Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:2976

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
02-194973-18 en 02-187157-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting, diefstal, bedreiging, huisvredebreuk en mishandeling. Ernstige feiten. Brandstichting met gevaar voor personen. Rechtbank acht spugen geen mishandeling.. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden waaronder plaatsing in een FPK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/194973-18 en 02/187157-18 (gevoegd ter terechtzitting)

vonnis van de meervoudige kamer van 3 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in het PPC van het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan,

raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2019, waar zij zijn gevoegd en de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaken zijn behandeld op dezelfde zitting als de zaak tegen verdachte onder parketnummer 02/665368-18.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Parketnummer 02/194973-18

1.

hij op of omstreeks 22 september 2018 te Tilburg, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine, althans een brandbare stof, over kleding en/of een kast en/of een bed gesprenkeld en vervolgens de vlam van een aansteker, in elk geval (open) vuur, in aanraking gebracht met voornoemde goederen, ten gevolge waarvan kleding en/of een kast en/of een bed/matras en/of een of meer andere goederen in de woning en/of de woning geheel en/of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk gevaar gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
(Artikel art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2.
hij op of omstreeks 22 september 2018 te Tilburg, een jerrycan benzine, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 02/187157-18

1.

hij op of omstreeks 21 september 2018 te Tilburg [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen "I beat the shit out of you [naam 2] , ik weet je te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2.
hij op of omstreeks 21 september 2018 te Tilburg in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, gelegen aan het [adres 1] bij HIC GGZ Breburg, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3.
hij op of omstreeks 21 september 2018 te Tilburg [naam 3] heeft mishandeld door deze in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of in het gezicht te spugen, waardoor bij die [naam 3] een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam te weeg wordt gebracht;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4.
hij op of omstreeks 21 september 2018 te Tilburg [naam 4] heeft mishandeld door deze in het gezicht te spugen, waardoor bij die [naam 4] een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam te weeg wordt gebracht;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 02/194973-18 baseert hij zich op het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 en 20 van het eindproces-verbaal, de processen-verbaal op pagina 38 en 39, alsmede de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en personen. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 02/194973-18 baseert hij zich op de aangifte van [naam 1] en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 02/187157-18 baseert hij zich op de aangifte van [naam 2] en de ondersteunende verklaring in de aangifte van [naam 5] . Ten aanzien van feit 2 onder dit parketnummer baseert hij zich op de aangiftes van [naam 4] en [naam 2] en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 3 onder dit parketnummer baseert hij zich op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte voor het spugen. Dat aangeefster is geslagen, wordt ondersteund door de aangifte van [naam 4] . Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft bepleit dat spugen in dit geval kan worden gekwalificeerd als mishandeling, omdat verdachte hepatitis B heeft en dit bekend was bij aangeefsters ten tijde van het spugen. Dit moet voor aangeefsters als een hevige onlust veroorzakende gewaarwording zijn ervaren, hetgeen voldoende is om te komen tot mishandeling.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 02/194973-18 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Alleen ten aanzien van het ten laste gelegde gevaar voor personen heeft de verdediging verweer gevoerd. De verdediging is van mening dat uit het dossier niet blijkt dat de bovenbuurman van verdachte aanwezig was in de woning en er dus geen gevaar is geweest voor personen. Voor dit onderdeel dient derhalve vrijspraak te volgen. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 02/187157-18 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1, 3 en 4 onder parketnummer 02/187157-18. Ten aanzien van feit 1 is betoogd dat er weliswaar een aangifte is en een getuigenverklaring van [naam 4] ten aanzien van de bedreiging, maar dat verdachte deze bedreiging stellig heeft ontkend. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken. Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte het slaan van en het spugen naar mevrouw [naam 3] ontkend. Er is weliswaar verklaard door getuigen dat verdachte heeft geslagen, maar dat dit tegen mevrouw [naam 3] is, volgt niet uit de getuigenverklaringen gesteld. De verdediging heeft betoogd dat op grond van de huidige jurisprudentie spugen niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Er moet sprake zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring en spugen valt daar niet onder. Derhalve dient vrijspraak te volgen voor de feiten 3 en 4.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 02/194973-18

Feit 1 brandstichting

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen (integrale) vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie;1

- het proces-verbaal van bevindingen;2

- het proces-verbaal van bevindingen; 3

- de foto’s van de woning;4

- de verklaring van getuige [naam 6] ;5

- het aanvullend proces-verbaal. 6

De rechtbank volgt het verweer van de verdediging dat er geen gevaar voor personen te duchten was niet. Om tot een bewezenverklaring van opzettelijke brandstichting met levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te komen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2013:BZ7170). Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de bovenbuurman ten tijde van de brandstichting in zijn woning aanwezig was, is dat anders voor de buurman in de woning naast verdachte. Uit de verklaring van die buurman ( [naam 6] ) blijkt dat hij in ieder geval wel aanwezig was. Verdachte woont, zoals uit de foto’s volgt, in een rijtjeshuis. Volgens het verslag van de brandweer was er sprake van gebruik van een brandversnellende stof waardoor de brand snel uitsloeg. De brand is dus gesticht in een woning die deel uitmaakt van een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen terwijl de brand werd gesticht op een tijdstip waarop de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is. Immers, de brand werd gesticht op een zaterdagochtend omstreeks 10.20 uur. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 diefstal jerrycan benzine

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie.7

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 1]8

Parketnummer 02/187157-18

Feit 1 bedreiging [naam 2]

Op 21 september 2018 deed [naam 2] aangifte van bedreiging, gepleegd door verdachte op die dag bij GGZ Breburg aan de [adres 1] te Tilburg. Zij verklaarde dat zij als senior verpleegkundige die dag aan het werk was en dat verdachte door het gebouw liep en niet wilde vertrekken. Zij verklaarde dat verdachte werd gefixeerd en dat hij terwijl hij op de grond lag tegen haar zei: “I beat the shit out of you [naam 2] , ik weet je te vinden.” Aangeefster heeft verklaard dat ze zich ernstig bedreigd voelde door de woorden van verdachte. 9 Ook [naam 4] deed aangifte en verklaarde dat zij die dag bij de GGZ aanwezig was samen met aangeefster [naam 2] en dat verdachte verbaal agressief werd en zei: “ [naam 4] en [naam 2] , I beat the shit out of you.” [naam 4] verklaarde dat verdachte dit meermalen zei. Ook heeft zij verklaard dat verdachte zei: “Jullie moeten oppassen, ik ga jullie opwachten en opzoeken.” 10

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de bedreiging van [naam 2] , gelet op de eensluidende verklaring van aangeefster en haar collega [naam 4] die beiden over exact dezelfde dreigende bewoordingen hebben verklaard, namelijk dat verdachte heeft gezegd: “I beat the shit out of you.” Ook hebben zowel [naam 2] als haar collega verklaard dat verdachte woorden in de strekking van “Ik ga jullie opwachten,” of “Ik weet jullie te vinden” heeft geuit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling.

Feit 2 lokaalvredebreuk GGZ Breburg

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte: 11

- de aangifte van [naam 2] . 12

Feit 3 en feit 4 Is spugen mishandeling?

Aan verdachte is bij deze feiten mishandeling ten laste gelegd door aangevers in het gezicht te spugen. Verdachte heeft deze handelingen niet ontkend. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of het spugen in de genoemde omstandigheden leidt tot de conclusie dat er sprake is van mishandeling.

Onder mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede - onder omstandigheden - het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van ‘een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam’.

Evenals het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2017:4109) is de rechtbank van oordeel dat bespugen in relevante opzichten verschilt van gevallen waarin de Hoge Raad heeft aangenomen dat handelingen als mishandeling kunnen worden aangemerkt, zoals het in een kanaal duwen, het opzettelijk roet toedienen of het afscheren van het hoofdhaar van een persoon terwijl deze wordt vastgehouden. Bij al deze omstandigheden gaat het om gebeurtenissen die een lichamelijke gewaarwording teweeg brengen, die enigszins met pijn te vergelijken is, zoals benauwdheid of een plotselinge sterke temperatuurverandering, of een objectief waarneembare en ontsierende verandering aan het uiterlijk, wat met letsel vergelijkbaar is of zelfs als letsel is aan te merken. Het spugen in iemands gezicht kan zonder twijfel en in hevige mate de emotie walging oproepen. Een dergelijke ervaring is weliswaar zeer onprettig, maar leidt niet zondermeer tot een zelfstandige reactie van het lichaam, zoals het onderdompelen in koud water en het belemmeren van de ademhaling door het toedienen van roet dat doen. Uit het dossier volgt niet dat bij aangeefsters als gevolg van het spugen een fysieke gewaarwording optrad. Dat verdachte besmet is met hepatitis B maakt dit niet anders; de intentie aan de zijde van verdachte is niet doorslaggevend bij de tenlastegelegde mishandeling, terwijl de wetenschap over deze besmetting bij aangeefsters niet maakt dat daarom aangenomen kan worden dat sprake was van een fysieke gewaarwording.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bespugen in dit geval dan ook niet als mishandeling aan te merken, zodat verdachte van feit 3 gedeeltelijk en van feit 4 geheel dient te worden vrijgesproken.

