Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1878

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5930
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting; art. 34 en 37 Wet MRB; art. 67c AWR; VWEU.

Aan belanghebbende, Nederlands ingezetene, is een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd voor het gebruik maken van de weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken.

Voor de berekeningsperiode van de naheffing heeft belanghebbende de mogelijkheid tegendeelbewijs te leveren. De regeling is niet in strijd met het Unierecht. Het tegendeelbewijs is niet geleverd. De naheffingsaanslag is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

De rechtbank matigt de verzuimboete onder meer omdat de boetegrondslag is vastgesteld aan de hand van een berekeningsregel die een (weerlegbaar) vermoeden inhoudt.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-07-2019
FutD 2019-1819
V-N Vandaag 2019/1553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/5930

Uitspraak van 11 april 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 11 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) en de bijbehorende boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .Y.3.90001).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven, vergezeld van A. Zorka, en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de verzuimboete tot € 475;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.532;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende staat sinds [datum] 1959 (de geboortedatum van belanghebbende) onafgebroken op een Nederlands adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP), met als meest recente adres [adres] in [woonplaats] .

2.2.

Tijdens een controle is op 24 november 2016, om 15.51 uur, op de Olympialaan in Bergen op Zoom door de politie geconstateerd dat belanghebbende met een personenauto met het Duitse kenteken [kenteken] (de auto) gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland. Voor de auto was geen mrb betaald.

2.3.

Met dagtekening 8 maart 2017 is aan belanghebbende de vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting verzonden. De vooraankondiging is verzonden naar het adres waar belanghebbende volgens de BRP op het moment van versturen woonachtig was ( [adres] , [postcode] [woonplaats] ). Belanghebbende heeft niet op de vooraankondiging gereageerd.

2.4.

Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 18 april 2017 de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd over de periode 3 september 2013 tot en met 24 november 2016. De nageheven belasting bedraagt € 2.951 en de verzuimboete bedraagt (eveneens) € 2.951.

2.5.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en, zo ja, of de boete moet worden gematigd.

Unierecht/schending verdedigingsbeginsel?

2.6.

Belanghebbende stelt dat de heffing van mrb is onderworpen aan het Unierecht en dat zij daarom voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag had moeten worden gehoord. Omdat zij de vooraankondiging niet heeft ontvangen, is zij niet gehoord en is het Unierecht geschonden.

2.7.

De vooraankondiging is verzonden naar het adres waar belanghebbende volgens de BRP op het moment van versturen woonachtig was. Op de zitting heeft de inspecteur toegelicht dat de vooraankondiging handmatig door [persoon A] is aangemaakt, geprint en bij de postverwerking is gelegd. De post is vervolgens zonder verstoring verwerkt. Gelet op deze verklaring acht de rechtbank, tegenover de enkele ontkenning van belanghebbende, aannemelijk dat de vooraankondiging aan belanghebbende is verzonden en op of rond 8 maart 2017 door haar is ontvangen, zodat zij de gelegenheid had hierop voor 23 maart 2017 te reageren. Gelet op de belanghebbende aldus geboden mogelijkheid, is het verdedigingsbeginsel niet geschonden.

Terecht een naheffingsaanslag?

2.8.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van een motorrijtuig. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet MRB is de houder van een motorvoertuig degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Wet MRB wordt deze houder, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de BRP.

2.9.

Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat belasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, waarvoor de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald.

2.10.

Vaststaat dat belanghebbende op 24 november 2016 – als bestuurder – met de auto gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg. Belanghebbende heeft dit gebruik erkend. Belanghebbendes stellingen dat zij geen eigenaar was van de auto en dat zij de auto slechts eenmalig heeft geleend, doen er niet aan af dat belanghebbende op het moment van het constateren feitelijk de beschikking had over de auto. Omdat belanghebbende op het moment van de constatering feitelijk heeft beschikt over de auto en niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland haar hoofdverblijf heeft, heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als de houder van de auto en als belastingplichtige. De naheffingsaanslag is dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.

Hoogte naheffingsaanslag?

2.11.

