Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:2898

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
02-665148-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van witwassen van Bitcoins. De rechtbank acht de verklaring over de herkomst van het geld (ruim 100.000 euro aan donaties via advertenties op het deepweb), afgelegd door haar man, volslagen onaannemelijk. De verklaring werd eveneens onvoldoende verifieerbaar gemaakt. Gelet op het feit dat het salaris van verdachte onvoldoende was om alleen al de huur van de woning en de auto te voldoen, maar dat zij wel merkkleding droeg, vliegvakanties ondernam en geld pinde met de Bitcoinkaart van haar man, gaat de rechtbank uit van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665148-17

vonnis van de meervoudige kamer van 28 juni 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedag] 1990 te [Geboorteplaats] ,

wonende aan [Adres]

raadsman mr. M.A. Prins, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 juni 2019. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. Schreurs, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

zij, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 2 januari 2012 tot en met 13 december 2017, te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van (een) geldbedrag(en) te weten 102.037,90 euro althans (een) geldbedrag(en), althans een goed, de herkomst en/of vindplaats en/of de verplaatsing en/of de rechthebbende, heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of voornoemd goed, voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

2.

zij, op of omstreeks 11 december 2017, te Tilburg, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool van het merk Beretta, model Corto 1934, kaliber 9x 17 mm kort (.380), serienummer [Nummer 2] te weten een vuurwapen en/of munitie van categorie III, te weten een patroonmagazijn met zeven eenheidspatronen en twee losse

eenheidspatronen voorhanden heeft gehad (in de woning aan [Adres] ).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 heeft gepleegd. Hij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van begane transacties met de Bitcoin debitkaart of Bitcoin prepaid creditcard (verder: Bitcoinkaart) eindigend op nummer [Nummer 1] en het proces-verbaal betreffende de door [Naam 1] aangeleverde gegevens. De officier van justitie stelt dat er door de afwezigheid van legaal vermogen, de tekortkomingen in de verklaring van de medeverdachte [Medeverdachte] (hierna: [Medeverdachte] ) over de herkomst van het geld en het feit dat zowel verdachte, als [Medeverdachte] met de Bitcoinkaart gepind hebben, voldoende mate van zekerheid is verkregen om te kunnen stellen dat de gelden een illegale herkomst hebben en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

Ten aanzien van feit verzoekt de officier van justitie om verdachte vrij te spreken. Op het wapen is geen DNA van verdachte gevonden en zij ontkent wetenschap hiervan te hebben. [Medeverdachte] heeft bevestigd dat verdachte hier niets van af wist en dat het zijn wapen is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1 en wijst daarbij op het volgende. [Medeverdachte] geeft aan dat er een advertentie is geplaatst op een website van het darkweb, waarin om donaties wordt gevraagd. Aan deze advertentie is de Bitcoinwallet van [Medeverdachte] gekoppeld. De op deze wallet binnen komende bedragen zijn dan ook afkomstig van de liefdadigheid van derden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [Medeverdachte] getracht informatie over de website en de wallet aan de politie te doen toekomen, maar door toeval is deze informatie niet meer beschikbaar.

Daarnaast stelt de verdediging dat er geen sprake is van enige witwastypologie. Dat er een ‘taint’ aan de Bitcoins kleeft, is niet vreemd, nu een groot aantal van de bitcoins deze taint heeft. De conclusie dat Bitcoins, afkomstig van een darkweb marketplace, altijd een criminele herkomst hebben, is niet te staven. Ook onderbreekt het hebben van Bitcoins geen papertrail en zijn de opnames die [Medeverdachte] telkens doet klein van omvang. Om te kunnen spreken van een vermoeden van witwassen, zijn sterkere aanwijzingen dan deze noodzakelijk. De verdediging stelt dat verdachte niet op de hoogte was van het bestaan van de Bitcoinwallet. Zeker nu [Medeverdachte] heeft verklaard vrijelijk te kunnen beschikken over de rekening en het internetbankieren van verdachte, is het zeer wel mogelijk dat alle transacties buiten medeweten van verdachte hebben plaatsgevonden. Dat verdachte twee maal geld heeft opgenomen doet daaraan niet af, nu dit op verzoek van [Medeverdachte] kan zijn geweest. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken ten aanzien van het witwassen.