Feit 3 mishandeling [naam 3] (slaan)

[naam 3] heeft op 21 september 2018 aangifte gedaan van mishandeling. Zij heeft verklaard dat er een noodsituatie was op een andere afdeling. Zij kwam op die afdeling en zag dat twee collega’s de haar bekende verdachte vasthadden. Verdachte verzette zich en bewoog met zijn armen. Aangeefster trachtte verdachte met haar collega’s te fixeren en verdachte rukte zijn rechterarm los, balde zijn hand tot een vuist en haalde uit in de richting van het gezicht van aangeefster. Zij voelde een klap op haar rechterjukbeen en voelde pijn.13 Op de foto in het dossier is letsel te zien.14 [naam 2] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte tijdens het fixeren om zich heen begon te slaan en trappen en dat er enkele collega’s werden geraakt. 15

Hoewel verdachte heeft ontkend te hebben geslagen, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de mishandeling van [naam 3] , nu er behalve de aangifte ook een foto van letsel in het dossier zit. Daar komt bij dat [naam 2] ook heeft verklaard dat er collega’s zijn geraakt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02/194973-18

1.

op 22 september 2018 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine over kleding en een kast en een bed gesprenkeld en vervolgens de vlam van een aansteker in aanraking gebracht met voornoemde goederen, ten gevolge waarvan kleding en een kast en een bed/matras en andere goederen in de woning en de woning gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende woningen en een zich in een van die woningen bevindende persoon, in elk gevaar gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;


2.
op 22 september 2018 te Tilburg, een jerrycan benzine aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 02/187157-18

1.

op 21 september 2018 te Tilburg [naam 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen "I beat the shit out of you [naam 2] , ik weet je te vinden";

2.
op 21 september 2018 te Tilburg in het besloten lokaal, gelegen aan het [adres 1] bij HIC GGZ Breburg in gebruik wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

3.
op 21 september 2018 te Tilburg [naam 3] heeft mishandeld door deze in het gezicht, te stompen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 658 dagen, waarvan 293 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij een ernstig feit als brandstichting past in beginsel een lange gevangenisstraf, maar omdat verdachte volgens de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar is moet in dit geval behandeling voorop staan. Gelet op het rapport van de psychiater en de mondeling gegeven toelichting door de psychiater ter zitting is de officier van justitie van mening dat het opleggen van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel het meest passend is. De officier van justitie vordert daarom de oplegging van de in het reclasseringsrapport genoemde bijzondere voorwaarden, inclusief de voorwaarden die in het kader van het advies TBS met voorwaarden in het reclasseringsrapport zijn genoemd. Tevens verzoekt de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid op te leggen en ervoor te zorgen dat er een tussenvoorziening is waar verdachte terecht kan voordat hij kan worden geplaatst bij FPK de Woenselse Poort. Het is immers niet wenselijk om verdachte vanuit detentie eerst vrij te laten en dan pas op te nemen indien er een plaats is bij FPK de Woenselse Poort of een soortgelijke zorginstelling.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie geëiste straf inclusief de in het reclasseringsrapport genoemde voorwaarden passend is. De verdediging prefereert het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden boven het opleggen van TBS met voorwaarden. De verdediging heeft aangegeven het regelen van een tussenvoorziening meer wenselijk te vinden dan dat verdachte nog langere tijd in afwachting van een plaatsing bij een FPK gedetineerd blijft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft een jerrycan met benzine gestolen bij een tankstation en vervolgens met die benzine brand gesticht in zijn woning, een rijtjeshuis. Volgens hem was dit uit frustratie omdat hij vond dat hij onvoldoende werd geholpen door de GGZ en andere hulpverleners. Brandstichting levert groot gevaar op voor de omringende woningen én voor de bewoners daarvan. In dit geval is het gelukkig relatief goed afgelopen en zijn er geen gewonden gevallen, behalve verdachte zelf. De rechtbank vindt de brandstichting zeer ernstig omdat verdachte hiermee anderen in gevaar heeft gebracht.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van twee medewerkers van de GGZ en aan lokaalvredebreuk omdat hij weigerde het gebouw van de GGZ te verlaten. Ook dit zijn ernstige feiten, temeer daar deze zijn gepleegd bij de GGZ waar hulpverleners werken die door het handelen van verdachte onrust en overlast hebben ondervonden, terwijl zij juist hun best doen om mensen met problemen, zoals verdachte, te helpen. Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank dan ook rekening met deze bijzondere omstandigheid dat het geweld en de bedreiging jegens hulpverleners is gepleegd.

Persoonlijke omstandigheden en deskundigen

Verder houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2012 is veroordeeld, voor bedreiging met onder andere brandstichting, tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Verdachte is sindsdien meerdere malen gedwongen of vrijwillig opgenomen geweest en heeft daarna gewoond in een instelling voor beschermd wonen.

Over zijn persoonlijke omstandigheden zijn ook rapportages uitgebracht door een psycholoog, een psychiater en de reclassering.

Psychiater Blansjaar heeft in zijn rapportage van 15 december 2018 gerapporteerd dat

verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking dan wel zwakbegaafdheid met antisociale persoonlijkheidstrekken. Vanuit onvermogen door zijn verstandelijke beperking is hij er impulsief toe gekomen brand te stichten in zijn woning om hulp af te dwingen toen hij zich niet zelfstandig sociaal en maatschappelijk kon handhaven na een relatiebreuk met zijn partner waar hij in zijn functioneren afhankelijk van was. De kans op recidive wordt in het rapport als matig tot hoog ingeschat. Gelet op de verstandelijke beperking van verdachte moet verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt.

Ter zitting heeft psychiater Blansjaar nog verklaard dat verdachte weliswaar kortdurende psychotische episodes heeft gehad door de combinatie van zijn verstandelijke beperking en middelengebruik, maar dat hij geen aanwijzing ziet voor een bipolaire stoornis of schizofrenie. Gelet op de verstandelijke beperking kan er geen persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld. Gelet op de verstandelijke beperking adviseert de psychiater verdachte in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden te laten behandelen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). Verdachte lijkt goed gemotiveerd te zijn om hulp te krijgen bij zijn problematiek. Het zwaardere middel, TBS met voorwaarden, is niet noodzakelijk omdat het de psychiater voorkomt dat een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden enerzijds voldoende beveiliging biedt voor de maatschappij en anderzijds voldoende behandelmogelijkheden biedt voor verdachte.

Psycholoog Van Asselt heeft in haar rapportage van 17 december 2018 over het recidiverisico gemeld dat het risico op gewelddadig gedrag hoog is. Gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek acht ook zij verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De psycholoog heeft geadviseerd om verdachte TBS met voorwaarden op te leggen indien de rechtbank een voorwaardelijk straf met bijzondere voorwaarden te mager acht, waarbij als voorwaarde gedacht moet worden aan opname in een FPK.

De reclassering heeft in de rapportage van 12 maart 2019 gerapporteerd dat, gelet op de rapportages van psycholoog en psychiater een intensief behandeltraject in een klinisch traject passend is. De reclassering heeft zich op het standpunt gesteld dat deze behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel passend is. Indien de rechtbank TBS met voorwaarden oplegt, kan de reclassering daaraan meewerken. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard mee te werken aan de voorwaarden.

Gelet op de eensluidende adviezen van de psychiater en psycholoog over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zal de rechtbank verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Strafmaat

Vanwege de ernst van de feiten, met name de brandstichting, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van enkele jaren in beginsel passend is. Omdat hij verminderd toerekeningsvatbaar is, is wel matiging op zijn plaats.

Maar gelet op de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, dient het accent voor verdachte te liggen op (snelle) behandeling van zijn problematiek, ter bescherming van de maatschappij. Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank hiermee in grote mate rekening. De deskundigen hebben zich uitgelaten over het kader waarin deze behandeling dient plaats te vinden en hebben daartoe zowel de mogelijkheid van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden als TBS met voorwaarden overwogen.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de vereiste behandeling dient plaats te vinden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden dan wel in het kader van TBS met voorwaarden.

De psychiater heeft naar het oordeel van de rechtbank ter zitting gemotiveerd betoogd dat een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden naar zijn mening voldoende waarborgen biedt om de maatschappij te beschermen en adequate behandeling voor verdachte te kunnen bieden. De reclassering heeft eveneens gesteld dat behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden voldoende waarborgen biedt, ook gelet op de meewerkende houding van verdachte.

De rechtbank sluit zich aan bij de adviezen van de psychiater en de reclassering en zal aan verdachte dan ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor de voorwaarden sluit de rechtbank aan bij het reclasseringsadvies, waarbij alle gestelde voorwaarden, ook de voorwaarden die in het kader van oplegging van een TBS met voorwaarden zijn genoemd, zullen worden opgelegd.

De onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen is langer dan de duur van het voorarrest (nu ruim zeven maanden), in de eerste plaats vanwege de ernst van de feiten. Maar ook om ervoor zorg te dragen dat verdachte in afwachting van zijn plaatsing bij de FPK De Woenselse Poort niet op vrije voeten komt, maar vast blijft zitten in afwachting van deze plaatsing of plaatsing in een tussenvoorziening. Daarbij draagt de rechtbank dan ook aan de reclassering op ervoor te zorgen dat verdachte na zijn detentie zo nodig in een tussenvoorziening geplaatst kan worden.

De rechtbank zal de proeftijd, anders dan door de officier van justitie is geëist, vaststellen op drie jaar, zodat verdachte langer onder toezicht van de reclassering kan blijven ter bescherming van de maatschappij en hij ook nog langere tijd behandeling kan ondergaan.

Daarnaast zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank vindt dit noodzakelijk gelet op de kans op recidive, zoals verwoord in de rapporten van de deskundigen. Gelet op die rapporten stelt de rechtbank vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor personen.

Conclusie

Dit alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest, met de in het reclasseringsrapport voorgestelde bijzondere voorwaarden, te weten een opname bij FPK de Woenselse Poort of een soortgelijke zorginstelling, verplicht medicatiegebruik, het meewerken met een ambulant behandeltraject aansluitend aan de klinische fase, het vinden en behouden van passende huisvesting, het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding, meewerken aan inzage in zijn financiële situatie dan wel een schuldsaneringstraject en een verbod op het gebruik van alcohol en drugs.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 157, 138, 285, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 4 van parketnummer 02/187157-18 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02/194973-18

feit 1: Opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2: Diefstal;

Parketnummer 02/187157-18

feit 1: Bedreiging met zware mishandeling;

feit 2: Het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de rechthebbende aanstonds verwijderen:

feit 3: Mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. verdachte zich meldt op afspraken bij de reclassering of op een ander door de reclassering bepaalde locatie. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

  2. verdachte een of meer vingerafdrukken laat nemen of een geldig identiteitsbewijs laat zien om zijn identiteit vast te stellen;

  3. verdachte de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

  4. verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

  5. verdachte meewerkt aan huisbezoeken;

  6. verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

  7. verdachte zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;

  8. verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het toezicht;

  9. verdachte zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten de landsgrenzen van Nederland begeeft;

  10. verdachte zich laat opnemen in FPK De Woenselse Poort of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat, in overleg met de instelling, nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;

  11. verdachte meewerkt aan een opname in een tussenvoorziening, zolang er nog geen plaats is bij FPK de Woenselse Poort of een soortgelijke zorginstelling;

  12. verdachte, indien voorgeschreven door de behandelaars, medicatie inneemt, zolang als zijn behandelaars nodig achten;

  13. verdachte meewerkt aan een ambulant behandeltraject aansluitend aan de klinische fase, zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  14. verdachte, als de reclassering dat nodig vindt, meewerkt aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

  15. verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

  16. verdachte meewerkt aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding, waarbij rekening gehouden wordt met zijn draagkracht en -last;

  17. verdachte openheid geeft over zijn sociale netwerk en relaties;

  18. verdachte inzage geeft in zijn financiële situatie en, indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, meewerkt aan een schuldsaneringstraject;

  19. dat verdachte geen alcohol en geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- geeft opdracht aan de reclassering om zorg te dragen voor een tussenvoorziening, indien verdachte na zijn detentie niet meteen kan worden geplaatst bij FPK de Woenselse Poort of een soortgelijke zorginstelling;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

-heft de voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Schnitzler en mr. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 juli 2019.

Mr. Fontein is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2018224113 van politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 51. Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 24 en 25.

2 Het proces-verbaal bevindingen, p. 29 en 30.

3 Het proces-verbaal bevindingen, p. 39.

4 De foto’s van de woning, p. 40 t/m 45.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 6] , p. 48;

6 Het aanvullend proces-verbaal d.d. 15 oktober 2018, als losse bijlage bij het proces-verbaal gevoegd.

7 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 24 en 25.

8 Het proces-verbaal aangifte door [naam 1] , p. 27.

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018234474 Z van politie Zeeland of Midden- of West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 28. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , p. 6 en 7.

10 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 4] , p. 9 en 10.

11 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 24.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , p. 6.

13 Het proces-verbaal aangifte door [naam 3] , p. 11 en 12.

14 De foto’s van [naam 3] , p. 13 en 14.

15 Het proces-verbaal aangifte door [naam 2] , p. 7.