Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:2276

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
C/02/357128 / JE RK 19-599
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Sinds de verlening van de ondertoezichtstelling op 25 mei 2018 en tot december 2018 is de GI niet betrokken geweest en ook sinds december 2018 is de GI nauwelijks betrokken geweest. Door de langdurige afwezigheid van een gezinsmanager is er het afgelopen jaar niets gebeurd met betrekking tot het wegnemen van de zorgen over de minderjarigen. De afwezigheid van een gezinsmanager lijkt daarbij een zelfstandige belemmerende factor te zijn geworden in deze zaak, omdat het onderwerp is geworden van een strijd tussen de ouders en de GI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

zaakgegevens : C/02/357128 / JE RK 19-599

datum uitspraak: 9 mei 2019

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te Eindhoven.

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te Goes, hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te Goes, hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 4 april 2019, ingekomen bij de griffie op 5 april 2019.

Op 9 mei 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- de vader,

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 25 mei 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 mei 2018 en tot 25 mei 2019.

Het verzoek


De GI heeft verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van een jaar.

De standpunten

De GI biedt ter zitting haar excuses aan voor de langdurige afwezigheid van een gezinsmanager. De huidige gezinsmanager heeft de zaak in december 2018 opgepakt en heeft inmiddels gesprekken gevoerd met de moeder, de gemeente, de school en de minderjarigen. De GI erkent dat er het afgelopen jaar weinig tot geen progressie is geboekt, waardoor er nog steeds grote zorgen zijn over de minderjarigen. De komende periode zal de GI praktijken benaderen voor passende hulp voor de minderjarigen. Bovendien zal de GI hulpverlening gaan inzetten om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De GI benoemt dat de ouders zich volledig dienen in te zetten, wil de samenwerking gaan werken. De GI handhaaft het verzoek.

De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de GI. De moeder erkent de problematiek en is daarom teleurgesteld dat de GI geen hulpverlening heeft geboden het afgelopen jaar. De moeder heeft daardoor weinig vertrouwen in de GI en wenst hulp te ontvangen van een andere hulpverlener.

De vader voert geen verweer tegen het verzoek. De ouders zijn onderling niet in staat om afspraken te maken over de omgang of om hulpverlening voor henzelf of de minderjarigen op gang te brengen. De ouders zijn is afwachting geweest van hulpverlening van de GI, maar deze bleef uit. De vader heeft daardoor weinig vertrouwen meer in de GI. Ondanks dat, zou de vader graag hulpverlening ontvangen voor zichzelf, de moeder en de minderjarigen.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] . Deze zorgen zijn gelegen in de vermeende ongepaste seksuele handelingen tussen de minderjarigen en de onderlinge strijd tussen de ouders waarmee de minderjarigen belast worden. Deze zorgen zijn niet afgenomen het afgelopen jaar. Sinds de verlening van de ondertoezichtstelling op 25 mei 2018 en tot december 2018 is de GI niet betrokken geweest en ook sinds december 2018 is de GI nauwelijks betrokken geweest. Door de langdurige afwezigheid van een gezinsmanager is er het afgelopen jaar niets gebeurd met betrekking tot het wegnemen van de zorgen over de minderjarigen. De afwezigheid van een gezinsmanager lijkt daarbij een zelfstandige belemmerende factor te zijn geworden in deze zaak, omdat het onderwerp is geworden van een strijd tussen de ouders en de GI. Omdat de ouders zelf hebben aangegeven hulpverlening te willen ontvangen van de GI en deze hulp vervolgens is uitgebleven is het vertrouwen niet tot stand kunnen komen. Deze dient wel tot stand te komen voor een effectieve samenwerking tussen de ouders en de GI.

Gezien de ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarigen zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengen. De duur van de ondertoezichtstelling wordt echter beperkt tot drie maanden onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter vindt het belangrijk dat tussentijds wordt beoordeeld of de GI haar rol als casusregisseur adequaat vervult.

De GI dient de komende periode voortvarend een nieuwe vertrouwensband op te bouwen met de ouders. Hiertoe verwacht de kinderrechter dat voorafgaand aan de volgende zitting minstens twee gesprekken met iedere ouders zijn gevoerd. Bovendien vindt de kinderrechter het van groot belang dat zo spoedig mogelijk inzicht wordt verkregen in de vermeende seksuele handeling van de minderjarigen, bijvoorbeeld middels Signs of Safety. De kinderrechter verwacht uiterlijk een week voor de zittingsdatum een briefrapportage van de GI waarin vermeld staat welke stappen zijn genomen en of het overige verzochte wordt gehandhaafd.

De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] met ingang van 25 mei 2019 en tot 25 augustus 2020;

verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van 9 augustus 2019 te 16:00 uur, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder, de vader en de GI.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2019 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Hout, als griffier.

(SH)

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 mei 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch