften. Hierin zijn de reguliere huurinkomsten reeds meegenomen en niet is gebleken dat van een onjuist beginvermogen is uitgegaan.

Het voorgaande komt erop neer dat verdachten met hun verklaringen en nadere onderbouwingen het vermoeden van witwassen niet hebben ontzenuwd.

4.3.1.5 Aanschaf en financiering panden

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of verdachten gelet op hun vermogenspositie de door hen aangekochte panden met legaal vermogen hebben kunnen financieren.

4.3.1.5.1 [Straatnaam 1] en [Straatnaam 2]

[Straatnaam 1] te Etten-Leur is op 6 oktober 2003 aangeschaft door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] voor een bedrag van € 75.000,-, waarvan ieder de helft heeft voldaan. Ten behoeve van deze aankoop is volgens [Verdachte] € 7.470,- van zijn broer en € 9.830,- van zijn vader geleend. Voor zover de verdediging van [Verdachte] op dit punt verweer heeft gevoerd, stelt de rechtbank vast dat deze leningen zijn meegenomen in de vermogensvergelijking.80

Vervolgens schaften [Verdachte] en [Medeverdachte 5] op 3 december 2004 het bedrijfspand aan de [Straatnaam 2] te Zevenbergen aan voor een bedrag van € 71.400,-. Zij leenden hiervoor een bedrag van € 30.000,- bij [Naam 33] en het restant betaalden zij van hun bankrekeningen. Een bedrag van € 56.408,87 werd betaald vanaf de [Rekeningnummer 6] ten name van [Medeverdachte 5] en een bedrag van € 15.000,- vanaf de [Naam 47] [Rekeningnummer 3] ten name van [Verdachte] . Er werd € 1.800,- contant voldaan.81 De panden werden niet gefinancierd met een hypothecaire geldlening.

De verdediging heeft in de zaak van [Verdachte] gesteld dat [Verdachte] in 2003 een beginvermogen had van ruim € 21.000,- en dat hij over dat jaar ruim € 31.000,- aan inkomsten heeft gegenereerd, die voor het grootste gedeelte bestonden uit casinowinsten. De verdediging stelt zich daarmee op het standpunt dat [Verdachte] over (een deel van) deze geldbedragen kon beschikken en ze kon aanwenden om daarmee het restant van zijn deel van de koopsom te voldoen.

De rechtbank stelt vast dat uit de vermogensvergelijking volgt dat er zowel in 2001 als in 2002 sprake was van een netto negatief privé, ook indien rekening wordt gehouden met de correcties op bepaalde uitgavenposten in het Nibudadvies. Zoals de rechtbank hiervóór al heeft geoordeeld ziet zij geen aanleiding om de gestelde casinowinsten in de vermogensvergelijking te betrekken.

De verdediging heeft in de zaak van [Medeverdachte 5] gesteld dat hij het door hem te betalen bedrag volledig vanaf zijn bankrekening heeft betaald, dat hij in 2003 over een ruim beginvermogen beschikte en over de jaren 2003 en 2004 huurinkomsten en winst uit zijn klussenbedrijf had. In 2004 bedroegen de huurinkomsten en winst uit onderneming volgens de verdediging ruim € 50.000,-.

De rechtbank stelt vast dat ook in de zaak van [Medeverdachte 5] uit de vermogensvergelijking over 2002 volgt dat sprake is van een netto negatief privé, ook na verdiscontering van de correcties op diverse uitgavenposten van het Nibudadvies. Tevens stelt de rechtbank vast dat de vermogensvergelijking onder meer is gebaseerd op de gegevens die bekend zijn bij verschillende instanties, zoals de Belastingdienst. Indien [Medeverdachte 5] meer of andere inkomsten of winst uit de onderneming had dan hij bij de Belastingdienst heeft opgegeven, dan moeten deze als “zwarte” inkomsten worden aangemerkt en kunnen deze niet bij de vermogensvergelijking worden betrokken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachten de panden aan [Straatnaam 1] en [Straatnaam 2] gedeeltelijk hebben gefinancierd met geld waarvoor geen legale bron is aan te wijzen. Dit betekent dat, dit geld kennelijk van misdrijf afkomstig is en naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachten dit geweten.

4.3.1.5.2 [Straatnaam 3]

Op 23 december 2005 is [Straatnaam 3] te Breda door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] aangekocht voor een bedrag van € 155.000,-. Hiervoor is een hypothecaire lening door de [Naam 48] verstrekt van € 180.000,- waarbij niet alleen de [Straatnaam 3] als onderpand werd gegeven, maar ook de panden aan [Straatnaam 1] en [Straatnaam 2] .82

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervóór heeft overwogen betekent dit dat verdachten aan de bank woningen in onderpand hebben gegeven die (middellijk) deels van misdrijf afkomstig waren. Op basis van deze deels uit misdrijf verkregen onderpanden heeft de bank geld verstrekt en verdachten aldus in staat gesteld een nieuw pand aan te schaffen.

De rechtbank merkt op dat uit de wetsgeschiedenis van de wetsbepalingen over witwassen moet worden afgeleid dat niet alleen voorwerpen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn hieronder vallen, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. Verder kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen die zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het zo vermengde vermogen, kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. De vermengingsleer is in beginsel onbegrensd. Alleen onder bepaalde omstandigheden kan het niet meer als witwassen worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of er sprake is van:

- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;

- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;

- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;

- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen (HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).

Nu deze omstandigheden zich hier niet voordoen, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verwervingshandeling moet worden gekwalificeerd als witwassen.

4.3.1.5.3 [Straatnaam 6] en [Straatnaam 5]

Op 29 januari 2007 zijn [Verdachte] en [Medeverdachte 5] eigenaar geworden van [Straatnaam 6] en [Straatnaam 5] , beide te Breda. De koopprijs voor het pand aan de [Straatnaam 6] bedroeg € 105.000,- en het pand aan de [Straatnaam 5] € 110.000,-. Er is een hypothecaire lening verstrekt van € 235.000,-, met de panden [Straatnaam 6] en [Straatnaam 5] als onderpand.83

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [Verdachte] en [Medeverdachte 5] daarnaast zelf nog een bedrag van € 2.478,- van hun gezamenlijke bankrekening hebben betaald. Omdat deze rekening volgens haar voornamelijk werd gevoed met fictieve huurbetalingen kan het niet anders zijn dan dat deze panden deels zijn aangeschaft met uit misdrijf verkregen gelden.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het standpunt dat dit bedrag door verdachten zou zijn betaald niet kan worden gevolgd. Uit de afrekening van de notaris84 en het “overzicht financiering vastgoed [Verdachte] en [Medeverdachte 5] ”85 blijkt immers dat dit bedrag door verdachten in verband met de aankoop van [Straatnaam 5] juist is ontvangen. Aangezien bij de aankoop van [Straatnaam 6] en [Straatnaam 5] geen besmette panden als onderpand dienden en het aankoopbedrag volledig met een lening vanwege een hypotheek op alleen deze panden is voldaan, stelt de rechtbank geen witwasgedragingen vast bij de aankoop van deze panden, hetgeen voor deze panden leidt tot vrijspraak.

4.3.1.5.4 [Straatnaam 8]

Op 22 mei 2007 hebben [Medeverdachte 5] en [Verdachte] dit pand gekocht op een veiling. De aankoopkosten bedroegen in totaal € 160.364,12. Het bedrag werd – minus reeds voldane bedragen – betaald op 4 juli 2007. Er vond geen financiering plaats. Een bedrag van

€ 47.364,12 was afkomstig van de gezamenlijke [Rekeningnummer 1] ; € 85.000,- werd overgemaakt vanaf de [Naam 47] op naam van [Medeverdachte 5] ( [Rekeningnummer 2] ) en € 28.000,- vanaf de [Naam 36] op naam van [Verdachte] ( [Rekeningnummer 7] .

Vier maanden later, in september 2007, werd opnieuw een hypotheek afgesloten/oude hypotheek verhoogd voor een bedrag van € 235.000,-, met niet [Straatnaam 8] als onderpand, maar de eerder aangekochte panden [Straatnaam 2] , [Straatnaam 1] en [Straatnaam 3] .86

Uit de opgemaakte summiere kasopstelling ten aanzien van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] komt naar voren dat zij in 2007 gezamenlijk over € 74.464,- meer contanten hebben beschikt dan op grond van de bekende inkomsten minus de uitgaven zou kunnen en dat ook na verrekening van de correcties op de Nibudposten nog een aanzienlijk negatief bedrag overblijft, zonder dat hiervoor in posten van de kasopstelling of anderszins een verklaarbare legale bron aanwezig is.

De verdediging heeft gesteld dat [Medeverdachte 5] een bedrag van € 84.854,- had overgehouden aan het oversluiten van de BLG-hypotheek [Naam 35] tot [Straatnaam 24] op 27 februari 2007. Nu deze concrete en verifieerbare stelling niet door de officier van justitie is weerlegd, gaat de rechtbank er vanuit dat dit bedrag niet van misdrijf afkomstig is.

De verdediging heeft verder gesteld dat de ruim € 45.000,- niet van een gezamenlijke rekening is betaald waar volgens het Openbaar Ministerie de fictieve huur op zou worden gestort, maar vanaf de gezamenlijke [Naam 48] . In reactie hierop heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze [Naam 48] voornamelijk gevoed werd met de zakelijke [Naam 46] waarop de – deels fictieve – huur werd gestort. Ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 28.000,- dat van de [Naam 36] van [Verdachte] is betaald hebben verdachten geen verklaring gegeven.

Op basis van de summiere kasopstelling konden verdachten niet beschikken over deze

(€ 47.364,12 en € 28.000,-) bedragen.

Zoals hiervoor al is geoordeeld was in een aantal gevallen sprake van gefingeerde huurconstructies. Gebleken is dat de bedragen aan “huur” voornamelijk werden gestort op de gezamenlijke [Naam 46] van verdachten87, terwijl de [Naam 48] hoofdzakelijk werd gevoed met overboekingen vanaf deze [Naam 46] .88

Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het aankoopbedrag van dit pand in elk geval deels van misdrijf afkomstig was en dat bij het verwerven derhalve sprake is geweest van witwassen.

4.3.1.5.5 [Straatnaam 4] en [Straatnaam 7]

Op 15 januari 2008 zijn [Verdachte] en [Medeverdachte 5] eigenaar geworden van de panden aan [Straatnaam 4] en [Straatnaam 7] beiden te Breda. [Straatnaam 4] werd gekocht voor een bedrag van € 171.000,- en de [Straatnaam 7] voor een bedrag van

€ 172.500,-.89 Beide panden werden aangeschaft zonder dat op deze panden zelf hypotheek rustte.

De rechtbank stelt vast dat verdachten op 4 januari 2008 een hypothecaire geldlening bij de [Naam 48] hebben afgesloten ter grootte van € 200.000,- met [Straatnaam 8] als onderpand. De verdediging betoogt dat voor de aankoop niet alleen de op 4 januari 2008 afgesloten hypothecaire geldlening is gebruikt maar ook de op 14 augustus (de rechtbank begrijpt: september) 2007 afgesloten (gewijzigde) hypothecaire lening bij de [Naam 48] ter grootte van € 235.000,-, met als onderpand [Straatnaam 3] , [Straatnaam 1] en [Straatnaam 2] De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de panden zijn aangeschaft met gelden afkomstig van deze twee geldleningen.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de [Straatnaam 3] , de [Straatnaam 1] , de [Straatnaam 2] en [Straatnaam 8] waaruit volgt dat die vier panden kennelijk (deels) gefinancierd zijn vanuit een uit misdrijf verkregen bron en deze panden nu als onderpand zijn gegeven bij de voornoemde geldleningen, is de rechtbank van oordeel dat dit ook gevolgen heeft voor de aanschaf van de panden aan [Straatnaam 4] en [Straatnaam 7]

Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat deze panden zijn aangeschaft met besmet geld, waardoor van deze panden, aan [Straatnaam 4] en [Straatnaam 7] de verwervingshandelingen als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.

4.3.1.5.6 [Straatnaam 12] / [Straatnaam 13] en [Straatnaam 9] / [Straatnaam 10]

Op 4 april 2008 vond de levering plaats van de panden aan [Straatnaam 12] [Straatnaam 13] en [Straatnaam 9] te Breda aan [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . Ook voor deze panden gold dat verdachten deze panden niet hebben belast met een hypotheek. De panden werden gekocht voor een bedrag van € 300.000,-. Vermeerderd met belasting en kosten dienden verdachten

€ 320.187,97 te voldoen. Hiervoor werd een hypothecaire kredietfaciliteit bij de [Naam 48] afgesloten. De eerdere hypotheken op [Straatnaam 6] , [Straatnaam 5] en [Straatnaam 8] werden geroyeerd en vervangen door een nieuwe hypotheek waarbij (naast [Straatnaam 6] , [Straatnaam 5] en [Straatnaam 8] ) ook [Straatnaam 7] als onderpand werd gegeven. Daarnaast werden de huurinkomsten aan de bank verpand. In totaal betrof het een bedrag van € 500.000,- dat aan hypotheek werd verstrekt. € 320.187,97 werd naar de notaris overgemaakt en het restant (€ 177.312,03) werd naar de [Rekeningnummer 1] van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] overgemaakt.90

Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de hypothecaire geldlening is verkregen met onder andere twee ‘besmette panden’ als onderpand. Daarnaast is de geldlening verstrekt op basis van verpande huurinkomsten. De rechtbank concludeert dat hierbij ook eerder genoemde “fictieve” huurinkomsten werden opgevoerd en verpand om de lening te kunnen verkrijgen. Dit kan worden afgeleid uit het cashflowoverzicht van januari 2008 dat zich in het [Naam 48] -hypotheekdossier bevindt.91

De rechtbank beschouwt het in pand geven van de besmette panden en deze fictieve huuropbrengsten als een witwashandeling.

4.3.1.5.7 [Straatnaam 14] [Straatnaam 15]

Op 15 december 2008 vond de overdracht plaats van [Straatnaam 14] / [Straatnaam 15] te Breda aan verdachten. Het pand was gekocht voor € 280.000,-, en er diende vermeerderd met belasting en kosten € 296.504,58 te worden voldaan. Het pand werd op dat moment niet belast met een hypotheek. Uit het dossier volgt dat verdachten op 15 december 2008 een hypothecaire inschrijving hebben verkregen op het eerder aangekochte woonhuis [Straatnaam 12] / [Straatnaam 13] te Breda en de huurinkomsten. Tegen deze hypotheekinschrijving werd een lening van € 240.000,- bij de [Naam 48] verkregen op 15 december 2008. Na aftrek van de afsluitprovisie was er een bedrag van € 238.800,- beschikbaar, waarmee het aankoopbedrag deels is voldaan.92 Het overige bedrag, te weten € 57.7040,58, werd door verdachten betaald vanaf de gezamenlijke [Rekeningnummer 1] .93

De verdediging betoogt dat er nog € 177.312,- over was van de op 4 april 2008 verstrekte hypotheek, zodat er ruimschoots voldoende was om de resterende € 57.704,58 te kunnen voldoen.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de afgesloten hypothecaire geldlening waar de verdediging naar verwijst is verkregen met ‘besmette panden’ als onderpand. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het restantbedrag van deze lening ook besmet is.

Daar komt nog bij dat de huurinkomsten op grond waarvan het pandrecht is verkregen in ieder geval ook deels huurinkomsten bevatten uit panden die al als besmet zijn aangemerkt, zodat ook deze handeling als een handeling van witwassen wordt beschouwd.

4.3.1.5.8 Haagdijk 75

Op 16 april 2010 vond de overdracht plaats van het pand aan [Straatnaam 16] te Breda. Het pand was door verdachten gekocht voor € 80.000,-. Vermeerderd met belasting en kosten dienden zij € 86.268,- te voldoen. Het pand werd op dat moment niet belast met een hypotheek, maar uit kadastergegevens volgt dat verdachten op 16 april 2010 een hypothecaire inschrijving hebben verkregen op het eerder aangekochte pand [Straatnaam 14] en [Straatnaam 15] Breda voor een bedrag van € 450.000,-. Tegen deze hypotheekinschrijving werd voor financiering van dit pand een lening bij de [Naam 36] verkregen van € 100.000,-.94

Ook in dit geval is de lening verkregen op basis van een hypotheek op een ‘besmet’ onderpand. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat het aankoopbedrag van dit pand middels deze lening is voldaan, is de rechtbank dan ook van oordeel dat gelet op deze verwervingshandeling ook ten aanzien van dit pand sprake is van witwassen.

4.3.1.5.9 [Straatnaam 11]

Op 2 juni 2010 vond de overdracht plaats van het pand aan [Straatnaam 11] te Breda aan [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . De koopprijs bedroeg € 160.000,-, vermeerderd met belasting en kosten € 170.463,78. Het pand werd niet belast met een hypotheek.

[Naam 36] verstrekte opnieuw een hypothecaire geldlening, op basis van de eerder genoemde hypothecaire inschrijving van 16 april 2010, van € 150.000,-, waarvan na aftrek van een afsluitprovisie van € 1.500,- een bedrag van € 148.500,- resteerde/beschikbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hypothecaire geldlening bij de [Naam 36] verkregen met het besmette pand [Straatnaam 14] / [Straatnaam 15] als onderpand.

Het restant (€ 21.963,78) betaalden [Verdachte] en [Medeverdachte 5] vanaf hun [Rekeningnummer 1] .95 De verdediging geeft hiervoor als verklaring dat er nog bijna € 13.000,- over was van de daaraan voorafgaande financiering van [Straatnaam 16] en van het restant van de € 177.312,- van [Straatnaam 12] [Straatnaam 13] en [Straatnaam 9] / [Straatnaam 10] .

Wat er van deze verklaring ook zij, zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen zijn deze hypothecaire geldleningen verkregen met ‘besmette panden’ als onderpand. Naar het oordeel van de rechtbank is er hoe dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat de restantbedragen van deze leningen ook besmet zijn.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het pand aan [Straatnaam 11] met door misdrijf afkomstig geld is verkregen en dat sprake is geweest van een witwashandeling.

4.3.1.5.10 [Straatnaam 17] / [Straatnaam 18]

Op 22 oktober 2012 vond de overdracht plaats van het pand aan [Straatnaam 17] / [Straatnaam 18] te Breda. De koopprijs bedroeg € 250.000,-. Vermeerderd met belasting en kosten moesten [Verdachte] en [Medeverdachte 5] € 261.381,07 voldoen. Hiervoor gingen zij twee hypotheken aan bij respectievelijk [Naam 34] en [Naam 33] van elk € 100.000,-, met [Straatnaam 17] / [Straatnaam 18] als onderpand. Het restant, € 61.381,07 betaalden zij vanaf hun [Rekeningnummer 1]96

Uit de summiere kasopstelling97 blijkt dat verdachten hierover niet konden beschikken. De enige verklaring die verdachten hier tegenover stellen, is dat er geen sprake was van fictieve huurinkomsten, terwijl daar, zoals eerder overwogen, naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van was.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het pand in ieder geval voor een substantieel deel met uit misdrijf verkregen geld is aangeschaft en dat derhalve ook bij de verwerving van dit pand sprake is geweest van witwassen.

4.3.1.6 Conclusie ten aanzien van feit 1

Er is door verdachte en zijn medeverdachte gebruik gemaakt van illegale opbrengsten, door deze te investeren in voor verhuur dan wel wietproductie te gebruiken onroerend goed. Vervolgens zijn financieringen verkregen met het verworven onroerend goed als onderpand waardoor legale huuropbrengsten konden worden gegenereerd. Deze huuropbrengsten werden vermengd met fictieve huuropbrengsten, waarmee opnieuw vastgoed kon worden verworven, al dan niet met financiering door banken, waarbij ter onderbouwing van de financiële positie en/of ter verpanding ook “fictieve” huuropbrengsten werden gepresenteerd als daadwerkelijke huuropbrengsten. Met dit vastgoed konden opnieuw huuropbrengsten dan wel illegale inkomsten worden gegenereerd en onderling vermengd. Door deze handelswijze zijn geldstromen waaruit bestedingen en investeringen zijn gedaan, voor een substantieel deel besmet met gelden afkomstig uit misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen door de hiervoor genoemde panden en aanschafbedragen met een ander te verwerven, voorhanden te hebben, om te zetten en daarvan gebruik te maken, terwijl hij wist dat deze aanschafbedragen en/of panden geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk dan wel middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.

Gelet op de duur van de periode en de frequentie, is de rechtbank van oordeel dat er kan worden gesproken van gewoontewitwassen.

4.3.2

feit 2 hennepkwekerijen

Onder feit 2 is – kort gezegd – primair ten laste gelegd het tezamen en in vereniging met een ander exploiteren danwel aanwezig hebben van hennepkwekerijen in de panden aan [Straatnaam 2] [Straatnaam 16] en [Straatnaam 11] en in de twee garageboxen van het pand aan [Straatnaam 3] Subsidiair is dit als medeplichtigheid ten laste gelegd.

4.3.2.1 [Straatnaam 2] te Zevenbergen

Het pand aan [Straatnaam 2] is sinds 3 december 2004 in eigendom van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] .

