Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3100

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
BRE - 18 _ 2032
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5 en 34 Wet MRB en artikel 67c AWR

Naheffingsaanslag mrb met een verzuimboete van 100% vanwege rijden in een auto met buitenlands kenteken zonder daarvoor mrb te betalen. Ook een privéterrein kan kwalificeren als weg indien het feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat. De rechtbank laat de naheffingsaanslag in stand. Ze vermindert wel de boete.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 5
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 34
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2019
V-N Vandaag 2019/2036
FutD 2019-2407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/2032

uitspraak van 11 juli 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 2 maart 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) ( [aanslagnummer] ) en de daarbij gelijktijdig opgelegde boetebeschikking.

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gebleven.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor zover het de naheffingsaanslag betreft;

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boete;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 3.250;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 512;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende staat sinds 16 mei 2014 onafgebroken op een Nederlands adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

2.2.

Naar aanleiding van een controle door een toezichtmedewerker van de Belastingdienst op 1 mei 2017, omstreeks 17:12 uur, aan [straat] te [woonplaats] , heeft de inspecteur aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikking verzuimboete opgelegd in verband met de auto met Roemeens kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Ten tijde van de controle was voor de auto geen mrb betaald. De naheffingsaanslag is opgelegd over de periode 16 mei 2014 tot en met 30 april 2017. De nageheven belasting bedraagt € 7.635 en de boete bedraagt € 5.278.

2.3.

In geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en zo ja niet tot een te hoog bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

Gebruikmaken van de weg

2.4.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat volgens een toezichtmedewerker van de Belastingdienst tijdens een controle op 1 mei 2017, omstreeks 17:12 uur, aan [straat] te [woonplaats] door hem is geconstateerd dat belanghebbende met de auto gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland. Belanghebbende betwist dat ze met de auto ten tijde van de controle gebruik maakte van de weg en wijst erop dat de auto stond geparkeerd op een privéterrein van een horecagelegenheid en niet op de openbare weg.

2.5.

Op grond van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) kan de inspecteur mrb naheffen indien hij constateert dat gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland met een auto waarvoor geheel of gedeeltelijk geen mrb is betaald.

2.6.

Artikel 5 van de Wet MRB luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder weg: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.

2.7.

Voor de beantwoording van de vraag of een particulier terrein als een voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 5 van de Wet MRB moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat. Daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene rijverkeer gebruik maakt van het terrein (HR 11 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4801).

2.8.

Belanghebbende heeft met verwijzing naar de foto’s in het dossier en naar Google Streetview aangevoerd dat het parkeerterrein “net zo privé [is] als de oprit van de buren, met dien verstande dat hier blijkens de aangebrachte aanduiding wel café- en hotelgasten mogen parkeren. Dit terrein is gelet op de situatie niet bestemd om gebruikt te worden als openbare weg.”

Gelet op wat in 2.7 is overwogen is de opvatting van belanghebbende dat het parkeerterrein reeds geen openbare weg is omdat het privéterrein is, niet juist. Evenmin is juist de opvatting dat maatgevend is of het terrein is bestemd om gebruikt te worden als openbare weg. Het gaat er om of het terrein feitelijk voor openbaar rijverkeer openstaat. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat van het parkeerterrein (alleen) gebruik mag worden gemaakt door gasten van de horecagelegenheid duidt er op dat het terrein juist wel feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat. Dat zou anders kunnen zijn indien sprake is van fysieke barrières die waarborgen dat het terrein feitelijk alleen openstaat voor gasten. Uit beelden van – het door belanghebbende aangehaalde – Google Streetview blijkt niet dat bij de inrit of op het parkeerterrein zelf enige fysieke barrières zijn aangebracht waardoor voor het vrije verkeer de toegang tot het parkeerterrein niet mogelijk is. Dit houdt in dat de auto geparkeerd stond op een voor openbaar rij- of ander verkeer openstaand parkeerterrein.

2.9.

Overigens maakt de rechtbank uit de brieven van belanghebbende, door de inspecteur ontvangen op 3 en 26 januari 2018, op dat belanghebbende met de auto op enig moment gereden heeft op de openbare weg in Nederland. Zo verklaart ze in deze brieven te zijn gestopt met het rijden in de auto tot het (latere) moment waarop ze de auto op haar naam stelde.

De na te heffen belasting – de berekeningsperiode

2.10.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van een motorrijtuig. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet MRB is de houder van een motorvoertuig degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Wet MRB wordt deze houder, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de BRP.

2.11.

Het tweede lid van artikel 34 van de Wet MRB bepaalt dat in een situatie als de onderhavige de na te heffen belasting wordt berekend over een periode die aanvangt op het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB en die eindigt op de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Het tweede lid van artikel 13 van de Wet MRB bepaalt dat het heffingstijdvak aanvangt op de dag waarop de houder is ingeschreven in de BRP, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde voertuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Uit het arrest HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483 (hierna: HR 5 april 2019) volgt dat onder aantonen moet worden begrepen ‘aannemelijk maken’.

