Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1589

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
02-811312-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte A.S. heeft zich als spijtoptant bij de politie gemeld en heeft een uitgebreid beeld geschetst van een goed georganiseerde criminele organisatie in Tilburg die zich gedurende een behoorlijk aantal jaren op zeer grote schaal heeft beziggehouden met het telen van hennep en alles wat daarmee samenhangt. Alle deelnemers binnen die criminele organisatie, waaronder de oprichter/leider, de bedrijfsleiders, katvangers, werkers, knippers, elektriciens, makelaars etc. worden veroordeeld. Met name werd door de verdediging van de diverse verdachten verweer gevoerd m.b.t. de totstandkoming van de verklaringen van A.S. en de betrouwbaarheid van A.S. als getuige.

Alle verweren daaromtrent worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Schiphol/Breda

parketnummer: 02/811312-12

vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboortedag]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. De Rooij, advocaat te Helmond

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18, 21, 22, 24 en 25 januari 2019 en 28 maart 2019, waarbij de officieren van justitie, mr. Den Hartog en mr. Van der Veen op 18 januari 2019 en mr. Den Hartog en mr. Smale op 21, 22, 24 en 25 januari 2019, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1.

Bedreiging [naam 1] , Zaaksdossier 1, blz. 2390 t/m 2824.

hij op of omstreeks 19 april 2012 te Tilburg,

[naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk dreigend

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand

gepakt en/of gehouden en/of dit vuurwapen, althans dat op een vuurwapen

gelijkende voorwerp geheel of gedeeltelijk getoond aan die [naam 1]

en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven-

dat hij, verdachte, van [naam 1] 30.000 euro wilde hebben en/of dat die

[naam 1] dat maar moest regelen en/of dat hij het de jongens al verteld had

en/of dat hij het anders zelf zou doen, althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Hennepkwekerij [adres 2] te Etten-Leur, Zaaksdossier 2, blz. 2825

t/m 3520.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2008 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

(telkens) opzettelijk ongeveer 530, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid

hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens)

een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad;

Art. 11 lid 2,3 en 5 Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

3.

Witwassen door [verdachte] . Zaaksdossier 4, Blz. 4087 t/m 4897.

hij op meerdere althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012, te Tilburg en/of Sprang-Capelle

en/of Oisterwijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (van) een of meer

voorwerp(en), te weten:

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 3] te Tilburg en/of roerend(e) goed(eren)

behorende bij die woning/dat pand (3.4.3.) en/of

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 4] te Sprang-Capelle en/of roerend(e)

goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.4.) en/of

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 1] te Tilburg en/of roerend(e) goed(eren)

behorende bij die woning/dat pand (3.4.5.) en/of

- een of meer geldbedrag(en) (contante betalingen vakantiereizen) tot een

totaal(bedrag) van 5.415,15 euro (3.5.1.) en/of

- een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 1] ) (3.5.2.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 2] ) (3.5.3.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 3] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 6] ) (3.5.5.) en/of

- een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 7] ) (3.5.5.) en/of

- een auto (Renault Twingo, kenteken [kenteken 8] ) (3.5.6.) en/of

- een geldbedrag van 200.000 euro, (begraven in de tuin van zijn woning

gelegen aan de [adres 1] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een geldbedrag van 10.000 euro, (verborgen in de schuur behorende bij

woning gelegen aan de [adres 1] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een geldbedrag van 43.250 euro, (verborgen in een woning gelegen aan de

[adres 5] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ) (3.6.3.) en/of

- een geldbedrag van 64.200 euro, (aangetroffen in een safeloket bij de

Rabobank te Tilburg op naam van [naam 33] ) (3.6.5),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, danwel verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) voorwerpen en/of heeft/hebben

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie

bovengenoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij,

verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden dat de/het bovengenoemde voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een)

voorwerp(en), te weten van (een of meer van de) hiervoor genoemd(e)

voorwerp(en)/goed(eren)

gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en)

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat

bovenomschreven goed(eren)/voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

art. 420ter wetboek van strafrecht.

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

4.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 en 1, Blz. 7210 t/m 7268 en 2388 t/m

2824.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te

Tilburg en/of Breda en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 11]

en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of meer andere

medeverdachten

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van

hennep en/of

- diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of

- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig

electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk

veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel

verijdelen en/of

- het witwassen (van de opbrengsten van bovengenoemde misdrijven)

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

art 140 lid 3 wetboek van strafrecht.

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 en 1, Blz. 7210 t/m 7268 en2388 t/m 2824.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te

Tilburg en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of

Sprang-Capelle en/of Alphen en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 4]

en/of [naam 11] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of

meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk:

- witwassen van voorwerpen en/of

- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom en/of

- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig

electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk

veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel

verijdelen en/of

- afpersing en/of diefstal door middel van en/of gevolgd van geweld van

geldbedragen en/of hennep en/of de opbrengsten van hennep en/of

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

140 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht

en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te

Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of

Sprang-Capelle en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 4]

en/of [naam 11] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of

meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een)

misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de

Opiumwet te weten:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig

hebben van (grote) hoeveelheden hennep;

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

11a Opiumwet

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

Hennepkwekerij [naam 5] te Alphen, Zaaksdossier 6, blz. 7269 t/m 7982.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te, Alphen, gemeente Alphen-Chaam,in

een pand gelegen aan de [adres 6] (Restaurant " [naam 5] ")

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

(telkens) opzettelijk ongeveer 1150, althans (telkens) een (grote)

hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad;

art 11 lid 3 en 5 Opiumwet

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 ahf/ond B Opiumwet

7.

Hennepkwekerij [adres 7] te Alphen en knipperij [adres 8] te Tilburg,

Zaaksdossier 2 (Kenia), blz. 7983 t/m 14968.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te

Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan de [adres 7] ),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

opzettelijk ongeveer 1540, althans een (grote) hoeveelheid hennepplanten

en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II

heeft geteeld en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad;

en/of

B.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een

garage/loods gelegen op het adres [adres 8] )

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

art 11 lid 3 en 5 Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

8.

Afpersing/diefstal met geweld c.q. bedreiging t.a.v. [naam 3]

hij op meerdere althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juli 2012 tot en met 23 augustus 2012 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek

en/of Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van een geldbedrag van 350.000,= euro, althans enig geldbedrag en/of

de opbrengsten uit hennepteelt en/of hennep, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan die [naam 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag van 350.000,= euro, althans enig geldbedrag en/of de

opbrengsten uit hennepteelt en/of hennep, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [naam 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte en/of zijn mededaders die [naam 3] met een vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben bedreigd en/of heeft/hebben

gestompt en/of geslagen en/of gedreigd diens knieen te doorboren;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op meerdere althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juli 2012 tot en met 23 augustus 2012 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek

en/of Tilburg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 3] te dwingen tot de

afgifte van

een geldbedrag van 350.000,= euro, althans enig geldbedrag en/of de

opbrengsten uit hennepteelt en/of hennep, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan die [naam 3] en/of een of meer anderen, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen

een geldbedrag van 350.000,= euro, althans enig geldbedrag en/of de

opbrengsten uit hennepteelt en/of hennep, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam 3] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 3] , te plegen met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

opzettelijk het volgende heeft gedaan:

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben

die [naam 3] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp bedreigd en/of gestompt en/of geslagen en/of gedreigd diens knieen te

doorboren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Tweede subsidiair:

hij op meerdere althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juli 2012 tot en met 23 augustus 2012 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek

en/of Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[naam 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend die [naam 3] met een vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd en/of gestompt en/of geslagen

en/of gedreigd diens knieen te doorboren;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

3.1

De dagvaarding is geldig

3.2

De rechtbank is bevoegd

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op verzoek van de verdediging wordt aangesloten bij hetgeen door de verdediging in de zaak tegen de medeverdachte [naam 1] werd aangevoerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Deze verweren zullen dan ook in de zaak van verdachte als gevoerd worden beschouwd. Aangevoerd werd dat door de CIE, door de tactische recherche en door het Openbaar Ministerie wettelijke voorschriften en beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden. De verweren van de verdediging kunnen voorts als volgt worden samengevat:

1 Geschonden wettelijke voorschriften:

  1. Pressieverbod;

  2. Cautieplicht en Salduz;

  3. Verbaliseerplicht;

  4. Geheimhoudingsplicht;

2. Geschonden beginselen van behoorlijke procesorde:

  1. Vertrouwensbeginsel;

  2. Beginsel van zuiverheid van oogmerk en legaliteitsbeginsel;

  3. Beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging;

  4. Equality of arms;

  5. Recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).

De nadere onderbouwing van de aangevoerde verweren zal de rechtbank nader beschrijven bij het geven van haar oordeel op voornoemde niet-ontvankelijkheidsverweren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ook de door de officier van justitie ingenomen standpunten met betrekking tot haar ontvankelijkheid, zal de rechtbank bij het geven van haar oordeel nader aanduiden

Het oordeel van de rechtbank

Door met name de verdediging van [naam 1] is gesteld dat een veelvoud aan verzuimen aan de kant van de CIE, de tactische recherche, het Openbaar Ministerie en de rechtbank tezamen heeft geleid tot een vervolging van [naam 1] die niet voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces. De verdediging heeft een groot aantal voorschriften en beginselen opgesomd, die alle doelbewust en in ernstige mate zouden zijn geschonden, op grond waarvan is gesteld dat dit tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden. De raadslieden van de andere verdachten in dit onderzoek hebben zich daarbij aangesloten, met uitzondering van de verdediging van verdachte [naam 6] aangezien zijn zaak bij verstek is behandeld.

De officier van justitie bestrijdt dat het Openbaar Ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft gehandeld en zij heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank stelt voorop dat blijkens vaste jurisprudentie niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376). Dit betekent dat de lat om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren hoog ligt.

De rechtbank zal de diverse verzuimen dan wel schendingen hierna behandelen in de volgorde zoals de rechtbank die overzichtelijk vindt.

I De cautie


Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is gesteld dat aan [naam 1] tijdens zijn verklaring op 20 april 2012 en zijn eerste verklaring op 3 mei 2012 als aangever niet de cautie is gegeven. Dit had wel gemoeten omdat er sprake is van zelfincriminatie en van vragen die zien op betrokkenheid bij strafbare feiten.

Daardoor is het recht op een eerlijk proces geschonden en deze schending is een ernstig vormverzuim. Deze schendingen, door de met opsporing belaste ambtenaren, onder leiding van de verschillende officieren van justitie, zijn doelbewust, althans vormen een grove veronachtzaming van de belangen van [naam 1] waardoor hij in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

[naam 1] is als verdachte steeds de cautie gegeven. De aangiftes van 20 april en 3 mei 2012 zijn geen verhoren waarbij [naam 1] als verdachte is gehoord of verhoren waarbij hij zichzelf belast. Na het doen van aangifte is hij als verdachte gehoord waarbij hem de cautie is gegeven.

Het oordeel van de rechtbank

De cautie op 20 april 2012

Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013 meldde [naam 1] , die woonachtig is in Tilburg, zich op 20 april 2012 bij het politiebureau Mijkenbroek te Breda, omdat hij iets wilde vertellen over hennep en een man genaamd “ [naam 7] ”. Hij wilde tevens aangifte doen van bedreiging. Verbalisanten van het regionaal Hennepteam werden geïnformeerd en besloten werd het verhaal van [naam 1] aan te horen. [naam 1] vertelde dat hij door een bedreiging op een punt was gekomen dat hij de politie moest inschakelen, omdat hij bang was dat er iets met hem of zijn gezin zou gaan gebeuren. Hij had veel informatie die hij wilde delen en hij wilde graag bescherming.

Twee verbalisanten hebben [naam 1] en zijn vrouw vervolgens in een verhoorruimte over de bedreiging gehoord, terwijl op datzelfde moment de CIE werd benaderd met de vraag of men interesse had in het verhaal van [naam 1] . Ook de parketsecretaris [naam 53] werd geïnformeerd. Hij zou contact opnemen met de CIE-officier.

Omdat [naam 1] aangaf betrokken te zijn bij grootschalige handel in hennep, is hem, volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013, na een korte pauze de cautie gegeven en is men verder gegaan met het afnemen van de verklaring.

Na enige tijd kwamen de CIE-medewerkers binnen. Zij hebben de gesprekken met [naam 1] en zijn vrouw voortgezet. De tactische verbalisanten werd verzocht de verklaring voor zover die tot dan toe was opgenomen, weer te geven in een Word-document en door [naam 1] te laten ondertekenen. Dit betreft de verklaring van 20 april 2012 zoals die in het persoonsdossier van [naam 1] als bijlage 8 is opgenomen.

In deze verklaring leest de rechtbank dat [naam 1] op 20 april 2012 onder meer heeft verklaard over het contact met [naam 2] , hoe de relatie met hem tot stand is gekomen en hoe hij bij de activiteiten van [naam 2] betrokken is geraakt. Hij verklaart ook in grote lijnen over het aantal panden waarin werd gekweekt en over de duur dat deze panden werden gebruikt. Hij schat dat ze een jaar of zes geleden 15 panden hadden met ongeveer 350 planten per pand en dat ze die panden zeker drie jaar hebben gehad. Vervolgens verklaart hij over de bedreiging op 19 april 2012 naar aanleiding van een kwekerij aan de [adres 2] te Etten-Leur die geript was en waarvoor hij verantwoordelijk werd gehouden. Hij verklaart over de bedreiging jegens hem in dat verband maar ook over het geweld dat hij zelf tegenover de katvanger heeft gebruikt.

De rechtbank constateert dat in de verklaring van 20 april 2012 niet is vermeld dat [naam 1] op enig moment de cautie heeft gekregen of dat hem is gevraagd of hij bijstand van een advocaat wilde of dat hij daarop gewezen is. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013 zou hem die cautie op enig moment wel zijn gegeven. De verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het opmaken van de verklaring van [naam 1] op 20 april 2012, zijn onder andere daarover bij de rechter-commissaris gehoord.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat toen zij na de rookpauze terugliepen, verbalisant [verbalisant 2] hem vertelde dat hij [naam 1] de cautie had gegeven tijdens de eerste rookpauze. Hij was daar zelf niet bij. Hij weet niet hoe lang er gesproken is met [naam 1] voordat verbalisant [verbalisant 2] aan hem de cautie heeft gegeven.

Verbalisant [verbalisant 2] bevestigt de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] en heeft verklaard dat hij [naam 1] buiten de cautie heeft medegedeeld. Hij heeft dat op eigen initiatief gedaan. Hij weet niet hoe lang hij toen met [naam 1] had gesproken.

Op grond van vorenstaande kan worden vastgesteld dat [naam 1] op 20 april 2012 gedurende het opnemen van zijn verklaring tijdens een pauze de cautie is gegeven.

Echter, niet kan worden vastgesteld wat door hem op dat moment al was verklaard en waarbij hem de cautie gegeven had moeten worden. Uit het feit dat [naam 1] al vrijwel in het begin van de verklaring op 20 april 2012 een beschrijving van zijn betrokkenheid aan strafbare feiten gaf, moet geconcludeerd worden dat hem dus al heel snel de cautie gegeven had moeten worden.

De cautie op 3 mei 2012
In het procesdossier bevinden zich twee verklaringen die [naam 1] op 3 mei 2012, na de overdracht door de CIE aan het tactisch team, heeft afgelegd.

Het betreft de verklaring van [naam 1] als aangever op 3 mei 2012, aangevangen om 15.36 uur en het verhoor van [naam 1] als verdachte op 3 mei 2012, aangevangen om 20.12 uur.

[naam 1] heeft in de aangifte verklaard over de bedreiging door [naam 2] op 19 april 2012, over het wapen dat gebruikt zou zijn en over de angst die hij voelde en dat hij vreesde voor zijn leven. Terwijl hij daarover verklaarde, is ook regelmatig [naam 1] ’ eigen betrokkenheid ter sprake gekomen bij hetgeen volgens hem aanleiding was voor de bedreiging. De verbalisanten hebben toen telkens aangegeven dat daarover gesproken zou gaan worden als [naam 1] als verdachte zou worden gehoord.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat tijdens het opnemen van de aangifte op 3 mei 2012 aan [naam 1] de cautie is gegeven.

De verklaring is, zo concludeert de rechtbank, een mengeling van zaken die zien op feiten en omstandigheden die hem zijn aangedaan en op zijn betrokkenheid bij mogelijke strafbare feiten. De rechtbank realiseert zich dat het lastig is geweest om, gelet op de achtergrond waartegen de bedreiging volgens [naam 1] had plaatsgevonden, de betrokkenheid van [naam 1] bij door hem zelf genoemde strafbare feiten, niet in de aangifte te betrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat [naam 1] zichzelf wel dusdanig belastte dat hem de cautie had moeten worden gegeven.

De rechtbank stelt voor de volledigheid vast dat in alle andere processen-verbaal waarbij [naam 1] als verdachte is gehoord, is opgenomen dat hem de cautie is gegeven en dat dit in overeenstemming is met wat uit de verbatim uitwerking van die verhoren naar voren komt.

Het niet geven van de cautie tijdens het opnemen van de verklaringen op 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, betreft naar het oordeel van de rechtbank een onherstelbaar vormverzuim. Ondanks het feit dat de politie deze verklaringen ziet als aangiftes, belast [naam 1] namelijk ook zichzelf door te verklaren over zijn rol bij strafbare feiten. Echter, in het onderhavige geval acht de rechtbank dit verzuim niet dusdanig ernstig, dat dit op zichzelf zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Weliswaar belast [naam 1] zichzelf, maar hij doet dit slechts in algemene bewoordingen, terwijl hij in de verklaringen die hij daarna als verdachte met de cautie heeft afgelegd nog vele malen uitgebreid over deze onderwerpen heeft verklaard. De rechtbank zal daarom bepalen dat die delen van de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, waarin [naam 1] zichzelf belast door te spreken over zijn rol bij strafbare feiten, in de zaak van [naam 1] van het bewijs zullen worden uitgesloten.

De rechtbank zal hierna nog bespreken welke consequenties dit heeft in de zaken van de andere verdachten.

II Het pressieverbod en het vertrouwensbeginsel


Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat er in strijd is gehandeld met het pressieverbod ex artikel 29 lid 1 Sv en artikel 6 EVRM en het vertrouwensbeginsel door een veelvoud aan verzuimen. Die verzuimen zouden hebben plaatsgevonden tijdens de oriënterende fase en rond de overdracht naar de tactische recherche en de overhandiging en het gebruik van de aantekeningen die [naam 1] had gemaakt.

De overhandiging door de CIE aan de tactische recherche was ongeoorloofd omdat deze informatie vertrouwelijk had moeten blijven.

[naam 1] zou volgens de verdediging nooit de verklaringen hebben afgelegd als hem niet door de CIE was beloofd dat hij een nieuw leven zou krijgen in ruil voor zijn verklaringen. Die schijn is in ieder geval gewekt door de CIE en er was daarmee geen sprake van een volledig vrije keuze tot het afleggen van een bekentenis.

De handelwijze van de CIE, tactische recherche en Openbaar Ministerie is doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van [naam 1] .

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat er van enige schending van deze beginselen geen sprake is. [naam 1] is niet misleid. Omdat [naam 1] een bijzondere getuige was, zijn er oriënterende gesprekken gevoerd met de CIE. Er is hem geen deal aangeboden noch mocht hij daar redelijkerwijs vanuit gaan. Er zijn op geen enkel moment verwachtingen bij hem gewekt die dat idee zouden rechtvaardigen. Er zijn geen toezeggingen gedaan op welke manier dan ook. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat het pressieverbod en ook het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verweren die door de verdediging zijn gevoerd met betrekking tot het pressieverbod en het vertrouwensbeginsel elkaar qua onderbouwing deels overlappen. Van belang is om duidelijk te krijgen wat de gang van zaken is geweest, met name tijdens de gesprekken met de CIE en de periode van de overdracht naar de tactische recherche. De rechtbank zal die gang van zaken hieronder bespreken.

De oriënterende fase bij de CIE en de gang van zaken rond de overhandiging van de aantekeningen

De oriënterende fase bij de CIE wordt inzichtelijk gemaakt door het proces-verbaal bevindingen van 9 april 2013. In dit proces-verbaal verklaren de CIE verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dat zij geïnformeerd werden door de parketsecretaris [naam 52] over de aangifte die werd opgenomen van [naam 1] . In opdracht van de CIE Officier is overgegaan tot de oriënterende fase van een Bijzondere Getuigen Traject (BGT). Er werd contact gelegd met [naam 1] ; de aangifte werd opgenomen en afgewerkt door de tactische collega’s en de aangifte werd opgeslagen in de kluis. Diezelfde dag is men gestart met de oriënterende fase BGT. Dat traject werd uitgevoerd conform het landelijk protocol Bijzondere Getuigen, versie 1.0. Het [familie 2] is op 20 april 2012 naar een safehouse gebracht. Er is bemiddeld bij het vinden van een geschikte locatie. Met [naam 1] is uitgebreid gesproken over een aantal afschermings- en veiligheidsbelangen waaronder:

  • -

    Het feit dat het hun eigen keuze en verantwoording was waarover ze met de CIE zouden praten. Alles gebeurde op vrijwillige basis;

  • -

    Het feit dat het voor [naam 1] belangrijk was om zijn persoonlijke situatie en plannen met een advocaat te bespreken;

  • -

    Het feit dat er door de CIE op geen enkele wijze toezeggingen en/of beloftes konden worden gedaan. Dat [naam 1] alleen zelf overzicht had in de complexe zaak en dat de CIE daardoor zeer beperkt was in haar mogelijkheden. Dat de CIE dus ook geen 100 % garantie kon geven op de veiligheid van de [familie 2] . Dat [naam 1] deze situatie zelf had gecreëerd door zich aan te sluiten bij deze criminele organisatie en zelf verantwoordelijk was voor de gevolgen.

De kosten van het verblijf en de huurauto werden door [naam 1] zelf betaald. Het voorstel van de CIE om een advocaat te waarschuwen werd door [naam 1] afgewezen. Hij liet duidelijk blijken daaraan geen behoefte te hebben. Hij had geen advies nodig en vertrouwde een advocaat ook zomaar niet.

[naam 1] gaf ook aan echt “schoon schip” te willen maken. Het was duidelijk dat hij daarover met zijn vrouw uitvoerig had gesproken. Hij sprak ook erg open en direct over zijn eigen criminele rol. Hij is er op gewezen dat hij daartoe niet verplicht was en geen antwoord hoefde te geven op vragen.

De CIE-status gaf alleen extra ruimte om zaken veilig en in rust te bespreken en op hun waarde te schatten. [naam 1] zag geen reden om zijn verhaal achter te houden. Er zijn, zo vermeldt dit proces-verbaal, op geen enkele wijze toezeggingen en/of tegemoetkomingen namens het Openbaar Ministerie en/of politie gedaan.

Volgens [naam 1] was er echter geen andere uitweg meer. Hij kon alleen maar uit het criminele circuit stappen door openheid van zaken te geven en zelf ook op de blaren te gaan zitten.

Op 25 en 26 april 2012 zijn er in deze fase op een afgeschermde locatie gesprekken gevoerd door 2 rechercheurs van de CIE. Op 26 april 2012 heeft [naam 1] handgeschreven aantekeningen aan de rechercheurs overhandigd.

Er zijn in overleg met recherche officier van justitie mr. Valente in deze periode ook noodmaatregelen getroffen, waaronder het in veiligheid brengen van de schoonouders van [naam 1] . Tevens werd [naam 2] vermanend toegesproken op 27 april 2012. Daarna werd men echter weer opnieuw geconfronteerd met dreigincidenten. [naam 1] meldde dit telefonisch. Hij onderhield namelijk nog telefonisch contact met vrienden en familie. De situatie werd daardoor volgens het proces-verbaal al snel onbeheersbaar. Na afronding van de oriënterende fase werd tijdens een telefonisch overleg op 27 april 2012 met mr. Valente en mr. Hambeukers duidelijk dat een tactisch traject de voorkeur genoot omdat, volgens mr. Valente, de situatie onbeheersbaar werd. Beveiligingsaspecten en de wil van [naam 1] om openheid van zaken te geven lagen daaraan ten grondslag. [naam 1] had al diverse keren aangegeven zijn verhaal ook gewoon tactisch te willen doen. Hij was helemaal klaar met die verrotte criminele wereld. Het was voor hem geen enkel probleem om een uitgebreide tactische verklaring af te leggen en hij zou daarbij zijn eigen criminele rol ook niet ontzien. Hij was daarvoor ook op eigen initiatief naar het bureau gekomen. [naam 1] is toen wederom, zoals ook op de eerste dag, geadviseerd deze situatie met een advocaat te bespreken. Teneinde de periode tot aan de tactische overname veilig te overbruggen werd de safehouse locatie met een week verlengd.

Op donderdag 3 mei 2012 vond de formele overdracht van [naam 1] naar het tactische team plaats. De eerder genoemde originele handgeschreven aantekeningen van [naam 1] zijn daarbij ter beschikking gesteld aan de tactische collega’s. De eerder genoemde verklaring van [naam 1] van 20 april 2012 is daarna op 8 mei 2012 in overleg met de CIE officier verstrekt aan de leider van het tactisch onderzoeksteam. Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn de betreffende aantekeningen ook gevoegd.

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de oriënterende fase bij de CIE een week heeft geduurd; van de dag van aankomst op 20 april 2012 tot 27 april 2012 toen werd besloten dat [naam 1] tactisch moest gaan verklaren, hetgeen telefonisch met [naam 1] werd besproken. In die periode is [naam 1] meerdere keren door de CIE verhoord en heeft hij handgeschreven aantekeningen aan de CIE overhandigd.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] als verdachte van 3 mei 2012, welk verhoor verbatim is uitgewerkt, had [naam 1] bij de aanvang van het verhoor een enveloppe bij zich met daarin een kladblok met aantekeningen die hij in de periode voor het verhoor heeft opgeschreven over criminele organisaties en zijn betrokkenheid hierbij. Op dit kladblok heeft [naam 1] aan het einde van het verhoor zijn handtekening gezet. De aantekeningen met daarop zijn handtekening bevinden zich in kopie ook bij het proces-verbaal van verhoor.

De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat er een kopie moet zijn gemaakt van de aantekeningen voorafgaand aan het verhoor van [naam 1] als verdachte op 3 mei 2012. Immers, als [naam 1] het enige en originele exemplaar van de aantekeningen bij zich zou hebben gehad, zou het onmogelijk zijn geweest een kopie zonder handtekening aan het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2013 te voegen. Dit zou ook de verwarring verklaren die is ontstaan omtrent de overdracht van de aantekeningen en de verschillen in de diverse verklaringen hieromtrent.

Bij de rechter-commissaris zijn namelijk door diverse betrokkenen verklaringen afgelegd over de vraag wanneer de aantekeningen zijn overgedragen maar ook over de vraag of de overdracht tijdens het verhoor was afgesproken.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft op 4 september 2015 verklaard dat het kladblok, voor zover hij weet, gewoon naar tactisch is gegaan en dat het vanuit hen (CIE) mee overgedragen moet zijn bij de overdracht van [naam 1] aan het tactisch team.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft op 1 oktober 2015 verklaard dat er kort voor het tactisch verhoor een kort overleg met de CIE heeft plaatsgevonden. Tijdens dit overleg is gesproken over de overdracht van [naam 1] en het tijdstip van de overdracht. Volgens hem is tijdens dat overleg ook gesproken over eerder genoemd kladblok met aantekeningen van [naam 1] en dat [naam 1] dat kladblok aan het tactisch team wilde overhandigen.