14 oktober 2009

Gelet op de inhoud van het dossier doelt de tenlastelegging kennelijk op een hennepkwekerij met 800 hennepplanten die op 14 oktober 2009 op [Straatnaam 19] werd aangetroffen. Op de [Straatnaam 2] werd die dag alleen een aanhangwagen met hennep gerelateerde goederen aangetroffen. Aangezien geen hennepplanten zijn aangetroffen op de [Straatnaam 2] , zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

19 januari 2012

Op 11 januari 2012 kwam bij de politie een melding binnen dat de ramen van de loods aan [Straatnaam 2] vol met condens zaten.98 Op 19 januari 2012 gaf een warmtemeting van compartiment [Straatnaam 2] in Zevenbergen een hoge uitstraling aan. De meting gaf een sterk afwijkend beeld ten opzichte van naastgelegen loodsen. Hierop is de politie in de loods binnengetreden. Bij binnenkomst was een vochtige warmte te voelen. Op de eerste verdieping werd, verdeeld over twee ruimten, een hennepkwekerij met respectievelijk 190 en 210 hennepplanten aangetroffen en in beslag genomen. In de overige ruimte werden 221 hennepstekjes aangetroffen en in beslag genomen.99 Vanuit elke ruimte zijn willekeurige planten/stekjes veiliggesteld en bemonsterd. De test van de monsters gaf een positieve reactie op THC, de werkzame stof van hennep.100

Hierna meldde [Naam 37] zich bij de politie en verklaarde samen met [Naam 21] en zijn moeder het bedrijf [Naam 20] te runnen en het pand aan [Straatnaam 2] voor de opslag van spullen te huren. [Naam 37] heeft een huurovereenkomst aan de politie overhandigd. Hierin staat vermeld dat hij de bedrijfsruimte met ingang van 17 oktober 2011 voor de duur van vijf jaar huurt van [Naam 1] voor een bedrag van € 350,- per maand exclusief € 50,- water en licht.101

Uit een bankafschrift ten name van [Naam 20] blijkt dat op 15 december 2011 een bedrag van € 400,- is overgemaakt naar rekening [Rekeningnummer 10] onder vermelding “ [Naam 1] huur december - [Straatnaam 2] . Op dit afschrift staat ook vermeld dat er twee dagen eerder op 13 december 2011 op deze rekening een contante storting van € 800,- heeft plaatsgevonden.102

[Naam 1] verklaarde dat hij via [Verdachte] de loods aan [Straatnaam 2] te Zevenbergen heeft gehuurd en deze via [Verdachte] weer heeft onderverhuurd aan [Naam 37] zodat de heren hun dingen konden doen in de hennepkwekerij. [Verdachte] bood hem de kans aan wat geld bij te verdienen. [Verdachte] vertelde hem dat hij een tussenpersoon nodig had voor het huurcontract, zodat hij zichzelf en de huurder aan welke [Naam 1] het pand zou onderhuren, vrij waren van alle blaam omtrent de daar gevestigde hennepkwekerij. Alles werd gelijk geregeld door [Verdachte] en hij ( [Naam 1] heeft alles in een keer getekend. Hij heeft [Naam 37] nooit gesproken of ontmoet. Hij heeft een uitkering van € 552,- per maand en krijgt € 93,- per maand pensioen, die hij ontvangt op een [Naam 36] .103

Uit onderzoek bleek dat er van 1 november 2011 tot en met 1 januari 2012 vanaf een [Naam 46] privérekening van [Naam 1] € 1.000,- per maand werd overgeschreven naar een girorekening [Rekeningnummer 4] op naam van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . De boekingen van 1 december 2011 en 1 januari 2012 werden steeds voorafgegaan door een contante storting van € 400,- en een overboeking van € 600,- afkomstig van [Naam 20] . Het eerste bankafschrift (volgnummer 1) van de rekening van [Naam 1] is gedateerd 31 oktober 2011.104 Op 19 oktober 2011 wordt naar deze rekening € 1.450,- overgemaakt door [Naam 20] onder vermelding 1050 borg en 400 huur [Straatnaam 2]105 Bij de doorzoeking in de woning van [Verdachte] op 20 mei 2014 werd op de in beslag genomen laptop een huurcontract aangetroffen voor de verhuur van dit pand met [Medeverdachte 5] als verhuurder en [Naam 1] als huurder. De ingangsdatum betrof 13 oktober 2011 en de huurprijs bedroeg € 1.000,- per maand.106

Op een harde schijf in de woning van [Verdachte] is een bestand inhoudend een huurovereenkomst aangetroffen dat vermeldt dat [Naam 21] (h.o.d.n. [Naam 20] ) met ingang vanaf 1 maart 2012 de bedrijfsruimte met verdieping van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] huurt.107

[Naam 3] verklaarde dat [Verdachte] in de tijd dat zij nog een relatie hadden (2003, 2004) zelf de hennepplanten verzorgde en controleerde. Zij wist dit omdat ze samen met hem plantenvoeding is gaan brengen naar de bedrijfspanden in de [Straatnaam 1] in Etten-Leur en de [Straatnaam 2] in Zevenbergen. In de [Straatnaam 2] was zij nooit binnen geweest. Zij bleef in de auto zitten als [Verdachte] (de rechtbank begrijpt: [Verdachte] ) binnen was. Dat duurde best lang. Hij had haar gezegd dat er planten stonden. Hij verzorgde de hennepplanten en vertelde dat ook. Hij moest temperatuur controleren en dergelijke.108

Tussenconclusie

De rechtbank stelt gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen eerder is vermeld ten aanzien van de, onder andere bij dit pand, toegepaste constructies met fictieve huur vast dat er in dit pand ten tijde van het aantreffen van de kwekerij sprake was van een door [Verdachte] geïnitieerde huurconstructie bestaande uit een huurovereenkomst tussen [Medeverdachte 5] en [Naam 1] en een onderhuurovereenkomst [Naam 1] – [Naam 20] , waarbij [Naam 1] als tussenpersoon (katvanger) in deze constructie is opgetreden. Dit alles met de bedoeling de verantwoordelijken voor de hennepkwekerij buiten het zicht van opsporingsinstanties te houden.

De politieverklaring van [Naam 1] vindt steun in de bevindingen omtrent de huurovereenkomsten en de geldbewegingen op de rekeningen en beschrijft een constructie die lijkt op constructies die door andere personen die optraden als katvangers zijn beschreven. De rechtbank verwijst op dit punt naar haar hetgeen zij eerder onder “fictieve huur” heeft overwogen en geoordeeld.

Bij een reguliere huurconstructie zou het zeer onwaarschijnlijk zijn dat [Naam 1] , zeker gelet op zijn zeer geringe financiële ruimte, genoegen zou nemen met € 400,- per maand voor onderhuur terwijl hij zelf € 1.000,- verschuldigd is.

Een directe link tussen [Verdachte] , [Medeverdachte 5] en de zogenaamde onderhuurders blijkt uit het aantreffen van de naam [Naam 21] (handelend onder de naam [Naam 20] ), in de bij [Verdachte] (op een harde schijf) aangetroffen verhuurovereenkomst voor deze ruimte anderhalve maand na het aantreffen van de kwekerij. Bij reguliere verhuur past niet dat na het aantreffen van een kwekerij uitgerekend met de personen die op dat moment onderhuurder was een huurrelatie wordt aangegaan.

Opvallend in deze overeenkomst is dat een huurbedrag van € 400,- per maand is vermeld, voor het hele pand. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat door [Naam 20] eerder per maand voor huur werd gestort, terwijl [Naam 1] kort daarvoor voor hetzelfde pand

€ 1.000,- moest betalen.

4.3.2.2 [Straatnaam 16] te Breda

De winkel met bovenwoning aan [Straatnaam 16] was sinds 16 april 2010 in gezamenlijk eigendom van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] .

Naar aanleiding van een positieve codameting van [Slachtoffer] van de bovenwoning aan [Straatnaam 16] te Breda is nader onderzoek ingesteld. Op 20 mei 2014 zagen verbalisanten dat alle ramen geblindeerd waren met lamellen en gordijnen. Verbalisanten betraden de bovenwoning en troffen op de zolder alsmede in een van de slaapkamers op de tweede verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij aan met 184 hennepplanten. De planten en hennep gerelateerde goederen zijn in beslag genomen.109 Een aantal hennepmonsters is veilig gesteld en getest.110 De test gaf een positieve reactie op THC, de werkzame stof van hennep.111

In de kwekerij werd ook een stapel post aangetroffen, waaronder een huurovereenkomst van de bovenwoning aan [Straatnaam 16] te Breda, ingaande op 1 maart 2013 met als verhuurders [Medeverdachte 5] en [Verdachte] en als huurder [Naam 15] . De huurprijs bedroeg € 750,- per maand en diende te worden voldaan op rekeningnummer [Rekeningnummer 4] . Achter de huurovereenkomst zat een kopie van het identiteitsbewijs van [Naam 15] . Tevens is een huurovereenkomst van de woonruimte [Straatnaam 16] aangetroffen tussen verhuurder [Naam 15] en huurder [Naam 16] , ingaande per 1 april 2013 met als huurprijs € 850,- per maand. Achter de huurovereenkomst zat een kopie van het rijbewijs van [Naam 16] . Verder zaten er bij de aangetroffen post diverse brieven van [Naam 45] en correspondentie gericht aan [Medeverdachte 1] – zoals een nota van [Naam 45] met dagtekening in oktober 2013 –, acceptgirokaarten en betalingsbewijzen op naam van [Medeverdachte 1] , alsmede diverse brieven en betalingsbonnen gericht aan [Naam 15] .112

[Naam 15] heeft verklaard dat hij in november 2013 in geldnood zat en dat hij een kale grote man in Goirle in een café was tegen gekomen, die hem een financiering zou geven. Hij heeft aan hem zijn paspoort gegeven omdat die man een kopie nodig had. Hij ontving eenmalig

€ 250,-. Zijn paspoort had hij nog steeds niet terug. Hij verklaarde geen huurovereenkomst en geen overeenkomst met een nutsbedrijf voor [Straatnaam 16] te hebben afgesloten. Van een hennepkwekerij wist hij niets af. Waarom een kopie van zijn identiteitskaart achter het huurcontract is aangetroffen kon hij niet verklaren.113

Uit onderzoek is gebleken dat op naam van [Naam 15] in de periode van 30 mei 2013 tot en met 28 april 2014 twaalf keer € 750,- is gestort op de [Naam 47] [Rekeningnummer 4] , ten name van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] .114

[Naam 16] verklaarde nooit in Breda te hebben gewoond. Het huurcontract kende hij niet. Hij had wel één of twee keer aangifte gedaan van verlies van een identiteitsbewijs. Hij wist niets van een kwekerij.115 Uit nader onderzoek bleek dat [Naam 16] op 19 maart 2012 aangifte had gedaan van de diefstal van zijn rijbewijs.116

In de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] , [Straatnaam 22] te Breda, zijn op 20 mei 2014 originele huurovereenkomsten aangetroffen voor het pand [Straatnaam 16]

- een overeenkomst gesloten met [Medeverdachte 1] , gedateerd op 31 oktober 2012 met als ingangsdatum 1 november 2011 en een huurprijs van € 1.250,- per maand voor de winkelruimte en de bovenwoning;

- een overeenkomst gesloten met [Naam 38] , gedateerd op 15 maart 2013 en met als ingangsdatum 1 april 2013 en een huurprijs van € 500,- per maand voor de winkelruimte op de begane grond, met als bijlagen kopieën van de identiteitsbewijzen van [Naam 38] en [Naam 39] .117

[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij als stroman is opgetreden om in dit pand een hennepkwekerij te faciliteren. Hij was door [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] benaderd om in de winkel een snoepwinkel te beginnen en het pand op zijn naam te zetten zodat zij erboven weed konden verbouwen.118 Hij ontving van [Medeverdachte 4] contant geld voor de betaling van de huur en na storting op twee aparte bankrekeningen moest hij dit in twee gedeelten naar de [Naam 47] van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] overmaken. Met ingang van april 2013 zou het pand niet meer op zijn naam staan. Op 8 oktober 2013 was dat eindelijk geregeld en ontving hij een eindafrekening van [Naam 45] . Hij werd door [Medeverdachte 4] naar [Naam 18] in Breda gebracht en ontving van hem geld om deze nota door middel van een contante betaling te voldoen.119

Uit onderzoek bleek dat [Medeverdachte 1] meerdere stortingen van € 750,- met vermelding huur pand [Straatnaam 16] had gedaan op de gezamenlijke rekening van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] . Tevens had hij meerdere stortingen van € 500,- gedaan onder vermelding van ‘ [Naam 14] ’. Er is geen bijschrijving van de volgens de overeenkomst verschuldigde waarborgsom aangetroffen.120

[Naam 38] verklaarde dat zij met haar vrouw [Naam 39] via kennissen genaamd [Naam 40] (de rechtbank begrijpt: de [Naam 40]) en haar vriend [Medeverdachte 4] de winkel aan [Straatnaam 16] vanaf 1 april 2013 had gehuurd. Zij had de sleutel van [Medeverdachte 4] gekregen en hij had ook de opstart van de winkel gefinancierd. Zij had € 1.000,- contant van hem ontvangen. Volgens de eigenaren was de bovenwoning altijd verhuurd, maar zij had er nooit iemand gezien.121 [Naam 39] bevestigde het verhaal van [Naam 38] en verklaarde dat zij nooit hebben gesnapt hoe het met de woning erboven zat. Zij had [Medeverdachte 5] ) wel eens gebeld omdat een vriend een woning zocht. [Medeverdachte 5] zei dat het was verhuurd. Zij vonden dat vreemd omdat ze daar nooit geen leven zagen. 122

Uit het GBA blijkt dat de hiervoor genoemde huurders niet op het adres [Straatnaam 16] ingeschreven hebben gestaan.123

Tussenconclusie:

Zoals eerder vermeld is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van het pand [Straatnaam 16] een constructie van fictieve huur is toegepast. In dit geval met gebruik van [Naam 15] en [Medeverdachte 1] als katvangers en met toepassing van tussenpers(o)on(en) tussen verdachten en de katvangers. Uit de verklaring van [Medeverdachte 1] blijkt dat de constructie ook hier werd toegepast om de hennepkweek die in de bovenwoning van het pand plaats vond te verbloemen. De rechtbank gaat er vanuit dat ten tijde van het aantreffen van de kwekerij bij [Naam 15] datzelfde motief gold. De rechtbank concludeert daarom aan de hand van voornoemde bewijsmiddelen dat ook ten tijde van het aantreffen van de kwekerij een constructie met een fictieve huurder werd gebruikt, klaarblijkelijk om de verantwoordelijken voor de kwekerij buiten beeld te houden.

4.3.2.3 [Straatnaam 3] te Breda

Vanaf 23 december 2005 was de woning met bijhorende twee garageboxen aan [Straatnaam 3] het eigendom van [Verdachte] en [Medeverdachte 5] .

Op 20 mei 2014 bevonden verbalisanten zich in de woning aan [Straatnaam 3] te Breda om de huurders als getuigen te horen. Omdat in andere woningen van verdachten was vastgesteld dat de elektriciteitsmeters waren gemanipuleerd werd huurder [Naam 41] gevraagd naar de meterkast. [Naam 41] verklaarde dat hij niet in het bezit was van de sleutel van de meterkast. De meterkast bleek met een cilinderslot afgesloten. Door collega’s van de beide verbalisanten werden de eerder die dag door [Verdachte] afgegeven sleutels van de meterkast gebracht, waarna de kast en trapkast werden geopend. Door een medewerker van [Slachtoffer] werd vastgesteld dat de elektriciteitsmeter in het geheel geen verbruik registreerde. Met toestemming van de officier van justitie werden ook de achter de woning gelegen garageboxen geopend. In de tweede box was een volledige hennepplantage ingericht, echter zonder planten. In totaal stonden 100 plantenpotten in deze ruimte waarin stronken stonden van hennepplanten. Een volle zak die in deze ruimte stond bevatte grotendeels hennepafval. Bij een onderzoek in de aanhangwagen troffen ze vijf grote volle zwarte plastic zakken aan. In de zakken zat potgrond en kokos met gebruikte stekblokjes en wortelresten met een steel.124

Een aantal hennepmonsters uit de kwekerij werd getest en gaf een positieve reactie, indicatief voor THC.125

In de kwekerij werd een stapel post aangetroffen. In de post zaten onder andere een originele huurovereenkomst voor de huur van de dubbele garage op het adres [Straatnaam 3] te Breda tussen verhuurders [Medeverdachte 5] en [Verdachte] en huurster [Naam 2] , ingaande per 1 april 2013 met een huurprijs van € 500,- per maand126, alsmede brieven en rekeningen van [Naam 45] met daarop handgeschreven ‘ [Naam 2] ’ en diverse afschriften stortingsbewijzen/contante betalingen aan [Verdachte] / [Medeverdachte 5] door opdrachtgever [Naam 2] . Er werden ook brieven (van onder andere [Naam 45] ) gericht aan [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 1] support aangetroffen.127 Een tweede identieke, eveneens originele huurovereenkomst trof de politie aan tijdens de doorzoeking in de verblijfplaats van [Medeverdachte 5] aan de [Straatnaam 22] te Breda. Als bijlage bij deze huurovereenkomst was een (kleuren)fotokopie gevoegd van een identiteitskaart ten name van [Naam 2] .128 Het nummer van deze identiteitskaart is met dezelfde kleine afwijking vermeld op beide huurovereenkomsten.

In een op 20 mei 2014 in de woning van [Verdachte] in beslag genomen computer werd een gegevensbestand aangetroffen, met als bestandsnaam: huurovereenkomst garage.doc, dat tekstueel identiek is aan beide eerder omschreven originele huurovereenkomsten. Dit bestand is volgens de bestandseigenschappen voor de laatste keer aangepast, afgedrukt en opgeslagen op 29 maart 2013.129

[Naam 2] verklaarde op 4 juni 2014 dat zij ongeveer 1,5 à 2 jaar geleden was benaderd door [Medeverdachte 5] die had gehoord dat zij en haar man in een slechte financiële situatie verkeerden. [Medeverdachte 5] stelde voor de garageboxen op haar naam te zetten. Er werd een huurcontract opgesteld op naam van [Verdachte] / [Medeverdachte 5] als verhuurders en zij als huurster. Zij heeft zelf thuis een kopie van haar identiteitskaart gemaakt en deze aan [Medeverdachte 5] gegeven. [Medeverdachte 5] had een kopie van haar legitimatiebewijs gevraagd zodat een huurcontract op haar naam opgesteld kon worden. Zij kreeg € 1.500,- contant per maand. Van dit bedrag moest zij € 500,- per maand storten op de rekening van [Verdachte] en/of [Medeverdachte 5] . Dit deed zij op het [Naam 18] . Ongeveer een maand of twee maanden geleden kreeg ze een vals huurcontract op naam van een Turkse of Marokkaanse man, met daarbij een kopie van een identiteitsbewijs. Hiermee kon zij verklaren dat de garageboxen onderverhuurd waren als er iets mis zou gaan. Zij verklaarde zelf nooit in de boxen te zijn geweest en nooit een sleutel te hebben gekregen. [Medeverdachte 5] had haar op het hart gedrukt dat zij niet over hen moest verklaren en dat het haar probleem zou zijn als het mis ging.130 Bij het ondertekenen van het contract werd de werkwijze afgesproken, namelijk dat zij iedere maand werd opgehaald door een blanke kalende man van rond de 45 jaar, met een normaal postuur en een Brabantse tongval, die haar afzette bij het [Naam 18] . De betalingsbewijzen overhandigde zij aan de man. Zij moest ook soms [Naam 45] van hen betalen, waarvoor zij extra geld kreeg.131

[Naam 2] heeft een overeenkomst, gedateerd 1 januari 2014 en gesloten tussen [Naam 2] en [Naam 19] voorzien van een kopie van [Naam 19] zijn paspoort, aan de politie overhandigd.132 [Naam 19] verklaarde deze huurovereenkomst niet te kennen. Hij had in 2011 of 2012 aangifte gedaan van vermissing van zijn paspoort.133

Uit onderzoek kwam naar voren dat [Naam 2] in de periode 28 mei 2013 tot 28 april 2014 door tussenkomst van [Naam 18] twaalf keer € 500,- op het bankrekeningnummer [Rekeningnummer 4] op naam van [Medeverdachte 5] / [Verdachte] onder vermelding ‘huur’ had gestort.134

[Naam 3] heeft verklaard dat de dubbele garage aan [Straatnaam 3] was ingericht als hennepplantage en dat zij buiten in de auto bleef wachten toen [Verdachte] ([Verdachte]) de planten verzorgde.135

Tussenconclusie

Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet op bovenstaande vast dat ook met betrekking tot dit pand een vergelijkbare fictieve huurconstructie is toegepast. Uit de verklaring van [Naam 2] en de overige bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat net als bij [Straatnaam 16] met gebruikmaking van een vermist geraakt identiteitsbewijs een schijnconstructie huurder-onderhuurder werd opgetuigd om vrij te kunnen pleiten als er iets mis ging. Hoewel [Naam 2] niet heeft verklaard dat “voor als er iets mis ging” betrekking had op het aantreffen van een hennepkwekerij, gaat de rechtbank, gelet op de overeenkomstige handelswijze en de in de garageboxen aangetroffen resten van een geoogste hennepplantage, daar wel vanuit. Ook bij deze garageboxen waren (delen van) hennepplanten aanwezig en was sprake van een huurconstructie om de verantwoordelijken voor de kwekerij buiten beeld te houden. Hoewel [Naam 2] in een latere verklaring heeft aangegeven dat de persoon die zij eerder [Medeverdachte 5] noemde ene [Medeverdachte 5] betrof, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank gaat er van uit dat zij hier verdachte [Medeverdachte 5] bedoelde, nu het huurcontract op naam van verdachten stond en de kopie van het legitimatiebewijs van [Naam 2] waar de door haar genoemde [Medeverdachte 5] om vroeg in de woning van verdachte [Medeverdachte 5] is aangetroffen.

4.3.2.4 [Straatnaam 11] te Breda

Het woonhuis en de garage aan [Straatnaam 11] zijn sinds 2 juni 2010 eigendom van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] .

