Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:208

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
02/820083-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van marktplaatsoplichting. Veroordeling voor bedreiging van ex-partner en diefstallen van geld (en goederen) dmv valse sleutels

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820083-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 januari 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1984 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

raadsman mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te Drunen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 januari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Nicolaes, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 30 april 2015 te Baarle-Nassau en/of (elders) in

Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van EUR 600,-- en/of een

gedlbedrag van EUR 400,--, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten

dele toebehorende aan [Slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel en bestaande die valse

sleutel hieruit dat hij, verdachte, buiten medeweten van die [Slachtoffer 1]

bij de SNS bank een bankpas op haar naam heeft aangevraagd en/of (vervolgens)

EUR 1000,-- van de spaarrekening van [Slachtoffer 1] heeft overgemaakt naar de

betaalrekening van [Slachtoffer 1] en/of (vervolgens) met behulp van de bij die

bankpas behorende pincode eerdergenoemde geldbedragen heeft gepind/opgenomen;

[zie zaakdossier 1; aangifte pagina 291-993 van het dossier]

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2015 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, en/of

(elders) in Nederland, [Slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door middels een aantal WhatsApp berichten de navolgende teksten/berichten

naar genoemde [Slachtoffer 1] te zenden:

"Ik Zweer op sjamg ik snij en ik steek je boei me niet of het kind erbij staat

op dot moment boeit me niks" en/of

"Al moet ik door de ramen komen en je strot kapot snijden" en/of

"Rij je kapot maakt me niet uit of je zoontje daar bij is" en/of

"Kijk jij maar goed om je heen heel goed 1 stiekeme steek onder in je zij is

genoeg", althans in lek geval woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

[zie zaaksdossier 1; aangifte pagina 337-338 van het dossier]

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of merdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus

2015 tot en met 16 augustus 2015 te Amersfoort met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge (merk: olex) en/of

een armband en/of een fotocamera(merk: Sony), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte;

[zie zaakdossier 1; aangifte pagina 411-413 van het dossier]

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april

2014 tot en met 31 oktober 2015 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom,en/of te

Tilburg en/of (elders) in Nederland,

(telkens)

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, in totaal ongeveer 50 person(o)n(en), althans een (groot) aantal

perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval

van enig goed/geldbedrag, waaronder de navolgende personen, voor de navolgende

geldbedragen,:

1. [Slachtoffer 3] , tot afgifte van 207,75 Euro (zie zaakdossier 1 pagina 389-390)

en/of

2. [Slachtoffer 4] , tot afgifte van 81,75 Euro (zie zaakdossier 2 pagina 486-488)

en/of

3. [Slachtoffer 5] , tot afgifte van 400,-- Euro (zie zaakdosiser 2 pagina

582-583)

4. [Slachtoffer 6] , tot afgifte van 156,95 Euro (zie zaakdossier 3 pagina

697-698)

5. [Slachtoffer 7] , tot afgifte van 250,-- Euro (zie zaakdossier 3 pagina 919-921)

door

- gebruik te maken van een of meer (gedeeltelijk) valse (gebruikers) namen,

waaronder [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 3] , [Naam 4] en/of [Naam 5]

en/of

- ( vervolgens) met gebruikmaking van deze (gedeeltelijk) valse na(a)m(en) op

het internet, te weten op de website www.marktplaats.nl. een of meerdere

advertentie(s) te plaatsen waarop gereedschap, onder meer van de merken

Festool en/of Makita te koop werden aangeboden,

- met een of meer van voornoemde personen via (onder meer) het e-mail adres

of een e-mail adres van marktplaats info@marktplaats.nl,

[E-mailadres 1] , [E-mailadres 2] ,

[E-mailadres 3] en/of [E-mailadres 4]

contact te onderhouden en/of overleg te voeren en/of informatie te verschaffen

over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van dat/die

aangeboden goed(eren), en/of

- daarbij te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden

toegezonden en/of geleverd en/of

- daarbij een bankrekeningnummer, waaronder nummer [Bankrekeningnummer 1] (ten

name van [Slachtoffer 1] ], [Bankrekeningnummer 2] (ten name van [Naam 6] ),

[Bankrekeningnummer 3] (ten name van [Naam 7] ), [Bankrekeningnummer 4] en/of

[Bankrekeningnummer 5] op/door te geven waarop de te betalen aankoopbedragen

(inclusief verzendkosten) konden worden overgeboekt en/of gestort en/over

welke rekeningen hij, verdachte, de beschikking had en/of

- daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en/of als

bonafide/betrouwbare verkoper van dat gereedschap en/of

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij,

verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou

toezenden/leveren;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks 15 maart 2012 tot en met 19 mei 2012 te Putte, gemeente

Woensdrecht, en/of (elders) in Nederland, (telkens) met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meerdere geldautoma(a)t(en) heeft

weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 7.500,--

Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam 8]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel en/of bestaande die valse sleutel hieruit dat hij,

verdachte, onbevoegd met behulp van de bankpas van [Naam 8] en/of de bij

dei bankpas behorende (geheime) pincode dat/die geldbedragen heeft

gepind/opgenomen;

[zie zaakdossier 4, aangifte pagina 986-990)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem is tenlastegelegd heeft begaan, met uitzondering van de oplichting van [Slachtoffer 5] (feit 4, punt 3).

Zij baseert zich daarbij met name op de diverse aangiften van slachtoffers, op bevindingen tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte en op verklaringen van getuigen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie zich tevens gebaseerd op schakelbewijs. Zij is verder van mening dat de wisselende verklaringen van verdachte niet aannemelijk zijn.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat daarvoor geen of onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging nog gesteld dat mevrouw [Slachtoffer 1] niet in een situatie heeft verkeerd waarvan gezegd kan worden dat in redelijkheid bij haar de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Zij wist dat het bij tekstberichten zou blijven.

Ten aanzien van feit 3 is gesteld dat verdachte met goedvinden van mevrouw [Slachtoffer 2] de goederen heeft meegenomen om te verkopen waarna de opbrengst door hen gedeeld zou worden.

Ten aanzien van feit 4 is nog aangevoerd dat verdachte niemand heeft opgelicht en dat mevrouw [Slachtoffer 1] zich ook niet onbetuigd heeft gelaten. Het zich in het dossier bevindende contract met de Triodosbank is niet door verdachte ondertekend.

Ten aanzien van feit 5 is aangevoerd dat het inmiddels zo lang geleden is waardoor verdachte nu niet meer weet hoe het destijds precies is gegaan bij de bank. Hij heeft in ieder geval niet de beschikking gehad over de bankpas van de heer [Naam 8] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 30 april 2015 bemerkte aangeefster [Slachtoffer 1] , met wie verdachte tot kort voor die datum een relatie heeft gehad, dat er een bedrag van € 1.000,= was overgeboekt van haar spaarrekening naar haar gewone bankrekening1. Op die dag werd ook twee maal gepind bij de geldautomaat van de [Naam 9] in Baarle-Nassau. Om 11:07 uur werd een bedrag van € 600,= gepind en om 11:08 uur werd nog een bedrag van € 400,= gepind van de SNS-rekening [Bankrekeningnummer 1] met pasnummer [Pasnummer]2. Op genoemde tijdstippen was aangeefster [Slachtoffer 1] aan het werk in Bergen op Zoom, hetgeen bevestigd is door haar werkgever3.

Volgens mededeling van een medewerkster van de SNS-bank was de pas, welke aangeefster zelf gebruikte, niet meer in gebruik. Gezegd werd dat zij een andere pas had ontvangen. Aangeefster heeft vervolgens haar persoonlijke gegevens bij de SNS bank gecontroleerd omdat haar eigen pas niet meer werkte. Zij zag dat een app van haar bankrekening aan een tweede telefoonnummer was gekoppeld, namelijk het telefoonnummer van verdachte4.

Uit gegevens van de SNS-bank blijkt dat bankpas met volgnummer [volgenummer] op 20 februari 2015 online is aangevraagd en op 25 februari 2015 naar het adres van aangeefster [Slachtoffer 1] is gestuurd. Op 28 april 2015 werd deze pas geactiveerd5.

