Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1928

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6981
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 9, tweede lid, letter a Wet OB

Exploitatie amusements- en speelautomaten onderworpen aan verlaagde BTW tarief.

Diensten bestaande uit het verlenen van toegang tot primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-10-2019
V-N Vandaag 2019/2155
FutD 2019-2582
NTFR 2019/2597 met annotatie van dr. D. Molenaar
V-N 2019/54.2.4
Belastingadvies 2019/23.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer: BRE 17/6981

uitspraak van 26 april 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] te [vestigingsplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal van 2017 omzetbelasting (hierna: OB) ten bedrage van € 11.423 aangegeven en voldaan. Zij heeft vervolgens tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2017 (hierna: de bestreden uitspraak) beslist om geen teruggaaf van de voldane OB te verlenen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2019 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is ondernemer voor de heffing van OB. Haar activiteiten bestaan onder meer uit het exploiteren van amusements- en speelautomaten en uit het exploiteren van ondernemingen op het gebied van de entertainment-, leisure- en vermaakindustrie.

In het onderhavige tijdvak exploiteert belanghebbende in [vestigingsplaats] een “speelhal” met 35 tot 40 speelautomaten. Met de speelautomaten kan de speler actie- en behendigheidsspellen doen.

2.2

De speelhal heeft een eigen toegang en is publiekelijk toegankelijk. De klant betaalt geen entree om de speelhal te betreden, maar koopt een speeltegoed dat op een playcard wordt bijgeschreven. De playcard kan worden gebruikt voor het spelen van alle spellen in de hal. De speelautomaten zijn door de speler zelfstandig met de playcard te activeren en te bespelen. Op de meeste speelautomaten kan met meerdere spelers tegelijk worden gespeeld. Bij bijna alle automaten zijn tickets te winnen die inwisselbaar zijn voor prijzen. De prijzen bestaan niet uit geldbedragen.

2.3

De activiteiten in de speelhal worden door belanghebbende naar het publiek toe als “ family entertainment ” aangeprezen. De spellen zijn ook geschikt voor jonge spelers. In de speelhal is een drankenautomaat aanwezig.

2.4.

De speelautomaten zijn geen kansspelautomaten in de zin van de Wet op de kansspelbelasting, waarvoor de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter l, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) geldt.

2.5.

Belanghebbende heeft in het onderhavige tijdvak ter zake van de door haar verrichte diensten, de exploitatie van de speelhal met de speelautomaten, OB aangegeven en voldaan naar het normale tarief van 21%.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of op de door belanghebbende verrichte diensten het normale of het verlaagde OB-tarief van 6% van toepassing is.

Belanghebbende stelt dat haar diensten zijn aan te merken als:

1. het verlenen van toegang tot een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening, zoals attractieparken of speeltuinen (artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB en post b.14, letter g, van Tabel I behorend bij de Wet OB); of

2. diensten verricht door een exploitant van een reizende inrichting voor vermaak op kermissen (artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB en post b.15 van Tabel I); dan wel

3. het verlenen van toegang tot een escape room (artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB en post b.14, letter g, van Tabel I).

Belanghebbende acht het verlaagde tarief van toepassing, de inspecteur het normale tarief.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en teruggaaf van de te veel betaalde OB.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de bestreden uitspraak.

4 Gronden

4.1.

In post b.14, onderdeel g, van tabel I in samenhang met artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB, is bepaald dat op het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen, het verlaagde OB-tarief van 6% van toepassing is.

Primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank verricht belanghebbende haar diensten vanuit een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening.
De speelautomaten staan in een ruim opgezette speelhal met een ontvangstbalie. De speelhal en -automaten vormen voor de klant een samenhangend geheel met één thema, spellen.

Het gebouw waarin de speelhal zich bevindt en de inrichting van de speelhal stralen uit dat het doel van het bezoek van de speelhal is om klanten een leuke tijd te bezorgen. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de meeste spelers in groepjes naar de speelhal komen om tegen elkaar te spelen. Zij brengen gemiddeld één tot anderhalf uur met elkaar in de speelhal door. Uit door belanghebbende gehouden enquêtes is verder naar voren gekomen dat de spelers naar de speelhal komen om vermaakt te worden. Dat er met het spelen ook prijzen gewonnen kunnen worden, beschouwt de rechtbank als een ludiek onderdeel van dit vermaak.

Verlenen van toegang tot

4.3.

