Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3189

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
02/665183-15 owvv
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Gevorderd is het bedrag vast te stellen op € 48.218,51, subsidiair € 18.000,00. Rechtbank heeft veroordeelde gevolgd in zijn verklaring dat hij ongeveer € 18.000,00 heeft verdiend aan de hennepteelt. Voordeel is op laatstgenoemd bedrag vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/665183-15

beslissing van de rechtbank d.d. 12 juli 2019

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboortedag]

wonende te [adres]

raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht

1 De procedure

Betrokkene is bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld tot een taakstraf voor hennepteelt in de periode van 12 juni 2014 tot en met 21 augustus 2014.

De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juni 2019, waarbij de officier van justitie mr. Kerkhofs en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene voordeel heeft genoten uit hennepteelt. Gevorderd is het wederrechtelijk verkregen voordeel primair vast te stellen op een bedrag van € 48.218,51, subsidiair vast te stellen op een bedrag van € 18.000,00.

Eerstgenoemd bedrag is gebaseerd op het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel, met aftrek van de inmiddels betaalde kosten voor elektriciteit. Het subsidiair genoemde bedrag is gebaseerd op de verklaring van betrokkene zelf.

3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de bij betrokkene aangetroffen stekjes slechts 1 week oud waren, zodat daarop geen winst kan zijn behaald. Een eerdere oogst kan dan enkel behaald zijn van een kwekerij op de zolder van de garage. Daartoe zijn naar de opvatting van de verdediging wel aanwijzingen, echter niet vastgesteld kan worden dat veroordeelde daarvan voordeel heeft genoten.

Verzocht is het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel de vordering af te wijzen.

Voorts wordt gesteld dat betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft om enig bedrag aan justitie te betalen.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan en de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel mede is verkregen door middel van baten van soortgelijke feiten, blijkt uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van heden.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:

- betrokkene heeft bij de politie bekend dat hij hennep heeft geteeld;

- betrokkene heeft bij de politie verklaard dat hij een eerdere oogst heeft gehad waar hij ongeveer € 18.000,00 aan overgehouden heeft ten aanzien van welke verklaring de officier van justitie bij brief van 30 maart 2017 heeft aangegeven dat deze voor de officier van justitie leidend zal zijn bij de vordering tot ontneming.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 18.000,00. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag nog te verminderen met de kosten voor elektriciteit, nu weliswaar is gebleken dat deze aan de leverancier zijn voldaan, maar niet dat deze door betrokkene zijn voldaan of zullen worden gedragen.

4.2

Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 18.000,00 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Namens betrokkene is ter terechtzitting aangevoerd dat hij niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vooropgesteld dient te worden dat noch uit artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht noch uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit dat de draagkracht van verdachte in het algemeen een verplichte maatstaf vormt bij het bepalen van het te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Slechts indien aannemelijk is dat verdachte geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting deze ook in de toekomst niet zal hebben, dient de rechter gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid.

Betrokkene heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben.

De conclusie van de verdediging, inhoudende dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan terugbetalen, treft derhalve geen doel.

5 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 18.000,00;

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 18.000,00, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Collombon, voorzitter, mr. Dekker en mr. Van Riet, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van den Goorbergh en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2019.

Mr. Collombon en mr. Van Riet zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.