Artikel 34, tweede lid, van de Wet MRB brengt mee dat in een situatie als de onderhavige de na te heffen belasting wordt berekend over een periode die aanvangt op het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB en die eindigt op de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Het tweede lid van artikel 13 van de Wet MRB bepaalt dat het heffingstijdvak aanvangt op de dag waarop de houder is ingeschreven in de BRP, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde voertuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

2.12.

De inspecteur is voor de aanvang van de berekeningsperiode uitgegaan van de datum van 3 september 2013, zijnde de datum van afgifte van het kentekenbewijs. De naheffingsaanslag is in zoverre niet te hoog, omdat belanghebbende reeds voordien is ingeschreven in de BRP.

2.13.

De wetgever heeft ten aanzien van de duur van het houderschap in artikel 34, derde lid, van de Wet MRB een tegenbewijsregeling opgenomen. Die regeling noch de heffing in het onderhavige geval is overigens in strijd met het Unierecht (vgl. HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483). Het is aan belanghebbende om tegendeelbewijs te leveren met betrekking tot de berekeningsperiode. Zij moet aannemelijk maken dat de auto haar op een later moment dan 3 september 2013 feitelijk ter beschikking in Nederland heeft gestaan. Belanghebbende wijst in het kader van de tegenbewijsregeling op het feit dat zij in de naheffingsperiode de beschikking had over een eigen auto en een – niet overgelegde - verklaring van [persoon B] . Hiermee heeft zij het van haar verlangde tegenbewijs naar het oordeel van de rechtbank niet geleverd. De naheffingsaanslag is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Verzuimboete

2.14.

Op grond van artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 5.278 indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet (tijdig) heeft betaald. In paragraaf 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is bepaald dat de verzuimboete maximaal 100 procent bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Het enkele niet daaraan voldoen rechtvaardigt in beginsel een boete van 100 procent. Belanghebbende heeft het gebruik van de openbare weg erkend en daarmee is de boete in beginsel gerechtvaardigd.

2.15.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de boete moet worden gematigd omdat zij een bijstandsuitkering heeft. Ter zitting is komen vast te staan dat haar netto inkomen ongeveer € 1.400 per maand bedraagt. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat het bedrag van de boete niet in overeenstemming is met het Unierecht, omdat er geen bewijs is dat zij meer dat 1 dag gebruik heeft gemaakt van de auto, terwijl de boete is berekend op basis van de naheffing over 3 jaar.

2.16.

Als uitgangspunt bedraagt de boete in een geval als het onderhavige maximaal 100 percent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. Dat geldt ook indien het bedrag van die belasting geheel of ten dele is komen vast te staan met toepassing van de berekeningsregel van artikel 34, tweede lid, tweede volzin van de Wet MRB. Dat de inspecteur geen bewijs heeft geleverd dat belanghebbende meer dan 1 dag gebruik heeft gemaakt van de auto, is, ook voor de bepaling van de hoogte van de boete, als uitgangspunt niet van belang.

Dit laat onverlet dat het aan de rechter is om te beoordelen of de in een concreet geval opgelegde boete passend en geboden is, gelet op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort de vaststelling van de boetegrondslag, zijnde de verschuldigde belasting, aan de hand van een berekeningsregel die een (weerlegbaar) vermoeden inhoudt. Tot die omstandigheden behoren ook de financiële omstandigheden van de beboete persoon. In al deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de boete te matigen tot een bedrag van € 500 als passende en geboden sanctie.

2.17.

De rechtbank acht een boete van € 500 in de gegeven omstandigheden passend en geboden.

2.18.

Beoordeeld dient nog te worden of de boete gematigd moeten worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Door de vooraankondiging van 8 maart 2017 kan belanghebbende in redelijkheid het vermoeden hebben gehad dat haar een boete zou worden opgelegd. De termijn waarbinnen de ‘criminal charge’ dient te worden afgewikkeld, neemt op dat moment een aanvang. De termijn eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn bij het doen van deze uitspraak met meer dan twee jaar is overschreden, waardoor de boete met 5% moet worden verminderd. De boete komt dan uit op een bedrag van € 475.

2.19.

Gelet op het voorgaande dient het beroep voor zover het is gericht tegen de boete gegrond te worden verklaard.

2.20.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 11 april 2019 door mr.drs. P.C. van der Vegt, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.