Over deze pas, waarmee op 30 april 2015 werd gepind in Baarle-Nassau, heeft aangeefster verklaard dat deze buiten haar weten om bij de bank is aangevraagd en dat zij de pas nooit in haar bezit heeft gehad6.

Eerder die maand, op 16 april 2015, heeft aangeefster [Slachtoffer 1] naar aanleiding van veel negatieve signalen over verdachte, gezegd dat verdachte haar huis moest verlaten7. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij inderdaad op 16 april 2015 bij aangeefster [Slachtoffer 1] is weggegaan8. Korte tijd later, in augustus 2015, is verdachte ingetrokken bij zijn nieuwe vriendin [Naam 10] op het adres [Straatnaam 1] in Tilburg9. In die woning heeft op 17 januari 2017 een doorzoeking plaatsgevonden10. In de woning werden diverse bankpasjes aangetroffen die niet op naam van [Naam 10] of verdachte stonden. Een van die passen betrof een bankpas voor SNS-rekening [Bankrekeningnummer 1] met pasnummer [Pasnummer] , zijnde de pas waarmee op 30 april 2015 was gepind bij de [Naam 9] in Baarle-Nassau11.

Getuige [Naam 10] heeft over de aangetroffen bankpassen verklaard dat zij al eerder enkele bankpasjes in huis had gezien die niet op naam van verdachte stonden12. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de doorzoeking woonachtig was aan het [Straatnaam 1] in Tilburg en dat het klopt dat die pas daar lag13.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het verdachte is geweest die een bankpas op naam van [Slachtoffer 1] heeft aangevraagd en een bedrag van € 1.000,= heeft overgemaakt van haar spaarrekening naar haar betaalrekening en vervolgens met gebruikmaking van die pas dit geldbedrag heeft gepind. [Slachtoffer 1] heeft in haar persoonlijke gegevens bij de SNS bankgezien dat een app van haar bankrekening was gekoppeld aan de telefoon van verdachte. Verdachte heeft op 16 april 2015 de woning van [Slachtoffer 1] verlaten. De pas die is gebruikt voor de geldopnames op 30 april 2015 werd aangevraagd en verzonden aan het adres van [Slachtoffer 1] in de periode dat verdachte nog bij [Slachtoffer 1] woonde. De pas werd pas nadat verdachte de woning van [Slachtoffer 1] had verlaten, namelijk op 28 april 2015, geactiveerd terwijl [Slachtoffer 1] niet van het bestaan van die pas afwist en 2 dagen later, op 30 april 2015 werd met die pas, terwijl [Slachtoffer 1] aan het werk was, in Baarle-Nassau geld gepind. De pas werd op 17 januari 2017 aangetroffen in de woning waar verdachte op dat moment woonde en getuige [Naam 10] had al eerder passen van anderen daar zien liggen.

De rechtbank constateert dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe de pas bij hem terecht is gekomen. Verklaard is dat hij denkt dat aangeefster [Slachtoffer 1] het pasje tussen zijn spullen heeft gestopt voordat hij verhuisde en dat hij niet wist waar [Slachtoffer 1] haar bankgegevens bewaarde. Ter zitting heeft hij echter verklaard dat hij denkt dat de pas er tijdens het verhuizen “tussengekomen” moet zijn. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat de bankgegevens, waaronder de passen van [Slachtoffer 1] in de lade lagen en dat daar ook zijn eigen bankspullen lagen.

De rechtbank acht de wisselende verklaringen van verdachte niet aannemelijk temeer nu deze op geen enkele wijze steun vinden in enig ander bewijsmiddel terwijl de verklaringen van aangeefster [Slachtoffer 1] steun vinden in diverse andere bewijsmiddelen. Ook de verklaring van verdachte dat hij op 30 april 2015 de hele dag in Merksplas bij zijn moeder was, acht de rechtbank niet geloofwaardig, aangezien deze verklaring geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank concludeert dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 2

Op 8 mei 2015 heeft aangeefster [Slachtoffer 1] uit Halsteren WhatsApp contact gehad met haar ex vriend [Verdachte] verdachte14. Verdachte stuurde haar berichten met de volgende inhoud:

 “(….) “(….) Ik Zweer op Sjamg ik snij en steek je boei me niet of het kind erbij staat op dot moment boeit me niks”15,

 “(…) “(…) al moet ik door de ramen komen en je strot kapot snijden (…) rij je kapot maakt me niet uit of je zoontje daar bij is (…)”, waarbij afbeeldingen waren gevoegd van een pistool en een mes16 en

 “ “Kijk jij maar goed om je heen heel goed 1 stiekeme steek onder in je zij is genoeg (…)17.

Ter zitting heeft verdachte bekend deze teksten naar aangeefster [Slachtoffer 1] gestuurd te hebben18.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze berichten van dien aard en onder zodanige omstandigheden zijn gestuurd dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte uitvoering zou geven aan zijn dreigementen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 3

Via een datingsite is aangeefster [Slachtoffer 2] uit Amersfoort in contact gekomen met verdachte. Op 14 augustus 2015 is verdachte naar haar woning gekomen om daar vervolgens het gehele weekend te blijven19. Op 16 augustus 2015 heeft verdachte die woning verlaten. Korte tijd later bemerkte aangeefster dat een horloge (namaak Rolex), een armband en een fotocamera van het merk Sony waren weggenomen20.

De nieuwe vriendin van verdachte, getuige [Naam 10] , zag een Facebook-bericht waarin stond dat [Slachtoffer 2] was opgelicht door verdachte omdat hij een Rolex horloge, een armband en een fotocamera had weggenomen. Zij herkende de spullen en heeft verklaard dat verdachte deze spullen op 16 augustus 2015 in haar huis heeft gelegd21.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij aangeefster [Slachtoffer 2] is geweest en daar een weekend heeft verbleven. Nadat verdachte ermee geconfronteerd werd dat er goederen waren weggenomen bij [Slachtoffer 2] heeft hij bij de politie aangegeven dat hij zich dat niet kon voorstellen maar dat hij wel contact met haar had om haar tegemoet te komen. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij haar het schadebedrag zou terugbetalen of naar de winkel zou gaan om de spullen opnieuw te kopen.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de spullen inderdaad heeft meegenomen bij aangeefster [Slachtoffer 2]22. Verder heeft hij verklaard dat dit met haar toestemming is gebeurd, dat hij met [Slachtoffer 2] had afgesproken dat hij de spullen zou verkopen en dat hij een klein gedeelte van de opbrengst zou krijgen. De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario niet geloofwaardig nu dat gedeelte van zijn verklaring op geen enkele wijze steun vindt in enig ander bewijsmiddel en hij ook ten aanzien van dit feit wisselend heeft verklaard. Bovendien heeft verdachte volgens getuige [Naam 10] tegenover haar weer iets anders verklaard, namelijk dat hij de spullen van zijn zoontje had gekregen.

Op grond van de aangifte, de verklaring van de getuige en de verklaring van verdachte dat hij de spullen heeft meegenomen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte ook dit feit heeft gepleegd.

Feit 4

Verdachte wordt verweten dat hij zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan marktplaatsfraude.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

In de tenlastelegging onder feit 4 zijn 5 oplichtingshandelingen nader uitgewerkt. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de oplichtingshandeling ten aanzien van [Slachtoffer 5] (3e gedachtestreepje) buiten de tenlastegelegde periode valt zodat verdachte ten aanzien hiervan vrijgesproken zal worden.

Ten aanzien van de overige uitgeschreven oplichtingshandelingen overweegt de rechtbank het volgende.

Op 20 mei 2015 is aangifte gedaan door [Slachtoffer 3] van marktplaatsoplichting. Verklaard is dat hij heeft gereageerd op een advertentie van “ [Naam 1] ” met betrekking tot de verkoop van een decoupeerzaag Festool. [Slachtoffer 3] heeft hiervoor een bedrag overgemaakt op een rekening bij de SNS-bank maar levering van de decoupeerzaag is uitgebleven. De rekening staat op naam van [Slachtoffer 1] , zijnde de ex-partner van verdachte. Het geld op die rekening kwam binnen nadat verdachte al vertrokken was uit haar woning.

Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij wel eens voor zijn broer gereedschap verkocht waarvoor hij dan geld kreeg. Enige betrokkenheid bij dit feit heeft verdachte ontkend. Weliswaar zijn er inventarislijsten bij hem aangetroffen maar deze waren volgens verdachte afkomstig van zijn broer.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat het verdachte is geweest die de betreffende advertentie op Marktplaats heeft geplaatst en daarbij een valse naam heeft vermeld. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Op 9 juli 2015 is aangifte gedaan door [Slachtoffer 4] . Verklaard is dat gereageerd is op een advertentie van [Naam 2] met betrekking tot de verkoop van een Makita bandschuurmachine. Door [Slachtoffer 4] is een bedrag overgemaakt op een rekening bij de ING Bank maar levering van de bandschuurmachine bleef uit. De bankrekening stond op naam van [Naam 6] . Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze vrouw één keer heeft gezien. Ontkend is dat hij een marktplaatsadvertentie heeft geplaatst onder de naam [Naam 2] . Ook ten aanzien van dit slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Ook in zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Op 5 augustus 2015 is aangifte van oplichting gedaan door [Slachtoffer 6] . Verklaard is dat gereageerd is op een Marktplaatsadvertentie van [Naam 4] met betrekking tot de verkoop van een Makita boormachine voor een bedrag van € 156,95. Door [Slachtoffer 6] is genoemd bedrag overgemaakt op rekeningnummer [Bankrekeningnummer 4] . Levering heeft niet plaatsgevonden. Deze rekening stond op naam van een mevrouw [Verdachte] , met dezelfde voorletters en dezelfde geboortedatum als verdachte. Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat die rekening hem niet bekend is. Wel heeft hij ooit eens een envelop ontvangen van de Triodosbank maar verdachte ging ervan uit dat dat reclame betrof. De handtekening op het contract voor het afsluiten van de rekening lijkt op zijn handtekening, maar vertoont volgens verdachte wel enkele verschillen.

In het voertuig waar verdachte gebruik van maakt, is een USB-stick aangetroffen. Deze is inbeslaggenomen en onderzocht. Een van de bestanden op die USB-stick betrof een afschrift van een Triodos Internet Betaalrekening op naam van [Verdachte] met betrekking tot een storting van het door [Slachtoffer 6] betaalde bedrag van € 156,95.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte zeker betrokken is geweest bij deze tenlastegelegde handelingen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat mede onder invloed van het gebruikte oplichtingsmiddel - bestaande uit het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid - bij [Slachtoffer 6] een onjuiste voorstelling in het leven is geroepen, waardoor deze is bewogen tot de afgifte van geld, terwijl dit op grond van het huidige Nederlandse recht wel een vereiste is om te kunnen spreken van oplichting.

Ook in zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Op 27 maart 2015 is aangifte gedaan door [Slachtoffer 7] . Verklaard is dat gereageerd is op een Marktplaatsadvertentie van [Verdachte] met betrekking tot een schuurmachine van het merk Festool voor een bedrag van € 250,=. Door [Slachtoffer 7] is genoemd bedrag overgemaakt op een rekening bij de Rabobank maar ook hier bleef levering achterwege.

Verdachte heeft hierover verklaard dat het inderdaad zijn bankrekeningnummer betreft maar dat ook zijn ex-partner [Slachtoffer 1] gebruik maakte van die rekening. Ter zitting heeft hij hierover nog verklaard dat, wanneer hij geld ontving op zijn rekening, zijn broer hem vertelde wat er opgestuurd moest worden waarna verdachte van zijn broer geld ontving.

