Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:268

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
02/700189-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

(poging) brandstichting – begin van uitvoering – schakelbewijs- specifieke modus operandi - strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700189-18

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 januari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats en land]

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West, locatie De Dordtse Poorten,

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 januari 2019, waarbij de officier van justitie mr. L. van den Oever en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

opzettelijk brand te stichten aan een auto die geparkeerd stond aan de

Nieuwendiepstraat,

met dat opzet getracht heeft om met behulp van een gasbrander een auto (Mazda)

in brand te steken, in elk geval met dat opzet getracht heeft open vuur in

aanraking te brengen met een auto, althans met een brandbare stof,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft

gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een parasol, althans met

een brandbare stof ten gevolge waarvan die parasol geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor een in de nabijheid van die parasol staande

(andere) parasol en/of aldaar staande coniferen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft

gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een) kussen(s) en/of een

stoel, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kussen(s) en/of

stoel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor de woning [adres 1] , in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor de aanwezige personen in voornoemde woning, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor de aanwezige personen in voornoemde woning, in elk geval gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen, in de Korte Kerkstraat

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

een kliko, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kliko geheel

of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor het gebouw van " [naam 1] ", in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen

opzettelijk en wederrechtelijk een kliko, in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander, te weten aan de gemeente Terneuzen en/of [naam 2]

toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt;

5.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een voordeur

van het pand [adres 2] , althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan die voordeur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor het pand [adres 2] , in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk

brand te stichten in/aan het pand [adres 2] ,

met dat opzet getracht heeft om met behulp van een gasbrander de voordeur van

het pand [adres 2] in brand te steken, in elk geval met dat opzet

open vuur in aanraking heeft gebracht met een voordeur van genoemd pand,

althans met een brandbare stof,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 subsidiair en feit 5 subsidiair tenlastegelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Zij acht sprake van eenzelfde modus operandi en maakt ten aanzien van de feiten 3, 4 subsidiair en 5 subsidiair gebruik van schakelbewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Ten aanzien van feit 1 kan niet bewezen worden dat verdachte heeft getracht open vuur in aanraking te brengen met de auto. Aan de auto is niets te vinden geweest van enige warmteoverbrenging. Met evenveel reden kan worden gezegd dat is gepoogd brand te stichten aan de deur van de schuur. De gasbrander is niet onderzocht en stonk naar gas. Het is dus niet duidelijk of sprake was van een deugdelijk middel om brand te stichten en dus dat wat verdachte bij zich had kon dienen tot een begin van uitvoering van brandstichting.

Ten aanzien van feit 2 omvat het dossier te weinig specifieke bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat het verdachte is geweest die de parasol in brand heeft gestoken.

Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5 is er geen bewijs dat verdachte daar aanwezig was of op welke manier de branden zouden zijn gesticht. Ook kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk gemeen gevaar voor goederen en personen was. Toepassing van schakelbewijs kan niet aan de orde zijn, aangezien er onvoldoende sprake is van soortgelijkheid van feiten. Er kan ook geen specifieke werkwijze die kenmerkend is voor verdachte worden vastgesteld en dus kan niet worden vastgesteld dat ten aanzien van alle feiten sprake was van eenzelfde modus operandi.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Op 23 september 2018 zagen verbalisanten in de Nieuwediepstraat in Terneuzen een blauwe personenauto staan, waar een persoon, gehurkt op zijn knieën, direct naast op de grond zat. Een van de verbalisanten hoorde dat de man iets onder de personenauto gooide en hoorde een geluid van metaal dat op de grond viel. De man, naar later bleek verdachte, droeg aan allebei zijn handen witte latex handschoenen. Er bleek een gasbrander onder de auto te liggen. De brander betrof een onkruidbrander, waaraan een gasfles zat. De afstand tussen de personenauto en de gevel van het perceel aan de [adres 3] te Terneuzen was 90 centimeter. Verdachte heeft verklaard zich niets meer van deze avond te kunnen herinneren.

