Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:3091

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
C/02/358470 / JE RK 19-850
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Artikel 4.2.2, lid 1, Besluit Jeugdwet. Een snelle inzet van een jeugdzorgwerker is in deze zaak noodzakelijk. Bij de kinderrechter is niet bekend wanneer een jeugdzorgwerker daarvoor beschikbaar is. Betreurd wordt dat de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) niet op de zitting is verschenen om daarover een toelichting te geven. Om op korte termijn te kunnen toetsen of er daadwerkelijk snel uitvoering wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling en de wettelijke termijnen door de GI in acht worden genomen wordt de toewijzing van het verzoek nu opnieuw beperkt tot een maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

zaakgegevens : C/02/358470/JE RK 19-850

datum uitspraak: 17 juni 2019

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Middelburg,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te Bergen op Zoom, hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te Breda, hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te Breda, hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roosendaal.

Het (verdere) procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van 22 mei 2019.

Op 17 juni 2019 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is:

- een vertegenwoordigster van de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de moeder,

- de vader,

- de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 mei 2019 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 22 mei 2019 en tot 22 juni 2019.

Het verzoek


De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzocht voor de duur van acht maanden.

Thans ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 22 juni 2019 en tot 22 januari 2020.

Op de zitting is door de Raad verklaard dat het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd. Na de vorige zitting heeft de Raad over de zaak geen informatie van de GI ontvangen. De Raad vermoedt dat de GI vanwege de wachtlijstproblematiek de uitvoering van de ondertoezichtstelling nog niet heeft opgepakt. De ontwikkelingsbedreigingen zijn niet weggenomen.

De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, lid 1, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, lid 2, BW, in staat zijn te dragen.

Bij beschikking van 22 mei 2019 heeft de kinderrechter al vastgesteld dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig wordt bedreigd. Zij zijn veelvuldig blootgesteld aan de spanningen tussen de ouders met als gevolg dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig problematisch gedrag zijn gaan vertonen. Ook bij [minderjarige 1] dreigt dergelijk gedrag, maar dat kan mogelijk voorkomen worden door passend ingrijpen door de GI. Bovendien is hulp nodig in het gedwongen kader voor beide ouders, omdat de eerder ingezette vrijwillige hulpverlening onvoldoende vruchten heeft afgeworpen. Een ondertoezichtstelling werd dan ook noodzakelijk geacht.

De kinderrechter volhardt in dat oordeel.

De GI was op 22 mei 2019 niet op de zitting verschenen. Vanwege het ontbreken van informatie van de GI en om een en ander te monitoren achtte de kinderrechter het toen noodzakelijk om de ondertoezichtstelling voor een maand te verlenen en het resterende deel aan te houden. In dit verband is mede van de belang de wachtlijstproblematiek bij de GI en de daaruit voortkomende vrees dat de ondertoezichtstelling als kinderbeschermende maatregel niet op korte termijn kan worden opgepakt. De GI is verzocht op de zitting van heden de kinderrechter nader te informeren omtrent de voortgang.

Uit het voorgaande volgt dat nog steeds wordt voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. Het is noodzakelijk dat met de uitvoering van de ondertoezichtstelling onmiddellijk een start wordt gemaakt. Een ondertoezichtstelling is een zware maatregel en wordt alleen uitgesproken wanneer een kinderrechter van oordeel is dat er ernstige zorgen zijn om de minderjarigen. Ook in deze zaak zijn er forse zorgen en het zou schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de minderjarigen wanneer er niet op korte termijn passende, gedwongen, hulp op meerdere gebieden wordt ingeschakeld. Ook dient in deze zaak, gezien de conflicten tussen ouders, stevige regie gevoerd te worden. De kinderrechter stelt vast dat de GI vandaag weer niet op de zitting is verschenen. Er is nog steeds geen duidelijkheid wanneer er daadwerkelijk uitvoering gegeven gaat worden aan de, ook door de ouders, gewenste ondertoezichtstelling. Dit is al met al een onverteerbare gang van zaken.

De kinderrechter wijst de GI uitdrukkelijk op het bepaalde in artikel 4.2.2 Besluit Jeugdwet. In het eerste lid van dat artikel staat dat de GI binnen vijf werkdagen nadat zij is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en zij hiervan in kennis is gesteld, een jeugdzorgwerker aanwijst, waarbij het eerste contact plaatsvindt tussen de jeugdzorgwerker en de minderjarigen en de met het gezag belaste ouders. Voorts wordt gewezen op artikel 4.1.3, lid 5, Jeugdwet.

Om op korte termijn te kunnen toetsen of er daadwerkelijk snel uitvoering wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling en de wettelijke termijnen door de GI in acht worden genomen, zal de duur van de maatregel nogmaals worden beperkt tot een maand. Een beslissing over het resterende verzoek van de Raad zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. De kinderrechter verlangt van de GI dat zij alsnog zo spoedig mogelijk de zaak zal oppakken alsmede dat zij op die zitting zal verschijnen om de gang van zaken nader toe te lichten.

Dit betekent dat als volgt zal worden beslist.

De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 22 juni 2019 en tot 22 juli 2019;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van 12 juli 2019 te 09.30 uur;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad, de GI en de belanghebbenden;

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2019 door mr. W. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van W. Bakker-Maljers, als griffier.

(wb)

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 juni 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch