Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:2045

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
BRE 18_1218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op verzoek gepubliceerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/1218 WIA

uitspraak van 3 mei 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. S.A.W. Kerkhof,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 januari 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige opdracht te verlenen om eiseres te onderzoeken en daarvan schriftelijk verslag uit te brengen.

Op 18 oktober 2018 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige, [naam verzekeringsarts] , verzekeringsarts, rapport uitgebracht. Nadien hebben partijen schriftelijke reacties ingediend.

De rechtbank heeft vervolgens, met toestemming van partijen, het onderzoek gesloten zonder nadere zitting.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als administratief medewerker A. Voor dat werk is zij op 27 februari 2014 uitgevallen vanwege een fietsongeval.

Bij besluit van 5 mei 2017 (primair besluit) heeft het UWV aan eiseres een WIA-uitkering toegekend met ingang van 5 mei 2017 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 59,34% Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2017 heeft vastgesteld op 59,34%.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft en

- of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4. Medische beoordeling

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.

4.1

De verzekeringsarts heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiseres ingebrachte informatie van psychiater [naam psychiater] en GZ-psycholoog [naam psycholoog] , bestudeerd. Ook heeft de verzekeringsarts eiseres gezien op het spreekuur. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 mei 2017.

De verzekeringsarts b&b heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiseres ingebrachte informatie van medisch adviseur [naam medisch adviseur] , bestudeerd. Ook heeft verzekeringsarts b&b eiseres gezien tijdens de hoorzitting. De verzekeringsarts b&b heeft onder meer het volgende gerapporteerd. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres zoveel mogelijk het voordeel van de twijfel gegeven door uit te gaan van een contusio cerebri en een PTSS. Deze beide diagnoses zijn immers geenszins duidelijk vastgesteld. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres in de FML goed gemotiveerd beperkt ten aanzien van de veronderstelde arbeidsmogelijkheden op datum in geding, niet zozeer op basis van enkel een diagnose doch op basis van een plausibel, consistent, samenhangend en verifieerbaar geheel van klachten, beperkingen en handicaps.

In de richtlijn Duurbelastbaarheid in Arbeid wordt uiteengezet dat uitgegaan moet worden van een 24-uurs bioritme van de mens. Uitgegaan moet worden van de belastbaarheid per werkdag: is deze adequaat dan is er geen indicatie voor een extra recuperatiedag. Aangezien zowel ikzelf als collega [naam medisch adviseur] zich kunnen vinden in de FML, is er hier dus geen noodzaak voor nog een aanvullende recuperatiedag. Eiseres is nu beperkt voor 5x6 uur/week (en geen nacht/avondwerk). Voor een verdergaande urenbeperking zie ik geen reden, aangezien daarvoor de medisch objectiveerbare aanknopingspunten ontbreken. Ook het dagverhaal, waarin toch flinke fysieke activiteiten worden beschreven, geeft geen redenen voor een verdergaande urenbeperking. Psychiater [naam psychiater] beschrijft de (subjectieve) klachten van eiseres. De Gaf score is geheel normaal (61-70). Psychiater [naam psychiater] omschrijft een verklarend model, maar benoemt geen urenbeperking. Overigens toonde het NPO in september 2014 geen significante (cognitieve) afwijkingen aan.

De verzekeringsarts b&b handhaaft de FML van 1 mei 2017.

4.2

Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat een te geringe urenbeperking is aangenomen. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag (20 uur per week) op grond van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ (Standaard) het meest aangewezen is, in plaats van een duurbelastbaarheid van gemiddeld 6 uur per dag (30 uur per week). Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat er voldoende concrete, specifieke redenen om een duurbelastbaarheid van ongeveer 5 uur per dag (20 uur per week) aan te nemen, waarbij 4 dagen per week wordt gewerkt en er 1 recuperatiedag wordt ingebouwd. Indicaties voor het aannemen van een urenbeperking zijn een stoornis in de energiehuishouding en een preventief aspect. Eiseres heeft bij de motivering van haar beroep een advies van arts-medisch adviseur [naam medisch adviseur] gevoegd van 26 februari 2018. [naam medisch adviseur] concludeert daarin dat uit het dagverhaal en de ervaring in de praktijk blijkt dat eiseres maximaal 20 uur per week kan werken. De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben het dagverhaal onvoldoende uitgevraagd en hebben de ervaring in de feitelijke werkhervatting volledig buiten beschouwing gelaten.

4.3

De verzekeringsarts b&b heeft op 27 maart 2018 gereageerd op de beroepsgronden van eiseres. Daarin is onder meer gerapporteerd dat er voldoende informatie omtrent het dagverhaal en de activiteiten van eiseres aanwezig was om de beoordeling van de urenbeperking op juiste wijze uit te voeren. Volgens de verzekeringsarts b&b is geen sprake van medische problematiek die een zwaardere urenbeperking rechtvaardigt. De NAH is als licht te kwalificeren, slechts lichte afwijkingen, die geenszins in verhouding staan tot de geclaimde klachten. In de FML werd hiermee rekening gehouden. Een lichte urenbeperking is verdedigbaar gezien de lichte afwijkingen in het NPO en de geobjectiveerde vermoeibaarheid in het eigen onderzoek door de primaire arts. De claim op maandag als recuperatiedag van het weekend acht de verzekeringsarts b&b niet medisch onderbouwd. De wens om op zondag activiteiten te ondernemen zonder zich zorgen te hoeven maken over de volgende (werk)dag, is een begrijpelijke maar persoonlijke keuze en geen medisch argument. De ervaringen met werkhervatting in het verleden, of rustmomenten die eiseres neemt overdag, doen hier niets aan af aangezien het uitingen van gedrag betreffen, en geen medisch objectieve gegevens.

4.4

De rechtbank heeft aanleiding gezien om onafhankelijk deskundige [naam verzekeringsarts] in te schakelen. In zijn rapport heeft [naam verzekeringsarts] geconcludeerd dat er medische redenen zijn om beperkingen aan te nemen ten aanzien van haar persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast zijn er medische aanknopingspunten om in de rubriek werktijden de belastbaarheid bij te stellen tot maximaal 5 uur per dag en maximaal 25 uur per week. Met de conclusie van [naam medisch adviseur] dat eiseres maximaal 20 uur per week kon werken kan [naam verzekeringsarts] niet instemmen, omdat niet duidelijk is op basis van welke informatie deze conclusie wordt gesteld en omdat er geen uitspraak is gedaan over het toegestane aantal uren per dag. Voor het stellen van een recuperatiedag of een rustdag moeten duidelijke aanwijzingen zijn in het klachtenpatroon en/of functioneren dat het achterwege blijven van recuperatie leidt tot toenemend onvermogen om adequaat te functioneren. De door eiseres gestelde rustdag – de maandag – kan met de medische gegevens niet verklaard worden.

Eiseres heeft in reactie op het deskundigenrapport aangevoerd dat [naam verzekeringsarts] geen (of onvoldoende) rekening heeft gehouden met de herziene Standaard. Hoewel [naam verzekeringsarts] de toegenomen recuperatienoodzaak van eiseres beschrijft, neemt hij die noodzaak – indachtig de geldende Standaard – vervolgens onvoldoende mee in zijn overwegingen en conclusies. Eiseres voert aan dat zij onder de meest gunstigste werkomstandigheden gemiddeld ongeveer 20 uur per week zou kunnen werken, maar dat van haar niet kan worden verwacht dat zij structureel op het maximale van haar kunnen zou moeten werken (25 uur). In het verleden is eiseres in een aangepaste functie volledig uitgevallen toen zij haar werkweek ging opbouwen van 20 uur naar 24 uur, verdeeld over 5 dagen.

In reactie op het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts b&b de door [naam verzekeringsarts] voorgestelde wijzigingen overgenomen in de FML van 21 december 2018.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. De motivering van de deskundige is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. In reactie op dit rapport heeft de verzekeringsarts b&b de belastbaarheid van eiseres gewijzigd vastgelegd in de FML van 21 december 2018.

Nu de FML in beroep is gewijzigd, volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.6

Eiseres heeft terecht opgemerkt dat de in beroep opgestelde FML de beperkingen voor het ’s avonds (van 18.00-24.00 uur) en ’s nachts (van 00.00-06.00 uur) werken niet zijn opgenomen. In het rapport van de deskundige is voor deze wijziging geen grondslag te vinden. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb passeren. In bezwaar zijn functies geduid waarbij wel rekening is gehouden met deze beperkingen. In de in beroep geduide functie van Monteur 1 wordt volgens de toelichting op item 6.4.1 gewerkt van 7.30 tot 11.45 uur. Door het gebrek in deze FML is eiseres dan ook niet benadeeld.

Voor het overige is deze FML in overeenstemming met de door de deskundige aangegeven beperkingen bij eiseres.

4.7

Volgens eiseres zijn er twee indicaties voor het aannemen van een urenbeperking van maximaal 20 uur per week: een stoornis in de energiehuishouding en een preventief aspect. Zowel [naam verzekeringsarts] als de verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat er geen indicatie is voor een extra recuperatiedag, omdat de belastbaarheid per werkdag adequaat is, daarvoor geen medisch objectiveerbare aanknopingspunten aanwezig zijn en het dagverhaal (met flinke fysieke activiteiten) geen redenen geeft voor een verdergaande urenbeperking. In de Standaard is onder meer het volgende opgenomen: “Een toegenomen recuperatienoodzaak, uitgedrukt in uren per dag, is een maat voor een verminderde duurbelastbaarheid. Daarom moet een representatief en nauwkeurig dagverhaal een wezenlijk onderdeel zijn van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek”. In dat geval dient de verzekeringsarts aandacht te besteden aan de in de gronden van het beroep aangegeven aspecten. Echter heeft zowel [naam verzekeringsarts] als de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van een toegenomen recuperatienoodzaak. De rechtbank verwerpt daarom de stelling van eiseres dat [naam verzekeringsarts] en de verzekeringsartsen onvoldoende de Standaard hebben nageleefd en een te beperkt dagverhaal hebben afgenomen.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker input diensten (Sbc-code 315140), wikkelaar (Sbc-code 267050) en medewerker interne dienst (Sbc-code 111334).

[naam verzekeringsarts] heeft gerapporteerd dat eiseres volgens de door hem vastgestelde beperkingen niet in staat is om bepaalde functies te verrichten, omdat eiseres is aangewezen op een rustige, prikkelarme werkplek zonder langdurig lawaaibelasting en het werken in een omgeving met sterke verlichting en prikkels zoals lichtflitsen voorkomen dient te worden. In de optiek van [naam verzekeringsarts] lijkt de functie van wikkelaar niet geschikt voor eiseres, omdat wordt gewerkt in een ruime hal met collega’s waarbij machines worden bediend en het aannemelijk lijkt dat er teveel geluidsbelasting aanwezig is. Hetzelfde concludeert [naam verzekeringsarts] voor de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (in de functiegroep medewerker interne dienst), omdat het in het algemeen gaat om een algemeen toegankelijke ruimte met veel geluidbelasting.

Rekening houdend met de FML van 21 december 2018 heeft de arbeidsdeskundige b&b de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: medewerker input diensten (Sbc-code 315140), monteur 1 (Sbc-code 267050) en medewerker interne dienst (Sbc-code 111334). De functie van wikkelaar met functienummer 3621.0051.031 is niet langer geschikt geacht, waardoor de arbeidsdeskundige b&b binnen dezelfde functiegroep (samensteller elektrotechnische apparatuur) de functie van monteur 1 heeft geselecteerd. Volgens de arbeidsdeskundige b&b is de functie van monteur 1 geschikt, omdat de monteur 1 samen met een aantal andere collega’s in een gedeelte van de productiehal van ca. 50m x 25m werkt, waarin 2 spoelmachines, een spoelbakoven, een stripmachine, een aantal montagetafels (2 blokken van 4) en voorraden (stellingen met bakken) zijn opgesteld. Er is wel wat verkeer van langslopende collega’s (die langs de werkplek van monteur 1 lopen om de eigen werkplek te kunnen bereiken), maar er is geen verkeer van heftrucks in de nabije omgeving van de werkplek.

5.2

Eiseres betwist dat de functie van monteur 1 geschikt is, omdat de functie volgens haar niet in een rustige, prikkelarme werkplek wordt uitgevoerd. De rechtbank is echter voldoende overtuigd van de juistheid van de toelichting van de arbeidsdeskundige en verwerpt de stelling van eiseres.

5.2

Eiseres stelt dat het UWV in de beroepsfase geen nieuwe functie aan de schatting ten grondslag mag leggen. Deze stelling wordt verworpen. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB: 2014:937) volgt dat een in beroep geselecteerde functie aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd als eiseres daardoor niet wordt benadeeld. Er is geen benadeling, nu het arbeidsongeschiktheidspercentage voor eiseres niet is gewijzigd en onveranderd 59,34% blijft.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 59,34% Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2017 heeft vastgesteld op 59,34%.

7. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en ½ punt voor de zienswijze na deskundigenbericht, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Mesman‑Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2019. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.