Voor een strafbare poging tot brandstichting is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Dat begin van uitvoering moet vastgesteld worden aan de hand van handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op de voltooiing van het misdrijf. Er moet enig vuur worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering inhielden, die gericht was op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf, namelijk het in brand steken van de auto. Er is geen vuur gezien en er zijn ook geen tekenen van overdracht van warmte op de auto of de woning geconstateerd.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 aan verdachte tenlastegelegde poging tot brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

feit 2

Op 23 september 2018 deed [naam 3] aangifte van brandstichting. Zij verklaarde eigenaresse te zijn van [naam 4] met bijbehorend terras, gevestigd aan de [adres 4] in Terneuzen. Op het terras stonden die nacht twee grote ingevouwen Heineken-parasols. Aan [naam 3] was verteld dat er die nacht geprobeerd was één van deze parasols in brand te steken. Deze parasols zijn haar eigendom en kosten 275,00 euro per stuk.1

Getuige [naam 5] verklaarde dat hij die nacht langs café ‘ [naam 4] ’ liep en zag dat er een parasol in brand stond. In eerste instantie is hij direct de brand gaan blussen met zijn handen, omdat hij dacht dat anders de dennenboom ook in de brand zou gaan. Hij zag een man wegrennen die donker gekleed was, in een trainingsbroek die een beetje glom, en die een pet met capuchon eroverheen droeg. De man was tussen de 1.75 meter en 1.85 meter lang.2

Op beschikbare camerabeelden was verdachte te zien, die omstreeks 03.49.50 uur vanaf de Korte Kerkstraat in de richting van de Lange Kerkstraat liep. Verbalisanten herkenden eveneens de kleding en schoenen die verdachte droeg als de kleding die bij zijn aanhouding in beslag werd genomen. Verdachte was gekleed in een zwarte broek met aan de zijkant lichte strepen, een zwarte sweater met een opdruk aan de voorzijde en opgestroopte mouwen en droeg witte sportschoenen en een zwarte pet met de klep naar achteren. Verdachte had een donkerkleurig voorwerp in zijn rechterhand dat hij in zijn zak stak. Te zien was dat hij in de richting van de parasol keek en linksaf naar de Lange Kerkstraat liep, in de richting van de parasol, waarna hij uit het zicht van de camera’s verdween. Ongeveer 25 seconden later, omstreeks 03.50.14 uur, zagen verbalisanten een manspersoon, gekleed in zwarte kleding, lopen. Uit de verklaring van getuige [naam 5] bleek dat hij de manspersoon in de zwarte kleding was. Enkele meters achter [naam 5] liep een onbekend gebleven man. Er waren op dat moment geen andere personen te zien die over de Korte Kerkstraat in de richting van de lange Kerkstraat liepen. Op het moment dat [naam 5] ter hoogte van de Lange Kerkstraat was, sprintte hij opeens met verhoogde snelheid uit het zicht van de camera.3

Uit het verrichte brandonderzoek bleek dat de parasol waar een brandhaard had gewoed zich bij glazen terrasschermen en onder coniferen met aan de onderzijde verschillende dorre takken bevond. Aan de voorzijde was lichte brandschade aan de onderzijde van het parasoldoek te zien. Een gedeelte was zichtbaar weggebrand. Gesmolten kunststof was naar beneden op de stenen parasolvoet gedrupt. Een atmosferische of een technische oorzaak voor deze brand kon worden uitgesloten. Deze brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur aan de onderzijde van het doek van de ingeklapte parasol. Een gemeen gevaar voor goederen was door de brand te duchten geweest. Als de brand niet zou zijn gedoofd, zouden mogelijk de terrasmeubels ernaast, het glazen terrasscherm erachter en waarschijnlijk de coniferen erboven door hitte en/of vuur zijn aangetast.4

Verdachte heeft verklaard zich niets meer van deze avond te kunnen herinneren. Wel weet hij nog dat hij een aansteker bij zich had.5

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 tenlastegelegde brandstichting. Op de beschikbare camerabeelden is verdachte te zien, die naar eigen zeggen een aansteker bij zich had die nacht, en 25 seconden later komt getuige [naam 5] in beeld die ergens naartoe sprint. Verdachte voldoet aan het signalement dat getuige [naam 5] geeft van de man die wegrent van de brandende parasol en tussen verdachte en de getuige in is er niemand te zien op de beelden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat het verdachte is geweest die de parasol in brand heeft gestoken, waar getuige [naam 5] 25 seconden later naartoe sprint. Uit het sporenonderzoek is gebleken dat de brand is aangestoken en er gemeen gevaar voor goederen, namelijk de terrasmeubels, het glazen terrasscherm en de coniferen te duchten was. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte brand heeft gesticht aan een parasol, ten gevolge waarvan die parasol gedeeltelijk is verbrand en gemeen gevaar voor aldaar staande coniferen te duchten was.

feiten 3 tot en met 5

Op 23 september 2018 deed [naam 6] aangifte van brandstichting bij haar woning aan de [adres 1] in Terneuzen. Zij verklaarde dat zij die nacht ineens wakker werd gemaakt door haar echtgenoot die riep dat er brand was. Getuige [naam 7] verklaarde dat hij omstreeks 04.30 uur door de voordeur heen vlammen zag en zag dat de ruit van de voordeur gebarsten was. De stoel die recht tegen de voordeur aan stond, stond in brand en de muur waar de stoel tegenaan stond, was zwart van het roet. Uit het verrichte brandonderzoek bleek dat er door de brand mogelijk gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten zou zijn geweest.

[naam 2] deed op 23 september 2018 aangifte van brandstichting. Toen hij die nacht de deur openmaakte van zijn woning aan de [adres 5] in Terneuzen, zag hij dat zijn groene kliko in brand stond. Deze stond op dat moment nog tegen de gevel aan van ‘ [naam 1] ’. Ongeveer een kwartier later stond de kliko opnieuw in brand. Omstreeks 04.29 uur was bij de politie de volgende melding binnengekomen: ‘Ze zijn brand aan het stichten aan de achterzijde van de [adres 5] in Terneuzen’. Uit het verrichte brandonderzoek bleek dat deze brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur op de bovenzijde van het kunststof deksel van de kliko. Door het vuur kwam er een beschadiging in het deksel, waarna het afval in de kliko door hitte en/of vuur werd aangetast.

Op 24 september 2018 deed [naam 8] namens de gemeente Terneuzen aangifte van brandstichting, gepleegd bij het pand van [naam 9] In Terneuzen aan de [adres 2] in Terneuzen. Op 23 september 2018 omstreeks 04.00 uur werd het pand afgesloten. Omstreeks 14.45 uur werd ontdekt dat de voordeur en het kozijn zwart geblakerd waren en gepoogd was deze in brand te steken.

Het procesdossier bevat ten aanzien van de onder 3, 4 primair, 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde feiten geen bewijsmiddel dat verdachte koppelt aan deze tenlastegelegde (poging tot) brandstichting(en). Hoewel alle vijf de tenlastegelegde brandstichtingen in het dossier in een tijdsbestek van nog geen uur en op zeer korte afstand van elkaar hebben plaatsgevonden, terwijl verdachte zich daar in dat tijdsbestek blijkens hetgeen hiervoor onder feiten 1 en 2 is overwogen bevond, is de rechtbank van oordeel dat er geen specifieke modus operandi ter zake van de brandstichtingen kan worden vastgesteld. Het brandstichten bij een pand of in een kliko die dichtbij een pand staat, is niet als een zeer specifieke werkwijze aan te duiden die kenmerkend is voor verdachte. Evenmin kan een dergelijke werkwijze uit de eerdere veroordelingen van verdachte voor brandstichtingen worden vastgesteld. Het gebruik van schakelbewijs is om die reden niet mogelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ter zake van deze feiten 3, 4 primair, 5 primair en 5 subsidiair niet aan het bewijsminimum is voldaan, zodat verdachte van deze feiten zal worden vrijgesproken. Gelet op het vorenstaande kan evenmin worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 subsidiair tenlastegelegde beschadiging. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft

gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een parasol, althans met

een brandbare stof ten gevolge waarvan die parasol geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor een in de nabijheid van die parasol staande