Subsidiair stelt de verdediging dat er geen transacties zijn gevonden voor 2016, waardoor er partiële vrijspraak dient te volgen voor de periode voorafgaand aan 2016. Ook zou er partiële vrijspraak moeten volgen voor het bedrag dat hoger is dan de bedragen die op de bankrekening van verdachte zijn gestort.

Ten aanzien van feit 2 sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Uit een ander onderzoek is een aantal Bitcoinkaarten in beeld gekomen, waaronder een kaart eindigend op [Nummer 1] . Uit hetzelfde onderzoek bleek dat medeverdachte [Medeverdachte] (hierna: [Medeverdachte] ) deze kaart in bezit had en hiervan, in ieder geval op 25 juli 2016, gebruik maakte.1 [Medeverdachte] heeft verklaard de enige gebruiker te zijn van deze Bitcoinkaart en deze vanaf het moment dat deze actief werd in bezit heeft. Anders dan zijn verklaring dat het geld afkomstig is uit donaties van onbekenden, kan [Medeverdachte] niet aangeven waar het geld vandaan komt.2 [Medeverdachte] verklaart dat hij de gedoneerde Bitcoins heeft omgezet naar courante valuta en vervolgens heeft gepind en uitgegeven.3 Uit de transactiegegevens van de Bitcoinkaart is gebleken dat er in totaal 158 geslaagde geldopnames zijn uitgevoerd. Hierbij werd in de periode van 3 juli 2017 tot en met 10 december 2017 voor een totaal aan € 84.381,59 opgenomen.4 Zowel [Medeverdachte]5 als verdachte6 wordt op camerabeelden van pinautomaten herkend terwijl er opnames worden gedaan met de Bitcoinkaart.

Uit het onderzoek naar de inkomsten van [Medeverdachte] is gebleken dat hij in de periode van 2012 tot en met 2016 geen inkomsten had uit loon of onderneming, geen voertuigen of onroerend goed in zijn bezit had, geen erfenissen of schenkingen heeft ontvangen en zijn banksaldi jaarlijks rond het nulpunt schommelden. Verdachte, fiscaal partner van [Medeverdachte] , verdiende gemiddeld ruim € 19.000,- bruto in de jaren 2012 tot en met 2017. Ook zij heeft geen voertuigen of onroerend goed in bezit gehad, ontving geen erfenissen of schenkingen en had jaarlijks een negatief banksaldo.7 Uit de bankgegevens van verdachte en [Medeverdachte] is verder gebleken dat er van 25 januari 2015 tot en met 4 juli 2016 in totaal € 17.656,31 door het bedrijf [Naam 1] naar hun rekeningen werd overgemaakt. Daarbij constateert [Naam 1] , na eigen onderzoek, dat met vrijwel alle uitgekeerde Bitcoins direct dan wel indirect eerdere transacties hebben plaatsgevonden ten aanzien van zogenaamde mixingservices of darkweb marketplaces.8

Het netto maandinkomen van verdachte bedroeg in de maanden juni 2016 tot en met juli 2017 € 1.356,84. Van de rekening waarop dit werd gestort, werd ook de huur betaald. Deze bedroeg in de periode 14 januari 2016 tot en met 2 oktober 2017 maandelijks € 710,-.9 Uit de verklaring van verdachte komt naar voren dat [Medeverdachte] een auto huurt bij [Naam 2] te Tilburg voor een bedrag van € 800,- per maand.10

Er bestaat geen discussie over de stelling dat het inkomen van verdachte ontoereikend is om de vaste lasten van het gezin van [Medeverdachte] te dragen. De huur van de woning en de auto zorgen voor een tekort van ongeveer € 100,- per maand. Verder staat vast dat de Bitcoinkaart door verdachte en [Medeverdachte] is gebruikt en dat [Naam 1] geldbedragen op de rekeningnummers van verdachte en [Medeverdachte] heeft gestort. Verdachte heeft zich over deze feiten niet uitgelaten. De rechtbank heeft ze dan ook als vaststaand aangenomen. Dat maakt dat verdachte ondanks het beperkte inkomen van het gezin kon beschikken over een bedrag van € 102.037,90.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie, laatstelijk bevestigd door de Hoge Raad op 18 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2352), kan witwassen bewezen worden verklaard indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst op grond van wettige bewijsmiddelen een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen (stap I). Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld (stap II). Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken (stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft kan (om desondanks toch tot een veroordeling te komen) van het Openbaar Ministerie worden verlangd daarnaar vervolgens onderzoek te doen (stap IV). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat [Medeverdachte] zelf geen bekende legale inkomsten heeft. Uit het dossier blijkt verder dat [Medeverdachte] over tegoeden beschikte om (luxe) goederen te kopen, vliegvakanties te ondernemen en een auto te huren, waarbij het huurcontract op naam staat van verdachte. Verder is [Medeverdachte] een zogenoemd “full color member” van [Naam 3] , een inmiddels verboden motorclub, met een uitgebreid strafblad. [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij voor zijn dagelijkse uitgaven gebruik maakt van tegoeden uit het omzetten van Bitcoins. Ten aanzien van deze Bitcoins blijkt uit onderzoek van [Naam 1] dat eerdere transacties met deze bitcoins - direct dan wel indirect - via Bitcoinmixers of darkweb marketplaces plaatsvonden. Tot slot had [Medeverdachte] in zijn woning een geladen vuurwapen onder zijn bed liggen. De combinatie van deze factoren maakt dat de rechtbank van oordeel is dat minstgenomen sprake is van een ernstig vermoeden van witwassen. Hiermee is aan stap I voldaan.

Het is vervolgens (stap II) aan verdachte om een verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag. [Medeverdachte] heeft hiertoe aangevoerd dat hij op een forum op het deepweb een aantal Israëlische en Russische personen heeft leren kennen. Deze personen hebben voor hem een advertentie opgesteld en op het deepweb gepubliceerd. Aan deze advertentie, waarin om donaties wordt gevraagd, is het Bitcoinadres van de Bitcoinwallet van [Medeverdachte] gekoppeld. Het geld dat hij heeft uitgegeven, is allemaal afkomstig uit donaties naar aanleiding van deze advertentie. Verdachte heeft omtrent de herkomst van het geld in het geheel niets verklaard.

De rechtbank dient (stap III) te toetsen of deze verklaring over de herkomst voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk is aan te merken.

[Medeverdachte] heeft verklaard zijn vermogen te danken te hebben aan onbekenden die hem bitcoins hebben geschonken uit liefdadigheid na een door hem op het deepweb geplaatste advertentie. Hij zou meer dan € 100.000,- aan donaties hebben ontvangen, met volgens hem veelal € 5,- tot € 10,- per donatie. Dat zou betekenen dat er duizenden anonieme weldoeners op het deepweb surfen die – uitgekomen bij de advertentie van [Medeverdachte] – zich hebben laten overtuigen geld op zijn bitcoinwallet te storten. Niet is toegelicht waarom zoveel onbekenden op het deepweb verdachte uit liefdadigheid zoveel geld hebben doen toekomen. De rechtbank acht deze door [Medeverdachte] gegeven verklaring over de herkomst van zijn vermogen volslagen onwaarschijnlijk.

Overigens overweegt de rechtbank dat stellingen omtrent het bestaan van advertenties op het deepweb en Bitcointransacties in beginsel te verifiëren zijn, indien hiervoor de juiste informatie wordt gegeven. Het bekijken van een pagina op het deepweb, of onderzoek aan een Bitcointransactiegeschiedenis, is niet ingewikkeld. [Medeverdachte] heeft aangegeven dat de website(s) met daarop de advertentie(s) inmiddels uit de lucht zijn. De gekoppelde Bitcoinwallet staat op een USB-stick die niet (meer) in zijn bezit is. [Medeverdachte] heeft tot op heden geen enkele poging ondernomen om zijn verklaring voor de herkomst van het geld verifieerbaar te maken. Door de politie is geprobeerd om de summiere aanwijzingen die hij heeft gegeven na te gaan. Dit heeft geen resultaat opgeleverd.

Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er in redelijkheid geen andere conclusie mogelijk is dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag – middellijk dan wel onmiddellijk – van misdrijf afkomstig is en dat [Medeverdachte] daarvan op de hoogte was.

Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank dat verdachte getrouwd is met [Medeverdachte] , met wie zij ook twee kinderen heeft, en dat zij samen één huishouden voeren. Ondanks het bescheiden salaris van verdachte als enige bron van inkomen rijdt het gezin in een relatief dure huurauto, dragen ze merkkleding en gaan ze op vliegvakanties. Ook nemen zowel [Medeverdachte] als [Verdachte] geld op met de Bitcoinkaart. De rechtbank gaat daarom uit van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het witwassen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt in bewuste en nauwe samenwerking met [Medeverdachte] aan het medeplegen van witwassen van genoemd geldbedrag.

Ten aanzien van de pleegperiode zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken voor de periode voor 25 januari 2015, nu uit het dossier blijkt dat op deze datum voor het eerst een storting uit een Bitcointransactie is binnengekomen op de rekening van [Medeverdachte] .

Feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 2 nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat zij wetenschap had van het wapen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 25 januari 2015 tot en met 13 december 2017, te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, van een geldbedrag, te weten in totaal 102.037,90 euro, de herkomst heeft verhuld en voornoemd goed voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit geldbedrag geheel, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier dat er een bedrag ter hoogte van € 102.037,90 verbeurd wordt verklaard.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, waardoor primair wordt gesteld dat er geen straf of maatregel op zou moeten worden gelegd. Subsidiair zou er, doordat er partiële vrijspraak is bepleit, een forse matiging van de straf moeten volgen. Verdachte is inmiddels moeder van twee nog jonge kinderen. Bovendien is zij niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom niet passend zijn. Daarnaast zou het gezin hierdoor worden ontwricht, wat niet wenselijk is.

Ten aanzien van de verbeurdverklaring voert de verdediging aan dat de doelmatigheid van deze bijkomende straf niet duidelijk is, nu de officier ook per vandaag heeft aangekondigd dat er een ontnemingsvordering zal worden aangebracht. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom de verbeurdverklaring niet uit te spreken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een bedrag van ruim 100.000 euro. Verdachte heeft daarvan in ruime mate geprofiteerd. Zij droeg dure merkkleding, reed in een relatief dure huurauto en werd er een volledig nieuwe kinderkamer aangeschaft die contant werd afgerekend. Bij de vraag welke straf passend is neemt de rechtbank verder tot uitgangspunt dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte weliswaar nauw heeft samengewerkt met medeverdachte [Medeverdachte] bij het witwassen en daarvan ook volop heeft geprofiteerd, maar dat voor het overige alles erop wijst dat niet zij maar [Medeverdachte] de regie voerde.

Om gelijke gevallen gelijk te kunnen bestraffen, kent de rechtbank oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Voor het witwassen van een bedrag tot 100.000 euro, wordt gesproken over een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden en voor het voorhanden hebben van een pistool drie maanden. Het door verdachte witgewassen bedrag overstijgt de bovengrens van het oriëntatiepunt, waardoor een gevangenisstraf tegen het maximum van het oriëntatiepunt voor de hand zou liggen. Rekening houdend echter met het feit dat verdachte first offender is en gelet ook op met name het feit dat verdachte vooral lijkt te kunnen worden verweten te hebben geprofiteerd van het witwassen zal de rechtbank afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uur.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Schild en mr. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 juni 2019.

Mr. Mullers is niet in de gelegenheid het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZBRDC17038 (Klinker) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 622. Proces-verbaal van verdenking, pag. 21-22

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 510

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 516

4 Proces-verbaal van bevindingen totaaloverzicht transactiegegevens, pag. 162

5 Proces verbaal van bevindingen camerabeelden, pag. 190

6 Proces verbaal van bevindingen camerabeelden, pag. 193

7 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 48-49

8 Proces-verbaal van bevindingen [Naam 1] , pag. 142

9 Proces-verbaal van bevindingen financiële analyse, pag. 74

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Verdachte] , pag. 487