Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1630

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 5839 tm 17_5841
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE17/5839 tot en met 17/5841

IB/PVV, bron van inkomen

Belanghebbende heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De inspecteur heeft de aftrek van kosten terecht geweigerd. Als gevolg van het oordeel dat geen sprake is van een bron van inkomen worden de opbrengsten evenmin tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend (conform standpunt van de inspecteur in beroep). Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-06-2019
V-N Vandaag 2019/1468
FutD 2019-1729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/5839 tot en met 17/5841

uitspraak van 28 februari 2019

Uitspraken als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd zoals weergegeven in 2.7. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht. Tevens heeft de inspecteur een aanslag inkomensafhankelijk bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd over het jaar 2013 (zaaknummer BRE 17/5840).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 augustus 2017 de in 1.1 vermelde aanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 augustus 2017, ontvangen bij de rechtbank op 22 augustus 2017, pro forma beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van eenmaal € 46 vanwege samenhangende zaken.

1.4.

Bij brief met dagtekening 11 oktober 2017 heeft belanghebbende de gronden van haar beroepen aangevuld.

1.5.

De inspecteur heeft in beide IB/PVV-zaken een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij brief van 15 november 2017 heeft de inspecteur de rechtbank medegedeeld dat de aanslag Zvw 2013 ambtshalve is vernietigd. Naar aanleiding van die brief heeft de rechtbank belanghebbende verzocht aan te geven of zij haar beroep in de zaak met zaaknummer BRE 17/5840 nog wil handhaven. Op 29 november 2017 heeft belanghebbende daarop gereageerd. Belanghebbende heeft het beroep in de zaak met zaaknummer BRE 17/5840 ingetrokken en verzocht om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 7 december 2017 heeft de inspecteur gereageerd op het verzoek van belanghebbende. Bij brieven van 4 januari 2018 heeft de rechtbank partijen bericht dat de beoordeling met betrekking tot de proceskosten in deze zaak zal worden meegenomen met de behandeling van de IB/PVV-zaken.

1.7.

De griffier heeft belanghebbende, bij brief van 3 augustus 2018 aan haar advocaat, uitgenodigd om te verschijnen tijdens de zitting op vrijdag 24 augustus 2018. Op 9 augustus 2018 heeft belanghebbende een verdagingsverzoek ingediend en daarbij medische redenen aangevoerd met het verzoek een nieuwe zitting in te plannen na 30 oktober 2018. De rechtbank heeft het verdagingsverzoek toegewezen.

1.8.

De griffier heeft belanghebbende, bij brief van 28 december 2018 aan haar advocaat, uitgenodigd om te verschijnen tijdens de zitting op donderdag 17 januari 2019. Bij fax van 2 januari 2019 heeft belanghebbende wederom verzocht om verdaging van de zitting en daarbij wederom medische redenen aangevoerd. Bij brief van 7 januari 2019 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

1.9.

Belanghebbende heeft op 9 januari 2019 per fax nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. In reactie op deze stukken heeft de griffier bij brief van 11 januari 2019 belanghebbende nogmaals medegedeeld dat de behandeling van het beroep op 17 januari 2019 doorgang zal vinden zoals gepland.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is in de onderhavige jaren in dienstbetrekking werkzaam bij [Stichting A]. In het jaar 2014 ontvangt zij tevens uitkeringen van het UWV.

Daarnaast schrijft zij scenario’s voor film en toneel onder de handelsnaam [B]. Met ingang van [datum 1] 2010 heeft belanghebbende deze werkzaamheden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De resultaten van deze werkzaamheden heeft belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2013 in haar aangiften IB/PVV aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden. Gedurende die jaren zijn de resultaten negatief (respectievelijk € 15.056, € 14.992, € 20.894 en € 13.400). Ook over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn de resultaten negatief (respectievelijk € 15.956, € 9.170 en € 2.300). Met ingang van [datum 1] 2017 heeft belanghebbende deze activiteiten uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.2.

Op 26 mei 2014 heeft belanghebbende haar aangifte IB/PVV 2013 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.579. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:

Inkomsten uit dienstbetrekking

€ 33.183

Bij: resultaat overige werkzaamheden – inkomsten

€ 4.317

Af: resultaat overige werkzaamheden – uitgaven

€ 17.717 -

Af: inkomsten uit eigen woning

€ 9.726 -

Af: specifieke zorgkosten

€ 408 -

Af: aftrekbare giften

€ 70 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 9.579

2.3.

Op 7 juli 2015 heeft belanghebbende haar aangifte IB/PVV 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.277. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:

Inkomsten uit dienstbetrekking

€ 22.032

Bij: uitkering Ziektewet

€ 7.257

Bij: pensioen, lijfrente of andere uitkering (UWV)

€ 4.277

Bij: resultaat overige werkzaamheden – inkomsten

€ 431

Af: resultaat overige werkzaamheden – uitgaven

€ 16.387 -

Af: inkomsten uit eigen woning

€ 9.198 -

Af: specifieke zorgkosten

€ 964 -

Af: giften

€ 171 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 7.277

2.4.

Op 15 december 2015 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd met, onder andere, als doel de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV 2013 en 2014 vast te stellen. Omdat het niet lukte om met belanghebbende een afspraak te maken heeft de inspecteur belanghebbende diverse brieven gestuurd.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 20 april 2016 diverse vragen gesteld met betrekking tot verschillende in de aangiften opgenomen posten.

Bij brief met dagtekening 25 mei 2016 heeft de inspecteur belanghebbende een rappel gestuurd omdat zij niet heeft gereageerd op de brief van 20 april 2016.

Op 6 juni 2016 heeft belanghebbende telefonisch contact gezocht met de inspecteur en verzocht om uitstel voor de aanlevering van de gevraagde stukken.

Bij brief van 6 juni 2016 heeft de inspecteur dat uitstel toegekend en wel tot 10 juli 2016.

In deze brief heeft de inspecteur aangegeven dat hij het boekenonderzoek zal afronden, rekening houdend met de hem ter beschikking staande gegevens, als hij op 10 juli 2016 niet de gevraagde gegevens van belanghebbende heeft ontvangen.

2.5.

Op 8 juli 2016 heeft de inspecteur stukken van belanghebbende ontvangen. Omdat niet alle gevraagde informatie is verstrekt heeft de inspecteur op 28 september 2016 aan belanghebbende aangegeven welke informatie nog ontbreekt. Ook heeft hij belanghebbende gewezen op de informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In deze brief heeft de inspecteur tevens aangegeven voornemens te zijn om de aangiften IB/PVV over de jaren 2013 en 2014 te corrigeren. De inspecteur heeft belanghebbende tot uiteindelijk 1 december 2016 de tijd gegeven om alsnog de gevraagde stukken over te leggen.

2.6.

De inspecteur heeft de gevraagde informatie niet ontvangen. Op 4 januari 2017 heeft de inspecteur het rapport van het boekenonderzoek aan belanghebbende toegestuurd. In dit rapport heeft de inspecteur aangegeven van de ingediende aangiften IB/PVV over de jaren 2013 en 2014 af te wijken.

2.7.

De definitieve aanslagen IB/PVV (2013 met dagtekening 25 januari 2017 en 2014 met dagtekening 26 januari 2017) zijn opgelegd naar de volgende belastbare inkomsten uit werk en woning.

2013 (17/5839)

2014 (17/5841)

Inkomsten uit dienstbetrekking

€ 33.183

€ 22.032

Bij: uitkering Ziektewet

€ 0

€ 7.257

Bij: pensioen, lijfrente of andere uitkering (UWV)

€ 0

€ 4.277

Bij: resultaat uit overige werkzaamheden

€ 4.317

€ 431

Af: resultaat uit eigen woning

€ 9.726 -

€ 9.198 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 27.774

€ 24.799

De inspecteur heeft de kosten van het resultaat uit overige werkzaamheden niet geaccepteerd. Ook heeft hij de specifieke zorgkosten en de giften niet in aftrek toegelaten.

Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur respectievelijk € 748 en € 350 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.8.

