Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:2608

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
AWB- 19_2088 VV en AWB- 19_2195 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Procedurenummers BRE 19 / 2088 VV en BRE 19 / 2195 VV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/2088 VV en 19/2195 VV

uitspraak van 7 juni 2019 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

1. [naam verzoekers 1]te Sprang-Capelle, verzoekster sub 1,

gemachtigde: mr. C.P. Posthuma;

2. [naam verzoekers 2]te Sprang-Capelle, verzoekster sub 2,

gemachtigde: mr. G.C.L. van de Corput

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Procesverloop

Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van verweerder van 1 mei 2019 (bestreden besluiten) inzake de last onder bestuursdwang tot sluiting van het pand Van der Duinstraat 128 te Sprang-Capelle voor de duur van 12 maanden.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 mei 2019. Verzoekster sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.P. Posthuma en N. de Graaff. Verzoekster sub 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.L. van de Corput en R. van Iersel.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van de Werken.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster sub 1 is eigenaar van het perceel met opstallen aan de Van der Duinstraat 128 te Sprang-Capelle. Verzoekster sub 2 is de huurder/gebruiker van dit perceel met opstallen. Zij exploiteert op dit perceel een detailhandel in tuinkassen, tuinbouwtechniek, tuinaccessoires en aanverwante artikelen. Tijdens een controle door de politie op 7 maart 2019 zijn in het pand voorwerpen aangetroffen die in hennepkwekerijen worden gebruikt. Het betreft onder meer: zwarte tenten, ventilatoren, koolstoffilters, assimilatielampen, transformatoren, tijdschakelaars, handmatige knipmachines, voedingsmiddelen, witte groeinetten op rol, vijverfolie op rol, zwarte merkloze sporttassen, luchtverfrissers, zwarte plantenpotten, zwarte bakken, zwarte ronde kuipen, droogrekken, droognetten, maatbekers, elektriciteitskabels, dompelpompen, stekbakjes, pallets met potgrond, waterslangen en grote hoeveelheden onderdelen voor een waterirrigatiesysteem.

De hoeveelheid, de aard en de onderlinge combinatie van de aangetroffen voorwerpen maken het volgens verweerder aannemelijk dat de voorwerpen bestemd zijn voor het inrichten van professionele hennepkwekerijen voor meer dan 5 hennepplanten. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat volgens hem het assortiment tuinbenodigdheden en accessoires duidelijk zeer ondergeschikt was aan het assortiment producten en goederen die geschikt zijn voor de illegale hennepteelt. Voorts heeft verweerder overwogen dat in het verleden al in het tuincentrum hennep gerelateerde voorwerpen in beslag genomen zijn en dat meerdere bezoekers van de winkel in aanraking zijn geweest met de politie vanwege strafbare feiten in relatie tot de Opiumwet. Ook zijn volgens verweerder meerdere professionele hennepkwekerijen ontmanteld, waarbij de verdachten hebben aangegeven dat zij de spullen voor de hennepkwekerij in de winkel hebben gekocht.

Daarom is volgens verweerder sprake van handelingen ter voorbereiding van grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Gelet hierop heeft verweerder bij afzonderlijke brieven van 9 april 2019 het voornemen kenbaar gemaakt om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet de sluiting te bevelen van de panden en het erf aan de Van der Duinstraat 128 voor een periode van 12 maanden.

Tegen dit voornemen hebben verzoeksters hun zienswijzen naar voren gebracht.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijzen, verzoeksters gelast om de panden en het erf aan de Van der Duinstraat 128 met ingang van 15 mei 2019 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van 12 maanden. Naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening heeft verweerder op 7 mei 2019 toegezegd dat de begunstigingstermijn zodanig zal worden verlengd dat de uitspraak van de voorzieningenrechter kan worden afgewacht.