Weliswaar zijn er aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij deze verkoop, echter naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende bewijs voorhanden dat sprake is van en valse hoedanigheid waardoor [Slachtoffer 7] werd bewogen tot afgifte van het geld, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting ten aanzien van dit onderdeel van feit 4. Ook in zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 5

Op 6 juni 2016 is aangifte gedaan van diefstal van een geldbedrag door [Naam 8] . Medio maart 2012 is zijn vrouw komen te overlijden waarna de dochter van zijn vrouw bij hem is ingetrokken. De dochter, [Naam 11] , had verkering met verdachte. Ook verdachte is toen bij hen ingetrokken. Omdat de gezamenlijke bankrekening van [Naam 8] en zijn overleden partner moest worden omgezet bood verdachte aan om samen met [Naam 8] het pasje op te halen bij de bank. Een maand later bemerkte [Naam 8] dat er niets meer op zijn rekening stond. De bankpas en het briefje met de code zaten niet meer in zijn portemonnee23.

[Naam 11] heeft verklaard dat zij meteen na het overlijden van haar moeder bij [Naam 8] is gaan wonen, samen met verdachte. [Naam 11] voerde de gesprekken met de begrafenisondernemer waarbij ter sprake kwam dat er uit een overlijdenspolis € 5.000,= betaald zou worden. Verdachte was bij dat gesprek aanwezig. [Naam 11] heeft verder verklaard dat verdachte met [Naam 8] naar de bank is gegaan om de “en/of”-rekening over te zetten in een rekening op naam van [Naam 8] . Verdachte was erbij aanwezig toen [Naam 8] het nieuwe pasje heeft opgehaald en geactiveerd bij de bank24. Korte tijd later bleek dat er in de periode die volgde tot 6 mei 2015 grote bedragen waren gepind25, onder meer bij geldautomaten in Putte26, tot een totaalbedrag van € 7.500,=27. [Naam 8] heeft verklaard dat hij de bedragen niet heeft gepind28.

Getuige [Naam 11] heeft getracht verdachte te confronteren met deze diefstal. Uiteindelijk heeft verdachte een telefonische oproep van haar toch beantwoord waarna hij desgevraagd aangaf er spijt van te hebben dat hij dat had gedaan29.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het wel kan kloppen dat hij een keer is meegereden naar de bank30.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het verdachte is geweest die met het slachtoffer [Naam 8] naar de bank is gegaan om de pinpas op te halen en vervolgens in de periode daarna geld heeft gepind uit geldautomaten. De rechtbank acht de verklaringen van aangever [Naam 8] en getuige [Naam 11] geloofwaardig, aangezien deze verklaringen op belangrijke punten overeenkomen.

De verklaring van verdachte dat hij daar niet heeft gewoond en buiten is gebleven bij de bank acht de rechtbank niet geloofwaardig nu die verklaring geen steun vindt in het dossier.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 30 april 2015 te Baarle-Nassau en/of (elders) in

Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van EUR 600,-- en/of een

geldbedrag van EUR 400,--, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten

dele toebehorende aan [Slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel en bestaande die valse

sleutel hieruit dat hij, verdachte, buiten medeweten van die [Slachtoffer 1]

bij de SNS bank een bankpas op haar naam heeft aangevraagd en/of (vervolgens)

EUR 1000,-- van de spaarrekening van [Slachtoffer 1] heeft overgemaakt naar de

betaalrekening van [Slachtoffer 1] en/of (vervolgens) met behulp van de bij die

bankpas behorende pincode eerdergenoemde geldbedragen heeft gepind/opgenomen;

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2015 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, en/of

(elders) in Nederland, [Slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door middels een aantal WhatsApp berichten de navolgende teksten/berichten

naar genoemde [Slachtoffer 1] te zenden:

"Ik Zweer op sjamg ik snij en ik steek je boei me niet of het kind erbij staat

op dot moment boeit me niks" en/of

"Al moet ik door de ramen komen en je strot kapot snijden" en/of

"Rij je kapot maakt me niet uit of je zoontje daar bij is" en/of

"Kijk jij maar goed om je heen heel goed 1 stiekeme steek onder in je zij is

genoeg" althans in lek geval woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

3.

hij op een of merdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 augustus

2015 tot en met 16 augustus 2015 te Amersfoort met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge (merk: Rolex) en/of

een armband en/of een fotocamera (merk: Sony), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte;