Op 20 mei 2014 werd door verbalisanten binnengetreden in de woning aan [Straatnaam 11] te Breda. In een openstaande kast op de eerste verdieping werd een originele huurovereenkomst aangetroffen met betrekking tot de huur van deze woning en garage tussen [Medeverdachte 5] en [Verdachte] als verhuurder en [Medeverdachte 2] als huurder à € 1.990,- per maand, ingaande per 15 maart 2013. Op de tweede verdieping werd in twee ruimtes een hennepkwekerij aangetroffen, met respectievelijk 117 en 97 planten. Uit beide ruimtes werden henneptoppen veiliggesteld voor bemonstering. Alle testen gaven een positieve reactie, indicatief voor Marihuana of THC, de werkzame stof in hennep. Vanuit de meterkast op de begane grond in de hal was een illegale aansluiting gemaakt welke via de trappen naar de schakelkast op de tweede verdieping liep. Deze schakelkast voorzag beide hennepkwekerijen van elektriciteit. In de garage werden hennepplantenresten aangetroffen, waaronder 161 stronken met wortelstelsel en zes grijze vuilniszakken helemaal gevuld met plantendelen en blad.136

[Medeverdachte 2] verklaarde dat hij een kwekerij had in Sprundel, die in november 2013 was opgerold, en de kwekerij in [Straatnaam 11] te Breda. Hij was via vrienden aan het telefoonnummer van [Verdachte] (de rechtbank begrijpt: [Verdachte] ) gekomen. Hij had hem een kopie van zijn ID-kaart gegeven, zodat het huurcontract kon worden opgesteld. [Verdachte] en hij hadden het contract in 2-voud ondertekend. Omdat hij geen inkomen had, maakte hij de huur via het [Naam 18] over. Na twee maanden is hij de kwekerij gaan opbouwen. De elektriciteit heeft hij na twee maanden illegaal afgetapt. Hij heeft drie volledige kweken gehad en hiermee een opbrengst gehad van in totaal ongeveer € 20.000,-. Hij had de opbouw en het onderhoud zelf gedaan. [Verdachte] moet volgens hem tussentijds in de woning zijn geweest en het originele huurcontract in de woning hebben gelegd.137 [Medeverdachte 2] verklaarde eerder een bedrijf op zijn naam te hebben gehad voor een ex-zwager. Daarmee zouden ze veel geld kunnen verdienen. Het enige dat hij moest doen was het bedrijf op zijn naam zetten. Hij werd echter belazerd. De Belastingdienst heeft aan hem een aanslag opgelegd van € 80.000,-.138

Uit onderzoek is gebleken dat over de periode 2 april 2013 tot en met 1 oktober 2013

€ 13.930,- (7 keer € 1.990,-) is bijgeschreven op rekening [Rekeningnummer 4] op naam van verdachten met als tegenrekening [Rekeningnummer 8] en onder de omschrijving ‘ [Medeverdachte 2] huur [Postcode] ’. In de periode van 1 november 2013 tot en met 2 mei 2014 is 7 keer € 1.990,- bijgeschreven op deze rekening met als tegenrekening [Rekeningnummer 9] waarbij in de omschrijving onder meer is vermeld ‘ [Naam 18] huur/ [Medeverdachte 2] ’.139

Volgens de gegevens van de Belastingdienst kon [Medeverdachte 2] echter onmogelijk over deze geldbedragen beschikken en werden de 7 girale overboekingen steeds voorafgegaan door contante stortingen. 140

Uit onderzoek van de politie naar de huurbetalingen van dit pand is naar voren gekomen dat in de periode vanaf 17 juni 2010 tot en met maart 2013 op naam van verschillende personen stortingen op de [Naam 46] [Rekeningnummer 4] van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] zijn gedaan.141 Deze personen, te weten [Naam 24] , [Naam 25] en [Medeverdachte 5] hebben verklaard dat zij nooit in het pand hebben gewoond en zij het pand niet kennen. Zij betwisten ook dat zij stortingen of overboekingen hebben gedaan. [Naam 25] heeft in 2011 aangifte gedaan van verlies van zijn paspoort en in 2012 van vermissing van zijn rijbewijs142. [Naam 24] verklaarde dat in 2008 zijn paspoort was ontvreemd bij een woninginbraak143. Van [Medeverdachte 5] verklaarde dat zij in 2012 bescheiden heeft ondertekend waarvan zij wist dat deze betrekking hadden op een pand in Breda waarin hennep werd gekweekt. De huur van € 1.990,- per maand heeft zij nooit gestort, dat kon zij ook niet betalen.144

Uit de Basisregistratie Personen is gebleken dat er vanaf de aankoopdatum tot augustus 2014 niemand op dit adres ingeschreven heeft gestaan.145

Tussenconclusie

Zoals eerder vermeld is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van het pand [Straatnaam 11] een constructie van fictieve huur is toegepast. In dit geval met gebruik van [Medeverdachte 2] , [Naam 24] , [Naam 25] en [Medeverdachte 5] als katvangers. [Medeverdachte 2] heeft weliswaar de schuld voor de kwekerij op zich genomen, maar hij heeft zelf aangegeven geen inkomen te hebben, zodat het onwaarschijnlijk is dat hij de huur van het pand van maar liefst € 1.990,- per maand kon betalen en daarnaast ook nog de investeringen kon doen om een grootschalige hennepkwekerij op te zetten. Daarnaast volgt uit het dossier dat hij kennelijk eerder als katvanger is opgetreden, ten gevolge waarvan hij een forse schuld heeft opgebouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij hem dezelfde constructie is toegepast om de echt verantwoordelijken voor de hennepkwekerij buiten beeld te houden. Dat hij wel werkzaamheden heeft verricht in de kwekerij, doet daar niet aan af.

4.3.2.5 Conclusie ten aanzien van feit 2

Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat in de ten laste gelegde locaties, die in eigendom waren van verdachten, hennep(planten) aanwezig waren.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte als medepleger van het voorhanden hebben van de hennep kan worden aangemerkt. Medeplegen is slechts bewijsbaar indien sprake is van voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Deze samenwerking kan ook bestaan uit de voorbereiding of sturing op afstand. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

  • -

    Ten aanzien van de panden waarin hennepkwekerijen zijn aangetroffen zijn door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] steeds zelf huurovereenkomsten opgesteld. Deze panden werden niet via professionele partijen (zoals [Naam 30] en [Naam 31] ) verhuurd. Niet alle huurovereenkomsten waren voorzien van een kopie van het legitimatiebewijs van de huurder. Er was dikwijls sprake van een onderverhuurovereenkomst.

  • -

    Huurders waren regelmatig niet de gebruikers van de panden en konden gelet op hun inkomen/vermogen de ruimten niet bekostigen.

  • -

    Vermeende (onder)huurders hebben in een aantal gevallen aangifte gedaan van verlies van hun identiteitsbewijs.

  • -

    In de kwekerijen zijn originele (onder)huurovereenkomsten aangetroffen.

  • -

    Het energiecontract stond in enkele gevallen op naam van een ander dan de huurder.

  • -

    Ondanks dat in de huurovereenkomsten stond dat de huur per bank moet worden betaald, werden de huren voor diverse panden contant gestort via [Naam 18] Door meerdere getuigen is verklaard dat zij geld ontvingen en dit vervolgens op hun eigen rekening stortten en overmaakten als huur.

Hoewel er in het dossier geen direct bewijs aanwezig is waaruit blijkt dat [Medeverdachte 5] en [Verdachte] feitelijk uitvoeringshandelingen ten aanzien het telen van hennep hebben verricht, acht de rechtbank de verklaringen van [Medeverdachte 5] en [Verdachte] inhoudende dat zij niets van de kwekerijen af wisten op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen ongeloofwaardig. Zo heeft [Naam 1] verklaard over de [Straatnaam 2] dat het pand is onderverhuurd via [Verdachte] zodat de heren hun dingen konden doen in de hennepkwekerij, heeft [Medeverdachte 1] over de [Straatnaam 16] verklaard dat hij als stroman is opgetreden om de hennepkwekerij te faciliteren en heeft [Naam 2] over de onderhuur bij de [Straatnaam 3] verklaard dat dit zou zijn voor als er iets mis ging en dat zij van [Medeverdachte 5] niets over hen moest verklaren. Daarnaast heeft [Naam 3] verklaard over de kwekerijen van [Verdachte] .

Ook blijkt uit de voornoemde gang van zaken dat verdachten duidelijk de regie hadden over met wie zij en hoe zij (al dan niet met tussenkomst van anderen) zaken deden. Eerder in dit vonnis is al gewezen op de omstandigheid dat kredietwaardigheid van de huurders niet werd gecontroleerd (terwijl van reguliere huurders garantstellingen werden geëist) en dat er niet werd geadministreerd of er borg werd betaald. De rechtbank heeft in dit verband al geoordeeld dat in de vier voornoemde panden sprake was van fictieve huur en dat verdachten bemoeienis hadden bij het opstellen van fictieve huurcontracten en bij het maken van afspraken rondom de te storten fictieve huurbedragen. [Verdachte] en [Medeverdachte 5] namen tevens het initiatief tot onderhuur en droegen daartoe ook de namen van de onderhuurders aan. Opvallend is daarbij dat verdachten de verhuur van deze panden geheel in eigen beheer hielden, temeer gezien de ongebruikelijke wijze van administratie. Dat er ook reguliere verhuur plaatsvond bij (andere) panden die [Verdachte] en [Medeverdachte 5] zonder tussenkomst van een bemiddelingsbureau verhuurden, maakt dit niet anders.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachten wisten wat er in de panden gebeurde en dat zij dus op de hoogte waren van de daar aanwezige kwekerijen. Daar komt bij dat verdachten de toegang hadden tot de panden in kwestie, waardoor zij ook beschikkingsmacht hadden.

Naast het ter beschikking stellen van ruimte waarin de kwekerij kon worden opgezet, regelden zij katvangers die huurcontracten op hun naam zetten en zorgden zij er veelal voor dat door contante stortingen de huur en de nutsvoorzieningen werden betaald, al dan niet op naam van de persoon die ook op het huurcontract was vermeld. Naar het oordeel van rechtbank zijn dit zodanig significante bijdragen in het aanwezig hebben van hennep dat dit handelingen zijn die naar het oordeel van de rechtbank als medeplegen kunnen worden aangemerkt. Verdachten hebben daarbij een gelijke rol gehad, de ene keer was het [Verdachte] die de contacten met de huurders onderhield en de andere keer was het [Medeverdachte 5] .

Op basis van het voorgaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014, in Zevenbergen en Breda opzettelijk de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden hennepplanten en -stekjes aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht het, als impliciet primair ten laste gelegde, telen niet wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3

feit 3 Diefstal van elektriciteit

Onder feit 3 is de diefstal van elektriciteit uit de (ruimten behorende bij de) panden aan de [Straatnaam 2] [Straatnaam 16] , [Straatnaam 7] en [Straatnaam 8] [Straatnaam 3] ten laste gelegd.

4.3.3.1 [Straatnaam 2] te Zevenbergen

[Slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [Straatnaam 2] te Zevenbergen. Op 19 januari 2012 constateerde de fraude-inspecteur dat het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd open was en er een illegale aftakking voor de hoofdbeveiliging was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. In verband hiermee is aan [Naam 20] € 8.296,88 in rekening gebracht.146

4.3.3.2 [Straatnaam 16] te Breda

Door [Slachtoffer] is aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [Straatnaam 16] te Breda. Op 20 mei 2014 constateerde de fraude-inspecteur dat de deksel van de aansluitkast open was en er een illegale aansluiting was op de bovenzijde van de zekeringshouders. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. In verband hiermee is aan [Naam 15] € 1.918,80 in rekening gebracht.147

4.3.3.3 [Straatnaam 7] te Breda

[Slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal van energie op het adres [Straatnaam 7] te Breda. Op 20 mei 2014 constateerde de fraude-inspecteur dat er met de zegels van de meter was gefraudeerd en dat de meter was beschadigd en gemanipuleerd. De zegel op het aansluitklemmendeksel was gemanipuleerd/niet meer aanwezig, het verzegelde deksel boven de aansluitklemmen was verwijderd en de shunts op de meter waren open gezet. Hierdoor registreerde de meter geen of onvolledig verbruik. Doordat de gasmeter was gekanteld werd de afgenomen gas niet correct via de meter geregistreerd. In verband hiermee is bij [Verdachte] € 2.667,66 in rekening gebracht.148

4.3.3.4 [Straatnaam 8] te Breda

Op 20 mei 2014 werd binnengetreden op het adres [Straatnaam 8] te Breda. Geen van de bewoners had een sleutel van de meterkast danwel garage. Door een slotenmaker werd de garage geforceerd. In de garage werden kweekpotten, een ventilator en hennepresten aangetroffen.149 [Verdachte] was in het bezit van de sleutels die toegang gaven tot de meterkast.150

[Slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal van energie op het adres [Straatnaam 8] te Breda. De fraude-inspecteur constateerde op 20 mei 2014 dat er met de zegels van de meter was gefraudeerd en dat de meter was beschadigd. Door manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van het huishoudelijk verbruik niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Verder bleek de gasmeter te zijn gekanteld. Door de manipulatie werd ook het gasverbruik niet correct geregistreerd. In verband hiermee is bij [Medeverdachte 5] € 2.031,98 in rekening gebracht.151

4.3.3.5 [Straatnaam 3] te Breda

Door [Slachtoffer] is aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [Straatnaam 3] te Breda. Op 20 mei 2014 constateerde de fraude-inspecteur dat de zegel van de meter was verbroken en de meter was beschadigd. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. In verband hiermee is bij [Naam 2] € 35.095,16 in rekening gebracht.152

4.3.3.6 Conclusie ten aanzien van feit 3

Ter terechtzitting d.d. 24 januari 2019 heeft [Verdachte] bekend samen met [Medeverdachte 5] de diefstal van elektriciteit uit de panden aan [Straatnaam 7] en [Straatnaam 8] en [Straatnaam 3] te hebben gepleegd.

Gelet op de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank de diefstal van elektriciteit uit deze panden door verbreking van de verzegeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de diefstal uit de panden aan [Straatnaam 2] en de [Straatnaam 16] overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld was er in beide panden op het moment van de diefstal sprake van fictieve huurders die als stroman optraden, (te weten in de personen van [Naam 1] en [Naam 15] ) en worden verdachten ook verantwoordelijk gehouden voor het aanwezig hebben van hennep in deze panden. Uit de aangiften blijkt dat steeds – ook bij de diefstallen die verdachten hebben bekend – op dezelfde wijze de meter werd gemanipuleerd. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [Verdachte] en [Medeverdachte 5] wetenschap moeten hebben gehad en de opzet hebben gehad op de diefstal van elektriciteit, zodat zij ook de diefstal van elektriciteit uit deze panden wettig en overtuigend bewezen acht.

4.3.4

feit 4 bezit CS-gasbusje

Op 20 mei 2014 is een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in de woning van [Verdachte] aan de [Adres] te Breda waarbij een gasbusje in beslag is genomen. Een materiedeskundige van de politie heeft het busje onderzocht en geoordeeld dat de inhoud eenzelfde werking op hem had als CS-gas.

De verdediging betwist dat [Verdachte] wetenschap had van, laat staan beschikkingsmacht had over, het busje traangas. [Verdachte] heeft ter terechtzitting van 24 januari 2019 verklaard dat hij niet wist dat het busje in de woning lag. Hij verklaarde dat [Naam 3] , met wie hij jaren aan de [Adres] heeft samengewoond, altijd zo’n busje in haar handtas had en het waarschijnlijk in de woning heeft laten liggen.

Voorhanden hebben in de zin van de Wet wapens en munitie veronderstelt de aanwezigheid van een wapen, waarvan de dader zich bewust is. Omdat uit het dossier niet is af te leiden waar in de woning het busje is aangetroffen, is niet toetsen of de verklaring van [Verdachte] dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van het busje aannemelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat [Verdachte] het busje opzettelijk voorhanden heeft gehad en zal hem van dit feit dan ook vrijspreken.

4.3.5

Voorwaardelijk verzoek

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht zodat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [Medeverdachte 3] , [Medeverdachte 4] , officier van justitie mr. Groothuizen en verbalisanten [Naam 42] en [Naam 43] , vanwege het ontbreken van de noodzaak daartoe wordt afgewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 mei 2014, te Breda en te Zevenbergen en te Etten-Leur, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben, verdachte en zijn mededader van onderstaande voorwerpen de herkomst verborgen en/of verhuld en onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad en omgezet en van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt, te weten een pand gelegen aan:

1. [Straatnaam 1] te Etten-Leur en

2. [Straatnaam 2] te Zevenbergen en

3. [Straatnaam 3] te Breda en

4. [Straatnaam 4] te Breda en

7. [Straatnaam 7] te Breda en

8. [Straatnaam 8] te Breda en

9. [Straatnaam 9] te Breda en

10. [Straatnaam 10] te Breda en

11. [Straatnaam 11] te Breda en

12. [Straatnaam 12] te Breda en

13. [Straatnaam 13] te Breda en

14. [Straatnaam 14] te Breda en

15. [Straatnaam 15] te Breda en

16. [Straatnaam 16] te Breda en

17. [Straatnaam 17] te Breda en

18. [Straatnaam 18] te Breda,

en de aankoopbedragen van die panden;

terwijl hij, verdachte en zijn mededader (telkens) wisten, dat die voorwerpen en aankoopbedragen geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

feit 2

op tijdstippen in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014 op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad te weten:

- in een pand aan [Straatnaam 2] te Zevenbergen een hoeveelheid hennepplanten te weten: op 19 januari 2012 400 hennepplanten en 221 hennepstekjes en

- in een pand aan [Straatnaam 16] te Breda een hoeveelheid hennepplanten te weten 184 planten en

- in twee garageboxen van pand [Straatnaam 3] te Breda delen van hennepplanten en

- in een pand aan [Straatnaam 11] te Breda een hoeveelheid hennepplanten te weten 214 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

feit 3

op tijdstippen in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 20 mei 2014 te Zevenbergen en Breda, tezamen, en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- uit een pand aan [Straatnaam 2] te Zevenbergen, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [Slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en

- uit het pand aan [Straatnaam 16] te Breda, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [Slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en

- uit het pand aan [Straatnaam 7] te Breda, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [Slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en

- uit het pand aan de [Straatnaam 8] te Breda, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [Slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast) en

- uit een of meer ruimten behorende bij het pand aan [Straatnaam 3] te Breda, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [Slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking (van de verzegeling van de aansluitkast).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft zij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijk termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en met haar vordering tot verbeurdverklaring. Deze omstandigheden hebben de officier van justitie doen besluiten een lagere gevangenisstraf te eisen dan gelet op de aard en ernst van de feiten volgens haar passend zou zijn. De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van de 18 op de beslaglijst genoemde onroerende registergoederen geëist, waarbij ze er van uit gaat dat deze panden in totaal een waarde van € 1.000.000,- vertegenwoordigen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat gezien het standpunt dat slechts de door verdachten erkende zaken tot een bewezenverklaring kunnen leiden, kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht en dat dus geen straf of maatregel moet worden opgelegd. De verdediging is verder van mening dat de eis in relatie tot de aard en omvang van de zaak, de lengte van de procedure en de strafmaten in gelijksoortige zaken disproportioneel is. Het gaat immers om in totaal 796 planten, 221 stekjes en 261 stronken. Volgens de LOVS-richtlijnen zou dit moeten leiden tot een taakstraf van 180 uren en een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk. In feite vindt er een dubbele bestraffing plaats indien de eis van de officier wordt gevolgd, omdat aan de constructie van witwassen rond panden en fictieve huren diezelfde kwekerijen als herkomst moeten worden gedacht. Een verbeurdverklaring zou in de ogen van de verdediging niet alleen ongerechtvaardigd en disproportioneel zijn, maar ook onbegrijpelijk. De verdediging verzoekt verder rekening te houden met het feit dat [Verdachte] een dealerschap van het merk [Naam 44] voor Nederland en België exploiteert en dat hij op dinsdag en donderdag de zorg heeft voor zijn zoon.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1

Algemene overwegingen

Het gaat in deze zaak om het op grote schaal plegen van witwashandelingen ten aanzien van geldbedragen en panden, het aanwezig hebben van hennepkwekerijen en het illegaal aftappen van elektriciteit. Ernstige feiten, waarvoor in beginsel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd.

Hierna gaat de rechtbank achtereenvolgens in op de afzonderlijke feiten, de uitgangspunten van de straftoemeting, strafverzwarende en -verlichtende omstandigheden, verbeurdverklaring en de redelijke termijn, om tot slot tot een passende straf te komen.

6.3.2

De strafbare feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn compagnon over een lange periode schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Met uit misdrijf afkomstige gelden zijn twee panden aangeschaft. Deze ‘besmette’ panden zijn vervolgens gebruikt als onderpand voor het verkrijgen van hypothecaire geldleningen voor de aanschaf van weer andere panden. Ook zijn de panden voor een deel verkregen op basis van gefingeerde huurinkomsten. Banken zijn op het verkeerde been gezet en hypothecaire geldleningen zijn verstrekt op basis van valse gegevens. Jarenlang werd de huur door of namens personen (deels contant) betaald, die ofwel van niets wisten danwel wisten dat zij onderdeel uitmaakten van een witwasconstructie. Met deze fictieve huurinkomsten werden hypotheken ook weer deels afgelost. De vastgoedportefeuille is dan ook opgebouwd met van oorsprong crimineel geld.

Witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

Verdachte heeft daarnaast een coördinerende rol gehad bij het faciliteren van vier hennepkwekerijen in de bij hem en zijn compagnon in het bezit zijnde panden. Verdachte heeft anderen bij de hennepteelt betrokken en gebruik gemaakt van ‘katvangers’, makkelijk beïnvloedbare mensen met financiële problemen. In de kwekerijen werd een grote hoeveelheid hennep geteeld. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich brengt.

De werkzame stof THC is bij (langdurig) gebruik schadelijk voor de gezondheid. Hennepteelt is daarnaast direct en indirect de oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit.