2. Verzoeksters hebben aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was de sluiting te gelasten omdat geen sprake is van voorbereidingshandelingen als bedoeld in de verruiming van de Opiumwet sedert 1 januari 2019. Daarbij hebben zij aangegeven dat alle door verweerder in het bestreden besluit opgesomde voorwerpen gebruikelijk zijn voor een detailhandel in tuinartikelen. Het assortiment bestaat uit algemene benodigdheden ten behoeve van onder andere hobbymatige kweek en teelt in kassen alsmede uit vijver- en tuinbenodigdheden. Voorts hebben zij opgemerkt dat een groot aantal voorwerpen die in het bestreden besluit genoemd zijn, niet door de politie in beslag is genomen. Daarmee heeft het er minst genomen de schijn van dat de opsporingsambtenaren deze voorwerpen niet aanmerken als voorwerpen waarmee een strafbaar feit is/wordt gepleegd, aldus verzoeksters. Subsidiair heeft verzoekster sub 1 betoogd dat haar geen verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van overtreding van de Opiumwet omdat zij al een langdurige relatie met de huurder heeft, geen weet had van (eerdere) verboden gedragingen van de huurder, zelf regelmatig bezoeken aan het pand heeft gebracht en nooit onregelmatigheden heeft aangetroffen. Verzoekster sub 2 heeft subsidiair aangevoerd dat zij niet weet of klanten in aanraking zijn geweest met de politie vanwege een strafbaar feit in relatie tot de Opiumwet en ook niet kan weten of de voorwerpen die in haar winkel gekocht worden gebruikt zullen worden voor het plegen van dergelijke strafbare feiten.

Ten slotte hebben verzoeksters aangevoerd dat een sluiting van 12 maanden onevenredig en disproportioneel is. Zij vrezen dat verzoekster sub 2 door een sluiting van 12 maanden failliet gaat. Voor verzoekster sub 1 betekent dit een grote financiële kostenpost.

Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeksters een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 11a voorhanden is.

Krachtens artikel 11a van de Opiumwet wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid strafbaar gestelde feiten, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Op grond van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 3, onder B, van de Opiumwet bepaalt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.

Cannabis/hennep staat op lijst II.

5. Op 1 januari 2019 is de tekst van artikel 13b van de Opiumwet gewijzigd. Blijkens de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstuk 34 763, nr. 3) regelt dit wetsvoorstel dat de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen als in een woning of lokaal of op een erf voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. Net als het huidige artikel 13b Opiumwet heeft de voorgestelde verruiming van artikel 13b Opiumwet alleen betrekking op overtredingen van de Opiumwet. Bij de voorgestelde verruiming gaat het daarbij om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dat vergt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld, zoals de feiten die de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd maakten om het pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de in beslag genomen stof (opslag van 2.000 liter zoutzuur in een woonwijk), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugs laboratorium of hennepkwekerij in aanbouw) en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties.

5.1

Toegespitst op de onderhavige casus betekent het bovenstaande dat verweerder bevoegd was om het sluitingsbevel te geven als verzoekster sub 2 voorwerpen te koop heeft aangeboden waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren voor het opzetten van een hennepkwekerij.

5.2

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verzoekster sub 2 weet dat zij een groot aantal voorwerpen voorhanden heeft en te koop aanbiedt die gebruikt kunnen worden om een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij op te zetten. Niet in geschil is dat verzoekster sub 2 niet voornemens was om zelf een dergelijke hennepkwekerij op te zetten. De vraag is dus of de hoeveelheid en combinatie van voorwerpen die te koop werden aangeboden maakt dat verzoekster sub 2 ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen bestemd waren voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij door anderen. In die zin is dit een andere situatie dan de situatie die als voorbeeld wordt genoemd in de Memorie van Toelichting, waarbij in een pand illegale stroomaansluitingen, plantenbakken, een afzuiginstallatie en een ventilatiesysteem worden gevonden, en waarbij het evident is dat deze voorwerpen in deze omstandigheden bestemd zijn voor het kweken van hennep. Verzoekster sub 2 heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen voorwerpen óók gebruikt (kunnen) worden voor het kweken van andere planten dan hennepplanten en voor het inrichten van kassen en visvijvers. In de winkelruimte werden bovendien nog allerlei andere artikelen aangeboden, die niet voor het opzetten van een hennepkwekerij geschikt zijn (maar wel voor de toepassingen, zoals hiervoor genoemd). Het enkel voorhanden hebben van deze hoeveelheid en combinatie van voorwerpen maakt daarom in dit geval nog niet dat verzoekster sub 2 ernstig moest vermoeden dat deze bestemd zijn voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij. Daarvoor zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter bijkomende omstandigheden nodig. Voor overtreding van artikel 11a van de Opiumwet is in dit geval vereist dat verzoekster sub 2 - en meer bepaald haar verkoper of kassamedewerker - weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de koper van de voorwerpen voornemens is om daarmee een hennepkwekerij op te zetten. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn als een klant een groot aantal verschillende voorwerpen in zijn winkelwagen heeft die in combinatie met elkaar gebruikt kunnen worden om een nagenoeg volledig werkende, grootschalige of bedrijfsmatige, hennepkwekerij op te zetten. Naarmate een winkelwagen minder van deze voorwerpen bevat zal dit vermoeden afnemen, tenzij de verkoper de klant herkent als iemand die in aanraking is geweest met de politie vanwege strafbare feiten in relatie tot de Opiumwet.

5.3

De vraag of verzoekster sub 2 wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij voorwerpen heeft verkocht die bestemd zijn voor het opzetten van een hennepkwekerij is door haarzelf ontkennend beantwoord en verweerder heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat iemand is aangehouden in het bezit van een aantal voorwerpen uit de winkel van verzoekster sub 2, op grond waarvan objectief bezien een dergelijk vermoeden had moeten rijzen. Het door verweerder overgelegde proces-verbaal van bevindingen van de politie van 10 april 2019, opgesteld naar aanleiding van de controle op 7 maart 2019, is daartoe ontoereikend. Daaruit blijkt dat op 7 juli 2015 personenauto’s zijn gecontroleerd die het terrein van de winkel van verzoekster sub 2 hadden verlaten. In één van de acht auto’s was de kofferbak volgeladen met zakken potgrond en in één auto werden vijf (knip)tangen, zegels ter verzegeling van een elektriciteitsmeter, twee volle kannen groeimiddelen en vier overalls aangetroffen. Uit het proces-verbaal blijkt niet of de chauffeurs (al) deze spullen bij verzoekster sub 2 hadden gekocht. Voorts beschrijft het proces-verbaal nog een aantal controles van auto’s in de jaren 2017 en 2018. Alle desbetreffende chauffeurs bleken volgens de politiesystemen eerder in aanraking geweest te zijn met de politie, maar het proces-verbaal vermeldt niet dat voorwerpen zijn aangetroffen waarmee een hennepkwekerij kan worden opgezet. Het proces-verbaal maakt wel melding van eerdere verklaringen van verdachten die – op 16 mei 2017 resp. 29 juni 2017 – hebben verklaard dat zij stekplantjes voor een hennepkwekerij in de winkel van verzoekster sub 2 hebben gekocht. Maar dergelijke stekplantjes zijn tijdens de controle op 7 maart 2019 niet aangetroffen in de winkel van verzoekster sub 2. Verder kan uit een verklaring die een verdachte van het aanwezig hebben van een hennepkwekerij op 20 oktober 2017 heeft afgelegd worden opgemaakt dat hij één keer ten behoeve van de hennepkwekerij zakken potgrond heeft opgehaald bij de winkel van verzoekster sub 2. Op de controledag van 7 maart 2019 is een voertuig gecontroleerd waarvan gezien was dat deze het terrein van de winkel van verzoekster sub 2 had verlaten. In het voertuig zagen de agenten witte groeinetten, twee flessen voedingsmiddel van het merk Hy-pro en een PH-meter liggen. De inzittenden hebben alleen verklaard dat ze boodschappen gedaan hadden, ze zeiden niet waar of waarom. Ten slotte maakt het proces-verbaal nog melding van het feit dat de twee bestuurders van verzoekster sub 2 meermalen in aanraking zijn geweest met de politie, waaronder het vervaardigen van softdrugs in 2015. Dit laatste blijkt een verwijzing te zijn naar een eerdere controle van de politie in de winkel van verzoekster sub 2, waarbij ook voorwerpen uit de winkel in beslag zijn genomen.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter zijn dit geen feiten en omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat de verkopers van verzoekster sub 2 het ernstige vermoeden hadden moeten hebben dat de voorwerpen die zij in de winkel voorhanden hadden bestemd waren voor het opzetten van een (of meerdere) grootschalige, bedrijfsmatige hennepkwekerij(en). Het feit dat klanten geregistreerd staan vanwege strafbare feiten in relatie tot de Opiumwet kan daar al helemaal niet toe bijdragen, omdat daarmee niet gezegd is dat de verkopers daar ook wetenschap van hadden.

6. Het vorenstaande betekent dat niet is aangetoond dat verzoekster sub 2 artikel 11a van de Opiumwet heeft overtreden. Verweerder was dus niet bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b een sluiting te bevelen.

7. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en de bestreden besluiten schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-- elk (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst de bestreden besluiten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,-- aan beide verzoeksters te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van beide verzoeksters, elk tot een bedrag van € 1.024,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.

P.H.M. Verdonschot, griffier V.E.H.G. Visser, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.