Belanghebbende heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het ingediende bezwaar heeft de inspecteur op 11 april 2017 verzocht om toezending van de gronden van bezwaar en van onderliggende bescheiden. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende tevens verzocht om een persoonlijk onderhoud met de inspecteur. Aanvankelijk was dit gesprek gepland op 9 mei 2017. Op 8 mei 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende telefonisch contact gezocht met de inspecteur. Uiteindelijk is door belanghebbende toegezegd dat uiterlijk op 18 mei 2017 de gevraagde informatie zou worden verstrekt. Met de brief van 24 mei 2017 heeft de inspecteur belanghebbende aangegeven dat hij geen stukken heeft ontvangen en de bezwaarschriften zal afhandelen. In reactie daarop heeft belanghebbende via de email gegevens gestuurd aan de inspecteur.

Op 1 juni 2017 heeft de inspecteur op deze gegevens gereageerd en belanghebbende tot 12 juni 2017 de tijd gegeven om aan te geven of zij van het hoorrecht gebruik wilde maken.

2.9.

Op 4 juli 2017 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Hiervan heeft de inspecteur een verslag opgesteld. Uit dit verslag blijkt dat de inspecteur nog niet alle gevraagde stukken had ontvangen. Na het hoorgesprek heeft belanghebbende per e-mail verzocht om langer uitstel voor het aanleveren van de gevraagde stukken. De inspecteur heeft dat uitstel niet toegekend.

2.10.

De inspecteur heeft de bezwaren op 10 augustus 2017 afgewezen en de opgelegde aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbendes activiteiten uitgevoerd onder de handelsnaam [B] een bron van inkomen vormen en zo ja, of belanghebbende de door haar in aftrek gebrachte kosten aannemelijk heeft gemaakt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

De inspecteur heeft in de verweerschriften het nadere standpunt ingenomen dat de werkzaamheden onder de naam [B] zich geheel in de privésfeer hebben afgespeeld (hobbymatig), zodat geen sprake is van belastbare inkomsten uit overige werkzaamheden. Als gevolg van dit nadere standpunt wijzigen ook de drempelbedragen voor aftrek van de zorgkosten en de giften. De beroepen in de IB/PVV-zaken zijn reeds om deze reden gegrond.

3.4.

Belanghebbende concludeert met betrekking tot de IB/PVV-zaken tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen en de beschikkingen belastingrente conform de ingediende aangiften.

De inspecteur concludeert met betrekking tot de IB/PVV-zaken tot gegrondverklaring van beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.271 (2013) en € 23.635 (2014). De beschikkingen belastingenrente moeten dienovereenkomstig worden verminderd tot € 545 (2013) en € 317 (2014).

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek

4.1.

Belanghebbende heeft bij fax van 2 januari 2019 verzocht om de zitting van 17 januari 2019 te verdagen. Als reden hiervoor voert belanghebbende aan dat het voor haar en voor haar gemachtigde onmogelijk is om op die datum de zitting bij te wonen (zie ook 1.8). Ook merkt zij op dat het onmogelijk is om nog nadere stukken (tijdig) in te brengen. Met ‘gemachtigde’ doelt belanghebbende op de heer [C], haar boekhouder, en niet op haar advocaat mr. [D], zo maakt de rechtbank op uit het verhandelde ter zitting in aanwezigheid van voormelde advocaat.

De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verzoek de volgende afweging gemaakt. De rechtbank heeft (mede) de taak om onnodige en onredelijke vertraging van de afwikkeling van de zaak te voorkomen. De rechtbank merkt daarbij op dat het beroepschrift op 22 augustus 2017 bij de rechtbank is binnengekomen. Het verweerschrift heeft zij op 16 november 2017 ontvangen. Gelet op het tijdsverloop sinds de indiening van het beroepschrift en gelet op de omstandigheid dat een eerdere zitting om dezelfde reden is uitgesteld weegt het belang van een doelmatige procesgang zwaarder dan het belang van belanghebbende om persoonlijk bij het onderzoek ter zitting aanwezig te zijn. Bovendien is de gemachtigde (belanghebbendes advocaat) in staat gebleken om de zitting bij te wonen.

Inhoudelijk

4.2.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende de zakelijke kosten alleen dan in aftrek kan brengen als sprake is van een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen:

(i) deelname aan het economische verkeer,

(ii) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en

(iii) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bron van inkomen reeds omdat belanghebbende met haar werkzaamheden niet deelneemt aan het economische verkeer. De activiteiten vinden niet buiten de eigen kring van belanghebbende plaats. De activiteiten hebben volgens de inspecteur plaatsgevonden in de hobbysfeer. Ook stelt de inspecteur dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt.

4.3.

De inspecteur betwist niet dat belanghebbende de door haar genoemde bedragen heeft ontvangen. Hij stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van belanghebbende niet in het economische verkeer zijn verricht en derhalve in de hobbysfeer hebben plaatsgevonden. De vraag of sprake is van deelname aan het economische verkeer (zie 4.2 onder i) dient ertoe de bronnen van inkomen te onderscheiden van prestaties die om redenen van familie-/gezinsbanden worden verricht. De vraag of een voordeel redelijkerwijs te verwachten is (zie 4.2 onder iii), heeft tot doel om de hobbysfeer uit de inkomstenbelasting te elimineren. Dat wat de inspecteur heeft aangevoerd voor zijn conclusie dat de activiteiten in de hobbysfeer hebben plaatsgevonden zal de rechtbank daarom betrekken bij de beoordeling van de stelling van de inspecteur dat niet is voldaan aan het vereiste van objectieve voordeelverwachting.

4.4.

In het kader van de stelling van de inspecteur dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt dient te worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (vergelijk Hoge Raad, 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).

4.5.

De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vergelijk Hoge Raad, 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

4.6.

Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de activiteiten die zij uitvoert onder de naam [B] in de jaren 2013 en 2014 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat belanghebbende vanaf het jaar 2010 uitsluitend negatieve resultaten heeft behaald, dat vanaf het jaar 2012 jaarlijks steeds minder inkomsten uit overige werkzaamheden zijn aangegeven en dat in de jaren 2015 en 2016 in het geheel geen inkomen uit overige werkzaamheden is aangegeven. Per [datum 1] 2017 heeft belanghebbende haar activiteiten uitgeschreven uit het handelsregister. Deze omstandigheden op zichzelf en in samenhang bezien leiden tot de gevolgtrekking dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2013 en 2014 in redelijkheid verwacht kon en mocht worden dat zij in de toekomst winst zou behalen met deze activiteiten.

Belanghebbende heeft gesteld dat de activiteiten bloeiend zouden zijn als zij niet ziek zou zijn geworden. Deze stelling maakt het oordeel van de rechtbank niet anders nu deze stelling niet nader is onderbouwd.

4.8.

Nu in 2013 en 2014 geen sprake was van een bron van inkomen heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht ook geen kostenaftrek toegestaan.

4.9.

Omdat de inspecteur zich in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat de activiteiten die belanghebbende uitvoert geen bron van inkomen vormen heeft hij geconcludeerd tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014. Bij de becijfering van de verminderingen heeft de inspecteur rekening gehouden met de door belanghebbende in aftrek gebrachte zorgkosten, voor zover deze het herrekende drempelbedrag overschrijden. Voor aftrek van de gestelde giften is geen aanleiding nu deze beneden het herrekende drempelbedrag blijven, aldus de inspecteur. Belanghebbende heeft tegen deze herrekeningen geen zelfstandige gronden aangevoerd. De rechtbank zal de inspecteur volgen in zijn herziene standpunt.

4.10.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen betreffende de IB/PVV-zaken gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank ziet alle bovenvermelde beroepen als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten Bestuursrecht (hierna: het Besluit). Met betrekking tot de beroepsmatige verleende bijstand in de beroepsfase ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband daarmee heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Belanghebbende heeft, naast de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, verzocht om toekenning van reis- en verblijfkosten van € 180 omdat zij zes keer naar [woonplaats] is gereisd. Tevens heeft belanghebbende verzocht om € 400 aan verschotten. Voor zover deze kosten betrekking hebben op de bezwaarfase, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking, nu niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende reeds in de bezwaarfase om vergoeding van die kosten heeft verzocht zodat niet vastgesteld kan worden dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 7:15, derde lid, van de Awb. Ook voor het overige komen de gestelde kosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten niet nader zijn onderbouwd.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de IB/PVV 2013 en 2014;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.271;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.635;

  • -

    vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.024;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2019 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. M.M. Dondorp-Loopstra en mr. drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, Namens de voorzitter,

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. In plaats van door de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Dondorp-Loopstra.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.