(andere) parasol en/of aldaar staande coniferen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een parasol die hij tegenkwam in brand gestoken. Hierbij heeft hij geen rekening gehouden met de zich in de nabijheid bevindende goederen, waaronder coniferen met aan de onderzijde verschillende dorre takken. Branden als deze kunnen zich snel verspreiden. Verdachte heeft hierdoor gevaar voor goederen in het leven geroepen en ook hebben zijn gedragingen materiële schade veroorzaakt. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij meerdere keren veroordeeld is voor een groot aantal brandstichtingen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van 18 december 2018, opgesteld door drs. R. Thomassen, psychiater. Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis is geconstateerd met antisociale, narcistische en theatrale kenmerken. Alcoholafhankelijkheid is waarschijnlijk niet meer actueel. Een chronisch beloop van PTSS is voorstelbaar, maar geeft geen of weinig actuele symptomen. Een persoonlijkheidsstoornis is gedurende het volwassen leven van verdachte aanwezig en daarmee ook in de periode waarin het tenlastegelegde heeft plaatsvonden. Op de vraag of dit verdachtes gedragskeuzes en gedragingen beïnvloedde ten tijde van het ten laste gelegde is geen antwoord te geven, omdat verdachte aangeeft geen herinnering te hebben aan de periode waarin het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden. Vanuit medisch-psychiatrisch oogpunt is er geen verklaring gevonden voor het zich niet kunnen herinneren van gebeurtenissen. Er kunnen geen aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard worden gedaan voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken en binnen welke juridische kaders deze gerealiseerd zouden kunnen worden. Vanuit goed hulpverlenerschap is er niet direct een behandeltraject aan te raden voor verdachte.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van 3 januari 2019, opgesteld door drs. T ‘t Hoen, psycholoog. Uit het rapport blijk dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval. Vanwege de geclaimde amnesie zijn de eventuele onderliggende drijfveren en motieven van het onderhavige ten laste gelegde niet onderzocht. Het is dan ook niet duidelijk te krijgen of en zo ja, in hoeverre de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft doorgewerkt. De psycholoog onthoudt zich van een advies ten aanzien van de mate van toerekenbaarheid.

Ook slaat de rechtbank acht op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van

3 januari 2019. Hieruit blijkt dat er een delictpatroon gezien wordt inzake brandstichting alsmede een patroon in ontkenning daarvan. Verdachte werd in juli 2015 klinisch opgenomen in FPK De Kijvelanden met reclasseringstoezicht. Deze behandeling stagneerde echter doordat verdachte zich, ondanks meerdere waarschuwingen, niet hield aan het behandelprogramma daar. Verdachte daarentegen vertelde dat de behandeling was gestopt omdat hij niet overweg kon met de hoofdbehandelaar. Hij werd teruggeplaatst in de P.I. en het reclasseringstoezicht werd voortijdig negatief beëindigd. Sinds zijn laatste detentie werd verdachte op praktisch gebied begeleid door Maatschappelijk Justitiële Dienstverlening van Emergis. Deze begeleiding is een aantal maanden geleden gestopt. De reclassering ziet problemen op het gebied van zelfinzicht, het externaliseren en/of minimaliseren van problemen en houding. Verdachte zegt overal zijn medewerking aan te willen verlenen maar komt hierin sociaalwenselijk over en lijkt met name vanuit eigen belang te redeneren. Verder ziet de reclassering problemen ten aanzien van alcoholgebruik, financiën en lichamelijke gesteldheid. Verdachte ontkent het alcoholgebruik, naar zijn zeggen is dit niet meer van toepassing. Positief om te benoemen is dat verdachte over eigen huisvesting beschikt, onder bewind staat, een eigen inkomen heeft en enige vorm van dagbesteding heeft. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat nu verdachte zich niets zegt te kunnen herinneren aangaande de verdenking. Tegelijkertijd werd hij eerder wegens meerdere brandstichtingen (welke hij eveneens ontkent) veroordeeld. De reclassering onthoudt zich van een strafadvies.

Aangezien door de deskundigen geen strafadvies met een eventueel behandeltraject is gegeven, ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit en de eerdere veroordelingen van verdachte, geen andere mogelijkheid dan aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van vijf feiten. Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 tenlastegelegde brandstichting, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 4] ’ vordert een schadevergoeding van € 275,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 33, 33a, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 3, 4 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 4] ’ van € 275,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 4] (feit 2), € 275,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door

5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

23 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd G1933031, G1939212 en G1933029.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, voorzitter, mr. I.M. Josten en

mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven -

van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer ZB1R018070 (onderzoek Nagana) van de districtsrecherche Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 296. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 23 september 2018, pagina 60.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] van 23 september 2018, pagina 69, en van 26 september 2018, pagina 71, eerste alinea.

3 Het proces-verbaal bevindingen Camera Grieks Restaurant van 27 september 2018, pagina 157, derde alinea, pagina 158 en pagina 159, eerste alinea.

4 Het proces-verbaal Sporenonderzoek branden van 3 oktober 2018, pagina 195, negende tot en met elfde alinea, en pagina 196, eerste alinea.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 10 januari 2019.