Belanghebbende heft geen entree bij de toegang tot de speelhal, maar de speler betaalt met zijn playcard per speelautomaat. Partijen zijn eensgezind van mening dat dit geen belemmering is voor toepassing van het verlaagde OB-tarief, omdat ook sprake is “van toegang geven tot” in gevallen waarin niet voor de voorziening als geheel, maar per “onderdeel” betaald wordt. De rechtbank volgt partijen in dit gezamenlijke standpunt (zie ook r.o. 5.6 van de uitspraak van Hof Amsterdam van 7 maart 2002 met ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0299 en de toelichting op post b.14, paragraaf 8, uit het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 september 2014, nr. BLKB2014/123M, Stcrt. 2014, 26112).

Uitzondering?

4.4.

De inspecteur is van mening dat volgens de Memorie van Toelichting de verhuur van een roerende lichamelijke zaak, zoals een speelautomaat, buiten de reikwijdte van de tabelpost valt. Naar zijn mening krijgen de spelers na het activeren van een speelautomaat met de playcard het exclusieve recht om (een deel van) de speelautomaat gedurende een bepaalde tijd zelfstandig te gebruiken of te bespelen en houdt dat in dat belanghebbendes prestatie valt te kwalificeren als de (kortstondige) verhuur van speelautomaten. De inspecteur heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van een gelijksoortige situatie als in het arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 2010, nr. C-3/09, Erotic Center BVBA, ECLI:EU:C:2010:149, omdat de klanten van belanghebbende de speelautomaten individueel (en dus niet gezamenlijk) gebruiken.

4.5.

Belanghebbende is van mening dat het aanschaffen van de playcard leidt tot de mogelijkheid om gezamenlijk gebruik te maken van de faciliteiten van de speelhal en heeft erop gewezen dat vrijwel alle spellen door meerdere mensen tegelijk kunnen worden bespeeld.

4.6.

Anders dan de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat de keuze van een bezoeker om op een bepaalde speelautomaat een spel te spelen niet leidt tot een verhuur van die speelautomaat door belanghebbende. Op het tijdstip waarop belanghebbende de vergoeding voor haar dienstverlening van haar klanten ontvangt, bij het opwaarderen van de playcard, krijgt de klant de mogelijkheid om gezamenlijk gebruik te maken van de voor de voorziening van belanghebbende kenmerkende vermakelijkheidsactiviteit: het spelen van de verschillende spellen. De speelautomaten van belanghebbende vormen aldus een geïntegreerd onderdeel van de primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening van belanghebbende. Of de speelautomaten, als onderdeel van het geheel, kwalificeren als attracties acht de rechtbank daarbij niet van belang. Ook acht de rechtbank niet van belang dat in de speelhal individueel gebruik kan worden gemaakt van de speelautomaten, omdat dit individuele gebruik niet inhoudt dat daarmee de aard van de dienstverlening - het verlenen van toegang tot een voorziening voor vermaak en dagrecreatie - zou wijzigen (vgl. r.o. 4.5 van de uitspraak van deze rechtbank van 25 mei 2018 met ECLI:NL:RBZWB:2018:3096 en r.o. 4.5 van de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 15 februari 2019 met ECLI:NL:GHSHE:2019:555). Naar het oordeel van de rechtbank staat de gezamenlijke beleving bij een bezoek aan de voorziening ook bij individueel gebruik voorop.

4.7.

Omdat op basis van het voorgaande belanghebbende reeds in het gelijk wordt gesteld, behoeven de subsidiaire standpunten van belanghebbende geen behandeling meer.

Slotsom

4.8.

Gelet op het vorenstaande dient teruggaaf van de door belanghebbende voldane OB te worden verleend in die zin dat het tarief van 6% van toepassing is op de door belanghebbende verrichte diensten. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe, omdat is gesteld noch gebleken dat hierom, voordat op de bezwaren is beslist, is verzocht (zoals op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb is vereist).

5.2.

De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

5.3.

Belanghebbende heeft na afloop van de zitting een ingevuld formulier proceskosten afgegeven aan de informatiebalie van de rechtbank. In dit formulier heeft belanghebbende, naast de vergoeding voor rechtsbijstand, om vergoeding van reiskosten gevraagd.
De bestuurder van belanghebbende, die in [vestigingsplaats] woont, is samen met de gemachtigde ter zitting verschenen. De reiskosten per tweede klasse van het openbaar vervoer van [vestigingsplaats] naar Breda en terug bedragen afgerond € 50. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk de reiskosten van (de bestuurder van) belanghebbende te vergoeden tot het gevraagde bedrag van € 50.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verleent teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak tweede kwartaal van 2017 van € 8.160 (het verschil tussen het betaalde bedrag aan OB tegen het normale tarief van € 11.423 en het te betalen bedrag aan OB tegen het verlaagde tarief van € 3.263);

- bepaalt dat aan belanghebbende over de verleende teruggaaf belastingrente wordt vergoed;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.024 en € 50 is € 1.074;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 april 2019 door mr. drs. P.C. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en prof. dr. G. van Norden, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.