5.

hij in of omstreeks 15 maart 2012 tot en met 19 mei 2012 te Putte, gemeente

Woensdrecht, en/of (elders) in Nederland, (telkens) met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meerdere geldautoma(a)t(en) heeft

weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 7.500,--

Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam 8]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel en/of bestaande die valse sleutel hieruit dat hij,

verdachte, onbevoegd met behulp van de bankpas van [Naam 8] en/of de bij

die bankpas behorende (geheime) pincode dat/die geldbedragen heeft

gepind/opgenomen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (met aftrek van voorarrest) met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten, met uitzondering van punt 3 van feit 4.

Bij de formulering van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor feiten 1, 2 en 3.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, voor zover de rechtbank tot een veroordeling mocht komen, rekening te houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden, dat verdachte al een aantal jaren niet in contact is geweest met justitie, dat hij inmiddels een stabiele relatie heeft en dat hij hoopt binnenkort weer te kunnen gaan werken.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen plaats is. Verdachte is bereid een werkstraf uit te voeren. Een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd en eventuele bijzondere voorwaarden is denkbaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van een ex-partner van hem, aan twee diefstallen van geld met valse sleutels en aan diefstal van goederen.

De feiten hebben steeds plaatsgevonden binnen een relationele sfeer waarbij verdachte op grovelijke wijze misbruik heeft gemaakt van een vertrouwensrelatie. Op berekenende wijze heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. De rechtbank neemt dat verdachte bijzonder kwalijk. Verdachte schildert zijn ex-partners telkens als leugenaars af, terwijl juist hij degene is die telkens weer wisselende en volstrekt ongeloofwaardige verklaringen aflegt. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn. Het zijn enkel het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn die maken dat de rechtbank niet zal overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 3 maanden teneinde de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten.

Nu de rechtbank feit 4 niet bewezen acht, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde wordt volstaan met een werkstraf van 180 uren, met aftrek van het voorarrest met daarnaast de hiervoor al weergegeven voorwaardelijke gevangenisstraf.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

7.2

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans voor de rechtbank onduidelijk is wie als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4. tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3: diefstal;

feit 5: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uren per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een USB-stick (beslagnummer G1663012);

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 3 enveloppen (beslagnummer G1673971).

Dit vonnis is gewezen door mr. Pooyé, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2016004329 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1015. Het proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer 1] , pagina 291.

2 Het geschrift, inhoudende een rekeningoverzicht van de SNS bank, pagina 295.

3 Het geschrift, inhoudende een emailbericht, pagina 319.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [Slachtoffer 1] , pagina 296.

5 Het geschrift, inhoudende gegevens van de SNS-bank, pagina 312.

6 Het proces-verhaal van verhoor aangeefster [Slachtoffer 1] , pagina 328.

7 Het proces-verbaal van aangifte [Slachtoffer 1] , pagina 292.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 235.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 231.

10 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 143.

11 Het geschrift, inhoudende een overzicht van inbeslaggenomen voorwerpen, pagina 145.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 10] , pagina 330.

13 De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2019.

14 Het proces-verbaal van aangifte [Slachtoffer 1] , pagina 337.

15 Het geschrift, inhoudende een schermafbeelding, pagina 342.

16 Het geschrift, inhoudende een schermafbeelding, pagina 343.

17 Het geschrift, inhoudende een schermafbeelding, pagina 344.

18 De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2019.

19 Het proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer 2] , pagina 411.

20 Het geschrift, inhoudende een goederenbijlage, pagina 414.

21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 10] , pagina 415.

22 De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2019.

23 Het proces-verbaal van aangifte van [Naam 8] , pagina 988-989.

24 Het proces-verbaal van verhoor van [Naam 11] , pagina 992-993.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [Naam 8] , pagina 1010.

26 De geschriften, inhoudende bankafschriften, pagina 1001 ev.

27 Het relaasproces-verbaal, pagina 984.

28 Het proces-verbaal van verhoor van [Naam 8] , pagina 1010.

29 Het proces-verbaal van verhoor [Naam 11] , pagina 993.

30 De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2019.