Hennepkwekerijen in woningen leiden bovendien regelmatig tot gevaarlijke situaties voor de bewoners én omwonenden, omdat er brand uitbreekt. Zeker als dit gepaard gaat met illegale stroomaansluitingen. Daarnaast leidt dit tot hinder en schade voor de energieleveranciers, die blijven zitten met onbetaalde stroomrekeningen.

Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Verdachten hebben met zestien aangekochte panden bijna tweeëneenhalf miljoen euro aan huur opgestreken, waarvan in totaal € 353.613,99 als fictieve huur is aangemerkt. Deze gelden hadden verdachten nimmer kunnen verwerven als zij geen illegale opbrengsten, vermoedelijk verkregen uit hennepteelt, hadden verkregen.

6.3.3

De straftoemeting

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank waar mogelijk rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Ten aanzien van het witwassen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor fraude, waarbij in geval van een fraudebedrag van hoger dan €1.000.000,- een gevangenisstraf van tenminste 24 maanden als uitgangspunt geldt.

Voor hennepkwekerijen geldt als landelijk oriëntatiepunt bij 500-1.000 hennepplanten een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

6.3.4

Strafverzwarende en/of strafverminderende omstandigheden

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om daar ten voor- of nadele rekening mee te houden bij de stafbepaling. Gelet op de omstandigheid dat sprake is van het medeplegen van gewoontewitwassen gedurende een zeer lange periode in samenhang bezien met de verwerpelijke wijze waarop het witwassen heeft plaatsgevonden – waarbij misbruik is gemaakt van kwetsbare mensen en bankinstellingen onder valse voorwendselen zijn bewogen tot afgifte van geldleningen – is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

6.3.5

Verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van de 18 onder feit 1 genoemde panden geëist, stellende dat met deze panden het feit is begaan en dat er sprake is geweest van vervolgprofijt met vermenging.

De verdediging betoogt dat de verbeurdverklaring van de 18 panden een volstrekt disproportionele bestraffing is. De totale WOZ-waarde bedroeg in 2015 € 2.688.000,- en de hierop drukkende hypothecaire schuld bedroeg per 22 juni 2015 ruim € 1.600.000,-, zodat de verbeurdverklaring tot een bestraffing van ruim € 1 miljoen zal leiden. Als de rechtbank al van oordeel is dat er sprake is van fictieve huuropbrengsten dan zal het vermogen volgens de verdediging naar rato van de besmetting als afkomstig uit misdrijf moeten worden beschouwd. De vermeende fictieve huuropbrengsten (€ 353.613,-.) bedroegen 12% van de totale huuropbrengsten (€ 2.804.256,-). Omdat er sprake is van vermenging kan volgens de verdediging slechts circa € 120.000,- (12% van 1 miljoen) van de overwaarde van de panden als verkregen met de opbrengst van (vermeende) strafbare feiten worden aangemerkt.

De verbeurdverklaring van de panden ten aanzien waarvan het witwassen is bewezen, is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk nu de panden verdachte en zijn compagnon toebehoren en het strafbare feit met betrekking tot deze panden is begaan. Verbeurdverklaring kan zowel dienen als bijkomende straf als om profijt te ontnemen. Een inmiddels opgetreden waardestijging van de panden was zonder aanschaf van de panden niet gerealiseerd en kan derhalve worden aangemerkt als vervolgprofijt en staat niet aan verbeurdverklaring in de weg. Verder geldt dat, indien aan de orde, met de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen rekening zal mogen worden gehouden bij de bepaling van te ontnemen wederrechtelijk voordeel.

De panden aan [Straatnaam 1] , [Straatnaam 2] en [Straatnaam 8] zijn door verdachten voor een substantieel deel gefinancierd uit eigen middelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte en zijn compagnon, gelet op de opgestelde vermogensvergelijkingen en kasopstellingen, niet op legale wijze over deze aankoopbedragen konden beschikken. Omwille van profijtontneming zal de rechtbank deze panden verbeurd verklaren.

De overige panden hebben verdachte en zijn compagnon geheel of grotendeels gefinancierd uit leningen. Of het totale geleende geldbedrag lager is dan het door verdachte en zijn compagnon wederrechtelijk verkregen voordeel zal in de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsprocedure nog vast moeten komen staan. De rechtbank komt om die reden niet tot verbeurdverklaring van deze panden om profijt te ontnemen. De verbeurdverklaring van deze panden enkel als bijkomende straf is naar het oordeel van de rechtbank disproportioneel gelet op de hoogte van de aankoopbedragen. Daartoe zal de rechtbank dan ook niet over gaan.

6.3.6

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak bij de rechtbank dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval geldt als aanvangsdatum 26 mei 2015. Dit vonnis wordt gewezen op 15 juli 2019, ruim 4 jaar na de aanvangsdatum, dus in beginsel is de redelijke termijn met net iets meer dan 2 jaar overschreden. De vraag is of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden uitgegaan van een langere redelijke termijn. Het betreft een omvangrijk dossier, op basis van een groot en langdurig onderzoek. Hierbij passen ook een groot aantal onderzoekswensen, waaronder het horen van een aantal getuigen. Hoewel dit niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, is dat wel een vertragende factor. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit de overschrijding van de termijn slechts ten dele verklaren. Al met al is de rechtbank van oordeel dat slechts in beperkte mate sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn kunnen rechtvaardigen en zal daarom de hieronder te noemen strafkorting toepassen.

6.3.7

Conclusie

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden.

Wegens de overschrijding van de redelijke termijn wordt dit verminderd tot 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De duur van de op te leggen gevangenisstraf overstijgt de door de officier van justitie gevorderde straf. De reden hiervan is gelegen in het oordeel van de rechtbank over de verbeurdverklaring. Nu minder panden dan de officier heeft gevorderd worden verbeurdverklaard, is de waarde van het verbeurdverklaarde ook lager en dit heeft de rechtbank verdisconteerd in de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is verzocht is niet op zijn plaats gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 34.763,92 voor feit 3, uitgaande van 37 teelten. Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:

- illegaal afgenomen elektriciteit (493.218 kWh x € 0,069) € 34.032,04

- administratiekosten € 363,89

- uurtarief fraude-inspecteur (3 uur x € 74,00) € 222,00

- metercontrole € 106,82

- nieuwe meter 3 fase kWh € 39,17 +

€ 34.763,92

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.651,67 een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Daarbij gaat de rechtbank uit van één oogst en een bedrag van € 919,79 (zijnde € 34.032,04 : 37) aan illegaal afgenomen elektriciteit. De administratie-, inspecteur- en meterkosten (van in totaal € 731,88) zijn eveneens toewijsbaar, nu [Slachtoffer] deze heeft moeten maken ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. De rechtbank acht een bedrag van (€ 919,79 + € 731,88 =) € 1.651,67 voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de fraude is geconstateerd, te weten 20 mei 2014.

De rechtbank zal bepalen dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dat bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Nader onderzoek naar het overige deel van de vordering zou leiden tot een onevenredige belasting van dit strafproces en de rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Voor dat deel kan zij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten van de op de beslaglijst onder 26 tot en met 35, 38, 39, 40, 42 tot en met 104 genummerde voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen hetzij niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, danwel om eerder genoemde reden niet tot verbeurdverklaring zal worden overgegaan, en zij onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.2

De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 5, 6 en 7 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet.

8.3

De verbeurdverklaring

Zoals onder 6.3.5 is overwogen, zullen de voorwerpen die worden genoemd op de beslaglijst onder de nummers 36, 37 en 41 verbeurd worden verklaard.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: diefstal door middel van verbreking door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 26 tot en met 35, 38, 39, 40 en 42 tot en met 104;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 5, 6 en 7;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 36, 37 en 41;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van € 1.651,67, ter zake van materiële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] (feit 3), € 1.651,67 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Vliegenberg en mr. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van den Hurk-Van der Zanden, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 juli 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal onderzoek Duyt met dossiernummer 2013164243 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van A-0001 tot en met J-2714. Proces-verbaal van bevindingen, map 5, pagina C-0004 en C-0005

2 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0014

3 De geschriften opgenomen in map 14, pagina’s J-1066 t/m J-1083, J-1133 t/m J-1136, J-1139 t/m J-1143, J-1372 t/m J-1376

4 Proces-verbaal relaas witwassen en valsheid in geschrift, map 1, pagina A-0106, A-0119 en A-0125

5 Proces-verbaal relaas witwassen en valsheid in geschrift, map 1, pagina A-141

6 Map 1, pagina A-119 en A-125, proces-verbaal inzake witwassen en valsheid in geschrift, relaas van onderzoek

7 Proces-verbaal relaas witwassen en valsheid in geschrift, map 1, pagina A-163.

8 Proces-verbaal relaas witwassen en valsheid in geschrift, map 1, pagina A-0127 t/m A-0139.

9 Het geschrift zijnde het overzicht antecedenten, map 17, pagina D-691

10 Het geschrift zijnde het overzicht antecedenten, map 17, pagina D-692

11 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0014

12 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0019

13 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0028, A-0032, A-0036, A-0049, A-0050, A-0057, A-0058

14 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0059

15 Proces-verbaal relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0176 en A-0177

16 Eindproces-verbaal hennepkwekerij [Straatnaam 1] map 15, pagina J-1775 en J-1776

17 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 16, pagina J-2128 en J-2129

18 Proces-verbaal van bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 1] te Etten Leur, map 5, pagina C-221 t/m C-245

19 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-0374 t/m B-0378

20 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2379 t/m J-2381

21 Proces-verbaal van bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 1] te Etten-Leur, map 5, pagina C-221 t/m C-245

22 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1676 t/m J-1678

23 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-202

24 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-212

25 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst met fotokopie rijbewijs, map 13, pagina J-721 t/m J-724 en proces-verbaal van bevindingen winkel met bovenwoning [Straatnaam 16] te Breda, map 5, pagina C-391

26 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-187 en B-188

27 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1553 t/m J-1555

28 Proces-verbaal verhoor verdachte, map 2, pagina B-156 en B-159

29 Proces-verbaal van bevindingen winkel met bovenwoning [Straatnaam 16] te Breda, map 5, pagina C-372 t/m C-403

30 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-376 en B-377

31 Proces-verbaal van verhoor map 2 pagina B-361 t/m B-373

32 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-344 en B-345

33 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-355

34 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1679 t/m J-1681

35 Proces-verbaal van bevindingen dubbele garage achter de woning [Straatnaam 3] te Breda, map 5, pagina C-298 en het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2603 t/m J-2605

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Naam 2] , map 2, pagina B-267 en B-268

37 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 2, pagina B-271

38 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-326

39 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-268

40 Proces-verbaal van verhoor, map 2, pagina B-276

41 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1550 t/m J-1552

42 Proces-verbaal van bevindingen woning [Straatnaam 14] - [Straatnaam 15] te Breda, map 5, pagina C-315 t/m C-344

43 Processen-verbaal van verhoor, map 3, pagina B-776 en B-787

44 Proces-verbaal van bevindingen woning [Straatnaam 14] - [Straatnaam 15] te Breda, map 5, pagina C-315 t/m C-344

45 Proces-vervaal van verhoor, map 2, pagina B-213

46 Het geschrift zijnde een afdruk van een gegevensbestand, inhoudende een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1512 t/m J-1515

47 Proces-verbaal verhoor verdachte, map 2, pagina B-77 en B-78

48 Het geschrift zijnde een afdruk van een gegevensbestand, inhoudende een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1576 t/m J-1580

49 Proces-verbaal van bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 2] te Zevenbergen, map 5, pagina C-258, C-259, C-268 en C-269

50 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2153 t/m J-2155

51 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1662 t/m J-1664

52 Proces-verbaal van bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 2] te Zevenbergen, map 5, pagina C-260 en C-261

53 Proces-verbaal verhoor verdachte, map 14, pagina J-979 t/m J-982

54 Proces-verbaal van bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 2] te Zevenbergen, map 5, pagina C-275 t/m C-277

55 Het geschrift zijnde een afdruk van een gegevensbestand, inhoudende een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1446 t/m J-1449

56 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 13, pagina J-752 t/m J-754

57 Proces-verbaal van verhoor, map 7, pagina D-288

58 Proces-verbaal van verhoor, map 7, pagina D-298

59 Proces-verbaal van verhoor, map 3, pagina B-647 en B-648

60 Het geschrift zijnde mutaties ten name van [Medeverdachte 2] op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] , map 13, pagina J-782, bijlage nr. D-147

61 Proces-verbaal van bevindingen [Medeverdachte 2] , map 4, pagina B-813 t/m B-842

62 Proces-verbaal van bevindingen woning met garage [Straatnaam 11] te Breda, map 5, pagina C-345 t/m C-371

63 Proces-verbaal van bevindingen Aantreffen in werking zijnde hennepkwekerijen op het adres [Straatnaam 11] te Breda, map 3, pagina B-421 t/m B-432.

64 Het geschrift zijnde een fotokopie van een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2590 t/m J-2592

65 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2587 t/m J-2589

66 Het geschrift zijnde een ingescande huurovereenkomst, map 15, p. J-2123 t/m J-2126

67 Proces-verbaal van bevindingen gefingeerde huurinkomsten woning [Adres] te Breda, map 5, pagina C-404 t/m C-419

68 Proces-verbaal van bevindingen [Straatnaam 1] te Etten-Leur, map 5, C-0241.

69 Proces-verbaal inzake witwassen en valsheid in geschrift relaas van onderzoek, map 1, pagina A-0129

70 Processen-verbaal verhoor getuige [Naam 3] , map 7, pagina D-193 t/m D195, D-200 en D-206

71 Proces-verbaal van bevindingen, map 6, p. C523-C532

72 Het geschrift, zijnde een tabel fictieve huur, map 17, pagina J-2705

73 Het geschrift zijnde het rapport Belastingdienst, map 14, p. J-1028 t/m J-1034

74 Processen-verbaal verhoor getuige [Naam 3] , map 7, pagina D-193 t/m D-195

75 Processen-verbaal inzake vermogensvergelijking 2002 tot en met 2004, map 6, pagina C-783, C-799 en C-820

76 Proces-verbaal van bevindingen voer- en vaartuigen ten name van [Verdachte] , map 5, pagina C-497

77 Proces-verbaal inzake vermogensvergelijking [Medeverdachte 5] 2002, map 6, pagina C-907

78 Proces-verbaal inzake vermogensvergelijking [Medeverdachte 5] 2003, map 6, pagina C-923

79 Proces-verbaal inzake vermogensvergelijking [Medeverdachte 5] 2004, map 6, pagina C-945

80 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-657

81 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-658

82 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-658 en C-659

83 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-659 en C-660

84 Het geschrift zijnde gewijzigde afrekening [Straatnaam 5] te Breda, map 14, pagina J-1073 en J-1074

85 Het geschrift zijnde een overzicht aankoop en financiering vastgoed [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 15, pagina J-1597

86 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-661 en C-662

87 Het geschrift zijnde de draaitabel [Naam 47] [Rekeningnummer 4] , map 16, pagina J-1947 t/m J-1954

88 Het geschrift zijnde de draaitabel [Rekeningnummer 1] , map 16, pagina J-1995 t/m J-2000

89 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-662 t/m C-664

90 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] map 6, pagina C-664 t/m C-666

91 Het geschrift, zijnde een cashflowoverzicht [Medeverdachte 5] & [Verdachte] (48.63.080) januari 2008, map 16, pagina J-2047 en J-2048

92 De geschriften, zijnde de gewijzigde afrekeningen van de notaris, map 14, pagina J-1082 t/m J-1085

93 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-666 t/m C-668

94 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-668 t/m C-670

95 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-668 t/m C-670

96 Proces-verbaal inzake aankoop en financiering vastgoed door [Verdachte] en [Medeverdachte 5] , map 6, pagina C-670 en C-671

97 Het geschrift, map 17, pagina J-2707 t/m J-2709

98 Mutatie rapport, map 2, pagina B-12

99 Proces-verbaal (relaas), map 2, pagina B-6 t/m B-8

100 Proces-verbaal van bevindingen, map 2, pagina B-19 en B-20

101 Proces-verbaal verhoor verdachte en huurovereenkomst bedrijfsruimte, map 2, pagina B-53 t/m B-59

102 Proces-verbaal bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 2] te Zevenbergen, map 5, pagina C-265

103 Proces-verbaal verhoor verdachte, map 2, pagina B-76 t/m B-78

104 Proces-verbaal bevindingen bedrijfspand [Straatnaam 2] te Zevenbergen, map 5, pagina C-268

105 Geschrift rekeningafschrift, map 13, pag. J-785

106 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1512 t/m J-1520

107 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1576 t/m J-1580, bijlage nr. D-366

108 Proces-verbaal van verhoor [Naam 3] , map 7, pagina D-192 en D-198

109 Proces-verbaal van bevindingen, map 2, pagina B-92 en B-93

110 Kennisgeving van inbeslagneming, map 2, pagina B-120

111 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, map 2, pagina B-121

112 Proces-verbaal van bevindingen aangetroffen post [Straatnaam 16] Breda, map 2, pagina B-139 t/m B-143 en de geschriften zijnde huurovereenkomsten map 2, pagina B-177 t/m B-184

113 Proces-verbaal verhoor verdachte [Naam 15] , map 2, pagina B-144 t/m B-153

114 Het geschrift zijnde stortingen ten name van [Naam 15] op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] t.n.v. [Medeverdachte 5] en [Verdachte] , map 13, pagina J-781, bijlage nr. D-146

115 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Naam 16] , map 2, pagina B-185 t/m B-189

116 Proces-verbaal vermissing identiteitsbewijs, map 17, pagina J-2607 en J-2608

117 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2593 t/m J-2595 en proces-verbaal van bevindingen winkel met bovenwoning [Straatnaam 16] te Breda, map 5, pagina C-377, C-392 en C-393

118 Processen-verbaal van verhoor [Medeverdachte 1] , map 2, pagina B 199, B-201, B-202 en B-205

119 Proces-verbaal van verhoor [Medeverdachte 1] , map 2, pagina B-212 en B-209

120 Proces-verbaal van bevindingen winkel met bovenwoning [Straatnaam 16] te Breda, map 5, pagina C-377 t/m C-379

121 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 38] , map 2, pagina B-215 t/m B-218

122 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 39] , map 2, pagina B-219 t/m B-221

123 Proces-verbaal van bevindingen winkel met bovenwoning [Straatnaam 16] te Breda, map 5, pagina C-402

124 Proces-verbaal van bevindingen [Straatnaam 3] Breda, map 2, pagina B-243 t/m B-245 en proces-verbaal van bevindingen, map 2, pagina B-239 t/m B-241

125 Kennisgeving van inbeslagneming, map 2, pagina B-246 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, map 2, pagina B-247

126 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1679 t/m J-1681

127 Proces-verbaal van bevindingen aangetroffen post [Straatnaam 3] Breda, map 2, pagina B-261 t/m B-264

128 Het geschrift zijnde een huurovereenkomst, map 17, pagina J-2603 t/m J-2606

129 Proces-verbaal van bevindingen dubbele garage achter de woning [Straatnaam 3] te Breda, map 5, pagina C-298 en het geschrift zijnde een afdruk van een gegevensbestand, inhoudende een huurovereenkomst, map 15, pagina J-1571 t/m J-1575

130 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Naam 2] , met bijlagen, map 2, pagina B-265 t/m B-272

131 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Naam 2] , map 2, pagina B-268, B-273 t/m B-279

132 Proces-verbaal van relaas van onderzoek, map 1, pagina A-38 en een geschrift map 2, pagina B- 328 en B-329

133 Proces-verbaal van verhoor [Naam 19] , map 2, pagina B-324 t/m B-327

134 Het geschrift zijnde stortingen ten name van [Naam 2] op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] t.n.v. [Medeverdachte 5] en [Verdachte] , map 13, pagina J-780, bijlage nr. D-145

135 Proces-verbaal van verhoor [Naam 3] , map 7, pagina D-0199

136 Proces-verbaal van bevindingen Aantreffen inwerking zijnde hennepkwekerijen op het adres [Straatnaam 11] te Breda, map 3, pagina B-421 t/m B-432

137 Processen-verbaal van verhoor verdachte [Medeverdachte 2] , map 3, pagina B-618 t/m B-631

138 Proces-verbaal van verhoor, 4e verhoor [Medeverdachte 2] , map 4, pagina B-980 en B-981

139 Het geschrift zijnde mutaties ten name van [Medeverdachte 2] op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] t.n.v. [Medeverdachte 5] en [Verdachte] , map 13, pagina J-782, bijlage nr. D-147

140 Proces-verbaal van bevindingen [Medeverdachte 2] , map 4, pagina B-813 t/m B-842

141 Proces-verbaal van bevindingen woning met garage [Straatnaam 11] te Breda, map 5, pagina B-348 en het geschrift zijnde mutaties m.b.t. [Straatnaam 11] te Breda op [Naam 47] [Rekeningnummer 4] t.n.v. [Medeverdachte 5] en [Verdachte] , map 15, pagina J-1522 t/m J-1524, bijlage nr. D-345

142 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 25] , map 7, pagina D-288

143 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 24] , map 7, pagina D-298

144 Processen-verbaal van verhoor verdachte [Medeverdachte 5] , map 3, pagina B-646 t/m B-653

145 Proces-verbaal van bevindingen woning met garage [Straatnaam 11] te Breda, map 5, pagina B-346

146 Proces-verbaal aangifte, map 2, pagina B-21 t/m B-52

147 Aangifte, map 2, pagina B-122 t/m B-138a

148 Aangifte, map 3, pagina B-678 t/m B-692

149 Proces-verbaal van bevindingen, map 3, pagina B-662

150 Proces-verbaal van bevindingen vrijwillige afgifte van sleutels door verdachte [Verdachte] , map 5, pagina C-216 en C-217

151 Aangifte, map 3, pagina B-664 t/m B-675

152 Aangifte, map 2, pagina B-382 t/m B-415