[naam 8] heeft op 22 oktober 2013 verklaard dat [naam 1] het mapje met aantekeningen heeft teruggekregen van de CIE toen de CIE met geld op het park kwam. Volgens [naam 8] is toen tegen [naam 1] gezegd dat hij dat mapje voor de camera aan de tactische recherche moest overhandigen.

[naam 1] heeft verklaard dat hij in opdracht van de CIE bij de tactische recherche in de auto is gestapt en is meegereden met de drie rechercheurs. [verbalisant 5] had het kladblok van [naam 1] in zijn bezit. Hoe hij hieraan is gekomen, weet hij niet. Hij veronderstelt dat dit door de medewerkers van de CIE aan hem is overhandigd op het moment dat hij zich is gaan omkleden. Tijdens de rit heeft [verbalisant 5] in het kladblok gelezen en vragen gesteld aan [naam 1] . Later die dag heeft [naam 1] zijn kladblok even terug gekregen van de tactische recherche, omdat dit officieel overhandigd moest worden op beeld.

Uit de verbatim uitwerking van het verhoor van [naam 1] van 3 mei 2012, 20.12 uur, is met betrekking tot de overdracht van de aantekeningen vast komen te staan dat [naam 1] aan het begin van het verhoor de enveloppe met aantekeningen heeft overhandigd en dat aan het einde van het verhoor tijdens het opstellen van het proces-verbaal wordt besproken dat ook die overhandiging nog moet worden genoteerd. Er is op basis van dit verhoor, in samenhang beschouwd met hetgeen [naam 1] en [naam 8] daaromtrent hebben verklaard, voldoende grond om aan te nemen dat de CIE met [naam 1] heeft besproken dat de aantekeningen ten overstaan van de camera aan de tactische recherche moesten worden overhandigd. Zoals hiervoor al is overwogen had de CIE ook een kopie in bezit, nog voordat deze overdracht tijdens het verhoor plaatsvond.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, komt de rechtbank tot de conclusie dat een kopie van het kladblok door de CIE aan de tactische recherche is overhandigd. Deze overdracht is naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd geschied. Dit kladblok betrof namelijk informatie die in het kader van de oriënterende gespreksfase tussen [naam 1] en de CIE – door [naam 1] op verzoek van de CIE – is opgetekend. Dit kladblok had als zodanig, na beëindiging van deze fase, in beginsel als geheime informatie bewaard moeten blijven, althans niet overgedragen mogen worden. Ter zitting heeft de officier van justitie namelijk ook aangegeven dat informatie verkregen tijdens een oriënterende fase in de kluis wordt bewaard en niet wordt overgedragen of gedeeld. Die informatie blijft geheim, aldus de officier van justitie ter zitting. Er is niet gebleken van toestemming van [naam 1] tot het overdragen van deze informatie door de CIE.

Het tactische traject en de reden waarom [naam 1] heeft verklaard

Na het verhoor op 3 mei 2012 als verdachte, is [naam 1] tot aan het verhoor op 9 augustus 2012 17 keer als verdachte gehoord. De rechtbank constateert, mede aan de hand van de verbatim uitwerkingen van een deel van deze verhoren, dat [naam 1] tijdens verhoren uitvoerig heeft verklaard en heeft gevonden dat hij vrijuit kon praten. Tijdens het verhoor op 12 juni 2012 heeft [naam 1] een overzicht gegeven van de volgens hem bestaande criminele organisaties en van personen in Tilburg die zich bezighielden met de teelt van hennep. Organisaties en personen die staan genoemd op door hem opgestelde en tijdens dat verhoor overhandigde handgeschreven aantekeningen. Een overzicht dat, zo constateert de rechtbank, niet was opgenomen in zijn aantekeningen, die in mei 2012 aan de tactische recherche ter beschikking waren gesteld. Op 18 juni 2012 heeft [naam 1] met de tactische recherche in Tilburg rondgereden om adressen in kaart te brengen. Daarover heeft [naam 1] nader verklaard in het verhoor van 20 juni 2012 en daarbij heeft hij diverse handgeschreven aantekeningen op losse vellen papier overhandigd, met daarop informatie met betrekking tot een groot aantal panden: panden waarover hij eerder heeft verklaard. Op de aantekeningen staan 11 panden genoemd met informatie over de opbrengst en de verdeling en over de bij die panden betrokken personen. Op andere pagina’s staat informatie over in totaal 46 adressen. Op 22 juni 2012 tijdens het 2e verhoor, is een groot aantal adressen door hem nader besproken en zijn nog meer aantekeningen met adressen en gegevens over omzet en betrokken personen aan de recherche overhandigd.

Blijkens de verbatim uitwerking van dit verhoor van [naam 1] was het voor hem een opluchting om vrijuit te kunnen praten. Hij en zijn vrouw hadden het moeilijk, maar het was wel een opluchting, zo heeft hij toen verklaard.

Door verbalisanten is bij de rechter-commissaris verklaard over de wijze waarop [naam 1] vervolgens heeft verklaard. Verbalisant [verbalisant 6] heeft op 19 oktober 2015 verklaard dat voorafgaand aan het eerste verhoor een plan van aanpak is gemaakt. Hij had van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 1] begrepen dat [naam 1] honderduit praatte en dat hij veel informatie gaf, en dat op basis hiervan is besloten om [naam 1] maar te laten praten. [verbalisant 6] heeft verder verklaard dat [naam 1] heel erg stellig was en aangaf dat als hij een advocaat zou nemen, hij zijn hele verhaal niet kon doen. [naam 1] wilde eerst zijn hele verhaal doen en dan pas een advocaat inschakelen.

Verbalisant [verbalisant 7] heeft op 22 oktober 2015 verklaard dat er geen opdracht was gegeven om over bepaalde onderwerpen te spreken maar dat [naam 1] dat zelf bepaalde.

Verbalisant [verbalisant 8] heeft op 21 juni 2016 verklaard dat hij en zijn collega [naam 1] hebben laten praten, dat hij een spraakwaterval was en met een heleboel informatie kwam waarin zij op een gegeven moment structuur probeerden aan te brengen. [naam 1] begon met praten over een aantal onderwerpen en sprong van de hak op de tak. Hij sprak over zaaksinhoudelijke onderwerpen, maar ook over andere onderwerpen zoals het nieuws, ijshockey etc. Aan de hand van het verhoor hebben zij als koppel een selectie van onderwerpen gemaakt die [naam 1] zelf aandroeg. Tijdens de autoritten voor en na afloop van de verhoren probeerden zij zoveel mogelijk de zaaksinhoudelijke onderwerpen af te kappen. [naam 1] ging dan over andere zaken praten.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 25 september 2012 verklaard dat het doel van het gesprek dat op 20 april 2012 met [naam 1] werd gevoerd, was om erachter te komen wat [naam 1] wilde. [naam 1] wilde een bepaalde veiligheid en zag geen uitweg meer en stapte daarom naar de politie. [verbalisant 1] kan de precieze bewoordingen niet noemen. Het kwam er op neer dat [naam 1] uit deze wereld wilde stappen.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft op 19 oktober 2015 verklaard dat hij in deze omvang niet eerder heeft meegemaakt dat iemand “zo leegloopt”. De reden was dat [naam 1] er uit wilde stappen en dat de enige mogelijkheid die hij zag was om openheid van zaken te geven. [naam 1] heeft dat meerdere malen uitgelegd. Hij wilde een normaal leven kunnen leiden met zijn gezin. Elke keer als er een hennepkwekerij werd geript werd hij als schuldige aangewezen en had hij een schuld aan de organisatie. Daar was hij klaar mee.

[naam 8] heeft op 22 oktober 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat het een bewuste keuze was van [naam 1] en haarzelf om bij de CIE het volledige verhaal te vertellen, met het idee om op die manier met een schone lei te kunnen beginnen. Zij heeft na het eerste gesprek met de politie met haar man besproken dat de enige manier om uit het circuit te stappen was door volledige openheid van zaken te geven over criminele activiteiten. Zij zijn samen tot deze conclusie gekomen. Zij stond er wel achter om openheid van zaken te geven.

[naam 1] heeft op 6 oktober 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 3 mei 2012 als verdachte is gehoord omdat hij ook betrokken zou zijn geweest bij één en ander. Hij heeft er toen niet voor gekozen een beroep te doen op het hem toekomende zwijgrecht, omdat als hij zou gaan verklaren de CIE verder voor hem en zijn gezin zou gaan zorgen. Hoe meer hij zou gaan verklaren hoe beter de deal er voor hem uit zou gaan zien. Hij heeft telkens aangegeven dat hij geen advocaat nodig had en dat hij zijn verhaal beter zelf kon doen. Voor de feiten en omstandigheden had hij geen advocaat nodig, alleen voor het op papier zetten van de deal. De rechercheurs hebben hem niet gezegd wat hij moest gaan verklaren. Wel is tijdens het transport aangegeven welke onderwerpen de volgende keer aan de orde zouden komen. Hij moest in de tussentijd zoveel mogelijk op papier zetten en zich zo veel mogelijk proberen te herinneren met betrekking tot dat onderwerp. Hij kreeg als het ware huiswerk mee.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de verhoren komen vast te staan dat [naam 1] geen andere mogelijkheid zag om uit de hennepwereld te stappen dan door zo volledig mogelijk openheid van zaken te geven. Hij was sowieso bereid openheid van zaken te geven, ook op de punten als vermeld in het kladblok. Hij gaf tijdens het verhoor op 3 mei 2012 aan dat het wat hem betreft het meest gemakkelijk zou zijn om in het vervolg aan de hand van informatie uit het kladblok vragen aan hem te stellen. Dit betekent dat, hoewel er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim door de overdracht van het kladblok door de CIE aan het tactische team, [naam 1] hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Dit enkele onherstelbare verzuim leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel enig andere consequentie dan de enkele vaststelling zoals vermeld.

De stelling dat het steeds fysiek ophalen van [naam 1] , zou betekenen dat er geen sprake was van een vrije keuze om wel of niet te verklaren, is in het licht van vorenstaande een onjuiste stelling. Zeker als daarbij wordt betrokken dat [naam 1] in ieder geval in de eerste weken vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Het eerste contact met de familierechercheurs vond immers pas plaats na zeven weken. Ook daarna had hij die vrijheid nog omdat hij niet als verdachte was aangehouden. Dat het uit oogpunt van veiligheid wel is gebeurd, maakt niet dat er geen sprake was van vrije wil om te verklaren. Verder heeft te gelden dat [naam 1] tijdens de verhoren contact had met een advocaat en er voor koos daar tijdens de verhoren geen gebruik van te maken om in vrijheid te kunnen verklaren.

Deal en/of toezeggingen?

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of er in de oriënterende fase van de CIE of daarna, toezeggingen zijn gedaan die maken dat [naam 1] zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Uit het dossier komt het volgende naar voren.

Uit de verbatim uitwerking van het verhoor van 3 mei 2012 blijkt dat, nadat [naam 1] is aangegeven dat hij een advocaat kon raadplegen, is gezegd dat [naam 1] als verdachte werd gehoord en dat de verbalisanten over wat hier in de toekomst mee zou gaan gebeuren helemaal geen toezeggingen konden doen.

De rechtbank stelt vast dat in alle processen-verbaal van de opvolgende verhoren van [naam 1] staat vermeld dat er geen toezeggingen, afspraken of beloftes gemaakt konden worden. Deze laatste mededeling is, zo blijkt te meer uit de verbatim uitwerkingen, in wisselende bewoordingen gedaan.

In het verbatim uitgewerkte verhoor van 20 juni 2012 wordt uitvoeriger ingegaan op het niet kunnen doen van toezeggingen dan uit het proces-verbaal van verhoor blijkt:

“Verhoorder: en dat we absoluut geen toezeggingen doen

Verdachte: nee

Verhoorder: afspraken eh, en beloftes kunnen maken.

Verdachte: is me duidelijk ja

Verhoorder: maar begrijp je dat ook?

Verdachte: zeker. Ja.

Verhoorder: ik bedoel eh.

Verdachte: het is niet mijn eerste keer dat ik hier zit.

Verhoorder: nee daarom, maar eh, is misschien dus nog een keer goed om da te herhalen.

Verdachte: ja zeker

Verhoorder: je weet hoe het zit en eh

Verdachte: ik weet dat ik dingen heb gedaan die strafbaar zijn en eh, en ik weet dat daar ook consequenties aan hangen.

Verhoorder: ja

Verdachte: en ik zit hier niet o mijn eigen hachie te redden, ten koste van alles, dus. Dus eh. Het gaat voor mijn open en eerlijk verhoor. En we zien het wel.”

[naam 8] heeft op 22 oktober 2013 verklaard dat op de vraag van de mensen van de CIE wat [naam 1] wilde, deze heeft geantwoord: “Het enige wat ik wil is veiligheid voor mij en mijn gezin”. Voorts zei hij dat hij voelde dat hij niet terug kon naar Tilburg. Hij wilde een eerlijke kans om met een schone lei te beginnen. De CIE-rechercheurs zeiden dat wat [naam 1] tot dan toe had verteld niet genoeg was, maar dat het goed zou komen. [naam 8] en [naam 1] hoefden zich niet echt zorgen te maken. Er zou voor hen gezorgd worden.

Er is nooit specifiek tegen [naam 8] gezegd wat er precies zou gaan gebeuren. [naam 8] hoopte dat haar gezin in of buiten Nederland opnieuw kon beginnen, met een schone lei. [naam 8] is ook aanwezig geweest bij een gesprek met hoofdofficier van justitie mr. Hillenaar. In dit gesprek werd gezegd door mr. Hillenaar dat zij niet geschikt waren voor het getuigenbeschermingsprogramma en dat ze dat ook niet moesten willen. Zij moesten hun regels met betrekking tot de veiligheid opvolgen. Na het gesprek met mr. Hillenaar was het vertrouwen in een goede afloop helemaal weg.

Na het gesprek met de CIE heeft [naam 1] constant tegen [naam 8] gezegd dat hij de indruk had dat het wel goed zou komen. Voor zover zij weet zijn er geen concrete toezeggingen gedaan. Haar man is haar enige bron van deze informatie.

[naam 1] heeft op 11 maart 2014 verklaard dat toen de CIE vroeg wat hij wilde, hij reageerde met: “Hoezo”. Hij wist niet dat hij iets te willen had. Hij heeft aangegeven dat hij een nieuwe start wilde, dat hij weg wilde van hier, dat Nederland geen optie was omdat het anders niet goed met hem zou aflopen. De CIE reageerde met de opmerking dat hij dan alles moest vertellen en dat zij dan voor hen zouden gaan zorgen. Vanaf dat moment had hij het gevoel dat hij serieus werd genomen en dat naar hem geluisterd zou worden. Hij heeft alle instructies van de CIE opgevolgd. Volgens hem had hij op dat moment al een afspraak. Hij zou gaan praten en dan zou de CIE voor hem en zijn gezin gaan zorgen.

Op 12 maart 2014 heeft [naam 1] verklaard dat tijdens het tweede gesprek niet is gesproken over hoe de deal er verder uit zou gaan zien. Er is hem tijdens een lunch gezegd dat hij aangifte moest doen en dat hij verder bij de tactische recherche diende te verklaren. Hij had er geen moeite mee dat zijn naam dan bekend zou worden, want hij zou toch verdwijnen. Eind juli/begin augustus 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden met mr. Hillenaar. Hij was in de ogen van [naam 1] de hogerhand waarnaar diverse malen was verwezen door de CIE. Tijdens dat gesprek werd hem medegedeeld dat hij de eerder gemaakte afspraken met de CIE op zijn buik kon schrijven.

Op 6 oktober 2014 heeft [naam 1] verklaard dat hij telkens buiten de verhoren om heeft aangegeven dat hij zich had gehouden aan zijn gedeelte van de deal en dat hij vervolgens heeft gevraagd wanneer zij nu eens rond de tafel zouden gaan zitten om de deal verder op papier te zetten. Door [verbalisant 5] en zijn collega’s werd continu verwezen naar hogerhand. [naam 1] verklaart dat hij een mondelinge overeenkomst met de CIE had die later nog op papier moest komen. Hoe meer informatie hij gaf, hoe beter. Zijn gezin zou een veilige toekomst krijgen, niet in Nederland. Hij hoefde geen zak met geld, maar zou een eerlijke start krijgen. Hoe goed die toekomst er uit zou zien, hing af van de hoeveelheid informatie die hij zou geven. Tot de ontmoeting die heeft plaatsgevonden met de hoofdofficier van justitie heeft hij nimmer te horen gekregen dat hij de deal kon vergeten. De deal bestond daaruit dat hij aangaf wat hij wilde en dat de CIE heeft gezegd dat ze hiervoor zouden zorgen. Zij zouden gaan zorgen voor hun veiligheid en dat zijn gezin en hij een nieuwe kans/start zouden krijgen ergens in het buitenland.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 25 september 2016 verklaard dat hij met [naam 1] niet heeft gesproken over het uitwerken of de inhoud van een deal. Hij kan zich niet herinneren dat [naam 1] heeft gezegd dat hij een deal had. Hij kan zich herinneren dat [naam 1] buiten de verhoren om weleens heeft aangegeven dat hij zich heeft gehouden aan zijn gedeelte van de deal, maar of hij telkens is verwezen naar hogerhand, kan hij zich niet herinneren.

[verbalisant 3] heeft op 27 september 2016 verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat zij zouden hebben aangegeven dat zij voor de [familie 2] zouden gaan zorgen. Zij hebben wel een aantal maatregelen getroffen met betrekking tot de veiligheid van de [familie 2] . Als in dat kader het woord “zorg” is gevallen kan hij zich dat wel voorstellen. Het is zeker niet zo gezegd dat als [naam 1] zou gaan praten zij voor hem zouden gaan zorgen. Dat is absolute onzin, want [naam 1] was al aan het praten.

Ook verbalisant [verbalisant 2] heeft op 28 september 2016 verklaard dat hij niet van op de hoogte is van een deal die zou zijn gesloten met [naam 1] . Hij heeft tijdens het eerste contact tegen [naam 1] gezegd dat de CIE mogelijk iets voor hem zou kunnen betekenen. Voor zover hij weet zijn er nooit toezeggingen gedaan aan [naam 1] en is nooit gesproken over een deal. Er is volgens hem nooit een deal gesloten. Over het verlenen van bescherming is nimmer gesproken op 20 april 2012, want daar gaat hij niet over. Hij heeft van [verbalisant 1] ook niet vernomen dat er over bescherming is gesproken.

Was er een deal in juridische zin?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake was van een zogenaamde deal in juridische zin. Daartoe is allereerst van belang wat de uitkomst is geweest van de gesprekken met de CIE. Bij de beoordeling van de vraag wat het doel was van de gesprekken met de CIE, dient betrokken te worden wat de taak is van de CIE. De taak van de CIE zoals die is omschreven in artikel 4 van de Regeling Criminele Inlichtingen Eenheden, luidt:

“Criminele inlichtingen eenheden verrichten in ieder geval de volgende werkzaamheden:

a. het verzamelen en verifiëren van criminele inlichtingen;

b. Het verwerken van criminele inlichtingen in een bestand, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

c. het bevorderen van het gericht inwinnen en aanvullen van criminele inlichtingen en andere gegevens die in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in aanmerking komen voor verwerking op grond van de Wet politiegegevens;

d. het analyseren van criminele inlichtingen en het aan de hand daarvan:

1°. signaleren van criminaliteitsontwikkelingen, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens;

2° periodiek verslag doen ten behoeve van criminaliteitsbeelden;

e. het ter beschikking stellen van criminele inlichtingen overeenkomstig artikel 10, vijfde lid, van de Wet politiegegevens.”

De in voornoemde regeling omschreven taak van de CIE is echter ruimer dan alleen het voeren van oriënterende gesprekken ten behoeve van artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering. Het begrip “bijzondere getuige” omvat ook meer dan een getuige als bedoeld in dat artikel. En ook het begrip “oriënterende fase” duidt daar op. De contacten met de CIE hadden dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet alleen het door de verdediging gestelde vooropgezet doel om een deal in juridische zin te sluiten. Uit het procesdossier kan ook niet worden opgemaakt dat op enig moment ter sprake is gekomen dat [naam 1] in ruil voor een verklaring strafvermindering wilde of dat die optie hem is voorgehouden, hetgeen aan de regeling in artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering ten grondslag ligt. Integendeel: [naam 1] heeft vanaf het eerste contact aangegeven dat hij alleen een nieuwe start wilde en veiligheid voor hem en zijn gezin. In de fase van de BGT zijn ook geen andere voorzieningen getroffen dan het in overleg met [naam 1] zoeken naar veilige verblijfplaatsen en het maken van afspraken gericht op de wijze waarop door [naam 1] en zijn gezin gehandeld moest worden. Deze periode was bedoeld, zoals het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2013 omschrijft, “voor het creëren van veiligheid, rust en overzicht” en de toetsing of een BGT mogelijk was.

De CIE heeft blijkens voornoemd proces-verbaal [naam 1] er ook van begin af aan op gewezen dat hij door het afleggen van een verklaring zelf als verdachte in beeld kwam en dus, zo concludeert de rechtbank, als een mogelijk te identificeren persoon. Uit de door [naam 1] opgemaakte aantekeningen kwam bovendien de omvang van datgene waarover hij wilde gaan verklaren, helder naar voren. Het is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat die informatie direct naar [naam 1] te herleiden zou zijn, waarmee vanaf het begin duidelijk was dat zijn identiteit niet verborgen zou kunnen blijven. [naam 1] wilde ook openheid van zaken geven en zelf op de blaren gaan zitten.

De bewering van de verdediging dat de CIE aan [naam 1] verteld zou hebben dat ze niets voor hem konden doen als hij niet ook met naam erbij zou verklaren, acht de rechtbank in het licht van vorenstaande ongegrond.

Door de CIE is op de eerste dag met [naam 1] en zijn vrouw gesproken over belangrijke afschermings- en veiligheidsbelangen. Toen duidelijk werd dat extra veiligheidsmaatregelen nodig waren, zijn er met CCB (de afdeling “Conflict en Crisis Beheersing”) nadere afspraken gemaakt over de bewaking en beveiliging. Dit contact is tijdens de tactische fase voortgezet.

Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat, zoals de verdediging heeft betoogd, de CIE de beveiliging van [naam 1] op zich nam. De CIE heeft alleen de dienst ingeschakeld die bevoegd was daarin een standpunt te bepalen, namelijk het CCB, een afdeling binnen het stelsel “Bewaken en Beveiligen”.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie worden getrokken dat er in de oriënterende fase of in een vroeg stadium daarop volgend aan [naam 1] een zodanig concrete toezegging is gedaan dan wel afspraken zijn gemaakt dat er gesproken kan worden van een deal in juridische zin. Alleen [naam 1] gebruikt deze bewoordingen en eigenlijk ook pas vanaf zijn verhoor in augustus 2012. Naar het oordeel van de rechtbank was de belangrijkste drijfveer van [naam 1] om te verklaren en te blijven verklaren omdat hij wist dat, zoals ook tussen hem en [naam 8] was besproken, alleen door volledige openheid van zaken te geven over criminele activiteiten, hij aan de wereld waarin hij zat kon ontsnappen.

Dat hij deze uitgebreide verklaringen is gaan afleggen omdat hij een deal met justitie had in juridische zin, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Er is dus in zoverre geen sprake geweest van handelingen in strijd met het pressieverbod door te stellen dat [naam 1] en zijn vrouw door de CIE in de veronderstelling zijn gebracht en gelaten dat zijn tactische verklaringen werden afgelegd als onderdeel van een aankomende deal met de CIE ex artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering.

Gerechtvaardigd vertrouwen bij [naam 1] ?

De vraag is voorts of bij [naam 1] het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij met het afleggen van uitgebreide tactische verklaringen een nieuwe start zou krijgen met zijn gezin.

De rechtbank stelt daartoe voorop dat, zoals ook door de verdediging is aangegeven, de verschillende strafrechtelijke bestuursorganen verplicht zijn de gerechtvaardigde verwachtingen van burgers en daarmee ook verdachten te honoreren. Gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend aan toezeggingen en daarnaast aan feiten en omstandigheden die samenhangen met deze toezeggingen.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals hierboven reeds weergegeven, van een deal in juridische zin geen sprake is geweest. Van een beloning voor de bereidheid om te verklaren is niet gebleken.

Blijkens de verklaringen van [naam 1] heeft hij echter wel bepaalde verwachtingen gehad, al dan niet ontstaan tijdens de gesprekken met de CIE. Zo spreekt hij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris meerdere malen over het feit dat hem is gezegd dat voor de veiligheid van zijn gezin zou worden gezorgd en dat hij een nieuwe start zou krijgen.

Op 3 mei 2012 heeft [naam 1] , blijkens de verbatim uitwerking van de aangifte, gezegd: “dat er bepaalde dingen die moeten, vrouw en kinderen veilig. Ik zelf vind ik niet zo belangrijk maar puur vouw en kinderen veilig. Eh, geen financiën, geen huis, niet terug naar je eigen stad”. Hij speekt over “opluchting” als wordt gevraagd hoe het is om uit de school te klappen en over “dat er geen uitweg is”. Er is, zo verklaart hij, “maar één manier om er een einde aan te brengen en dat is naar jullie (de rechtbank begrijpt de politie) te komen. En openheid en eerlijkheid te geven”. In zijn verhoor als verdachte op 3 mei 2012 heeft hij gezegd: “Ik zit zelf veilig, ik zit hier niet om mijn straf te ontlopen, dus ik ga geen mooi weer spelen om er onderuit te komen”… “Dus of jullie in gedachten willen houden hoe de mogelijkheden zijn in de toekomst. Hoe dat werkt. Ik weet helemaal niks namelijk. Dat klinkt heel lullig. Ik ben geen domme jongen, maar op een gegeven moment zit je…als ik zonder geld zit. Buiten mijn woonplaats, zonder vervoer, ik kan niemand contact opnemen, mijn kinderen moeten naar school, medische zorg, medicijnen. Ik heb geen uitkering. Ik werk niet. Ik kan nu niet meer gaan werken. Maar eerst dit oplossen. Dus…hoe dat het in dit traject werkt, ik ben er helemaal vreemd in. Ik sta over een dag of tien zonder geld, en zonder onderdak. Ik weet dat het niet jullie taak is. Maar hebben jullie vaker met dit bijltje gekapt?”

In het verhoor van 13 december 2012 heeft [naam 1] gezegd: “Ik kan er niets aan veranderen. Alleen ik had een andere verwachting.”

Uit deze uitlatingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen concrete toezeggingen waren gedaan maar dat [naam 1] wel bepaalde verwachtingen had. Tijdens de verdere verhoren bij de tactische recherche is verder niet over de invulling van die verwachtingen gesproken, zo blijkt uit de verklaringen van [naam 1] en zijn vrouw bij de rechter-commissaris. Hij dacht dat het wel goed zou komen en dat voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd.

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de Staat een zorgplicht had jegens [naam 1] en zijn gezin. In zoverre bevestigt zij de verwachting van [naam 1] dat er voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd. Immers op de Staat rust een zorgplicht jegens getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Blijkens het dossier viel [naam 1] in dat kader ook onder het Stelsel Bewaken en Beveiligen en zijn uiteindelijk maatregelen getroffen waaronder hij thans valt.

Ervan uitgaande dat [naam 1] op grond van die op de Staat rustende zorgplicht mocht verwachten dat voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd dienen de volgende door de verdediging opgeworpen vragen te worden beantwoord:

  1. Heeft [naam 1] openheid van zaken gegeven omdat hij daartoe werd gedwongen door de mededeling dat hij dan bescherming zou krijgen?

  2. Heeft het Openbaar Ministerie voldaan aan haar zorgplicht op het moment dat [naam 1] openheid van zaken had gegeven?

Ten aanzien van de eerste vraag heeft te gelden dat, zoals hiervoor al is weergegeven, [naam 1] uit eigen beweging naar de politie is gegaan, dat hij wilde verklaren, dat hij hoopte dat de politie zijn gezin kon beveiligen en dat hij wist wat de consequenties waren van zijn verklaring.

De rechtbank maakt hieruit op dat er geen sprake is van schending van het pressieverbod en dat [naam 1] wel degelijk uit vrije wil heeft verklaard. Natuurlijk is het zo dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortkomt uit de medewerking van [naam 1] aan de verhoren. De politie moest immers wel een basis hebben op grond waarvan beveiliging noodzakelijk zou zijn. Maar blijkens zijn eigen verklaringen en die van zijn vrouw realiseerde hij zich dat al voordat hij naar de politie stapte en heeft de politie hem daar niet toe aangezet. Hij had immers al voordat hij naar de politie ging met zijn vrouw besproken dat het noodzakelijk was om volledige openheid van zaken te geven om bescherming te kunnen krijgen.

Ten aanzien van de tweede vraag is de rechtbank van oordeel dat er een zorgplicht rustte op de Staat. Zoals hiervoor reeds is overwogen had [naam 1] bepaalde verwachtingen van de invulling van deze zorgplicht. Zo had hij bijvoorbeeld zelf niet gedacht dat het veilig zou zijn om met het Openbaar Vervoer naar zijn advocaat te reizen. De rechtbank kan zich ook goed voorstellen dat hij bepaalde verwachtingen had, gezien de inhoud van zijn aangifte en zijn later als verdachte afgelegde verklaringen. Echter, de inhoud en de doelmatigheid van de invulling van die zorgplicht ligt geheel bij de Staat. Daar komt bij dat de strafrechter helemaal geen toetsende rol toekomt als het gaat om de invulling van een dergelijke zorgplicht. De rechtbank zal dan ook niet in de beoordeling treden van de wijze waarop de bescherming van [naam 1] en zijn gezin vorm en inhoud heeft gekregen. Evenmin is vast komen te staan dat aan [naam 1] mededelingen dan wel toezeggingen zijn gedaan in het kader van de zorgplicht, anders dan dat er voor zijn veiligheid en de veiligheid van zijn gezin zou worden gezorgd, waarop hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Dat [naam 1] mogelijk zelf hogere verwachtingen heeft gehad, maakt dat niet anders.

De rechtbank stelt, onder andere op basis van de citaten uit de verbatim verhoren zoals hiervoor zijn aangehaald, vast dat de communicatie over de invulling van die zorgplicht wellicht niet altijd even helder is verlopen. De officier van justitie heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat een en ander niet de schoonheidsprijs verdient. Ook uit de verbatim uitgewerkte verhoren van [naam 1] maakt de rechtbank op dat dit een bijzondere zaak betrof die voor iedereen eigenlijk nieuw was en waar de politie niet altijd even goed raad mee wist. Hierbij wordt verwezen naar de verbatim uitwerking van het verhoor van [naam 1] van 13 december 2012 waar de verhoorder aangeeft dat de zaak zo uniek is dat het daardoor voor [naam 1] , maar ook voor de politie zelf, zoeken was hoe er mee om moest worden gegaan. Dat daardoor niet altijd alles vlekkeloos is verlopen, begrijpt de rechtbank dan ook. Van enig opzet daartoe is echter niet gebleken en ook kan niet worden gezegd dat hiermee inbreuk is gemaakt op een bij [naam 1] opgewekt vertrouwen.

De rechtbank komt op grond van vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien dan ook tot het oordeel dat geen sprake is van schending van het pressieverbod en het vertrouwensbeginsel.

III Salduz


Het standpunt van de verdediging

[naam 1] had voorafgaand dan wel tijdens zijn aangiftes/verhoren op het consultatierecht gewezen moeten worden, terwijl [naam 1] ook niet op een geldige wijze afstand heeft gedaan van dat recht.

Het standpunt van het Openbaar ministerie

[naam 1] is gewezen op zijn recht op een advocaat. Overigens gold [naam 1] niet als aangehouden verdachte, zodat het conform de regels is gegaan dat de politie de piketcentrale niet belde. Toen [naam 1] in augustus 2012 werd aangehouden is hem een advocaat toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op 20 april 2012 en tijdens het doen van de aangifte op 3 mei 2012 aan [naam 1] niet is medegedeeld dat hij een advocaat kon raadplegen. Dat is wel gebeurd op 3 mei 2012 tijdens het eerste verhoor als verdachte (20.12 uur). De verbatim uitwerking van het verhoor als verdachte op 3 mei 2012 vermeldt:

“Wil je met een advocaat overleggen?”

“nee, niet in deze fase, en niet in dit verhoor”.

De rechtbank stelt verder vast dat vervolgens niet in elk verhoor aan [naam 1] is medegedeeld dat hij een advocaat kon raadplegen. Echter, vanaf het eerste verhoor na 3 mei 2012 is wel steeds in wisselende bewoordingen ter sprake gekomen of [naam 1] contact had of zou gaan hebben met een advocaat.

De rechtbank heeft vastgesteld dat hetgeen hierover in de processen-verbaal van verhoor is opgenomen nagenoeg steeds een correcte zakelijke weergave vormt van hetgeen in de verbatim uitwerking is opgenomen.

Zij constateert alleen het navolgende verschil:

In het verbatim uitgewerkte verhoor van 9 juni 2012 staat terzake het contact met de advocaat:

“Mijn advocaat momenteel is Boonis. De man heb ik vorige week nog gesproken en eh, heb ik aangegeven, hoe dat precies zit. Omdat ik geen advocaat nodig he”.

Deze zinssnede is niet in het proces-verbaal vermeld.

Het verweer dat Salduz is geschonden omdat [naam 1] op 20 april 2012 en 3 mei 2012 niet is gewezen op zijn consultatierecht wordt verworpen. Dit geldt eveneens met betrekking tot het verweer dat de wijze waarop [naam 1] van dat recht heeft afgezien niet kan worden beschouwd als een geldig afstand doen.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/ida7f1fd5b06c42c9609686fb4ab1b7d26) EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit geldt niet wanneer een verdachte vrijwillig is meegegaan voor verhoor dan wel zich, na een daartoe strekkende uitnodiging, zelf heeft gemeld voor verhoor. Dus ook niet in het onderhavige geval waar [naam 1] zichzelf meldt en openheid wil geven over strafbare feiten waarbij hijzelf betrokken is.

Voor zover het de verhoren na de aangifte op 3 mei 2012 betreft, geldt dat verdachte [naam 1] desbewust, vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van een eventueel aan hem toekomend recht op bijstand. De rechtbank heeft met name door lezing van de verbatim uitwerking van de verhoren van [naam 1] getoetst op welke wijze met [naam 1] is besproken of hij de aanwezigheid van een advocaat bij de verhoren wenste, zich bewust was van de reikwijdte van zijn beslissing en zich bewust was van de proceshouding die hij koos. De reden waarom [naam 1] voor deze houding koos heeft de rechtbank hiervoor besproken, terwijl verder uit de verhoren naar voren komt dat [naam 1] in enig stadium alleen een advocaat wilde om afspraken vast te leggen die voor hem en zijn gezin qua veiligheid en bescherming zouden gaan gelden. Niet om als verdachte te worden bijgestaan.

Tenslotte geldt dat, als er al sprake zou zij van een schending van recht op rechtsbijstand, een enkele schending hiervan niet per definitie leidt tot een schending van het recht op een ‘fair trial’ in de zin van artikel 6 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/ida7f1fd5b06c42c9609686fb4ab1b7d26) EVRM. Beoordeeld moet worden of de procedure als geheel eerlijk is geweest, waarbij het recht op rechtsbijstand als een essentieel element moet worden beschouwd. Waren er dwingende redenen voor beperkingen van het recht op rechtsbijstand en welke gevolgen hadden deze? Ook een aantal andere factoren is van belang bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is, zoals bijvoorbeeld of er sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid vanwege leeftijd of psychische capaciteit, de kwaliteit van het bewijs en de mogelijkheid om het bewijs aan te vechten. Hiervan is in onderhavig geval niet gebleken.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is van schending van het recht op een eerlijk proces doordat [naam 1] zich niet heeft laten bijstaan door een advocaat, geen sprake.

Op de vraag of door de verdediging wel voldoende is aangevoerd waaruit het door het eventuele verzuim ontstane nadeel bestaat, behoeft gelet op vorenstaande niet te worden ingegaan.

IV De verbaliseerplicht

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank en de verdediging bewust en onherstelbaar zijn misleid. De verdediging heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat door de CIE en/of tactische recherche te laat, onjuist of onvolledig werd geverbaliseerd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Dat sprake zou zijn van strijd met de verbaliseerplicht wordt uitdrukkelijk betwist. De overgang van [naam 1] naar het tactisch team op 3 mei 2012 is wel degelijk geverbaliseerd, en wel op 8 mei 2012. Het proces-verbaal van 16 april 2013 is een nadere uitwerking. Het proces-verbaal van 9 april 2013 geeft inzicht in de oriënterende fase met de CIE om te bezien of [naam 1] wel of niet in aanmerking zou kunnen komen voor afspraken. Dit brengt met zich dat [naam 1] in die fase dus niet als verdachte is gehoord en er dus geen strafvorderlijke beslissingen zijn genomen.

Daarnaast geldt dat de getuigenverhoren geen onjuistheden in de processen-verbaal van bevindingen hebben aangetoond en zeker niet inhoudelijk. Ook de verbatim uitwerkingen laten, anders dan mr. Van Essen betoogt, geen inhoudelijk substantiële verschillen zien. Daarnaast wijst de officier van justitie op het feit dat er geen verplichting was om de verhoren van [naam 1] op te nemen, zodat het feit dat de apparatuur niet althans niet goed heeft gewerkt geen verdere consequenties behoeft.

Voorgaande brengt de officier van justitie tot de conclusie dat er geen sprake is van enige schending van de verbaliseerplicht.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 152 Sv schrijft voor dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals gedefinieerd in artikel 132a Sv, is verricht of bevonden. Een redelijke uitleg van artikel 152 Sv brengt mee dat het de opsporingsambtenaren slechts dan vrijstaat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten als hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.

Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de verdediging een wezenlijk belang heeft bij de wettelijke verbaliseerplicht door de politie. Opsporingsambtenaren hebben in het opsporingsonderzoek een sleutelrol bij de waarheidsvinding. Daarbij moeten de binnen het straf- en strafprocesrecht geldende geschreven en ongeschreven vormvoorschriften worden nageleefd. De verbaliseerplicht heeft mede tot doel een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden te verzekeren. Daarnaast dient deze bepaling ertoe controle van de toepassing daarvan door de officier van justitie en de verdediging mogelijk te maken.

De verdediging heeft aangevoerd dat in strijd met de verbaliseerplicht is gehandeld nu de processen-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2013 en 16 april 2013 pas een jaar na dato zijn opgesteld en er dus niet ten spoedigste is geverbaliseerd.

De rechtbank stelt vast dat op 8 mei 2012 reeds een proces-verbaal is opgemaakt waarin staat beschreven dat [naam 1] op 20 april 2012 aangifte is komen doen en dat gelet op de inhoud van die aangifte er door de CIE contact is gelegd met [naam 1] en onderhouden conform het protocol Bijzondere Getuigen. In die oriënterende fase werd volgens het proces-verbaal duidelijk dat een tactisch traject de voorkeur genoot. [naam 1] stemde daarmee in en vervolgens heeft op 3 mei 2012 de formele overdracht plaatsgevonden naar het tactische onderzoeksteam. De rechtbank is van oordeel dat de politie hiermee heeft voldaan aan haar plicht om ten spoedigste proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Later zijn op dit proces-verbaal nog aanvullingen gekomen naar aanleiding van gerezen vragen, te weten op 9 april 2013 en 16 april 2013. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er aanvullingen zijn gemaakt om opheldering te krijgen omtrent bepaalde feiten en omstandigheden niet betekent dat in eerste instantie niet is voldaan aan de verbaliseerplicht. Het betreft hier slechts een aanvulling op het oorspronkelijke proces-verbaal om op gerezen vragen en/of verweren doeltreffend te kunnen reageren.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat de genoemde processen-verbaal onwaarheden bevatten nu de processen-verbaal op onderdelen worden weersproken door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris.

De rechtbank stelt vast dat er op punten afwijkingen zijn te bespeuren in de processen-verbaal van bevindingen en de verhoren van de beide verbalisanten over de exacte gang van zaken rondom de periode van de gesprekken van de CIE. Gezien het tijdsverloop tussen het opstellen van de betreffende processen-verbaal en de verhoren bij de rechter-commissaris kan echter niet worden geconcludeerd dat er destijds opzettelijk onwaarheden in het proces-verbaal zijn vermeld omtrent de exacte gang van zaken. Daar komt bij dat de verschillen niet dusdanig zijn dat kan worden gesproken over schending van de verbaliseerplicht.

Door de verdediging is in zijn algemeenheid naar voren gebracht dat de verhoren van [naam 1] slechts deels zijn uitgewerkt en dat daarmee de verklaringen van [naam 1] zijn gedenatureerd.

De rechtbank stelt voorop dat de wet in artikel 29a lid 2 Sv voorschrijft dat de verklaringen van verdachte, in het bijzonder die welke een bekentenis van schuld inhouden, in het proces-verbaal van verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden worden opgenomen. De verklaring van verdachte wordt daarnaast zoveel als mogelijk in vraag- en antwoordvorm weergegeven. Ook dient verdachte dan wel zijn raadsman de gelegenheid te worden geboden om opmerkingen te maken over de weergave van het verhoor in het proces-verbaal. Deze opmerkingen worden onverwijld aan de verhorende ambtenaar verstrekt en worden, voor zover ze niet worden overgenomen, in het proces-verbaal vermeld. Indien de verdachte met de weergave van zijn verklaring instemt, ondertekent hij deze. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alles wat de verdachte verklaart dat voor de strafzaak relevant kan zijn, wordt weergegeven in het proces-verbaal.

Deze bepaling geldt echter niet voor verklaringen van getuigen. Uit de wet valt op te maken dat de getuige kan verlangen dat “enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen.” Het betreft dus niet de gehele verklaring. Ook voor verklaringen van getuigen geldt dat opgenomen wordt wat voor de strafzaak relevant is.

De rechtbank stelt vast dat [naam 1] tijdens het afleggen van zijn verklaringen deels over zichzelf heeft verklaard maar ook uitgebreid heeft gesproken over anderen. Voor zover hij over anderen heeft gesproken heeft te gelden dat [naam 1] die verklaring als getuige heeft afgelegd en dat alleen de delen die zien op zijn eigen rol als verklaring van [naam 1] als verdachte moeten worden beschouwd. Het is dus niet zo dat alle verklaringen van [naam 1] in het geheel moeten worden getoetst aan de eisen van artikel 29a lid 2 Sv. De rechtbank zal de weergave van de verklaringen van [naam 1] dan ook in dat licht toetsen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de processen-verbaal van verhoor van [naam 1] en van de verbatim uitwerkingen van een aantal van deze verhoren. Zij constateert op basis daarvan dat in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de processen-verbaal vaak hele beknopte samenvattingen betreffen van de zeer uitgebreide verklaringen die door [naam 1] zijn afgelegd. De rechtbank stelt echter ook vast dat hetgeen in de processen-verbaal van verhoor staat vermeld wel degelijk een correcte weergave betreft van datgene wat [naam 1] over zichzelf en over anderen heeft verklaard. De rechtbank heeft in het formuleren van de weergave van de verklaring geen denaturering van de verklaring van [naam 1] kunnen constateren. Ook is niet gebleken dat delen van de verklaring achterwege zijn gelaten die van belang zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. De passages die een bekentenis van schuld inhouden van [naam 1] zijn in de betreffende processen-verbaal tot uitdrukking gekomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam 1] specifiek kwam verklaren over de criminele organisatie van [naam 2] en dat de politie zich blijkbaar in de uitwerking van die verhoren ook op deze organisatie heeft gericht. In de verbatim uitwerking van het verhoor van [naam 1] als verdachte op 3 mei 2012 zegt hij ook “ik heb mij tot deze organisatie beperkt”…”omdat ik hier alle feiten van weet, en van de andere organisaties alles van horen zeggen, of een keer zien, weet. Dus dat is geen directe informatie die ik van alles weet.”

De verdediging heeft specifiek nog gesteld dat alle onderdelen waarin [naam 1] uitgebreid uitlegt dat hij onder bedreiging van [naam 2] diens strafbare handelingen verrichtte, nauwelijks terug te zien zijn in het proces-verbaal, terwijl dit zowel de bewezenverklaring alsook de kwalificatie en de strafbaarheid van de verdachte raakt. Daarmee is zijn verklaring gedenatureerd. De verdediging wijst in dat verband in het bijzonder op de aangifte van 3 mei 2012. [naam 1] legt daarin volgens de verdediging uitgebreid uit hoe hij vanaf het begin bij [naam 2] in de tang zat. Hij legt uitgebreid de bedreiging maar ook de afpersingssituatie met [naam 2] uit.

Voor zover het de aangifte van 3 mei 2012 betreft moet worden geoordeeld dat het verbaliseren van opmerkingen van [naam 1] inzake de door hem gevoelde dwang op de wijze zoals dat nu in de aangifte is gedaan, naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met de verbaliseerplicht, aangezien het een aangifte betrof en [naam 1] is toegezegd dat, als hij wil verklaren over zijn eigen criminele activiteiten, hij in een later verhoor meer mag verklaren, wanneer hij als verdachte wordt gehoord.

Wat de latere verhoren betreft, komt, anders dan de verdediging heeft betoogd, de verklaring van [naam 1] dat hij druk voelde vanuit [naam 2] om strafbare feiten te plegen niet alleen in de verbatim uitwerkingen van de verhoren naar voren maar ook in de processen-verbaal zoals die door de verbalisanten zijn opgesteld. Meerdere malen noemt hij dat hij onder dwang dingen moest doen, dat hij druk voelde door de schuld die hij had en dat er misbruik van hem is gemaakt. Hoewel hetgeen hij daarover heeft verklaard blijkens de verbatim verhoren uitgebreider en op meerdere momenten is geweest, is de essentie van de verklaring van [naam 1] op dat punt wel degelijk steeds in de processen-verbaal van verhoor terecht gekomen.

[naam 1] heeft de processen-verbaal ook direct na het verhoor gelezen en getekend. Daar waar hij opmerkingen had over de weergave in het proces-verbaal heeft hij dit ook aangegeven en wordt het door de verbalisanten in het proces-verbaal aangepast dan wel verwerkt. [naam 1] heeft tijdens het doornemen van de verklaringen ook nooit mededelingen gedaan waaruit zou kunnen blijken dat hij vond dat zijn verklaring niet goed of onvolledig zou zijn weergegeven. De rechtbank maakt hieruit op dat ook [naam 1] vond dat de processen-verbaal een juiste weergave waren van hetgeen tijdens de verhoren was besproken.

Dat niet alle verhoren zijn opgenomen door een technische storing maakt evenmin dat sprake is van een ontoelaatbare handelswijze van de zijde van het Openbaar Ministerie.

Vooropgesteld moet worden dat de wet geen verplichting tot registratie van verhoren kent.

In de “Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen, verdachten” is als algemeen uitgangspunt opgenomen: “ Audiovisueel registreren kan van belang zijn als er sprake is van omstandigheden die gelegen zijn in de kwetsbaarheid van de verhoorde persoon of in de aard van het verhoor.” De nadere uitwerking benoemt concreet bij welke misdrijven auditieve registratie verplicht is en tevens in welke gevallen een audiovisuele registratie verplicht is.

Geen van de genoemde misdrijven of genoemde gevallen deden zich in de onderhavige zaak voor.

De keuze om desondanks te registreren moet dan ook naar het oordeel van de rechtbank worden bezien in het betrachten van openheid naar buiten van de kant van het Openbaar Ministerie. Nu het opnemen van de verhoren niet verplicht was, is van een onherstelbaar vormverzuim geen sprake.

De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van schending van de verbaliseerplicht.

V De geheimhoudingsplicht

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de verklaringen van [naam 1] onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie in een vroeg stadium gelekt zijn aan het NRC, de Universiteit Tilburg en de gemeente Tilburg. De verdediging heeft hierbij gewezen op een artikel uit het NRC van 25 januari 2014 (bijlage V bij het pleidooi van mr. Van Essen) en op de verklaring van verbalisant [verbalisant 6] bij de rechter-commissaris op 19 oktober 2015. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat informatie zou zijn gelekt omdat ook de pers aanwezig was op de actiedag van 21 augustus 2012. Voorts werd de verdediging gehinderd door beïnvloeding van potentiële getuigen door het lekken van informatie.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft in repliek aangevoerd dat “Onderzoek Heemskerck is gedeeld in RIEC verband conform de daarvoor geldende regels voor informatiedeling”. De officier van justitie heeft voorts gesteld dat geen informatie naar de pers of anderen is gelekt.

Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat met betrekking tot het verstrekken van verklaringen van [naam 1] aan derden door de raadsvrouw van [naam 1] eerder is gevraagd om onderzoek te doen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2014 heeft de rechtbank de officier van justitie ook opdracht gegeven om een aanvullend proces-verbaal op te laten maken met betrekking tot de vraag of verklaringen van [naam 1] aan derden zijn verstrekt en zo ja, aan wie dat is gebeurd en waarom dit heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft omtrent het uitgevoerde onderzoek gerapporteerd in een brief van 4 november 2014 en de rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 9 april 2015 bepaald dat de officier van justitie met de brief van 4 november 2014 heeft voldaan aan de door de rechtbank op 22 april 2014 gegeven opdracht.

Verder stelt de rechtbank vast dat op 19 oktober 2015 aan verbalisant [verbalisant 6] bij de rechter-commissaris wordt gevraagd of de verklaringen van [naam 1] aan derden zijn verstrekt. [verbalisant 6] heeft daarop geantwoord dat, voor zover hij zich dat kan herinneren, de verklaringen van [naam 1] zijn verstrekt aan de Gemeente Tilburg en de Universiteit Tilburg. Hij weet niet of de namen toen zijn verwijderd.


Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van drie momenten waarop in de visie van de verdediging informatie zou zijn gedeeld/gelekt, namelijk:
1. op de actiedag naar de pers op 21 augustus 2012;
2. aan de Universiteit Tilburg, de gemeente Tilburg (in RIEC verband);
3. aan het NRC, hetgeen heeft geleid tot het artikel in het NRC van 25 januari 2014.

Ten aanzien van elk van die momenten overweegt de rechtbank als volgt.

1
1. De actiedag op 21 augustus 2012
Betreffende de aanwezigheid van de media tijdens de actiedag is de rechtbank van oordeel dat dit niet het gevolg is geweest van het lekken van informatie door de politie. Sterker nog, de rechtbank is er mee bekend dat het niet ongebruikelijk is dat de media door de politie voor een actiedag wordt uitgenodigd, mits daarbij alle privacy- en geheimhoudingsaspecten in acht worden genomen.

Dat deze privacy- en geheimhoudingsaspecten in het onderhavige geval zouden zijn geschonden is naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld noch gebleken en het verweer van de verdediging dat de geheimhoudingspicht zou zijn geschonden, enkel door de aanwezigheid van de media op de actiedag, moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden verworpen.

2
2. Aan de Universiteit Tilburg, de gemeente Tilburg (in RIEC verband)
De rechtbank stelt vast dat in artikel 16, eerste lid, onder b van de Politiewet wordt bepaald dat politiegegevens worden verstrekt aan de burgemeester voor zover zij deze behoeven in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, of in het kader van de handhaving van de openbare orde.
Voorts wordt in artikel 22, eerste lid van de Wet Politiegegevens bepaald dat politiegegevens kunnen worden verwerkt ten behoeve van beleidsinformatie, wetenschappelijk onderzoek of statistiek met het oog op de taak, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder de voorwaarde dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten. Op grond van eerdergenoemde brief van de officier van justitie d.d. 4 november 2014 is voorts vast komen te staan dat de verklaringen van [naam 1] met instemming van het Openbaar Ministerie zijn verstrekt aan criminologen verbonden aan het RIEC Zuid West Nederland en Oost Brabant, aan criminologen verbonden aan het Integraal Afpakteam en aan medewerkers van de Universiteit Tilburg. De verstrekking heeft plaatsgevonden op grond van artikel 39g jo artikel 15 van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens.

De rechtbank is op grond van voornoemde wettelijke regelingen van oordeel dat met het verstrekken van politiegegevens aan de Universiteit Tilburg, aan het RIEC en daarmee ook aan de gemeente Tilburg, geen sprake is geweest van schending van de geheimhoudingsplicht.

3
3. Het artikel in het NRC van 25 januari 2014
Bij bestudering van het artikel komt de rechtbank tot de conclusie dat het erop lijkt dat een opsporingsambtenaar van politie wordt geciteerd, die daarbij door de schrijver van het artikel wordt aangeduid als “de opsporingsbron” en “de misdaadbestrijder”. Daarnaast worden in het artikel, zo lijkt het, ook de burgemeester van Tilburg, een advocaat die wordt aangeduid als “de beschuldigde advocaat” en ook verdachte [naam 2] geciteerd. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat de inhoud van het artikel in grote lijnen is afgeleid van de verklaringen die door [naam 1] zijn afgelegd.
De rechtbank merkt allereerst op dat op het moment van het publiceren van het artikel in het NRC alle verdachten tenminste al ruim zes maanden op vrije voeten waren. Voorts hadden voor die datum van publicatie in het onderzoek Heemskerck al vier zittingen plaatsgevonden en waren, na de verwijzing door de meervoudige kamer op 17 mei 2013, de getuigen die inhoudelijk over de zaak Heemskerck konden verklaren, door de rechter-commissaris gehoord. Ook was inmiddels het eind-proces-verbaal, dat op 30 januari 2013 was gesloten, aan de verdediging ter hand gesteld. Kortom, gezegd kan worden dat alle ins and outs betreffende het onderzoek Heemskerck al geruime tijd voor de publicatie van het artikel in het NRC bekend waren. De rechtbank kan op grond van dit alles dan ook niet uitsluiten dat de schrijver van het artikel kennis heeft kunnen nemen van het dossier Heemskerck en daarmee ook van de door [naam 1] afgelegde verklaringen. Dat in het artikel ook personen worden geciteerd wil naar het oordeel van de rechtbank niet zeggen dat het juist die personen zijn geweest die de noodzakelijke informatie hebben verstrekt voor de totstandkoming van dat artikel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook met betrekking tot dit artikel geen sprake is geweest van het lekken van gegevens en daarmee ook niet van schending van de geheimhoudingsplicht. Ook de stelling van de verdediging dat getuigen door dit artikel zouden zijn beïnvloed treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, gelet op het hiervoor geschetste tijdsverloop en het gegeven dat inhoudelijke getuigen voor het verschijnen van het artikel al waren gehoord.

VI Het beginsel van zuiverheid van oogmerk

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat de CIE onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie laakbaar heeft gehandeld door niet helder richting [naam 1] maar ook niet richting procespartijen duidelijk te maken op basis van welke bevoegdheid zij hun werkzaamheden hebben verricht. Daarnaast is aangevoerd dat tactisch officier van justitie mr. Valente onbevoegd heeft besloten de gesprekken in het kader van bijzondere getuigen af te breken, aangezien deze bevoegdheid rust bij de CIE officier van justitie. Verder heeft de CIE in strijd gehandeld met de hen toekomende bevoegdheden door vertrouwelijke informatie te delen op tactisch niveau. Ten slotte wijst de verdediging in dit verband op het feit dat Stelsel Beveiligen en Bewaken, belast met het veiligheidstraject, die veiligheid afhankelijk stelt van strafrechtelijke keuzes.


Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het beroep op dit beginsel is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende onderbouwd. Zij stelt zich op het standpunt dat er conform de wettelijke regels en interne regels is gehandeld. Voornoemd beginsel is dan ook niet geschonden.

Het oordeel van de rechtbank

Het beginsel van zuiverheid van oogmerk (ook wel het verbod op détournement de pouvoir genoemd) houdt in dat een bevoegdheid niet mag worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.

De rechtbank stelt allereerst vast dat als er al sprake zou zijn van het niet duidelijk communiceren op basis van welke bevoegdheid werd gehandeld door de CIE, dit niet met zich brengt dat dit op basis van hen niet toekomende bevoegdheden zou zijn gedaan. Daarnaast geldt, anders dan de verdediging betoogt, dat de bevoegdheid om te beslissen tot het beëindigen van de oriënterende gespreksfase met [naam 1] niet bij de CIE officier van justitie ligt, maar juist een bevoegdheid is die de recherche officier van justitie toekomt. Van enig misbruik van bevoegdheid in voormeld verband is dus geen sprake.

Evenmin is het beginsel van zuiverheid van oogmerk geschonden doordat medewerkers van het Stelsel Bewaken en Beveiligen de veiligheid van [naam 1] afhankelijk zouden hebben gesteld van strafrechtelijke keuzes, zoals de verdediging betoogt.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij niet treedt in de toetsing van het veiligheidstraject waarmee Stelsel Bewaken en Beveiligen onder andere is belast. Als de gang van zaken al zo is geweest zoals door de verdediging gesteld, kan niet anders worden vastgesteld dan dat er kennelijk uitspraken zijn gedaan in het kader van de beveiliging/zorgplicht door de betreffende medewerkers daarvan, waartoe zij overigens waren aangesteld. Dat daarbij sprake zou zijn geweest van misbruik van bevoegdheid is niet genoegzaam is gebleken.

Over het delen van vertrouwelijke informatie door de CIE met de tactische recherche, heeft de rechtbank hiervoor onder II al een oordeel gegeven, namelijk dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

VII Het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Zij voert daartoe een drietal punten aan.

Allereerst wijst zij op de beslissing van officier van justitie mr. Valente om de oriënterende gesprekken ex artikel 226g Sv af te breken.

Daarnaast is de beslissing om verdachte te vervolgen op de wijze waarop dit wordt gedaan onredelijk en onbegrijpelijk.

Ten derde wordt gewezen op de strafeis; ook deze is in strijd met een redelijke en billijke belangenafweging.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen inbreuk is gemaakt op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. In dat verband wijst zij op het feit dat [naam 1] zichzelf bij de politie heeft gemeld waarbij er direct is onderzocht of er afspraken gemaakt konden worden met hem en toen bleek dat dat niet het geval was hij steeds met zijn gezin bescherming heeft gekregen.

Daarnaast kan het feit dat [naam 1] wordt vervolgd evenmin een inbreuk op voornoemd beginsel opleveren, aangezien het hierbij gaat om een verdenking van ernstige ondermijnende feiten.

Het oordeel van de rechtbank

In het kader van dit beginsel van een goede procesorde dient de overheid bij onder meer het nemen van een beslissing de daarbij in aanmerking komende relevante belangen behoorlijk tegen elkaar af te wegen. In deze belangenafweging liggen de in het strafrecht geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten. Zo moet er een redelijke verhouding zijn tussen het overheidsoptreden en het daarmee beoogde doel (proportionaliteit) en de verhouding tussen het algemeen belang en het belang van de burger, en dit mag niet in overgrote mate ten nadele van laatstgenoemde zijn. (subsidiariteit)

De gang van zaken met betrekking tot de oriënterende fase bij de CIE is al in het voorgaande uiteengezet, waarbij is aangegeven dat deze onder meer inzichtelijk is gemaakt door het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2013. Hieruit volgt dat de einduitkomst daarvan inderdaad is geweest de beslissing van mr. Valente van 27 april 2012 om het oriënterend traject bij de CIE, om te komen tot eventuele afspraken, te beëindigen.

De verdediging voert aan dat de beslissing om de gesprekken in de oriënterende fase met de CIE af te breken en vervolgens [naam 1] over te dragen naar het tactisch team haar onredelijk en onbegrijpelijk voorkomt. Dit enkele feit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat bij het nemen van deze beslissing door mr. Valente, geen sprake is geweest van een deugdelijke belangenafweging, waarbij de eisen zoals hiervoor verwoord niet in acht zijn genomen.

Ten aanzien van de vervolgingsbeslissing die jegens [naam 1] is genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het in artikel 167, tweede lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of, en zo ja wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent en dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Dat er van zo’n uitzonderlijk geval sprake zou zijn is de rechtbank niet gebleken. Zeker niet nu er geen sprake is van een “deal”. Het feit dat [naam 1] valt onder de zorgplicht van de staat, welke overigens geheel los staat van de strafzaak, doet aan het voorgaande ook niet af. Toetsend aan het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging komt de rechtbank dan ook, anders dan de verdediging, tot het oordeel dat geen sprake is van schending van dit beginsel dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank merkt overigens in voormeld verband nog op dat ook [naam 1] er steeds vanuit is gegaan blijkens zijn verhoren dat ook hij zou worden vervolgd, getuige zijn verklaring: “Ik zit zelf veilig, ik zit hier niet om mijn straf te ontlopen, dus ik ga geen mooi weer spelen om er onderuit te komen.” En “Ik weet dat ik dingen heb gedaan die strafbaar zijn en ik weet dat daar ook consequenties aanhangen.”

Ook ten aanzien van de door de officier van justitie ter zitting geformuleerde strafeis is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een schending van de redelijke en billijke belangenafweging. Immers, nu [naam 1] is vervolgd als ‘gewone’ verdachte, er geen sprake was van een deal en er enkel sprake is van een op zichzelf staande zorgplicht waaronder hij viel en valt, staat het de officier van justitie vrij om een eis te formuleren ter terechtzitting zoals zij heeft gedaan.

Gelet op het voorgaande is er dus geen sprake van schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging zodat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

VIII Equality of arms


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van het beginsel van equality of arms omdat, kort gezegd:

  1. Verzoeken tot het horen van getuigen zijn afgewezen;

  2. De wijze van appointeren ervoor zorgt dat geen kennis kan worden genomen van hetgeen in de zaken van medeverdachten naar voren wordt gebracht en dat daarop dus niet kan worden gereageerd;

  3. De zaak lang “stil” heeft gelegen bij de rechter-commissaris waardoor het ondervragingsrecht niet meer adequaat kon worden geeffectueerd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt vast dat de verdediging uitgebreid in de gelegenheid is geweest om onderzoekswensen in te dienen, waarvan een groot gedeelte is toegewezen. Het feit dat er ook herhaalde onderzoekswensen onderbouwd zijn afgewezen, betekent niet dat daarmee dit rechtsbeginsel is geschonden. Daarvan is geen sprake.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van punt 1:

De rechtbank heeft in aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de strafzaak beslissingen genomen op onderzoekswensen. Er zijn onderzoekswensen toegewezen en een aantal onderzoekswensen gemotiveerd afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld om getuigen te horen en dat er, met de thans voorhanden zijnde stukken en verhoren, voldoende informatie beschikbaar is om (onder andere) de totstandkoming van de verklaringen van [naam 1] te kunnen toetsen. Dat de rechtbank de verdediging onvoldoende mogelijkheden heeft gegeven om, met name de totstandkoming van de verklaringen van [naam 1] te kunnen toetsen, is dan ook niet gebleken. Van schending van het beginsel van equality of arms is daarom geen sprake. De rechtbank ziet ook geen noodzaak om de voorwaardelijk gedane onderzoekswensen van de verdediging alsnog toe te wijzen.

Ten aanzien van punt 2:

De rechtbank merkt op dat, door de verdediging in de gelegenheid te stellen na de inhoudelijke behandeling van de zaken tegen de medeverdachten, nog standpunten naar voren te brengen, ofschoon de zaken niet gevoegd werden behandeld, de verdediging niet door de wijze van appointering in haar belangen is geschaad. Ook op dit punt kan dus niet worden gesproken van schending van het beginsel van equality of arms.

Ten aanzien van punt 3:

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de zaak bij de rechter-commissaris onnodig lang heeft stilgelegen. Dat had niet mogen gebeuren en maakt in ieder geval dat de redelijke termijn (in nog grotere mate) is overschreden. Echter, deze vertraging staat niet op zichzelf. De zaak is door meerdere aspecten vertraagt en op het moment dat de zaak werd verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen was al een geruime tijd verstreken. Op dat moment was er dus al sprake van getuigen die moesten gaan verklaren over feiten en omstandigheden die al langere tijd geleden hadden plaatsgevonden. De vertraging bij de rechter-commissaris is dus niet de (enige) reden dat een aantal getuigen aangeven niet meer te weten hoe een en ander precies is verlopen zodat van schending van het beginsel van equality of arms op deze grond geen sprake kan zijn.

IX Het recht op een eerlijk proces

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging gestelde vormverzuimen afzonderlijk gezien de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet raken. De vraag is dan nog of de onregelmatigheden en vormverzuimen die hiervoor zijn geconstateerd gezamenlijk de conclusie rechtvaardigen dat dusdanig (ernstig) inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan ook geen sprake.

3.4

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Bewijsuitsluiting verklaringen [naam 1]

Standpunt verdediging

Zowel door de verdediging van [naam 1] als door de verdediging van de overige verdachten, is het verweer gevoerd dat de verklaringen van [naam 1] van het bewijs moeten

worden uitgesloten.

Door de verdediging van [naam 1] is gesteld dat de verklaringen moeten worden uitgesloten nu deze door onrechtmatig overheidsoptreden zijn verkregen. Er is sprake van een cumulatie van onherstelbare vormverzuimen en schendingen van beginselen van een behoorlijke procesorde, aan de orde gesteld in het kader van de niet-ontvankelijkheid. Niet alleen de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012 zijn daardoor volgens de verdediging besmet, maar ook alle verklaringen die hij daarna als verdachte heeft afgelegd dienen van het bewijs te worden uitgesloten aangezien ook die onrechtmatig zijn verkregen.

De verdediging van de overige verdachten heeft zich daarbij aangesloten met een beroep op het arrest [naam 9] (hierna te noemen [naam 9] ), stellend dat met dat arrest de Schutznorm is komen te vervallen en dat mitsdien een bewijsuitsluiting doorwerkt in alle zaken.

Standpunt Openbaar Ministerie

De Officier van Justitie heeft gesteld dat er geen sprake is van enig vormverzuim en dat de verklaringen van [naam 1] daarom bruikbaar zijn voor het bewijs. Verder neemt zij het standpunt in dat de lijn van de Hoge Raad dat het bij artikel 359a Sv gaat om vormverzuimen tegen de verdachte, en dat dergelijke verzuimen nooit voorbereidende onderzoeken tegen andere verdachte kunnen besmetten, door het [naam 9] arrest niet opzij is gezet. Dat arrest formuleert geen algemene rechtsregel.

Het oordeel van de rechtbank

In het kader van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim door het niet, dan wel te laat, geven van de cautie tijdens de verklaringen van [naam 1] afgelegd op 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, maar dat dit niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De vraag die voorts aan de orde is, is of deze verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank is van oordeel dat door het niet geven van de cautie, op momenten dat dit wel nodig was, die delen van de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, waarin [naam 1] zichzelf belast door te spreken over zijn rol bij strafbare feiten, in de zaak van [naam 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten. Zijn de daarop volgende verhoren van [naam 1] als verdachte daardoor ook besmet en dienen die ook van het bewijs te worden uitgesloten? De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Weliswaar belast [naam 1] zichzelf in de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, maar hij doet dat slechts in algemene bewoordingen terwijl hij in de verklaringen die hij daarna als verdachte met de cautie heeft afgelegd nog vele malen uitgebreid over deze onderwerpen heeft verklaard. De rechtbank verwijst daarbij naar de overwegingen zoals die hiervoor reeds zijn aangehaald.

De stelling van de verdediging dat [naam 1] is blijven verklaren omdat hij “al uitgebreid uit de spreekwoordelijke doeken had gedaan en er geen weg terug meer was voor hem” is in het licht van het voorgaande onjuist. [naam 1] verklaarde mogelijk omdat hij geen andere uitweg zag, maar dat was niet vanwege de gang van zaken tijdens de oriënterende fase, of wegens de overhandiging van de aantekeningen, het niet geven van de cautie of wegens bij hem bestaande verwachtingen, maar alleen omdat hij zelf had besloten dat volledige openheid geven de enige optie was om uit de wereld te stappen waarin hij de voorbije negen jaar had gezeten.

Ofschoon de relevantie van de uitsluiting van een gedeelte van de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012 beperkt is, gelet op hetgeen in de daarop volgende verklaringen uitgebreid aan de orde komt, stelt de rechtbank echter wel vast dat deze bewijsuitsluiting alleen geldt ten aanzien van [naam 1] zelf. Niet ten aanzien van de andere verdachten. Op grond van het meermaals door de verdediging aangehaalde [naam 9] arrest kan niet tot een ander oordeel worden gekomen.

Overwegingen van het EHRM dienen mede te worden bezien in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarin het EHRM tot een oordeel is gekomen, ook als het algemene overwegingen betreft. Voorts verdient opmerking dat overwegingen van het EHRM niet altijd ondubbelzinnig zijn. Daarom moeten overwegingen van het EHRM met enige voorzichtigheid worden gelezen.

De rechtbank merkt op dat al voor de zaak [naam 9] de benadering in de rechtspraak bestond dat in gevallen waarin op zeer grove wijze de rechten van een verdachte waren geschonden (bijvoorbeeld door mishandeling of ernstige bedreiging) een door een medeverdachte afgelegde verklaring niet in de zaak van een andere verdachte werd gebruikt. En overigens kon dat steeds op basis van een beoordeling aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval.

De zaak [naam 9] betreft naar het oordeel van de rechtbank een specifiek geval dat niet één op één op elke zaak kan worden toegepast. Vergelijkbare omstandigheden als die in het [naam 9] arrest aan de orde zijn gekomen, doen zich in deze zaak niet voor. Voor toepassing van het [naam 9] arrest en uitsluiting van de hierboven genoemde verklaringen van [naam 1] in de zaak van de medeverdachten is dan ook geen grond.

4.2

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 1]

Het standpunt van de verdediging

De verdediging van alle verdachten, met uitzondering van [naam 1] , heeft betoogd dat de verklaring van [naam 1] onbetrouwbaar is gelet op de persoon van [naam 1] en de feiten waarvan hij wordt verdacht. Onderdelen van zijn verklaringen zijn dubieus of staan haaks op die van anderen. Zijn vergaande betrokkenheid bij eigen strafbare feiten geven een motief om te liegen en maken zijn verklaringen niet betrouwbaar. In ieder geval dienen die verklaringen uiterst behoedzaam te worden gehanteerd.

Door met name de verdediging van [naam 4] , zijn een aantal feiten en/of omstandigheden genoemd die tegenstrijdig zouden zijn met overige feiten en omstandigheden uit het dossier, op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de verklaringen van [naam 1] niet betrouwbaar zijn.

Verder is gesteld dat de aanleiding voor [naam 1] om aangifte te doen niet zozeer was gelegen in een bedreiging door [naam 2] , maar eerder in het feit dat hij veel schulden had bij diverse personen vanwege gokschulden en dat er Turken en Chinezen aan de deur kwamen.

Standpunt Openbaar Ministerie

De Officier van Justitie heeft gesteld de verklaring van [naam 1] betrouwbaar te vinden. Zijn verklaringen vinden steun in de overige bewijsmiddelen; zijn verklaringen zijn geverifieerd door de politie; [naam 1] heeft zichzelf belast, gaf heel veel informatie en details en heeft een blocnote volgeschreven wat steun vindt in de bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar zijn, zal de rechtbank betrekken welke verklaringen van [naam 1] door objectieve bewijsmiddelen worden ondersteund. [naam 1] geeft over diverse zaken informatie. Over zaken die de politie nog niet kende, maar ook over zaken die bij de politie al bekend waren, zoals [adres 9] te Goirle en [naam 5] te Alphen. Omdat die informatie in grotere kring bekend kan zijn, zal de rechtbank die zaken voor het vaststellen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 1] buiten beschouwing laten. Overigens lijkt de informatie die [naam 1] geeft over reeds bekende zaken wel te kloppen met wat de politie zelf heeft aangetroffen of uit verklaringen weet.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam 1] op de volgende punten in ieder geval worden bevestigd:

 [naam 1] verklaart dat [naam 4] een contact zou hebben bij de gemeente.

Bij de doorzoeking van de woning van [naam 3] , waar [naam 4] regelmatig zou verblijven, werd een bezoekerslijst van de P.I. aangetroffen, waarop [naam 10] staat vermeld, een ex-vriendin van [naam 4] . Tot februari 2012 was zij stagiaire bij de gemeente Tilburg, zo blijkt uit ingesteld onderzoek;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 20 juni 2012 dat hij op het adres [adres 10] te Oosterhout een kwekerij heeft opgezet waar ook [naam 2] , [naam 11] , [naam 12] bij betrokken waren.

Blijkens het dossier zijn in die woning op zolder in een ruimte achter planken restanten van een kwekerij aangetroffen;

 [naam 1] verklaart op 3 mei 2012 over zijn betrokkenheid bij de kwekerij aan de [adres 2] te Etten-Leur. Daarbij zouden [naam 2] , [naam 4] , [naam 11] , [naam 3] , [naam 13] en [naam 14] betrokken zijn. Er zou worden gekweekt in drie slaapkamers.

Op 8 mei 2012 werd in dit pand door de politie binnengetreden. Op de 1e etage werden in 3 ruimtes hennepplanten aangetroffen. Daarnaast zijn er DNA-sporen aangetroffen die te herleiden zijn naar [naam 3] en [naam 13] en zijn er administratieve bescheiden gevonden op naam van [naam 13] ;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor op 12 mei 2012 dat [naam 4] was betrokken bij een kwekerij aan de [adres 11] te Veghel, waar door de politie in 2010 een inval was gedaan.

Blijkens het dossier heeft de politie daarna een zoeking gedaan bij [naam 4] . Daar troffen zij een navigatiesysteem aan waarin het adres [adres 11] te Veghel was opgeslagen;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 12 mei 2012 dat hij verwacht dat een deel van het geld van [naam 2] in de woning van [naam 2] is, of daarbij in de buurt.

De politie vindt na dit verhoor een geldbedrag van € 200.000,-- in een ton ingegraven in de tuin van verdachte [naam 2] ;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 14 mei 2012 over zijn betrokkenheid bij de kwekerij aan de [adres 7] . [naam 11] zou in de kwekerij met een wapen geschoten hebben en de kogel aan [naam 11] hebben gegeven. In dat verhoor zegt [naam 1] ook dat datzelfde wapen later in de woning van [naam 4] zou zijn afgegaan en dat de kogel dwars door het keukenblad zou zijn gegaan.

Tijdens een doorzoeking van de woning van [naam 4] aan de [adres 12] werd in het keukenblad een kogel aangetroffen.

De politie heeft daarnaast bij de fouillering van [naam 11] een kogel aangetroffen welke kogel door het NFI is vergeleken met de kogel uit het keukenblad. Het NFI heeft geconcludeerd dat deze kogels zeer waarschijnlijk uit één en dezelfde loop afkomstig waren;

 [naam 1] verklaart tijdens zijn verhoor op 15 mei 2012 dat [naam 4] een Mercedes C63 AMG had gekocht, die hij in Duitsland had betaald. Die auto zou op naam zijn gezet van [naam 15] .

Tijdens een doorzoeking van de woning van [naam 15] werd een factuur van een dergelijke Mercedes aangetroffen. Op camerabeelden uit het onderzoek Kenia is [naam 4] ook te zien als bestuurder van zo’n Mercedes;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 15 mei 2012 dat hij denkt dat [naam 3] (de rechtbank begrijpt verdachte [naam 3] ) zijn geld verstopt heeft bij zijn zus [naam 16] . In een andere verklaring spreekt hij over geld in een ton in de tuin bij [naam 3] .

De politie heeft een contant geldbedrag van € 500.100,-- aangetroffen bij [naam 3] dat lag verstopt in een plastic ton die was begraven onder stenen in zijn tuin;

  • -

    [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 16 mei 2012 over schilderijen van [naam 17] die door [naam 18] worden nageschilderd en die bepaalde personen in hun bezit zouden hebben;

  • -

    Tijdens doorzoekingen zijn door de politie in de woningen van [naam 18] en [naam 2] en [naam 11] dergelijke schilderijen aangetroffen; [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 30 mei 2012 dat [naam 2] mogelijk geld heeft verstopt in de woning van zijn schoonouders.

De politie heeft op dit bewuste adres geld aangetroffen;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 12 juni 2012 over de betrokkenheid van [naam 15] en [naam 11] bij hennepkwekerijen in België.

Uit het dossier blijkt dat [naam 19] in 2010 een verklaring heeft afgelegd waarin hij aangeeft dat er een tweetal kwekerijen zijn aangetroffen in België en dat deze van [naam 11] en [naam 15] zouden zijn. [naam 11] zou alle werkzaamheden hebben verricht en [naam 15] was geldschieter;

 [naam 1] verklaart in zijn verhoor van 13 juni 2012 dat [naam 4] wel eens spullen bij een spyshop kocht.

Bij een doorzoeking werd onder [naam 4] een visitekaartje van een spywebshop aangetroffen;

  • -

    [naam 1] heeft verklaard over personen die betrokken zijn bij de criminele organisatie. Enkele van deze door [naam 1] genoemde personen bevestigen zijn verklaring op dit punt. Het betreft onder andere [naam 12] , [naam 14] , [naam 13] en [naam 20] . Daarnaast benoemt hij persoonlijke omstandigheden van bepaalde personen die ook blijken te kloppen, zoals het feit dat [naam 21] zijn diploma in de makelaardij heeft gehaald;

  • -

    [naam 1] geeft in zijn verhoren een beschrijving van zijn rol in de organisatie. Hij kent zichzelf de rol toe van bedrijfsleider, een positie direct onder de door hem genoemde leidinggevenden. Hetgeen [naam 1] over zijn rol in die organisatie verklaart, wordt door onder andere [naam 14] en [naam 13] bevestigd.

De overeenstemmingen die in het procesdossier zijn te vinden tussen de verklaringen van [naam 1] en de bevindingen van de politie, zijn talrijk. Bovenstaande punten zijn slechts een bloemlezing. De rechtbank ziet in beginsel dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 1] te twijfelen.

De door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden waaruit een ander oordeel zou moeten volgen doen daar niet aan af. De rechtbank constateert dat er inderdaad door [naam 1] op een aantal punten wisselend is verklaard en dat zijn verklaring op sommige onderdelen niet overeenstemt met andere bevindingen in het dossier. Een aantal punten zal de rechtbank hieronder bespreken.

  • -

    Met betrekking tot de verschillende verklaringen van [naam 1] over de aankopen via [bedrijf 1] , overweegt de rechtbank als volgt. Bij doorzoekingen werden aankoopfacturen aangetroffen bij [naam 4] en [naam 11] en [naam 3] betreffende de aankoop van goederen bij [bedrijf 11] (hierna te noemen: [bedrijf 11] ). Buiten de vraag of van alle aankopen wel alle administratieve bescheiden zijn aangetroffen, doet de bijstelling van [naam 1] op dat punt niet af aan zijn betrouwbaarheid;

  • -

    Ten aanzien van de verklaring van [naam 22] dat hij [naam 1] kent als iemand die een vishandel bezit, verliest de verdediging naar het oordeel van de rechtbank uit het oog dat ook zijn verklaring een verkeerde weergave kan bevatten van zijn relatie met [naam 1] om zijn eventuele betrokkenheid af te schermen. Daarmee staat niet vast dat [naam 1] onjuist heeft verklaard;

  • -

    De verklaring van [naam 14] dat veel niet waar is van wat [naam 1] zegt, kan niet alleen worden beoordeeld op basis van het beperkte citaat dat door de verdediging is gegeven. Immers, [naam 14] verklaart over zijn eigen betrokkenheid bij [naam 5] . In zijn verhoor van 18 december 2012 verklaart hij, anders dan mogelijk eerder is verklaard, dat hij geen contact meer heeft met de persoon voor wie hij werkte. Hij bedoelt dan [naam 11] . Verder zegt hij dat hij al 9 jaar werker is. In het licht daarvan kan niet worden gezegd dat deze verklaring strijdig is met wat [naam 1] daarover in zijn verhoor heeft verklaard;

  • -

    De verdediging heeft aangegeven dat de bedreiging door [naam 2] geen bedreiging was.
    [naam 1] zou volgens de verdediging wisselend verklaren over datgene waarover de bedreiging zou gaan. De rechtbank stelt vast dat [naam 1] in zijn verklaringen spreekt over de bedreiging door [naam 2] in relatie tot het pand in Etten-Leur aan de [adres 2] . Zijn verklaringen geven duidelijk aan dat de bedreiging van de kant van [naam 2] kwam. Hij zegt dat de bedreiging zag op de opbrengst die [naam 2] zou zijn misgelopen door de geripte kweek. In de verhoren beschrijft hij ook hoe [naam 2] wilde dat diens zoon [naam 4] bij onder meer deze kwekerij betrokken zou worden. [naam 1] moest aan [naam 2] betalen en ook [naam 4] zou een deel krijgen.
    De rechtbank kan in vorenstaande geen wisseling zien zoals door de raadsman gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging genoemde, en hiervoor deels besproken punten, van ondergeschikt belang zijn en niet afdoen aan de betrouwbaarheid van [naam 1] zoals hiervoor besproken. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar.

4.3

Vidgen

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [naam 1] – en in een enkel geval een verklaring van een andere getuige – de enige (bewijs)bron vormt en dat [naam 1] zich met betrekking tot de tenlastegelegde feiten niet door de verdediging wenste te laten ondervragen. Door desondanks gebruik te maken van zijn bij de politie afgelegde verklaringen, zou in lijn met de zogeheten “Vidgen-jurisprudentie” sprake zijn van een schending van het ondervragingsrecht en daarmee schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dit zou zich naar de mening van de verdediging slechts laten compenseren door bewijsuitsluiting van de aangifte en verklaringen van [naam 1] dan wel de andere getuigen waar dit verweer betrekking op heeft.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft in haar repliek aangegeven dat dit verweer van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. De kernvraag die per specifiek feit dient te worden beantwoord – hetgeen volgt uit de “Vidgen-jurisprudentie” – is of het bewijs uitsluitend zonder enig steunbewijs (“sole”) en doorslaggevend (“decisive”) berust op de verklaringen van [naam 1] . Naar de mening van het Openbaar Ministerie is hier geen sprake van. Zijn verklaringen staan immers niet op zichzelf: steunbewijs is te vinden in de verklaringen van andere medeverdachten, getuigen en overige bevindingen. Bovendien dient volgens het Openbaar Ministerie mee te wegen dat de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6, lid 3, onderdeel d, van het EVRM en in het licht van het recht op een eerlijk proces, heeft de verdediging het recht om getuigen te ondervragen. Hierbij dient het te gaan om een effectieve ondervragingsmogelijkheid. De rechtbank stelt vast dat hier in dit geval, nu [naam 1] zich vanaf het moment van ondervraging door de verdediging op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, geen sprake van is geweest. Dit ondanks de omstandigheid – zoals door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht – dat de verdediging feitelijk zeer weinig moeite heeft gedaan om [naam 1] kritisch te ondervragen en heeft verzuimd om hem, ondanks zijn algemene beroep op zijn verschoningsrecht, toch vragen over de rol van hun eigen cliënt te blijven stellen waarmee [naam 1] zichzelf niet zou belasten. Naar het oordeel van de rechtbank was immers voor alle partijen vrij snel helder dat dit een zinloze exercitie zou gaan worden, hetgeen nu niet louter de verdediging voor de voeten geworpen kan worden.

Nu de effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken, dient aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde “sole or decisive-rule” bezien te worden of het bewijs voor de tenlastegelegde feiten uitsluitend óf in beslissende mate berust op de verklaring van [naam 1] (dan wel een andere belastende getuige) die niet effectief ondervraagd is kunnen worden. De rechtbank stelt in het algemeen vast dat de verklaringen van [naam 1] weliswaar een aanzienlijke basis vormen voor het gehele dossier Heemskerck en de daaruit voortvloeiende tenlastegelegde feiten, maar dat er in veel gevallen daarnaast sprake is van ander (steun)bewijs. In die gevallen is het bewijs derhalve niet gestoeld op uitsluitend dan wel in beslissende mate op de verklaring van [naam 1] .

Overigens is de “sole or decisive-rule” later wel door het EHRM gerelativeerd in de zaak [naam 23] (EHRM (GK) 15 december 2015, 9154/10). In die zaak is overwogen dat ook voor getuigenverklaringen van “significant weight” – waarvan in het geval van [naam 1] veelal sprake zal zijn – door de rechter bekeken dient te worden of er voldoende compensatie is geboden voor het geleden nadeel.

Gelet hierop merkt de rechtbank ten aanzien van de feiten waarbij de verklaring van [naam 1] als “sole or decisive” dan wel als verklaring van “significant weight” zou kunnen worden beschouwd, het navolgende op. Het EHRM heeft op 15 december 2011 in de zaken [naam 24] & [naam 25] tegen Het Verenigd Koninkrijk (26766/05 en 22228/06) een relativering aangebracht op de hoofdregel dat een niet effectieve ondervraging van een getuige automatisch zou leiden tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Er is namelijk een mogelijkheid om dit gebrek te compenseren: de verdediging dient voldoende mogelijkheid te hebben gekregen om de betrouwbaarheid van de belastende getuigenverklaring te toetsen, anders dan door rechtstreekse ondervraging. Ten aanzien van hindernissen die de verdediging heeft ondervonden, dient compensatie plaats te vinden op zowel procedureel vlak als op bewijsinhoudelijke gronden (zie ook [naam 26] (EHRM 10 april 2012, NJB 2012/1525, NJ 2012/648), waarbij de mate van compensatie afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit laatste is aan de rechter om zaaksgewijs te beoordelen.

De rechtbank heeft in deze specifieke zaak onderzocht in hoeverre het niet effectief kunnen ondervragen van [naam 1] gecompenseerd is. Daarbij weegt de rechtbank de navolgende omstandigheden mee:

  • -

    [naam 1] is een getuige die meerdere keren (wel zo’n 20 keer) is gehoord, en derhalve niet iemand die slechts eenmalig een voor een verdachte belastende verklaring heeft afgelegd. Daarbij laat de rechtbank tevens meewegen dat [naam 1] zichzelf niet spaart en zijn eigen rol uitvoerig uit de doeken doet;

  • -

    De verklaringen van [naam 1] zijn verbatim uitgewerkt, hetgeen deels een controle van zijn verklaringen mogelijk maakt;

  • -

    De door [naam 1] beschreven rolverdeling van de verschillende verdachten in het onderzoek Heemskerck komt niet uit de lucht vallen, maar komt consequent terug in diens verklaringen en verklaringen van overige verdachten of betrokkenen.

De rechtbank acht hiermee sprake van een voldoende mate van compensatie van de niet effectieve ondervraging van de belastende getuige [naam 1] .
Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, lid 3, onderdeel d van het EVRM, dan wel een daaruit voortvloeiend recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1, van dit Verdrag.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij voor ieder hierna te bespreken feit telkens afzonderlijk heeft beoordeeld of er sprake is van een Vidgen-situatie. In verband met de leesbaarheid van het vonnis heeft de rechtbank echter de keuze gemaakt om dit niet telkens bij ieder feit afzonderlijk te bespreken, maar deze algemene overweging in het vonnis op te nemen. De rechtbank zal hierna per tenlastegelegd feit uiteenzetten welke belastende bewijsmiddelen per feit voor een specifieke verdachte zijn gebruikt.

4.4

Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de feiten

Met betrekking tot feit 1 de bedreiging van [naam 1]

heeft aangifte gedaan van bedreiging en [naam 12] heeft het verhaal van [naam 1] bevestigd. Voorts hebben [naam 16] , via haar broer [naam 3] , [naam 27] en [naam 8] over de bedreiging van [naam 1] verklaard. Dit maakt de verklaring van [naam 1] betrouwbaar. Op grond van voorgaande is het Openbaar Ministerie van mening dat die bedreiging wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Met betrekking tot feit 2 de hennepkwekerij [adres 2] te Etten-Leur

Naar aanleiding van de aangifte van [naam 1] is in de woning [adres 2] te Etten-Leur binnengetreden en werd daar een hennepkwekerij aangetroffen. Het pand werd verhuurd aan [naam 13] . [naam 1] heeft verklaard dat hij het hok met [naam 3] in beheer heeft gehad en dat hij, nadat [naam 3] in België vast kwam te zitten, samen met [naam 2] en [naam 4] verder heeft samengewerkt. Volgens de officier van justitie wordt dit bevestigd door [naam 16] en [naam 28] . Op grond hiervan acht de officier van justitie dit feit wettig en overtuigend bewezen voor de gehele tenlastegelegde periode en voor een aantal planten van 430. Voor het meerdere aantal planten (100 stuks) wordt verzocht [naam 2] partieel vrij te spreken.


Met betrekking tot feit 3 het witwassen

De officier van justitie heeft gewezen op de inkomenspositie van [naam 2] en zijn partner en dan met name op het legale inkomen van hen. Verdachte heeft woningen bewoond, auto’s in zijn bezit gehad en contante uitgaven gedaan, die ver uitstijgen boven het legale inkomen van verdachte en zijn partner. Voorts heeft verdachte zelf verklaard dat hij heel veel geld heeft verdiend in de hennep. Vanwege de lange periode, de veelvoud aan witwashandelingen, de bestendigheid en de diversiteit kan volgens de officier van justitie ook het gewoontewitwassen bewezen worden verklaard. Voor de Renault Twingo wordt vrijspraak gevraagd.


Met betrekking tot de feiten 4 en 5 de criminele organisatie
De officier van justitie is van mening dat er sprake was van een samenwerkingsverband waarbij de deelnemers aan dit verband, waaronder [naam 2] , betrokken zijn geweest bij een of meerdere hennepkwekerijen. In dat verband is voorts gewezen op de verklaringen van [naam 1] , [naam 29] , [naam 11] , [naam 6] , [naam 16] , [naam 28] , [naam 14] , [naam 27] , [naam 30] , [naam 20] , [naam 31] , [naam 12] en [naam 2] over zijn inkomstem uit de hennepteelt in het verleden. [naam 2] dient te worden aangemerkt als leider/bestuurder van deze criminele organisatie.

Met betrekking tot feit 6 [naam 5] in Alphen-Chaam

De officier van justitie vindt dat ook deze hennepkwekerij wettig en overtuigend bewezen kan worden. Al op 15 november 2011 werd er binnengetreden bij [naam 5] en werden hennepkwekerijen aangetroffen. De bovenverdieping werd verhuurd aan [naam 14] . In 2012 heeft [naam 1] met betrekking tot [naam 5] meerdere verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat het huurcontract op naam gesteld was van [naam 14] en de kwekerij gebouwd was door [naam 14] , [naam 12] , [naam 11] en [naam 31] . [naam 14] heeft verklaard dat hij katvanger was voor [naam 5] en dat hij ook drie keer heeft geknipt. Zowel [naam 1] , [naam 14] als [naam 12] verklaren dat zij in de kwekerij hebben gewerkt.

Met betrekking tot feit 7 de hennepkwekerij aan de [adres 7] te Alphen en de knipperij aan de [adres 8] te Tilburg

Tot slot acht de officier van justitie ook dit feit wettig en overtuigend bewezen, waarbij wordt gewezen op de observaties en hetgeen werd waargenomen in de hennepkwekerij in het pand aan de [adres 7] te Alphen, in de knipperij aan de [adres 8] te Tilburg en de aanhoudingen die op het laatste adres hebben plaatsgevonden. Voorts heeft [naam 1] met betrekking tot beide locaties verklaard en deze verklaringen worden door verschillende personen bevestigd, zoals door [naam 20] , [naam 12] en [naam 14] voor wat betreft de [adres 7] en [naam 29] voor wat betreft de [adres 8] .

Met betrekking tot feit 8 de afpersing en/of diefstal met geweld van [naam 3]

De officier van justitie heeft aangevoerd dat [naam 16] en [naam 28] over de afpersing, die volgens de officier van justitie in twee delen uiteenvalt, hebben verklaard en dat die verklaringen in lijn zijn met de verklaring van [naam 1] . Daarnaast wijst zij op de verklaring van [naam 32] , de katvanger van een pand in Diessen. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op verklaringen in het dossier die de intimiderende sfeer van de hele organisatie schetsen, welke werkwijze werd gehanteerd en welke angst er heerste. Daarom kan volgens de officier van justitie ook feit 8 wettig en overtuigend bewezen worden.

4.5

Het standpunt van de verdediging met betrekking tot de feiten


Met betrekking tot feit 1 de bedreiging van [naam 1]

De verdediging is van mening dat er sprake is van een één op één situatie en dat de steun-bewijsmiddelen slechts één bron hebben, namelijk uitingen van diezelfde [naam 1] .

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het enkel tonen van een vuurwapen nog geen bedreiging is, maar dat zelfs niet vast staat dat [naam 2] het wapen heeft getoond omdat [naam 1] heeft verklaard dat [naam 2] hem liet zien dat hij een pistool vast had en dat het pistool in de zak van zijn trui/sweater zat. [naam 1] heeft dus helemaal geen wapen gezien. Voorts stelt de verdediging dat de uitlatingen van [naam 2] gericht waren tegen de rippende katvanger en niet tegen [naam 1] . Tot slot heeft de verdediging gewezen op een alternatief scenario, namelijk dat de contacten die [naam 2] met [naam 1] had, waren gericht op de huuropzegging en het inleveren van de sleutels van die huurwoning van [naam 4] , die op dat moment vast zat.

Nu van enige bedreiging geen sprake is geweest, wordt verzocht om vrijspraak.

Met betrekking tot de tenlastegelegde hennepkwekerijen

[adres 2] te Etten-Leur:

De verdediging voert aan dat de feitelijkheden en de tenlastegelegde periode niet bewezen kunnen worden omdat [naam 1] niet de activiteiten van [naam 2] in relatie tot deze kwekerij heeft benoemd.

[naam 5] te Alphen:

De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat alleen [naam 1] belastend heeft verklaard over betrokkenheid van [naam 2] en er ook overigens uit die verklaringen van [naam 1] dan wel anderszins niet kan worden afgeleid dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feitelijkheden zoals tenlastegelegd.

[adres 7] te Alphen en/of knipperij [adres 8] Tilburg (Kenia):

De verdediging is van mening dat ook voor deze feiten onvoldoende bewijs voorhanden is en dat vrijspraak dient te volgen. Zij stelt daartoe dat [naam 2] slechts één keer te zien was op de [adres 8] in de VW Touran. De verdediging heeft nog aangevoerd dat die VW Touran die dag nog vaker werd gezien, maar niet dat niet werd geconstateerd dat [naam 2] ook een inzittende was. Bovendien heeft alleen [naam 1] de naam van [naam 2] genoemd, maar deze verklaring houdt volgens de verdediging feitelijk niets in omtrent de betrokkenheid van [naam 2] en verder zijn er geen belastende bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het gewoontewitwassen/schuldwitwassen

Met betrekking tot de onroerende goederen is door de verdediging aangevoerd dat de aankoop van alle woningen volledig transparant heeft plaatsgevonden. Er is bij de eerste woning een hypotheek afgesloten samen met een persoonlijke lening, De opbrengsten van de woningen en de inboedel zijn steeds gebruikt bij een opvolgende aankoop, tezamen met een nieuwe hypotheek.

Subsidiair wordt gesteld dat er met deze wijze van financiering sprake is van vermenging, terwijl een eventuele inbreng van een illegaal deel, zo klein is dat niet gezegd kan worden dat het gehele vermogen besmet is geraakt.

Blijkens de tijdens de behandeling ter zitting van de witwas feiten ingenomen standpunten, verschillen de verdediging en het Openbaar Ministerie van mening of alle voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf of dat sommige voorwerpen afkomstig zijn uit eigen misdrijf. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal voorwerpen gesteld dat het om voorwerpen uit eigen misdrijf gaat en dat de kwalificatie-uitsluiting van toepassing is omdat er geen verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot de auto’s

Ten aanzien van de Renault Twingo ontbreekt volgens de verdediging directe betrokkenheid en wordt verwezen naar hetgeen het Openbaar Ministerie in haar requisitoir daaromtrent heeft aangevoerd.

Ten aanzien van de overige auto’s en de scooter heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de contante geldbedragen

De verdediging heeft gesteld dat het hier gaat om vermogen uit eigen misdrijf en dat er geen sprake is geweest van een verbergings- dan wel verhullingshandeling, hetgeen een kwalificatie-uitsluitingsgrond oplevert. Daarom dient in de visie van de verdediging [naam 2] te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de verklaring van [naam 33] , de ex-partner van [naam 2] , blijkt van de legale herkomst van het volledige bedrag van € 64.200,-. Het betreft geld afkomstig uit aan haar betaalde schadevergoedingen terzake een verkeersongeval. De verdediging is van mening dat niet bewezen kan worden dat dat geldbedrag afkomstig zou zijn van [naam 2] dan wel uit enig misdrijf afkomstig zou zijn. Omdat er daarmee ook geen sprake is geweest van verbergen/verhullen is de verdediging van mening dat [naam 2] van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de overige aangetroffen contante geldbedragen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de criminele organisatie

De verdediging is van mening dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er een rol was weggelegd voor verdachte.

4.6

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de feiten

4.6.1

Feit 1 Bedreiging [naam 1]

Op 20 april 2012 heeft [naam 1] zich bij de politie in Breda gemeld, onder meer om aangifte te doen van een bedreiging door [naam 2] .1 Een dag daarvoor zou [verdachte] deze bedreiging hebben geuit en daarbij aan [naam 1] een vuurwapen hebben getoond.

Aanleiding voor deze bedreiging was volgens [naam 1] gelegen in het feit dat een hennepkwekerij aan de [adres 2] in Etten-Leur was geript. [naam 1] was hier in de ochtend van 19 april 2012 achter gekomen. [naam 13] fungeerde als katvanger voor deze kwekerij. [naam 2] hield [naam 1] vanuit diens functie als “bedrijfsleider” van de criminele organisatie echter medeverantwoordelijk voor het hierdoor mislopen van een opbrengst van € 30.000,-. [naam 1] moest er maar voor zorgen dat [naam 2] die € 30.000,- alsnog zou krijgen. Later die middag werd [naam 1] door [naam 2] gebeld om even langs te komen in de [adres 12] in Tilburg om het hierover te hebben. [naam 2] vroeg aan [naam 1] wat hij geregeld had, waarna [naam 1] vertelde dat [naam 13] het geld zou gaan regelen. [naam 2] gaf aan dat hij de jongens – zijnde de jongens die voor [naam 4] werkten – al had tegengehouden, maar dat hij het anders zelf zou doen. Vervolgens liet hij [naam 1] een pistool zien, merk CZ99, dat hij met zijn rechterhand uit zijn vest haalde. [naam 2] sprak de woorden heel intimiderend en rechtstreeks aan [naam 1] uit. [naam 1] nam deze bedreiging zeer serieus en vreesde voor zijn leven, mede omdat hij wist hoe het eraan toe kan gaan in de hennepwereld.

Op 3 mei 2012 heeft [naam 1] het hiervoor beschrevene herhaald en formeel aangifte gedaan van deze bedreiging.2

Gelet op het feit dat voornoemde bedreiging door [naam 2] zelf wordt ontkend, is er naar de mening van de verdediging sprake van een één op één verklaring. Reeds hierom dient vrijspraak te volgen. De rechtbank ziet echter steunbewijs in de navolgende bewijsmiddelen.

[naam 8] , de echtgenote van [naam 1] , heeft verklaard dat haar man de dag voor de aangifte aan haar had verteld over de bedreiging door [naam 2] en dat hun gezin hierdoor in levensgevaar zou verkeren. Hierbij was [naam 1] zeer emotioneel en zij hebben samen zitten huilen.3

Ten aanzien van deze verklaring kan gesteld worden dat de verklaring van [naam 8] afkomstig is uit één en dezelfde bron, namelijk haar man [naam 1] . Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank echter anders ten aanzien van de verklaring van [naam 12] , meer specifiek diens eigen waarneming. Op de avond van 19 april 2012 hebben [naam 12] en [naam 1] elkaar telefonisch gesproken, waarbij [naam 12] van [naam 1] te horen heeft gekregen dat hij door [naam 2] was bedreigd omdat er ergens met een hok iets mis was gegaan. [naam 1] en zijn vrouw en kinderen werden bedreigd volgens [naam 1] . [naam 12] is toen naar hem toe gegaan en heeft zijn verhaal aangehoord. [naam 1] wist niet wat hij moest doen en hij zat te huilen. Zijn vrouw [naam 8] zat hier ook bij. [naam 1] was volgens hem echt bang.4 Deze waarnemingen van [naam 12] , die de verklaring van [naam 8] ondersteunen, maken naar het oordeel van de rechtbank dat het niet gaat om louter één bron. De omstandigheid dat [naam 12] op een later moment heeft verklaard dat hij is gaan twijfelen aan de lezing van [naam 1] , maakt dit voor de rechtbank niet anders nu deze waarnemingen van [naam 12] op 19 april 2012 daarmee overeind blijven.

Ten slotte neemt de rechtbank in haar beoordeling mee de verklaring van [naam 16] , de zus van [naam 3] . Zij heeft van haar broer gehoord dat [naam 1] is bedreigd door [naam 2]5 en bescherming heeft gezocht bij de politie. Hoewel niet bekend is van wie [naam 3] dit dan weer gehoord zou hebben, staat niet vast dat dit uit de bron [naam 1] afkomstig is, waarmee het ruimte laat voor de mogelijkheid dat er een andere bron aan ten grondslag ligt.

Hoewel de rechtbank met de officier van justitie en met name de verdediging van oordeel is dat het bewijs voor dit feit minimaal is, komt zij toch tot een bewezenverklaring van deze aan [naam 2] onder 1 tenlastegelegde bedreiging. Naast het hiervoor genoemde wettig bewijs, leidt de rechtbank haar overtuiging af uit het feit dat zij – zoals reeds eerder in dit vonnis is overwogen – de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar acht. Bovendien is deze bedreiging de aanleiding voor [naam 1] en zijn echtgenote geweest om naar de politie te stappen, aangifte van de bedreiging te doen en vervolgens openheid van zaken te geven over de criminele organisatie van [naam 2] , waarbij [naam 1] ook zijn eigen aandeel uitvoerig heeft beschreven. Al de hieruit voortvloeiende consequenties, niet in de laatste plaats voor [naam 1] en zijn gezin zelf, maken de geloofwaardigheid van de beweegredenen voor het doen van aangifte – de bedreiging – naar het oordeel van de rechtbank sterker.

Alles overwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam 2] zich op 20 april 2012 schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [naam 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De omstandigheid dat de uitlatingen van [naam 2] mogelijk (ook) gericht waren tegen de katvanger [naam 13] , doet – anders dan door de verdediging is betoogd – niet ter zake. De hiervoor beschreven combinatie van factoren maakt naar het oordeel van de rechtbank dat [naam 1] zich door de gedragingen van [naam 2] bedreigd heeft kunnen voelen. Het verweer van de verdediging dat het (enkel) tonen van een vuurwapen geen bedreiging hoeft te zijn, gaat evenmin op, nu de rechtbank uitgaat van het geheel aan gedragingen dat door [naam 1] is omschreven.

4.6.2

Algemene overweging

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank hieronder eerst haar overwegingen met betrekking tot de criminele organisatie weergeven. Het dossier Heemskerck zal in zijn geheel worden beschouwd en de ten laste gelegde feiten zullen in onderling verband en samenhang worden bezien. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank voor ieder ten laste gelegd feit afzonderlijk zal beoordelen of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.6.3

Feiten 4 en 5 De criminele organisatie

Inleiding

[naam 1] heeft zich op 20 april 2012 bij de politie in Breda gemeld om aangifte te doen van bedreiging door [naam 2] . [naam 2] zou volgens [naam 1] aan het hoofd staan van een organisatie in Tilburg die zich op grote schaal bezighield met het telen van hennep. Deze organisatie werd grotendeels gevormd door en rondom leden van de Tilburgse [familie 1] , waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van werkers, katvangers, telers, knippers, beveiligers, elektriciens en makelaars. [naam 1] zelf zou jarenlang als – zoals hij dit zelf noemt – bedrijfsleider actief zijn geweest binnen deze organisatie, en daarmee een middenkader hebben gevormd tussen de daadwerkelijke leiders van de organisatie ( [naam 2] en [naam 4] ) en de onderlaag, bestaande uit uitvoerders van de hiervoor beschreven taken. Naar aanleiding van de bedreiging op 19 april 2012 door verdachte, heeft [naam 1] zich genoodzaakt gevoeld om, naast het doen van aangifte, ook de volledige structuur en werkwijze van de organisatie bloot te leggen. Zoals reeds hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar en zal zij dan ook in beginsel uitgaan van hetgeen door [naam 1] is verklaard over de organisatie en de diverse rollen en personen die hierin volgens hem een aandeel hebben gehad. Vervolgens zal de rechtbank bekijken in hoeverre de verklaringen van [naam 1] steun vinden in overige bewijsmiddelen. Daarna zal de rechtbank de aan de verdachten afzonderlijk tenlastegelegde feiten bespreken, die een inkleuring geven aan de organisatie en de feiten waarmee die organisatie zich bezig heeft gehouden. Ten slotte zal de rechtbank in haar slotconclusies bezien of hetgeen uit het dossier Heemskerck is gebleken ook als criminele organisatie kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 11a van de Opiumwet (het huidige artikel 11b van de Opiumwet).

Organisatie verdeeld over twee periodes

Uit de verklaringen van (met name) [naam 1] kan worden afgeleid dat de organisatie zoals deze door hem wordt beschreven, feitelijk uiteenvalt in twee periodes: een organisatie in de periode 2003 tot aan de zomer van 2006 en een organisatie die aanvangt in de zomer van 2006 en doorloopt tot en met 2012. Het Openbaar Ministerie heeft er kennelijk voor gekozen om dit als twee losstaande organisaties te zien en deze ook op die wijze ten laste te leggen. De rechtbank stelt vast dat de eerste organisatie voornamelijk is gebaseerd op de verklaringen van [naam 1] en enkele andere verklaringen. Bij de tweede organisatie vindt de invulling daarvan, naast deze verklaringen, ook plaats door de separaat tenlastegelegde hennepkwekerijen. De rechtbank zal bij de bespreking van de verdenking van betrokkenheid bij criminele organisaties ook uitgaan van twee mogelijke organisaties en bijbehorende pleegperiodes, waarbij voor diverse verdachten overigens wel geldt dat deze tenlastegelegde feiten naadloos op elkaar aansluiten en er bij hen dus feitelijk geen sprake is van een “knip” in organisaties/pleegperiodes.

De organisatie van 2003 tot en met 2006 volgens [naam 1]

(vermeende deelnemers: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 34] , [naam 6] , [naam 11] en [naam 14] )

Nadat [naam 1] op 20 april 2012 en 3 mei 2012, aanvankelijk enigszins oppervlakkig, heeft verklaard over de organisatie van [naam 2] , is hij hierop vanaf zijn verklaring van 12 mei 2012 voor het eerst uitgebreider ingegaan. Die dag heeft [naam 1] onder andere verklaard hoe hij zelf in deze organisatie terecht is gekomen.6

[naam 1] heeft een aantal jaren een eigen schildersbedrijf gehad. Op enig moment raakte zijn hoofdopdrachtgever failliet en moest [naam 1] op zoek naar nieuwe klanten. Via [naam 18] kwam hij in contact met [naam 2] . In de periode 2002-2003 ging [naam 2] verhuizen en heeft [naam 1] diens huis verbouwd. Daarbij leerden zij elkaar beter kennen, waarna [naam 2] op enig moment aan [naam 1] vroeg om voor ‘hen’ herstelwerkzaamheden uit te gaan voeren.

Vanaf dat moment is [naam 1] voornamelijk gaan werken voor het netwerk van [naam 2] . Deze herstelwerkzaamheden, die een aanvang namen in 2003, moesten verricht worden in panden van [naam 2] omdat daar hennepkwekerijen hadden gezeten. Wegens schulden heeft [naam 1] in die periode ook een bedrag van € 40.000,- geleend van [naam 2] . Dit bedrag moest hij terugbetalen door klusjes voor [naam 2] uit te voeren. In die tijd was [naam 3] de zwager van [naam 2] . Toen [naam 2] het had over ‘hen’, bedoelde hij daar volgens [naam 1] zichzelf en [naam 3] mee. [naam 2] vertelde in het bijzijn van [naam 3] dat [naam 1] het geleende bedrag veel sneller zou kunnen terugbetalen door in hennepkwekerijen te gaan werken. [naam 2] vertelde dat [naam 1] dan een aantal huisjes zou moeten gaan zoeken, waar [naam 2] vervolgens mensen in zou gaan zetten. Het eerste pand waarbij dit zo gebeurde was [naam 35] in Breda. Dit was in 2003. [naam 1] moest het pand van [naam 2] huren en er personeel in zetten. [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] hebben toen de inrichting voor de kwekerij getimmerd en gebouwd. Er waren ook een aantal andere werkers bij. [naam 1] heeft vervolgens een Poolse jongen en diens vriendin in de woning gezet. De woning stond op naam van [naam 1] zelf.

De elektriciteit werd in die periode altijd geregeld door [naam 34] . [naam 3] regelde het grootbrengen van de planten. Hij deed het onderhoud van de kwekerij en ging over de inrichting. [naam 2] was de baas en [naam 3] was zijn rechterhand. In die tijd was [naam 6] een hulpje van [naam 1] . Zijn werkzaamheden bestonden uit zand sjouwen, potten vullen en potten natmaken. Na de oogst werden er in opdracht van [naam 3] weer nieuwe planten gezet. [naam 2] en [naam 3] knipten altijd de planten en stopten deze in vuilniszakken. Daarna werd de kwekerij opnieuw opgebouwd – zoals [naam 1] heeft verklaard kon dit vaak binnen een dag of enkele dagen – door onder andere [naam 1] en [naam 6] , waarna [naam 3] met de nieuwe stekjes kwam. In deze kwekerij is zeker 4 jaar geoogst zonder dat deze is ontdekt. Het geld dat met de kwekerij werd verdiend, werd verdeeld.

In de jaren 2003 tot en met 2006 liepen er zo 12 hennephokken tegelijk volgens dezelfde constructie en structuur: [naam 2] was de baas en vertelde wat er moest gebeuren, [naam 3] regelde de inrichting en [naam 1] zelf heeft in die periode meerdere hokken aangebracht, onder andere in Tilburg en in de Belgische plaatsen Weelde en Ravels.

Ergens rond 2004-2005 was [naam 1] van zijn schuld aan [naam 2] af. Omdat hij nog “rente” moest betalen, heeft hij uiteindelijk tot het eind van de zomer van 2006 voor [naam 2] gewerkt.

In zijn latere verklaringen gaat [naam 1] uitgebreider in op betrokkenheid van bepaalde personen die eveneens in de periode 2003 tot en met 2006 een rol zouden hebben gespeeld bij de organisatie.

Over [naam 14] – die hij in eerste instantie [naam 14] noemt, maar waarvan duidelijk is dat dit dezelfde persoon betreft – heeft [naam 1] verklaard dat deze al langer dan 9 jaar werker is. [naam 14] is een vriend van [naam 11] . [naam 11] werkte vaak met [naam 14] samen. [naam 1] betaalde [naam 11] en [naam 11] betaalde [naam 14] daar weer van. [naam 14] heeft in alle hokken waarin [naam 1] gewerkt heeft, ook gewerkt. Verder werkte [naam 14] in alle hokken van [naam 2] . Alles wat [naam 11] voor [naam 2] deed, werkte [naam 14] voor 90% aan mee. [naam 14] deed eigenlijk alle voorkomende werkzaamheden bij kwekerijen. [naam 14] bouwde mee, knipte mee en beveiligde soms de kwekerijen.7

Een andere werker was [naam 6] . In de periode 2003 tot 2008 heeft [naam 6] gewerkt voor de organisatie van [naam 2] . [naam 1] heeft veel met hem samengewerkt.

[naam 6] deed eigenlijk alles in de hennephandel, waaronder het bouwen van kwekerijen, het vervoeren van de oogst, het bewerken en het drogen, het verkopen, het transporteren van geld enzovoort. [naam 6] was ook een katvanger voor verschillende kwekerijen.8


Een van de vaste elektriciens waarmee [naam 1] vanaf 2002/2003 werkte, was [naam 34] . In de periode 2003 tot en met 2006/2007 was [naam 34] hun vaste elektricien. Dit betekende dat [naam 34] alle werkzaamheden met betrekking tot de elektra deed.9

In zijn verklaring van 12 juni 2012 heeft [naam 1] nog eens samengevat hoe hij de opbouw van de organisatie voor zich ziet.10 Van de “groep [naam 2] ” is [naam 2] de grote baas. Hij deelde de lakens uit. Volgens [naam 1] was [naam 2] al jaren bezig in de hennepwereld toen [naam 1] in 2003 voor hem begon te werken. Rond 1995 is [naam 2] eigen baas geworden en heeft vanaf dat moment zijn eigen hokken gebouwd c.q. gecreëerd.

Direct onder [naam 2] stonden volgens [naam 1] twee personen, waaronder [naam 3] . Hij heeft in de organisatie gewerkt vanaf 2003 tot 2007. [naam 1] zelf stond als bedrijfsleider onder [naam 3] . [naam 1] stuurde een aantal werkers aan, waaronder de hierna volgende in het dossier Heemskerck terugkomende personen:

- [naam 11] , met als taak beveiligen, opbouwen en knippen (periode vanaf 1995 tot en met 2012);

- [naam 14] , met als taak knippen en opbouwer (vanaf 2003 tot en met 2012);

- [naam 6] , met als taak alle voorkomende werkzaamheden (vanaf 2004 tot ongeveer 2009).

Op gelijke hoogte met de werkers stonden de elektriciens, waaronder [naam 34] .

De organisatie van 2003 tot en met 2006 volgens anderen

Zoals hiervoor is aangegeven wordt [naam 14] door [naam 1] een rol toebedeeld in de organisatie van [naam 2] . Over de organisatie en het aandeel van diverse personen hierin heeft [naam 14] verklaard dat de weergave van [naam 1] over de organisatie wel klopte.11 Zelf heeft [naam 14] hierover het volgende verklaard.12 De rol van [naam 2] ziet hij als een beetje een leider in de hennepteelt. Hij wist dat de [familie 1] , waaronder [naam 2] en [naam 11] , diep in de hennep zaten. [naam 14] heeft voor hen gewerkt. Hij ziet de leden van de [familie 1] en [naam 1] allemaal als baas, maar zelf regelde hij alles met [naam 11] . [naam 14] heeft [naam 2] wel eens er over horen praten dat hij in de wiet zat en [naam 2] heeft hem wel eens uitgelegd hoe hennepplanten groeiden. Hij heeft van [naam 11] gehoord dat [naam 2] er eentje is die in de hennepbranche zit en kennis van zaken heeft. [naam 14] beschrijft zichzelf als werker van de organisatie, waaronder hij verstaat dat hij henneptoppen en hennepplanten knipt, hennepstekken in de potten zet, de potten opschudt, stekjes water geeft, het bedrijfsklaar/oogstklaar maken en het naar boven sjouwen van zand.13 [naam 14] geeft aan eerst sporadisch voor [naam 2] te hebben gewerkt, zo’n één keer per maand, waarbij hij voor hem wiethokken moest opbouwen en afbreken. Na hier tijdelijk mee gestopt te zijn, is hij vanaf 2004 weer voor [naam 2] gaan werken, zo’n één keer in de 2-3 maanden. [naam 11] regelde dit en was zijn aanspreekpunt. Hij heeft met betrekking tot de wiethokken gewerkt onder [naam 2] , [naam 3] , [naam 1] en [naam 11] .

[naam 3] heeft altijd samengewerkt met [naam 2] , tot het moment dat ze uit elkaar gingen in 2006-2007 en hun eigen weg zijn gegaan.14

Ook de door [naam 1] beschreven werker [naam 6] heeft zijn eigen aandeel in de organisatie bekend en het één en ander verklaard over hoe hij de organisatie ziet.

[naam 6] ziet zichzelf als werker, die zich bezighoudt met het sjouwen van zand, het inrichten van kwekerijen, het plaatsen van potten en het knippen van hennep.15 Hij wordt voor deze werkzaamheden betaald.

Over de structuur verklaart hij dat [naam 3] en [naam 2] volgens hem op hetzelfde niveau stonden, maar dat het ook zou kunnen dat [naam 2] hoger stond.16 [naam 6] zelf heeft alleen gewerkt voor [naam 1] en heeft zo’n 8 tot 10 kwekerijen voor hem ingericht. [naam 1] werd weer aangestuurd door [naam 2] .17 Hij was de baas van [naam 1] . Vanuit [naam 6] zelf gezien stonden [naam 1] en [naam 3] bovenaan. [naam 3] liet [naam 1] altijd de zaakjes oplossen en [naam 3] is de man met het geld. [naam 6] kreeg hierdoor de indruk dat [naam 3] hoger in de orde was dan [naam 1] .

Onder meer [naam 14] en [naam 34] zijn de werkers van [naam 3] . Zij krijgen opdrachten [naam 3] en hij betaalt hen daarvoor. [naam 6] zelf hoorde samen met andere werkers bij [naam 1] , die weer onder [naam 3] viel waardoor [naam 3] feitelijk ook hun baas was.

Daarnaast ligt er in het dossier nog een voor [naam 2] belastende verklaring van [naam 28] , de partner van [naam 16] , de zus van [naam 3] . Volgens [naam 28] voert de [familie 1] , waaronder [naam 2] , de regie.18 Hij trekt aan de touwtjes. [naam 2] is ongeveer 23 jaar geleden begonnen met het kweken van hennep toen hij werd afgekeurd voor zijn rug en niet meer als metselaar in de bouw kon werken.19 Hij kreeg een relatie met de tweelingzus van [naam 3] , is op die manier met [naam 3] in contact gekomen en zo is [naam 3] in de hennep terechtgekomen.

[naam 2] is diverse malen gehoord over zijn vermeende betrokkenheid bij de organisatie zoals deze door [naam 1] , [naam 14] , [naam 6] en [naam 28] wordt omschreven. Kort samengevat ontkent hij betrokkenheid bij de organisatie die in de periode 2003 tot en met 2006 zou hebben bestaan. Hetgeen door [naam 1] wordt verklaard, zou van meer dan 10 jaar geleden dateren, teruggerekend vanaf 2012.

Het klopt volgens [naam 2] dat hij zo’n 10 tot 12 hennephokken met [naam 1] heeft gehad, maar dan volgens hem in de periode vóór 2003.

De overige verdachten, [naam 11] , [naam 3] en [naam 34] , ontkennen iets met een henneporganisatie te maken te hebben gehad, dan wel beroepen zich op hun zwijgrecht.

Tussenconclusie organisatie 2003 tot en met 2006

Op basis van de uitgebreide verklaringen van [naam 1] , de bekennende verklaringen van [naam 14] en [naam 6] en de belastende verklaring van [naam 28] , staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er in de periode 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 in Tilburg/Breda een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen de hiervoor in de verklaringen genoemde personen. De rechtbank zal na de algemene bespreking van de vermeende organisatie in de periode 2006-2012 en de daaraan invulling gevende feiten toekomen aan haar slotconclusies met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van een criminele organisatie, zo ja wat het oogmerk van deze organisatie is geweest en ten slotte wat naar het oordeel van de rechtbank de rol van iedere specifieke verdachte in die organisatie is geweest.

De organisatie van 2006 tot en met 2012 volgens [naam 1]

(vermeende deelnemers: alle thans gedagvaarde verdachten in de onderzoeken Heemskerck, Kenia, Salie en Els, met uitzondering van [naam 15] )

[naam 1] heeft blijkens zijn verklaringen het volgende over de organisatie in deze periode aangegeven. Nadat [naam 1] had verklaard in de zomer van 2006 te zijn gestopt met het werken voor [naam 2] , is hij in de periode 2007 tot ongeveer 2009 voor [naam 3] gaan werken, dit mede op advies van [naam 2] .20 Toen [naam 2] op de hoogte raakte van het hennephok van [naam 3] en [naam 1] , wilde hij de helft van de winst van dit hok hebben omdat hij ervoor gezorgd zou hebben dat [naam 3] en [naam 1] konden gaan samenwerken. Daarna hebben [naam 1] en [naam 3] samen nog een aantal hokken gehad, waaronder de [adres 2] in Etten-Leur (zie voor de bespreking van dit feit hierna bij de afzonderlijke feiten). Vervolgens is ook [naam 4] bij dit hok betrokken geraakt. Na een geschil met [naam 2] in 2009 is [naam 3] zelfstandig verder gegaan. [naam 1] werkte daarna voor [naam 2] en [naam 4] . In de periode 2009 tot en met april 2012 heeft hij samen met hen diverse hokken gebouwd.21

[naam 1] heeft verder verklaard dat de knippers betaald werden door [naam 4] of [naam 2] .22 In zijn verklaring van 13 mei 2012 verklaart hij over diverse knipadressen en de knippers die hierbij waren betrokken. Ook beschrijft hij de opkopers van de geteelde hennep23 en de rol van makelaars, politie en BAT milieudienst.24

In zijn verklaring van 23 mei 2012 is [naam 1] ingegaan op de “werkers” van de organisatie.25 Over de periode 2003-2006 had hij hierbij al de namen van [naam 14] en [naam 6] genoemd, die ook in de jaren daarna nog voor de organisatie hebben gewerkt (zie de overweging met betrekking tot de organisatie in de periode van 2003-2006). Daarnaast noemt [naam 1] de namen van [naam 12] en [naam 31] , twee andere werkers waarmee hij veel heeft samengewerkt. [naam 12] is volgens [naam 1] ongeveer 2,5 jaar vóór april 2012 gestart met het herstellen van de henneplocaties die hij weer netjes moest maken. Daarna is hij ook overige werkzaamheden gaan verrichten, zoals het bouwen van hokken en het vervoer van spullen van Growshop [bedrijf 11] naar een hok. In die tijd werd de betrokkenheid van [naam 12] derhalve groter. [naam 12] werd betaald door [naam 1] . Voor de werkers gold dat zij vaak meer en meer bij de hele fase werden betrokken, zoals het doen van boodschappen bij de growshop, het sjouwen van zand, afval naar de stort brengen en overige werkzaamheden. Zo heeft [naam 12] ook wel eens planten verzorgd en geknipt.

Naast werkers werd ook gebruik gemaakt van vaste elektriciens.26 Eén van die elektriciens is de reeds genoemde [naam 34] (zie de overweging met betrekking tot de organisatie in de periode van 2003-2006). Vanaf 2009 is [naam 34] weer gaan werken als de vaste elektricien van [naam 3] . Hij houdt zich fulltime bezig met werkzaamheden in de hennephandel.

In de periode 2007-2009 is [naam 1] zaken gaan doen met [naam 3] en werd [naam 37] ook hun vaste elektricien. Dit zou tot ongeveer 2010 zijn geweest.

Vervolgens noemt [naam 1] enkele namen van criminele makelaars, die wisten van het feit dat de organisatie hennep kweekte in panden die hen werden aangeleverd.27 Het ging onder meer om [naam 21] van “ [naam 38] ” in Tilburg. [naam 21] bood actief panden aan met de mededeling dat de organisatie daar kon kweken. Zulks blijkt ook uit een in het dossier opgenomen brief, die volgens [naam 39] , de toenmalige vriendin van [naam 21] , door [naam 21] is geschreven, en waarin wordt gesproken over gewenste opbrengsten en het feit dat de huurder voor de kosten zou opdraaien.28 [naam 21] zou in het verleden ook samen met onder meer [naam 2] hennepkwekerijen hebben gehad en ook toen al panden hebben geregeld. Inmiddels had [naam 21] zijn makelaarsdiploma behaald en bood nog steeds panden aan [naam 3] aan, wetende dat hier hennep gekweekt zou gaan worden.

In zijn verklaring van 30 mei 2012 geeft [naam 1] een inkijkje in wat er gebeurde met de geteelde hennep.29 Deze werd onder meer geëxporteerd naar Duitsland. In 2010-2011 werd bijvoorbeeld wekelijks naar schatting 200 tot 300 kilo natte (omgerekend 60 kilo droge) hennep geleverd aan [naam 7] .

In zijn verklaring van 12 juni 2012 heeft [naam 1] nog eens samengevat hoe hij de opbouw van de organisatie voor zich ziet (zie ook de overweging met betrekking tot de organisatie in de periode van 2003-2006).30

Naast de reeds in de organisatie in de periode van 2003-2006 beschreven personen, noemt [naam 1] met betrekking tot de periode 2006-2012 ook – onder meer – de hierna volgende in het dossier Heemskerck voorkomende personen:

- [naam 11] , met als taak beveiligen, opbouwen en knippen (periode vanaf 1995 tot en met 2012)

- [naam 14] , met als taak knippen en opbouwer (vanaf 2003 tot en met 2012);

- [naam 6] , met als taak alle voorkomende werkzaamheden (vanaf 2004 tot ongeveer 2009);

- [naam 12] , met als taak opbouwer en alle voorkomende werkzaamheden (periode 2010 tot ongeveer 2012);

- [naam 31] , met als taak het bouwen van hokken, opbouwer (periode vanaf 2011 tot en met april 2012);

Op gelijke hoogte met de werkers stonden de elektriciens, waaronder [naam 34] en [naam 37] .

Vanaf eind 2008, begin 2009, kwam [naam 4] in de organisatie te werken. [naam 4] staat volgens [naam 1] op gelijke hoogte met [naam 2] , zijn vader.

Als één van de katvangers die voor [naam 2] panden op naam had, noemt [naam 1] de naam van [naam 20] . Daarnaast was de rol van [naam 20] van belang vanwege het feit dat de organisatie de laatste twee jaar voor zeker 1 miljoen euro aan kweekmaterialen heeft uitgegeven bij [bedrijf 11] en dat die materialen steeds zijn gekocht op naam van het bedrijf [bedrijf 1] , het bedrijf van [naam 20] .31

De organisatie van 2006 tot en met 2012 volgens anderen

In de beschrijving van de organisatie van 2003 tot en met 2006 zijn reeds enkele verklaringen van verdachten en een getuige aangehaald die de verklaringen van [naam 1] over de organisatie bevestigen. Deze verklaringen zien niet enkel op de organisatie van 2003 tot en met 2006, maar zijn grotendeels een verklaring over de organisatie van [naam 2] in zijn geheel. Deze verklaringen gelden derhalve ook voor de periode 2006 tot en met 2012 en de rechtbank zal die verklaringen ook meenemen in haar beoordeling van deze latere organisatie.

Naast hetgeen uit de verklaringen van [naam 28] al eerder is aangehaald, heeft hij over de rol van [naam 4] nog verklaard dat [naam 2] indirect leiding geeft aan zijn zoon [naam 4] .32[naam 4] zou een bepaalde groep personen om zich heen hebben die voor hem werken, bestaande uit Marokkanen, Turken en Joegoslaven. Ook verklaart [naam 28] dat [naam 2] en [naam 4] alles willen hebben en dat zij anderen, vooral [naam 3] , “geen ene cent gunnen”.33

Ook [naam 14] heeft over [naam 4] verklaard dat deze op enig moment in de hennepteelt is terecht gekomen en dat hij hem ook als baas ziet.34 [naam 4] is de handel een beetje aan het overnemen van zijn vader.35 [naam 14] heeft van [naam 11] gehoord dat alles via [naam 4] gaat en dat [naam 11] de tweede hand is. [naam 4] geeft de opdrachten aan [naam 11] of [naam 1] , en zij sturen vervolgens [naam 14] weer aan.

[naam 6] heeft [naam 37] genoemd als werker van [naam 3] .36 [naam 37] ontkent voor [naam 3] te hebben gewerkt en wil niet veel verklaren over een organisatie. Wel heeft hij bekend in de periode van 2006 tot 2008 tussen de 10 en 20 hennephokken te hebben gebouwd,37 en heeft hij aangegeven dat hij schakelborden maakte en draden aanlegde naar lampen. Deze zou hij echter niet hebben aangesloten.

[naam 40] , eveneens als verdachte in dit onderzoek aangemerkt, maar inmiddels overleden, heeft verklaard dat hij in 2006 of 2007 was benaderd door [naam 21] , die panden zocht voor het opzetten van hennepkwekerijen. Dit had te maken met een groep uit Tilburg, waarvan [naam 3] de financiële motor was.38

[naam 20] heeft voor [naam 1] , die een schuld van hem kon overnemen, gedurende 4 of 5 jaar contracten ondertekend voor de huur van panden. Dit gebeurde op naam van [bedrijf 1] , het bedrijf waarvan [naam 20] directeur was. Hij heeft zelf ook panden aangedragen aan [naam 1] en [naam 3] . Deze twee hebben een vaste groep waarmee zij werken en zijn volgens [naam 20] altijd bij elkaar.39

De overige verdachten ontkennen iets met een henneporganisatie te maken te hebben gehad, dan wel beroepen zich op hun zwijgrecht.

Tussenconclusie organisatie 2006 tot en met 2012

Op basis van de uitgebreide verklaringen van [naam 1] , de (deels) bekennende verklaringen van [naam 14] , [naam 6] , [naam 37] , [naam 20] en de belastende verklaringen van [naam 28] en [naam 40] , staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er in de periode 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen de hiervoor in de verklaringen genoemde personen. De rechtbank zal hierna eerst de afzonderlijk tenlastegelegde henneplocaties bespreken die een nadere invulling geven aan de criminele organisatie in de periode van 2006-2012. Ten slotte zal de rechtbank aan haar slotconclusies toekomen met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van een criminele organisatie, zo ja wat het oogmerk van deze organisatie is geweest en ten slotte wat naar het oordeel van de rechtbank de rol van iedere specifieke verdachte in die organisatie is geweest.

4.6.4

Feit 2 [adres 2] te Etten-Leur

[naam 1] heeft bij het doen van zijn aangifte wegens bedreiging door [naam 2] verklaard dat de aanleiding voor deze bedreiging was gelegen in het feit dat de hennepkwekerij aan de [adres 2] in Etten-Leur was geript.40 Deze kwekerij was volgens [naam 1] sinds ongeveer 3,5 jaar ingericht door de organisatie van [naam 2] en er was naar schatting ongeveer 20 tot 25 keer geoogst.

Naar aanleiding van de verklaringen van [naam 1] is de politie op 8 mei 2012 binnengetreden bij deze locatie. Men trof op de eerste etage in drie afzonderlijke kamers een geknipte hennepkwekerij aan. Er werden hennepresten (blaadjes, topjes en takjes) aangetroffen en potten met potgrond, steeltjes en wortels. In totaal werden in deze 3 ruimtes 430 potten met potgrond, steeltjes en wortels van een plant gevonden.41 Indicatieve tests gaven een positieve reactie voor marihuana/THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish.42 Daarnaast werden met folie afgeplakte ramen, koolstoffilters, luchtslangen en bamboestokken waaraan lampen en dergelijke vastgemaakt kunnen worden, aangetroffen. Uit al deze bevindingen werd de conclusie getrokken dat er op deze locatie een in werking zijnde hennepkwekerij had gezeten en dat aannemelijk is geworden dat er minimaal één voorgaande oogst had plaatsgevonden. Gezien de vervuilde ruimtes is het aannemelijk dat er daarnaast nog meerdere oogsten hadden plaatsgevonden. Het pand is verhuurd geweest van april 2008 tot het moment van binnentreden door de politie op 8 mei 2012.43

Daarmee stelt de rechtbank vast dat op de [adres 2] in Etten-Leur gedurende ten minste een periode van zo’n 4 jaar een in werking zijnde hennepkwekerij met 430 hennepplanten heeft gezeten. De rechtbank spreekt de verdachten partieel vrij van het meerdere, te weten 100 planten, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd.

Dat de pleegperiode is aangevangen vanaf het moment dat de woning is gehuurd, leidt de rechtbank af uit de feitelijke handelswijze van de criminele organisatie, te weten het huren van woningen om daar hennepkwekerijen in te richten, soms in één dag, zoals reeds beschreven onder het feit van de criminele organisatie.

Vervolgens is van belang welke verdachten hierbij betrokken zijn geweest. De rechtbank gaat daarbij als eerste uit van de door [naam 1] afgelegde, door de rechtbank betrouwbaar geachte verklaringen en de door hem geschetste rolverdeling.

[naam 1] heeft verklaard44 dat de woning op initiatief van [naam 3] is gehuurd en de kwekerij op zijn initiatief is ingericht. De woning werd gehuurd door [naam 13] . Hij fungeerde als katvanger voor deze locatie. [naam 13] woonde daar zodat de omgeving zou denken dat het pand normaal bewoond werd. Verder verzorgde hij de kwekerij, door onder andere het geven van water aan de hennepplanten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank dat [naam 13] een grotere rol heeft vervuld dan slechts het op naam zetten van de woning. Bovendien zou het enkel fungeren als katvanger reeds voldoende zijn voor een bewezenverklaring van medeplegen, aangezien dit naar het oordeel van de rechtbank gaat om een essentieel element om hennepteelt in die woning mogelijk te maken mede gezien in het licht van hetgeen hiervoor over de criminele organisatie is overwogen.

De woning werd geregeld via [naam 21] .45 [naam 3] en [naam 13] zijn samen het pand gaan bekijken op het moment dat er gehuurd moest worden. Ook [naam 1] zelf is gaan kijken of het inrichten van een hennepkwekerij in het betreffende pand technisch haalbaar was en heeft het pand in die zin technisch goedgekeurd. Uiteindelijk is het pand sinds 2007 gehuurd via de makelaar [naam 40] met als huurder [naam 13] . [naam 13] heeft de handtekening op het huurcontract herkend als zijn handtekening, die hij ook heeft gezet.46 Hij was iedere dag in de woning.47

De betrokkenheid van [naam 13] en [naam 3] , in de zin van hun aanwezigheid in de woning, kan verder worden afgeleid uit de in de woning aangetroffen sporen. Zo is in de gootsteen van de keuken op de begane grond een koffiekopje aangetroffen48, waarvan het NFI heeft vastgesteld dat het daarop aangetroffen DNA afkomstig kan zijn van [naam 13] , en dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, kleiner is dan één op één miljard.49 Eenzelfde kansberekening is van toepassing op een sigarettenpeuk die is aangetroffen op de overloop van de eerste etage van de woning50, maar dan ten aanzien van [naam 3] .51

De papieren van [naam 13] werden opgemaakt door [naam 21] .52 De makelaar [naam 40] deed geen zaken met [naam 13] , maar rechtstreeks met [naam 3] .53 Het hok werd in eerste instantie gerund door [naam 1] , [naam 3] , [naam 21] en [naam 13] .54

Nadat [naam 3] in 2009 in Antwerpen vast kwam te zitten en de kwekerij geript was, moest de kwekerij opnieuw worden ingericht. [naam 1] heeft toen € 20.000,- geleend van [naam 2] om dit te kunnen doen. Toen kon er weer geoogst worden. [naam 2] wilde dat zijn zoon [naam 4] bij deze oogst was en op deze wijze werd [naam 4] erbij betrokken.55 Na de oogst moest [naam 1] meteen € 20.000,- betalen aan [naam 2] en ook [naam 4] kreeg zijn deel. Op het moment dat [naam 3] weer vrij kwam in april 2009 ging hij weer aan het werk in de kwekerij. Na de nieuwe oogst werd [naam 3] vanwege weinig rendement aan de kant gezet en mocht hij van [naam 2] en [naam 4] niet meer meedoen met deze kwekerij. [naam 3] is vanaf dat moment zelf verder gegaan buiten de kring van [naam 2] om. Ook zijn zus [naam 16] heeft verklaard dat zij van haar broer [naam 3] heeft gehoord over Etten-Leur, dat [naam 3] daar afstand van heeft moeten doen en dat het toen in handen van [naam 4] is gekomen.56

[naam 1] , [naam 2] en [naam 4] draaiden vanaf toen de kwekerij gezamenlijk.57

In een latere verklaring geeft [naam 1] nog aan dat de werkers c.q. opbouwers van deze kwekerij onder andere [naam 13] , [naam 21] , [naam 3] en hijzelf waren.58 De opbrengst van deze kwekerij werd verdeeld onder voornoemde personen en daarnaast [naam 2] en [naam 4] .

De verklaringen van [naam 1] worden ook ondersteund door de verklaring van [naam 28] .59 Hij bevestigt dat [naam 3] , [naam 1] en de huurder van het pand – waarvan hij de naam niet noemt dan wel kent – een hennephok hebben opgezet in Etten-Leur. [naam 3] heeft dit hok een paar jaar geleden opgezet. Het is een periode goed gegaan totdat [naam 4] en [naam 2] er lucht van kregen. Zij hebben de zaak vanaf dat moment overgenomen. Op enig moment heeft [naam 3] de kwekerij achtergelaten.

Ten slotte ligt er de verklaring van makelaar [naam 40] .60 Hij heeft de [adres 2] in Etten-Leur verhuurd aan [naam 13] , die een naamnemer was voor een groep uit Tilburg.

De financiële motor van deze groep was [naam 3] . Een andere man uit deze groep was een persoon die hij kent als “ [naam 51] ”. De politie houdt hem vervolgens voor dat deze persoon zichzelf bedrijfsleider van de organisatie noemt en dat hij volledig openheid van zaken heeft gegeven. [naam 40] kan zich dan herinneren dat de man [naam 1] heet. [naam 40] kreeg de huur van de woning van [naam 3] of [naam 1] , waarna hij de huur weer doorstortte. Dit heeft 13 maanden geduurd, waarna [naam 13] de huur zelf is gaan betalen.

Met betrekking tot de rol van [naam 21] geeft [naam 40] aan dat hij in 2006 of 2007 benaderd werd door [naam 21] , die panden zocht voor hennepkwekerijen.

Betrokkenheid bij hennepkwekerij

Zoals reeds hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode 1 april 2008 tot en met 8 mei 2012 een hennepkwekerij op de locatie [adres 2] in Etten-Leur heeft gezeten. Daarnaast staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van de hiervoor genoemde verklaringen en overige bewijsmiddelen vast dat de verdachten [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] , [naam 3] , [naam 13] en [naam 21] ieder een wezenlijk aandeel hebben gehad in de hennepteelt op deze locatie.

Pleegperiode

De rechtbank heeft vastgesteld dat de kwekerij in april 2008 is opgestart door onder meer [naam 3] . Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven omtrent de overname van de kwekerij van [naam 3] door [naam 4] na de nieuwe oogst na de vrijlating van [naam 3] in April 2009, stelt de rechtbank verder vast dat deze halverwege 2009 door [naam 4] moet zijn overgenomen. Op grond daarvan acht de rechtbank voor [naam 3] de tenlastegelegde pleegperiode 1 april 2008 tot en met juni 2009 bewezen, en voor [naam 4] de periode van 1 juli 2009 tot en met 8 mei 2012. Voor [naam 1] geldt dat hij zich op 20 april 2012 bij de politie heeft gemeld, waarmee de rechtbank voor hem de pleegperiode vaststelt op 1 april 2008 tot en met 19 april 2012. Voor [naam 2] , [naam 13] en [naam 21] geldt een bewezenverklaring van de gehele pleegperiode van 1 april 2008 tot en met 8 mei 2012.

4.6.5

Feit 6 Restaurant [naam 5] Alphen

In zijn verklaring van 12 mei 2012 heeft [naam 1] melding gemaakt van één van de hennephokken die hij in de periode 2009 tot en met 2012 in samenwerking met [naam 2] en [naam 4] had gebouwd: een hennepkwekerij bij restaurant [naam 5] in Alphen.61

De volgende dag is [naam 1] nader ingegaan op deze hennepkwekerij.62 Begin 2011 werd hij door [naam 42] naar een restaurant in Alphen gestuurd. Dit was restaurant [naam 5] , alwaar volgens [naam 42] op de bovenverdieping gekweekt zou kunnen worden. Vervolgens heeft [naam 1] een afspraak met de eigenaar gemaakt om dit te regelen. De bovenverdieping zou in eerste instantie gehuurd worden door [naam 11] . Een aantal dagen daarna is [naam 11] met [naam 1] meegegaan. Het huurcontract werd vervolgens op naam gesteld van [naam 14] – de rechtbank begrijpt dat hiermee [naam 14] wordt bedoeld – die daarmee katvanger voor deze locatie werd. Eigenaar [naam 22] heeft bevestigd dat hij de bovenwoning van de locatie had verhuurd aan [naam 14] en dat hij hem in april 2011 de sleutel heeft gegeven.63

Nadat [naam 1] de locatie nog nader had bekeken samen met [naam 4] , hebben zij samen overleg gevoerd met [naam 2] . [naam 2] besloot dat de kwekerij ingericht kon gaan worden.

De kwekerij werd volgens [naam 1] ingericht door [naam 14] , [naam 11] en [naam 4] , twee werkers en [naam 1] zelf. Op de bovenverdieping konden 50 lampen worden opgehangen en ongeveer 500 planten gekweekt worden.

De planten in de kwekerij werden tijdens de eerste draai verzorgd door [naam 1] zelf. Daarna heeft [naam 11] de verzorging samen met één werker overgenomen.

Na de eerste draai hebben zij nog een kwekerij gebouwd op de zolder aan de achterzijde van het pand. Deze kwekerij werd gebouwd door dezelfde mensen. In dit deel van de kwekerij stonden ongeveer 650 planten en hingen 52 à 55 lampen. De investering van het tweede deel van de kwekerij is betaald door [naam 4] en [naam 2] . In dit deel van de kwekerij is in totaal drie keer gedraaid en geoogst. Toen [naam 11] samen met iemand anders de stekjes wilde zetten voor de vierde draai, is de politie binnengevallen.64

In zijn verklaring van 20 juni 2012 heeft [naam 1] nogmaals de rolverdeling binnen deze locatie opgesomd65: katvanger was [naam 14] , werkers en opbouwers waren [naam 11] , [naam 14] , [naam 12] , [naam 31] en [naam 4] . Onder meer [naam 11] en [naam 4] waren actief als knipper op deze locatie. De organisatie lag bij [naam 2] en [naam 4] .

Deze hennepkwekerij was volgens de verklaring van [naam 1] reeds opgerold op het moment dat hij vanaf mei 2012 hierover ging verklaren. Naar aanleiding van zijn verklaringen werd het landelijke politiesysteem BVH geraadpleegd en bleek dat de politie op 15 november 2011 een professioneel opgezette in werking zijnde hennepkwekerij had aangetroffen in drie ruimtes op de eerste verdieping bij restaurant [naam 5] op het adres [adres 6] te Alphen. Op de eerste etage bevond zich aan de achterzijde van het pand een kwekerij met 688 hennepplanten. In twee andere ruimtes in het pand werden nog eens 345 en 117 hennepplanten aangetroffen.66 Uit elke ruimte werden 3 henneptoppen dan wel plantendelen veiliggesteld en bemonsterd. Deze gaven een positieve reactie, indicatief voor marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep of hashish, vermeld op lijst II van de Opiumwet.67

In eerste instantie heeft [naam 14] ontkend dat hij iets met deze hennepkwekerij te maken had. Eind 2012 heeft hij wel bekennend verklaard over zijn aandeel. . Hij bekent als katvanger te hebben gefungeerd; dat de organisatie het huurcontract68 van de locatie op zijn naam heeft gezet en dat hij een aantal keren hennep heeft geknipt.69

Naast zichzelf bedeelt [naam 14] ook anderen een rol in deze kwekerij toe en bevestigt hij in grote lijnen hetgeen door [naam 1] is verklaard. Zo geeft hij aan dat [naam 11] hem ophaalde en hem naar de kniplocatie bracht om wat bij te verdienen en dat [naam 11] zelf ook als knipper actief is geweest en stekjes heeft gezet. Over de rol van [naam 4] heeft hij verklaard dat deze er ook wel eens bij was en dat hij een baas over [naam 14] was, net als [naam 11] en [naam 1] .70 [naam 2] ziet hij als een leider.71 [naam 1] is degene die het huurcontract voor [naam 14] heeft geregeld. Hij is de regelaar namens de [familie 1] en heeft de kwekerij mee opgebouwd en mee geoogst. Ten slotte verklaart hij over de rol van de werkers [naam 31] en [naam 12] : [naam 31] heeft de elektra geregeld en meegeholpen met het opbouwen van het hok en [naam 12] heeft hij ook op de locatie gezien en heeft hem bezig gezien in het hok, vermoedelijk met afdichten.72

[naam 12] heeft bekend dat hij bij [naam 5] heeft samengewerkt met [naam 14] .73 Hij is twee of drie keer op de locatie geweest om potten te vullen en zakken zand eruit te halen.

Er waren drie kweekkamers en hij is daar twee of drie keer geweest. [naam 12] verdiende met zijn aandeel € 20,- tot € 25,- per uur. [naam 12] vindt zichzelf weliswaar geen bouwer, maar heeft wel stekken gezet en plantjes water gegeven.

Anders dan [naam 12] , ontkent [naam 31] dat hij bij deze henneplocatie betrokken is geweest. Echter, naast de voor hem belastende verklaringen van [naam 1] en [naam 14] , leidt de rechtbank zijn betrokkenheid af uit het navolgende.

Op de locatie is een foto genomen van wandtegels met daarop cijfers geschreven.74 [naam 1] heeft verklaard dat dit het handschrift van [naam 31] is en dat het betrekking heeft op de volgorde van de lampen in de kwekerij.75

Daarnaast zijn in de kwekerij autosleutels aangetroffen die pasten bij een Mercedes bus met kenteken [kenteken 10] , die in de buurt van [naam 5] stond geparkeerd.76 Het betreft de werkbus van [naam 31] . Deze heeft hierover ter zitting verklaard dat hij twee dagen voor het ophalen van zijn bus is gaan poolen in [naam 5] , dat hij te veel alcohol had gedronken en daarom door een (onbekend gebleven) persoon naar huis is gebracht en zijn bus heeft laten staan. Zijn sleutelbos heeft hij blijkbaar laten liggen, maar dit is op de benedenverdieping geweest en [naam 31] weet niet hoe de sleutels in de kwekerij op de eerste verdieping terecht zijn gekomen.

De rechtbank acht deze verklaring van [naam 31] , mede in het licht van de door [naam 1] en [naam 14] jegens [naam 31] afgelegde belastende verklaringen en het feit dat het zijn werkbus betreft die hij daar zou hebben laten staan, ongeloofwaardig. De rechtbank ziet in het aantreffen van de sleutels van [naam 31] juist een bevestiging van hetgeen door [naam 1] en [naam 14] ten aanzien van [naam 31] is verklaard. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat er geen enkele twijfel is dat als de naam “ [naam 31] ” wordt genoemd, hiermee deze verdachte [naam 31] wordt bedoeld. Het verweer van de verdediging dat hierop ziet, wordt derhalve verworpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er een in werking zijnde hennepkwekerij met 1150 hennepplanten was gevestigd in restaurant [naam 5] in Alphen in de periode 1 april 2011 (start huurperiode) tot en met 15 november 2011 (dag ontdekking henneplocatie). De verdachten [naam 1] , [naam 14] en [naam 12] hebben ieder bekend dat zij hier een aandeel in hebben gehad. Ondanks dat de verdachten [naam 31] en [naam 11] , [naam 4] en [naam 2] hun betrokkenheid ontkennen dan wel hierover zwijgen, blijkt hun aandeel en rol naar het oordeel van de rechtbank meer dan voldoende uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Hiermee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de genoemde verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het tezamen en in vereniging telen van hennep op deze locatie.

4.6.6

Feit 7 Hennepkwekerij [adres 7] te Alphen en knipperij [adres 8] te Tilburg

In de maand september 2011 is bij de CIE informatie via een informant binnengekomen over onder meer opslag van een grote partij drugs in het oude slachthuis aan de [adres 7] in Alphen. Deze informatie werd als betrouwbaar aangemerkt. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek gestart en in dat kader werden er op 22 september 2011 observatiewerkzaamheden verricht77. Bij die observaties werd gezien dat van het pand gelegen aan de [adres 7] de roldeur gedeeltelijk open stond en werd in de omgeving van het pand een weeïge zoete lucht waargenomen. Voorts werd gezien dat om 18.53 uur, een witte bestelauto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken 11] , het terrein op kwam rijden. Omstreeks 18.56 uur reed de Volkswagenbus het terrein weer af en in de nabijheid van genoemde bus rook de verbalisant een hennepgeur. De Volkswagenbus reed omstreeks 19.25 uur de oprit op van de woning gelegen aan de [adres 8] te Tilburg. Op hetzelfde terrein werd ook een personenauto, merk Volkswagen Touran gezien, kenteken 67-RDH-3. Omstreeks 19.39 uur vertrokken de Volkswagenbus en de Volkswagen Touran weer, waarbij de bestuurders van beide voertuigen nog kort contact met elkaar hadden78.

Vervolgens vond op 22 september 2011 in het betreffende bedrijfspand aan de [adres 7] te Alphen een doorzoeking plaats, waarbij 1570 zwarte potten met aarde werden aangetroffen met daarin afgeknipte stelen van vermoedelijk hennepplanten79. Voorts werden in het pand onder andere 126 assimilatielampen, chemicaliën, koolstoffilters, 126 transformatoren en 240 lege potten aangetroffen80. Tevens werd er op 22 september 2011 binnengetreden in een woning aan de [adres 8] te Tilburg en vond ook daar een zoeking plaats. Hierbij werden in de kelder van de garage gelegen op het perceel [adres 8] een groot aantal personen op heterdaad aangehouden, waaronder [naam 29] , [naam 11] en [naam 14]81. De kelder was in gebruik als hennepknipperij en in de knipperij werd een grote hoeveelheid henneptoppen en geoogste hennepplanten aangetroffen82. Na herberekening bleek het te gaan om in totaal 435,88 kilogram hennep, bestaande uit hennepplanten, gemalen hennep, henneptoppen en hennepafval83. De aangetroffen hennepplanten, toppen en gemalen hennep werden bemonsterd en getest en die test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet84. Van het pand aan de [adres 8] te Tilburg zijn vervolgens videobeelden van 22 september 2011 bekeken. Gezien werd dat twee mannen met een grijze VW Touran het terrein op reden en gezien werd dat op 22 september 2011 de witte Volkswagenbus met het kenteken [kenteken 12] het terrein opreed naar de loods. Later rijdt de witte Volkswagenbus, met daarin twee personen, het terrein weer af en komt een klein uur later weer terug, met daarin dezelfde personen85. Uit onderzoek is vast komen te staan dat de Volkswagenbus met het kenteken [kenteken 12] van 22 september 2011 tot en met 23 september 2011 was gehuurd door [naam 4] . Bij het verhuurbedrijf te Waalwijk was een kopie van het rijbewijs van [naam 4] aanwezig en de man op de foto van het rijbewijs kwam overeen met één van de mannen (“man 1”) op de videobeelden van het perceel [adres 8] te Tilburg. Voorts werd waargenomen dat [naam 4] uit de richting van de grijze Volkswagen Touran kwam gelopen, naar de voordeur van het pand aan de [adres 8] liep en daar aanbelde. [naam 4] is naar binnen gegaan, is na enige tijd weer buitengekomen en is weer in de richting van de Volkswagen Touran gelopen86. Ook werd een pasfoto van [naam 2] , de vader van [naam 4] , vergeleken met de videobeelden van 22 september 2011 en [naam 2] werd daarbij herkend als “man 2”87. [naam 2] heeft ook bevestigd dat hij op 22 september 2011 samen met zijn zoon [naam 4] in de woning aan de [adres 8] te Tilburg is geweest en hij heeft zichzelf en zijn zoon [naam 4] herkend op de videobeelden88.

[naam 29] heeft verklaard dat zijn zoon [naam 11] hem had gevraagd om mee te gaan om wiet te knippen op de locatie aan de [adres 8] te Tilburg, alwaar hij was aangehouden89 en ook [naam 11] heeft bekend dat hij daar is aangehouden omdat hij daar wiet heeft geknipt90. [naam 7] , de bewoner van het pand aan de [adres 8] te Tilburg, heeft verklaard dat hij de afstandsbediening van de toegangspoort aan [naam 4] heeft gegeven91. Zijn vrouw, [naam 43] , heeft verklaard dat zij [naam 4] en [naam 2] heeft gezien op 22 september 2011 bij haar woning aan de [adres 8] te Tilburg92. [naam 1] heeft met betrekking tot de [adres 8] te Tilburg verklaard dat zich onder de knippers die zijn aangehouden op dat adres, de kern van de knippers zat die de laatste jaren voor hen werkten. In de knipploeg zit een hoofdknipster die de planning doet. Die hoofdknipster weet ook wanneer en voor wie er geknipt moet worden en zij regelt voor een bepaalde dag de knippers of knipsters. Voor de locatie waar wordt geknipt wordt 200 à 300 euro betaald93. Met betrekking tot de hennepkwekerij aan de [adres 7] te Alphen heeft [naam 1] verklaard dat hij die kwekerij samen met [naam 4] en [naam 2] is gestart. Die kwekerij is gebouwd door [naam 11] en [naam 31] , terwijl [naam 1] zelf zich heeft beziggehouden met de inrichting en berekeningen heeft gemaakt. [naam 1] heeft [naam 31] en [naam 12] genoemd als vaste werkers waar gebruik van werd gemaakt. Voorts heeft hij verklaard dat in twee van de koelcellen in het pand aan de [adres 7] te Alphen planten werden geplaatst en dat er in totaal in die kwekerij 1400 planten stonden en ongeveer 125 lampen hingen. [naam 4] heeft begin augustus 2011 de sleutel en het adres van het pand aan [naam 1] gegeven. [naam 2] , [naam 4] en [naam 1] zelf hebben in die kwekerij geïnvesteerd. De oogst van deze kwekerij is op het knipadres aan de [adres 8] te Tilburg bij [naam 7] door de politie gepakt. De verzorging van de planten werd gedaan door [naam 11] , [naam 31] en [naam 1] zelf. Na een inbraak in de kwekerij, twee weken voor de oogst, heeft [naam 2] beslist dat zijn broer [naam 11] maar bij de kwekerij moest gaan slapen. [naam 11] had voor die bewaking van [naam 4] een telefoon en een vuurwapen gekregen94. Dat [naam 11] (Knippels) voor de oogst in het pand heeft geslapen wordt bevestigd door [naam 14]95.

De dag voor de knip van de kwekerij werd er weer ingebroken in de kwekerij. [naam 11] heeft direct naar [naam 1] en [naam 4] gebeld en ook [naam 31] is gebeld en ook hij is naar de kwekerij gereden96. [naam 4] heeft daarop besloten om een knipadres te regelen en om de kwekerij te ontmantelen. [naam 4] is die middag met [naam 14] en [naam 31] in een witte bus teruggekomen bij de kwekerij. Die bus was op naam van [naam 4] gehuurd in Waalwijk. [naam 14] en [naam 31] zijn vervolgens de planten eraf gaan knippen en de planten werden in grote sporttassen of vuilniszakken gestopt. [naam 4] en [naam 1] zijn omstreeks 15.00 uur in de witte bus gestapt en naar [naam 7] aan de [adres 8] in Tilburg gereden, waar de planten geknipt zouden worden. [naam 14] en [naam 31] zijn bij de kwekerij achtergebleven om de rest van de planten te knippen. [naam 4] had de afstandsbediening van de poort in zijn bezit en [naam 4] en [naam 1] zijn naar achteren gereden naar een garage met daaronder een kelder. Op dat moment waren in die kelder al een stuk of 15 knippers aanwezig, waaronder ook [naam 11] . De tassen zijn in de garage gegooid en [naam 1] en [naam 4] zijn vervolgens terug naar de [adres 7] in Alphen gereden. Daar hadden [naam 31] en [naam 14] de rest van de planten geknipt en deze in vuilniszakken gedaan. Die vuilniszakken zijn in de bus gegooid en ook naar de [adres 8] te Tilburg vervoerd.

[naam 1] heeft omtrent de gebruikte sporttassen verklaard dat deze sporttassen alleen werden gebruikt om hennep te vervoeren en dat die werden gekocht bij “ [bedrijf 11] ” (hierna [bedrijf 11] ). De sporttassen werden eenmalig gebruikt en in een tas kon ongeveer 40 kilo geknipte hennep of 5 volle strijkzakken met hennep. Ook deze strijkzakken werden per 100 à 150 stuks door de organisatie ingekocht bij [bedrijf 11]97. [naam 29] heeft bekend dat hij op het adres [adres 8] in Tilburg aan het knippen was. [naam 1] had hem gevraagd om te helpen met knippen en hij is samen met [naam 11] in een busje gestapt en naar het knipadres gebracht98. [naam 14] heeft verklaard dat hij een paar keer voor zijn maat [naam 11] heeft gewerkt, waarbij hij door [naam 11] werd opgehaald en per busje werden ze dan naar de locatie vervoerd waar geknipt moest worden99. [naam 11] en zijn vader waren bij dit adres betrokken. Zij hielden de boel in de gaten en [naam 11] deelde de lakens uit over wat er moest gebeuren.

Met betrekking tot de [adres 7] te Alphen heeft [naam 11] aan [naam 14] gevraagd of hij daar hennep wilde oogsten en [naam 14] is naar dat adres meegereden met [naam 4] , [naam 11] en [naam 1] . In de loods waren volgens [naam 14] nog twee andere personen bezig om te oogsten100. Na het oogsten is [naam 14] meegereden met het busje naar het knipadres in de kelder101. Met betrekking tot het inrichten en opbouwen van de kwekerij aan de [adres 7] te Alphen heeft [naam 12] nog verklaard dat hij bij het opbouwen van die kwekerij heeft geholpen. Dat was in 2011 en hij heeft toen naar eigen zeggen zakken aarde naar binnen gedragen. Hij moest die zakken van [naam 1] daar heen brengen en die zakken kwamen van [bedrijf 11] . [naam 12] heeft de zakken vervoerd, maar het was [naam 1] die de zakken had besteld102.

[naam 1] heeft verklaard dat de organisatie de laatste twee jaar voor zeker 1 miljoen euro aan kweekmaterialen heeft uitgegeven bij [bedrijf 11] en dat die materialen steeds zijn gekocht op naam van het bedrijf [bedrijf 1] , het bedrijf van [naam 20] . [naam 20] zou ook één keer zijn meegegaan naar [bedrijf 11] om zich daar in te schrijven. Op die manier konden op naam van dat bedrijf kweekmaterialen worden ingekocht103.

[naam 20] heeft verklaard dat [naam 1] hem heeft geholpen om van zijn schuld af te komen en dat hij in ruil daarvoor contracten moest ondertekenen in verband met huur van panden als [naam 1] daarom vroeg. Hij moest dan een handtekening zetten voor een pand. Voorts heeft [naam 20] verklaard dat hij directeur was van het bedrijf [bedrijf 1] en dat de link tussen het bedrijf [bedrijf 1] en [naam 1] bestond uit het huren van panden door [bedrijf 1]104. Het pand [adres 7] te Alphen zegt hem niets, maar hij heeft toen wel getekend. [naam 20] was, zo verklaart hij, benaderd door [naam 1] om dit pand op zijn naam te zetten. Blijkens de huurovereenkomst ten aanzien van de [adres 7] te Alphen is de huurder ‘ [bedrijf 1] ’105. Dit is bevestigd door [naam 44] . Hij heeft verklaard dat [bedrijf 1] de huurder was van het pand aan de [adres 7] te Alphen en hij herkende [naam 20] voor de volle 100 procent als degene die het huurcontract voor dat pand heeft getekend106. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2011. Weliswaar ontkent [naam 20] later dat hij heeft getekend voor dit pand en heeft [naam 44] in zijn verhoor bij de rechter-commissaris aangegeven dat de man op de foto van het rijbewijs niet degene is die het huurcontract heeft getekend. Echter, de enkele ontkenning van [naam 20] dat hij niet heeft getekend en deze later door [naam 44] afgelegde verklaring, maken voorgaande vaststellingen niet anders. Gelet op het feit dat de rechtbank de verklaringen van [naam 1] betrouwbaar acht in combinatie met de eerste verklaring van [naam 20] en de bevestiging van [naam 44] bij politie, maken dat de rechtbank de later afgelegde verklaringen van [naam 20] niet volgt. Dat [naam 20] wellicht niet zou weten dat het precies dit pand betrof, doet aan voorgaande niet af. Immers, gezien hetgeen hiervoor onder de criminele organisatie reeds is beschreven over de rol van [naam 20] , was hij langere tijd betrokken bij de organisatie en heeft hij, met zijn specifieke rol als katvanger, bijgedragen aan het medeplegen van het telen van hennep. Dat hij geen enkele wetenschap heeft gehad van wat er met de panden waar hij voor tekende zou gebeuren, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van hetgeen met betrekking tot de criminele organisatie en eenieders rol daarin in voorgaande is overwogen, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachten [naam 2] , [naam 11] , [naam 4] , [naam 1] , [naam 31] , [naam 14] , [naam 20] en [naam 12] zich samen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het telen van hennep op de locatie [adres 7] te Alphen in de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 en, met uitzondering van verdachten [naam 31] , [naam 20] en [naam 12] , het op 22 september 2011 bewerken van hennep op de locatie [adres 8] te Tilburg.

Voor wat betreft de verdachten [naam 20] en [naam 12] heeft het openbaar ministerie tijdens het onderzoek ter terechtzitting telkens gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde, te weten het medeplegen van het kweken van hennepplanten aan de [adres 7] te Alphen.

De rechtbank heeft met het openbaar ministerie en de verdediging van respectievelijk [naam 20] en [naam 12] geconstateerd dat de rol die deze verdachten hebben gespeeld bij de hennepkwekerij aan de [adres 7] te Goirle, beperkt en ondersteunend van aard is geweest. De rol van deze verdachten moet naar het oordeel van de rechtbank echter ook gezien worden in het licht van de rol die beide verdachten hebben gespeeld als deelnemer aan de criminele organisatie. Bij de bewezenverklaring van die criminele organisatie heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat iedere deelnemer, dus ook [naam 20] en [naam 12] , een specifieke rol binnen die organisatie had en dat die rol ook essentieel was.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de rol die deze twee verdachten hebben gehad, mede gezien in het licht van de criminele organisatie waarin zij werkzaam waren, bij de kwekerij aan de [adres 7] te Alphen essentieel en specifiek is geweest en dat er daarom ook sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze verdachten als lid van de criminele organisatie en de overige deelnemers aan de criminele organisatie. De rechtbank acht dan ook voor wat betreft de verdachten [naam 20] en [naam 12] telkens het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.6.7

In uitoefening van beroep of bedrijf

Bij iedere afzonderlijke hennepkwekerij is als onderdeel van de tenlastelegging opgenomen dat de verdachten in de uitoefening van een beroep of bedrijf hebben gehandeld.