2.12.

Voor de rechtbank staat vast dat belanghebbende op 1 mei 2017 – als bestuurder – met de auto gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg, zijnde het parkeerterrein van de horecagelegenheid. Belanghebbendes stelling dat ze geen eigenaar was van de auto en dat zij niet op de hoogte was van de Nederlandse regelgeving, doet er niet aan af aan het gegeven dat belanghebbende op het moment van het constateren feitelijk de beschikking had over de auto. Omdat belanghebbende op het moment van de constatering feitelijk heeft beschikt over de auto en niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland haar hoofdverblijf heeft, heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als de houder van de auto en als belastingplichtige.

2.13.

De inspecteur is voor de berekening van de verschuldigde mrb voor de aanvang van de berekeningsperiode uitgegaan van de datum van 16 mei 2014, de eerste dag waarop belanghebbende stond ingeschreven in het BRP. Dat is in overeenstemming met de in 2.11 vermelde regelgeving. Anders dan belanghebbende betoogt rust niet op de inspecteur de bewijslast dat de auto ‘al eerder in Nederland was’, maar rust juist op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de auto haar op een later moment dan 16 mei 2014 feitelijk ter beschikking in Nederland heeft gestaan (zie ook HR 5 april 2019).

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in de bewijslast geslaagd. Uit de door belanghebbende zelf ingediende stukken in bezwaar blijkt niet van een concrete stelling met betrekking tot het moment waarop zij de beschikking over de auto in Nederland heeft gekregen. Zij heeft alleen steeds gesteld dat zij niet de eigenaar was van de auto en dat de auto niet op haar naam geregistreerd stond in de berekeningsperiode. Wel heeft zij kennelijk, gelet op de uitspraak op bezwaar, tijdens een telefoongesprek met de inspecteur de stelling betrokken dat de auto vanaf maart 2017 in Nederland is. In het door de gemachtigde ingediende beroepschrift wordt opeens, zonder nadere toelichting, gesproken over ‘maart 2016’. Belanghebbende heeft verder geen meer gedetailleerde, onderbouwde uiteenzetting gegeven over de gang van zaken zoals hoe en wanneer de auto naar Nederland is gekomen, het gebruik van de auto in Nederland, waarom de auto in Nederland was terwijl de auto – volgens belanghebbende – op naam stond van het Roemeense bedrijf van haar partner, etc. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank ook de overlegde verklaring van de heer [A] (uitbater van de horecagelegenheid waar belanghebbende verbleef) onvoldoende. De rechtbank heeft weliswaar geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van die verklaring, maar die verklaring is onvoldoende om aannemelijk te achten dat pas vanaf maart 2016 de auto belanghebbende in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

2.14.

De naheffingsaanslag blijft daarom in stand.

Ten aanzien van de verzuimboete

2.15.

Op grond van artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 5.278 indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet (tijdig) heeft betaald. In paragraaf 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is bepaald dat de verzuimboete maximaal 100 procent bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. Het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting rechtvaardigt in beginsel een boete van 100 procent. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de weg en daarmee is de boete in beginsel gerechtvaardigd. Opzet of schuld is geen vereiste. Voor een boete is echter geen plaats indien sprake is van afwezigheid van alle schuld, maar daarvan is geen sprake.

Het is aan de rechter is om te beoordelen of de in een concreet geval opgelegde boete passend en geboden is, gelet op alle omstandigheden van het geval. De rechtbank acht in het onderhavige geval een boete van € 3.250 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is tot stand gekomen met toepassing van een berekeningsvoorschrift dat gebaseerd is op een bewijsvermoeden van onder meer de duur van het houderschap in Nederland. In dat kader heeft de rechtbank meegewogen dat de voorgenoemde verklaring van [A] wel een objectieve aanwijzing is dat pas vanaf maart 2016 de auto belanghebbende in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Daarbij verdient ook opmerking dat de rechtbank weinig gewicht toekent aan de omstandigheid dat belanghebbende volgens het controleformulier bij de controle verklaarde “reeds 4 jaar in Nederland te wonen en onbeperkt gebruik te maken van dit voertuig.” Hieruit kan namelijk niet zonder meer worden afgeleid dat belanghebbende heeft verklaard gedurende 4 jaar gebruik te maken van de auto.

2.16.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard alleen voor zover het de boete betreft.

2.17.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Opmerking verdient dat, gelet op ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, rov. 4.6.3.2, de brief van 8 maart 2019 niet als een conclusie van repliek kan worden aangemerkt nu deze brief verzonden is na de uitnodiging voor de zitting (die uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden). Er is geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.