Bij de vaststelling of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt spelen de volgende drie factoren een belangrijke rol:

1. De hoeveelheid planten

2. De mate van professionaliteit

3. Het doel van de teelt.

Zoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot de criminele organisatie, heeft de organisatie van [naam 2] zich gedurende vele jaren intensief beziggehouden met de professionele en grootschalige hennepteelt. Zoals met name blijkt uit de verklaringen van [naam 1] , hebben de verdachten aanzienlijke investeringen moeten doen met de bedoeling hennepkwekerijen op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst. De capaciteit van de diverse kwekerijen besloeg in veel gevallen honderden planten. Bovendien vond het gehele proces onder gecontroleerde condities en grotendeels geautomatiseerd plaats in afzonderlijke daarvoor ingerichte kweekruimtes, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces. Ten slotte is voldoende komen vast te staan dat de verdachten er op uit waren om telkens in een zo kort mogelijke periode zo snel en zo veel mogelijk geld te verdienen en dat zij ook geen of (in relatie tot de inkomsten uit de hennepteelt) nauwelijks legale inkomsten hadden.

Dit alles beziend, leidt de rechtbank tot het oordeel dat de teelt zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf”.

4.6.8

Feiten 4 en 5 De criminele organisatie (conclusies)

Algemeen kader

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken, is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk. Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Wetenschap van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist, als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Evenmin is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk heeft deelgenomen aan (alle) gepleegde misdrijven, noch dat zij heeft samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.
Gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband

Naar aanleiding van de uitgebreide verklaringen van [naam 1] en diverse andere verdachten en getuigen, heeft de rechtbank reeds vastgesteld (zie haar overwegingen onder de tussenconclusies) dat er naar haar oordeel in een verschillende samenstelling sprake is geweest van een organisatie, een gestructureerd samenwerkingsverband tussen de diverse verdachten gedurende een periode van bijna 10 jaar, verdeeld over twee periodes en dat verdachte hieraan deel heeft genomen. Verder geldt dat de in het kader van de grootschalige hennepteelt te verrichten handelingen nauw op elkaar afgestemd dienen te zijn en dat deze op verschillende plekken en momenten plaats vinden. Dit betekent dus dat de handelingen al naar hun aard een planmatig karakter dragen en dat het niet gaat om slechts een eenvoudig samenwerkingsverband dat het medeplegen niet overstijgt.

Oogmerk van de criminele organisatie

Het voor een criminele organisatie vereiste oogmerk moet zijn gericht op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang behoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijk plegen daarvan. Het oogmerk zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs daarvan zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de criminele organisatie.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de hiervoor beschreven afzonderlijke feiten komen vast te staan dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het op grote schaal telen van hennep. De rechtbank acht echter niet bewezen – en spreekt verdachte hiervan dan ook partieel vrij – dat de aan verdachte tenlastegelegde overige feitelijkheden die het oogmerk zouden inkleuren, te weten het witwassen van drugsgelden, de diefstal van stroom, het vernielen van elektriciteitsnetwerken en het afpersen dan wel bedreigen van personen, als oogmerk van de organisatie moeten worden gezien.

Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank door de verdachte ondersteunde dan wel bijkomende gedragingen die verband hielden met of logischerwijze voortvloeiden uit de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk van het op grote schaal telen van hennep.

Hiërarchische structuur/rolverdeling

De rechtbank stelt vast dat sprake was van een hiërarchische structuur binnen de organisatie gezien de rolverdeling die bestond tussen de verschillende verdachten, waarbij rollen overigens ten dele inwisselbaar zijn gebleken. Uit al het voorgaande leidt de rechtbank tevens af dat verdachte met zijn handelen tot de criminele organisatie behoorde en dat hij wist dat de organisatie het plegen van misdrijven, in de zin van grootschalige hennepteelt, tot oogmerk had. Verdachte had een essentieel aandeel in de gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie en er was evident geen sprake van een incidentele, toevallige rol van verdachte.

De rechtbank acht naar aanleiding van alle verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat [naam 2] (vanaf 2003) en [naam 4] (vanaf 2009) [naam 4] bovenaan in de hiërarchie stonden van deze organisatie en bestempeld kunnen worden als de leiders. [naam 2] was tevens oprichter van deze organisatie, die is opgesplitst in twee periodes maar feitelijk heeft doorgelopen van 2003 tot en met 2012. In 2009 is [naam 4] in beeld gekomen. Na eerst een tijdje deelnemer van de organisatie te zijn geweest, heeft hij op enig moment een leidende rol gekregen naast zijn vader [naam 2] . Ook [naam 1] en [naam 3] zijn naar het oordeel van de rechtbank als leiders te bestempelen. [naam 1] bestempelt zichzelf als bedrijfsleider en ook [naam 3] wordt op dat niveau in de organisatie geplaatst, waarmee zij feitelijk het middenkader vormden tussen de leiders [naam 2] en [naam 4] enerzijds en de overige verdachten anderzijds. Deze structuur maakt het ook logisch dat de overige verdachten voornamelijk te maken hadden met [naam 1] en/of [naam 3] , aangezien zij degenen waren die de overige verdachten aanstuurden. [naam 2] en [naam 4] konden hierdoor vaak buiten beeld blijven, waardoor het ook begrijpelijk is dat de verdachten die lager in de hiërarchie stonden feitelijk vaak minder met [naam 2] en/of [naam 4] te maken hadden en daardoor vaak minder gedetailleerd over hen konden dan wel durfden te verklaren.

Deze overige verdachten hadden ieder een eigen rol in de criminele organisatie: als werkers (onder andere) [naam 11] , [naam 14] , [naam 6] , [naam 21] , [naam 37] , [naam 12] en [naam 31] . Daarnaast had [naam 11] een rol als beveiliger van henneplocaties en droeg [naam 21] als makelaar panden aan waar de organisatie hennep kon telen. [naam 34] en [naam 37] waren actief als elektriciens voor de organisatie en [naam 20] heeft voor veel verschillende panden als katvanger opgetreden, door contracten van henneppanden op zijn naam te zetten.

Deelnemer

De rechtbank is daarmee van oordeel dat [naam 2] als deelnemer kan worden aangemerkt nu hij tot het samenwerkingsverband behoorde en hij een ondersteunend aandeel had in de gedragingen die strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten grootschalige hennepteelt.

Conclusie

Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 4 en 5 tenlastegelegde criminele organisatie, zoals hierna onder 4.7 wordt weergegeven.

4.6.9

Feit 8 De (poging tot) afpersing/diefstal met geweld c.q. bedreiging van [naam 3]

De rechtbank constateert met de officier van justitie dat [naam 3] zelf weinig tot niets heeft verklaard met betrekking tot de aan [naam 4] en [naam 2] tenlastegelegde afpersing/diefstal met geweld of de poging daartoe, dan wel de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Van die feiten heeft [naam 3] ook geen aangifte gedaan. Dat hij zou zijn bedreigd en dat die bedreiging ertoe zou hebben geleid dat [naam 3] ook daadwerkelijk werd gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 350.000,= en/of het afstaan van de opbrengst uit de hennepteelt, komt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier naar voren. Dat [naam 3] zou zijn bedreigd door [naam 4] en/of [naam 2] volgt alleen uit de verklaringen van drie getuigen, te weten [naam 1] , [naam 28] en [naam 16] . De rechtbank constateert dat de inhoud van deze getuigenverklaringen in grote lijnen overeenkomen, maar aannemelijk is dat de wetenschap van deze getuigen telkens afkomstig is uit één en dezelfde bron, namelijk [naam 3] . Daar komt nog bij dat [naam 3] met betrekking tot eventueel tegen hem gebruikt geweld in zijn verhoor bij de politie heel duidelijk is geweest, namelijk dat de bedreiging op de parkeerplaats en ook de afpersing niet hebben plaatsgevonden. [naam 3] doet er verder het zwijgen toe. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de basis voor een bewezenverklaring in belangrijke mate is weggevallen en dat de drie de-auditu verklaringen, met [naam 3] als bron, onvoldoende zijn om tot het wettige bewijs van het tenlastegelegde te komen. De rechtbank spreekt [naam 2] daarom vrij van dit feit.

4.6.10

Feit 3 Witwassen

4.6.10.1 Algemeen met betrekking tot witwassen

De aan verdachte [naam 2] ten laste gelegde witwasfeiten zijn gebaseerd op art. 420bis Sr al dan niet in samenhang met art. 420ter Sr. Art. 420bis Sr richt zich op voorwerpen die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.

In de periode dat de aan verdachte ten laste gelegde witwasfeiten zouden zijn gepleegd, eindigend op uiterlijk 28 augustus 2012, was art. 420bis 1 Sr inzake “eenvoudig witwassen”, dat per 1 januari 2017 is ingevoerd, nog niet van toepassing. Toen gold nog de jurisprudentie van de Hoge Raad over het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf, waarbij de verdachte geen handelingen heeft verricht die zijn gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen, in welk geval niet als witwassen kon worden gekwalificeerd. Het Openbaar Ministerie neemt het standpunt in dat deze jurisprudentie niet van toepassing is, wanneer er ten aanzien van aangetroffen voorwerpen geen concreet en direct verband bestaat met een specifiek te benoemen misdrijf, omdat er dan sprake is van enig misdrijf en niet van enig eigen misdrijf.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Het woord “eigen” kan niet zo worden beperkt. In de memorie van toelichting bij de kamerstukken betrekking hebbend op de invoering van art 420 bis1 Sr staat opgenomen dat “Strafbaar wordt gesteld het enkel verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn van door de dader zelf gepleegde misdrijven.” Dit naar aanleiding van de hiervoor geciteerde door de Hoge Raad aangebrachte beperking. Verder vermelden de kamerstukken: “Beoogd wordt een (aanvullende) strafbaarstelling van het «verwerven» of «voorhanden hebben» van voorwerpen uit zelf gepleegde misdrijven zonder dat (nog) sprake is van omstandigheden die wijzen op een gerichtheid op het verhullen of verbergen.” (zie HR ECLI:NL:HR:2016:2842).

De door het openbaar ministerie ingebrachte beperking valt daarin niet te lezen.

Het hoeft naar het oordeel van de rechtbank ook eigenlijk geen betoog dat gelden die afkomstig zijn uit een aantal door een verdachte gepleegde misdrijven, maar waarvan niet is vast te stellen uit welk misdrijf het geld precies afkomstig is, vallen onder het begrip “afkomstig uit eigen misdrijf”. In de door de Hoge Raad besliste zaken, waarin de hiervoor weergegeven beperking door de hoge raad werd gehanteerd, was regelmatig beslissend of er een relatie bestond tussen het aangetroffen geld en de bewezen verklaarde misdrijven. Niet de herleidbaarheid tot één specifiek te benoemen misdrijf. Zie bijv. HR 07-04-2015 ECLI:NL:HR:2015:888 en HR 16-12-2014 ECLI:NL:HR:2014:3618.

4.6.10.2 Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de witwasfeiten

De inkomenspositie van [naam 2]

[naam 45] heeft verklaard dat zij een inkomen heeft van € 1.850,- per maand en dat haar echtgenoot [naam 2] een WAO-uitkering heeft107. Niet is gebleken dat [naam 2] en [naam 45] over meer of andere legale inkomsten konden beschikken dan de hiervoor genoemde. Vast staat dat [naam 2] daarnaast grote winsten ontving uit zijn criminele activiteiten. Die winsten waren naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat die het legale inkomen in zeer ruime mate moeten hebben overtroffen, terwijl zij gedurende een zeer groot aantal jaren werden ontvangen. Beide geldstromen zijn naar het oordeel van de rechtbank vermengd geraakt. Gezien de omvang van de criminele gelden ten opzichte van de legale inkomsten, is door deze vermenging naar het oordeel van de rechtbank het gehele inkomen en vermogen besmet geraakt.

De panden aan de [adres 3] te Tilburg, de [adres 4] te Sprang-Capelle en de [adres 1] te Tilburg en roerende zaken
De rechtbank stelt allereerst vast dat [naam 2] samen met zijn echtgenote [naam 45] op 9 mei 2008 de woning aan de [adres 3] te Tilburg heeft gekocht en heeft ingericht. Van de inrichting van die woning is alleen de betaling teruggevonden van de keuken bij [bedrijf 2] voor een bedrag van € 6.225,-. Dit factuurbedrag moet contant zijn betaald omdat op de bankafschriften van [naam 2] en [naam 45] geen betalingen zijn terug te vinden in de periode van 9 mei 2008 tot en met 2010 voor de inrichting van de woning en de tuin aan de [adres 3] te Tilburg108. Uit onderzoek bij [bedrijf 2] is naar voren gekomen dat op naam van [naam 2] in december 2011 een keuken is gekocht bij de [bedrijf 3] voor € 12.002,26. Deze keuken is op 27 februari 2012betaald via een bankrekeningnummer op naam van [naam 2] .

[naam 45] heeft omtrent de woning aan de [adres 3] te Tilburg en de inrichting van die woning verklaard dat zij de woning hebben gekocht voor € 285.000,-. Voor die aankoop hadden ze een hypotheek afgesloten van € 195.000,- en daarnaast hadden zij € 100.000,- geleend middels een persoonlijke lening. Op die persoonlijke lening werd € 500,- per maand afgelost. Het huis is volgens [naam 45] verkocht voor € 350.000,- aan makelaar [naam 46] . [naam 2] en [naam 45] hebben via [naam 46] een stuk grond gekocht in Sprang Capelle aan de Wendeldesseweg-Oost 22 voor € 200.000,-. Ze hebben daar voor ongeveer € 155.000,-/€ 160.000,-een huis laten bouwen. In december 2011 hebben ze vervolgens die woning verkocht voor € 450.000,-, inclusief interieur. Uit onderzoek is gebleken dat aannemelijk is dat [naam 2] en [naam 45] voor meer dan € 90.000,- aan die woning hebben verbouwd en ingericht109. [naam 2] en [naam 45] zijn vervolgens weer verhuisd naar de [adres 1] te Tilburg, waar ze een huis hebben gekocht van € 270.000,-110. Makelaar [naam 46] heeft bevestigd dat de woning aan de [adres 3] te Tilburg in oktober 2010 aan hem is verkocht voor € 350.000,-, inclusief € 15.000,-voor de roerende zaken. Voor de koop van de grond door [naam 2] was een overbruggingskrediet afgesloten tussen [naam 2] en de B.V. van makelaar [naam 46] van € 40.000,-. Het was [naam 46] opgevallen dat [naam 2] en [naam 45] veel geld hadden besteed aan de inrichting van het huis en de tuin. In de loop van 2011 heeft [naam 46] de woning aan de [adres 4] te Sprang Capelle voor [naam 2] en [naam 45] verkocht. Voor die woning werd een bedrag van € 450.000,- betaald, terwijl de vraagprijs € 565.000,- bedroeg. Ook bij die verkoop hebben [naam 2] en [naam 45] roerende goederen overgedragen aan de kopers111.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de financiering van de betreffende woningen en de inrichting van deze woningen telkens werden betaald met geld met een criminele herkomst. Op grond daarvan moeten de door verdachte gedane aan- c.q. verkopen van de panden aan de [adres 3] te Tilburg en de [adres 4] te Sprang-Capelle, telkens met inboedel, en de aankoop van het pand aan de [adres 1] te Tilburg, worden gezien als het omzetten van crimineel geld door dit te investeren in roerende en onroerende goederen. [naam 2] heeft zich daarmee samen met zijn partner [naam 45] schuldig gemaakt aan witwassen als bedoeld in art. 420bis sub b Sr door de onroerende zaken en de roerende goederen voorhanden te hebben.

Het enkele feit dat deze woning mede is gefinancierd met een hypothecaire financiering maakt voorgaande niet anders. Immers, de hypotheeklasten zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook betaald met criminele gelden waardoor ook op die manier geld is witgewassen. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot de persoonlijke lening die ten behoeve van de aankoop van de woning is afgesloten.

De rechtbank volgt de verdediging ook niet in het verweer dat het zou gaan om individualiseerbare vermenging. Het bedrag afkomstig uit criminele activiteiten is daarvoor te groot, zoals hiervoor al overwogen.

Een bedrag van € 5.415,15 (vakantiereis [naam 11] naar Aruba)

Bij de doorzoeking van de woning van [naam 2] en [naam 45]112 werd een betalingsbewijs van [bedrijf 4] op naam van [naam 45]113 aangetroffen d.d. 2 augustus 2012 betreffende een contante betaling van € 2.149,50. Daarnaast werden twee kwitanties aangetroffen van [bedrijf 5] op naam van [naam 45] d.d. 25 februari 2012 van € 5.662,34114 en 7 juli 2012 van € 3.265,65115. [naam 2] heeft met betrekking tot de bij hem aangetroffen rekeningen van [bedrijf 5] verklaard dat hij met zijn broer [naam 11] naar Aruba op vakantie zou gaan, maar dat hij die vakantie voor zichzelf heeft geannuleerd omdat het psychisch niet goed met hem ging. Zijn broer [naam 11] is toen op zijn kosten op huwelijksreis geweest naar Aruba116. [naam 11] heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2012 getrouwd is met [naam 50] en dat hij op dat moment net uit Aruba kwam. Met betrekking tot de vraag hoe hij die reis heeft kunnen betalen heeft hij aanvankelijk verklaard dat dat er toch niet toe doet, maar hij heeft ook aangegeven dat het een cadeautje was van zijn broer117. [naam 11] heeft daarmee de verklaring van [naam 2] bevestigd en daarmee is vast komen te staan dat [naam 2] de reis voor zijn broer [naam 11] contant heeft betaald, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank moet worden gezien als het omzetten van crimineel vermogen. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam 2] samen met een ander een bedrag van (€ 2.149,50 en € 3.265,65) € 5.415,15 heeft witgewassen door deze gelden om te zetten in een vakantiereis.

De Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 1]

Op een in de administratie van [naam 2] aangetroffen bankafschrift van het rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] is te lezen dat op 27 september 2007 door [bedrijf 6] te Breda een bedrag van € 33.500,-is bijgeschreven op de rekening van [naam 2] , onder vermelding van “Breda inkoop [kenteken 1] ”118. Uit gegevens van de RDW blijkt dat een Toyota Land Cruiser voorzien van het kenteken [kenteken 1] per 25-02-2005 op naam staat van [naam 29] (de vader van [naam 2] ) en vanaf 26-09-2007 tot en met 13-10-2007 op naam van [bedrijf 6]119. Bij de doorzoeking van de woning van [naam 29] werd een factuur aangetroffen van de aankoop van de Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 1] door [naam 29] van [bedrijf 7] . Het aankoopbedrag van € 25.250,- is op 20 november 2006 voldaan120. Vast is komen te staan dat de eenmanszaak [bedrijf 7] werd gedreven door [naam 1]121. [naam 1] heeft verklaard dat hij auto’s van [naam 2] op zijn naam heeft gehad, waaronder een Toyota Landcruiser van ongeveer € 61.000,-. [naam 2] heeft die auto, zo heeft [naam 1] verklaard, contant afgerekend bij [bedrijf 6] in Tilburg. Dit gebeurde in 3 à 4 keer om onder de meldingsplicht voor contante betalingen uit te komen122. Voorts heeft hij verklaard dat [naam 2] de Toyota Landcruiser niet kon betalen in verband met zijn uitkering. [naam 1] moest daarom die auto op naam hebben en [naam 2] zou betalen. Bij de verkoop en de betalingen was voor beide partijen duidelijk dat [naam 2] de eigenaar was en [naam 1] katvanger123. [naam 2] heeft ook bekend dat de Toyota Landcruiser die [naam 1] op naam moest zetten, door hem is betaald en dat het zou kunnen dat die auto in 3 of 4 keer is afgerekend. Voorts heeft [naam 2] verklaard dat hij die auto weer heeft verkocht aan een dealer in Breda en dat hij daar mogelijk € 30.000,= voor heeft gekregen124.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop deze Toyota Landcruiser door [naam 2] werd gekocht en werd betaald, een manier is geweest om contante geldbedragen, afkomstig uit criminele activiteiten, om te zetten. Door de Landcruiser op naam van [naam 1] te zetten is verhuld wat de herkomst van die Landcruiser was, namelijk aangekocht met crimineel geld, en tevens wie de rechthebbende op die Landcruiser was, namelijk [naam 2] zelf. Ook heeft [naam 2] zich schuldig gemaakt aan witwassen door deze auto voorhanden te hebben.

Auto’s merk Fiat 500, kentekens [kenteken 2] , [kenteken 3] , [kenteken 4] en [kenteken 5]

In het onderzoek naar de aan- en verkopen van auto’s van [bedrijf 8] te Oisterwijk ontving het onderzoeksteam een bericht van [bedrijf 8] Oisterwijk met bijlagen waaruit volgt dat de verkoopfactuur van de Fiat 500 Cabrio 1.2 Lounge op naam staat van [naam 47] met als kenteken [kenteken 2] , welk kenteken op naam stond van [naam 29] . Het kenteken van een daarbij ingeruilde Volkswagen Golf stond op naam van [naam 4] en het inkoopbewijs is getekend bij ‘verkoper’ met ‘ [naam 47] ’. Bij aflevering van die auto is in totaal € 5.000,= bijbetaald125. [naam 29] heeft met betrekking tot die Fiat 500 Cabrio verklaard dat hij nooit in een Fiat 500 Cabrio heeft gereden en dat hij ook nooit de Volkswagen Golf heeft gehad die is ingeruild. Het adres op de factuur, [adres 3] te Tilburg, is volgens [naam 29] het adres waar [naam 2] heeft gewoond126.

Bij nader onderzoek is door de heer [naam 48] , voormalig eigenaar van [bedrijf 9] , medegedeeld dat alle auto’s die zij geleverd hebben aan [naam 2] en [naam 45] , door [naam 2] zijn gekocht en betaald. Het ging dan om een Fiat 500 met kenteken [kenteken 3] die aan [naam 2] werd verkocht. [naam 2] heeft hierover onderhandeld met [naam 48] en hij wilde een Ford Fiesta met kenteken [kenteken 13] inruilen en een Fiat 500 Cabrio met kenteken [kenteken 2] . De verkoopfactuur127 was op naam gesteld van [naam 29] , de vader van [naam 2] . De Fiat met kenteken [kenteken 2] , die op naam van [naam 29] was gesteld, is ingekocht voor € 16.000,-128. Op de bankrekening van [naam 29] is op 8 november 2010 een bedrag van € 14.000,- bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 9]129. Een bedrag van € 2.000,- van de € 16.000,- is volgens [naam 48] niet uitbetaald omdat dit bedrag als aanbetaling op de nieuw te leveren Fiat 500 kenteken [kenteken 3] is achtergehouden.

Volgens de heer [naam 48] heeft [naam 2] in 2008 een Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] gekocht bij [bedrijf 9] en op die auto is een Mitsubishi Colt ingeruild met het kenteken [kenteken 14] , welk kenteken volgens de RDW geregistreerd stond op naam van [naam 45] . Het kenteken van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] is op naam gesteld van de moeder van [naam 45] . In 2009 is de Fiat 500 [kenteken 4] volgens de heer [naam 48] ingeruild op een nieuwe Fiat met kenteken [kenteken 5]130. Volgens [naam 48] zijn de onderhandelingen gedaan door [naam 2] en [naam 2] heeft ook het bij te betalen bedrag van € 4.000,- voldaan. Het kenteken is op naam gesteld van [naam 49] , de moeder van [naam 45] . Volgens de factuur van de aanschaf van een Renault Twingo, kenteken [kenteken 8]131, aangetroffen in de woning van [naam 45] is de Fiat 500, [kenteken 5] op de Renault Twingo ingeruild. Ook het kenteken van de Renault Twingo is op naam gesteld van [naam 49] , de moeder van [naam 45]132.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop deze auto’s door [naam 2] werden gekocht en betaald, een manier is geweest om contante geldbedragen, afkomstig uit criminele activiteiten, om te zetten. Door de auto’s op naam van anderen te zetten is verhuld wat de herkomst van die auto’s was, namelijk aangekocht met crimineel geld, en tevens wie de rechthebbende op die auto’s was, namelijk [naam 2] zelf. Tevens heeft [naam 2] zich schuldig gemaakt aan witwassen door deze auto’s voorhanden te hebben gehad.

Auto’s merk Ford Ka, kenteken [kenteken 6] en Fiat Panda, kenteken [kenteken 7]

Uit onderzoek133 is vast komen te staan dat op 13 maart 2009 door [bedrijf 10] aan [naam 29] een Ford Ka werd verkocht, kenteken [kenteken 15]134. Op de Ford Ka werd een Suzuki Swift ingeruild en een bedrag van € 3.215,- resteerde. Voorts werd op 9 november 2010 door [bedrijf 10] een Fiat Panda, kenteken [kenteken 7] verkocht aan de koper [naam 29] . Op die Fiat Panda werd voornoemde Ford Ka ingeruild en moest nog € 1.022,25 worden bijbetaald135. Voorts is gebleken dat het kenteken van de Ford Ka [kenteken 6] te naam is gesteld van [naam 2] en dat ook het kenteken van de Fiat Panda [kenteken 7] te naam is gesteld van [naam 2]136. Op 21 augustus 2012 is deze Fiat Panda aangetroffen bij de woning van [naam 29] , de vader van [naam 2] . Met betrekking tot de Ford ka, kenteken [kenteken 6] en de Fiat Panda, kenteken [kenteken 7] heeft [naam 29] verklaard dat de Fiat Panda die bij hem voor de deur stond van hem is. Bij de aankoop van die auto heeft hij de Ford Ka ingeruild. Zijn zoon [naam 2] was telkens bij de aankoop van die auto’s aanwezig en die auto’s zijn ook op naam van [naam 2] gesteld. Ook heeft hij verklaard dat [naam 2] de Ford Ka voor hem heeft betaald137.

Ook voor deze auto’s geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de wijze waarop deze auto’s door [naam 2] werden gekocht en betaald, een manier is geweest om contante geldbedragen, afkomstig uit criminele activiteiten, om te zetten. [naam 2] zich schuldig gemaakt aan witwassen door deze auto’s voorhanden te hebben.

De Renault Twingo, kenteken [kenteken 8]

Zoals hiervoor onder 1.3.4 overwogen stond de Renault Twingo met het kenteken

[kenteken 8] op naam van de moeder van [naam 45] , was de factuur met betrekking tot die auto op naam gesteld van [naam 45] en blijkt uit de bij de factuur gevoegde kwitantie dat een contant bedrag van € 2.550,- door ‘Bertens’ is betaald. Uit het dossier blijkt derhalve dat [naam 45] deze auto heeft aangeschaft. Nu naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet blijkt van een voldoende betrokkenheid van [naam 2] , zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van het tenlastegelegde witwassen vrijspreken.

Een geldbedrag van € 200.000,= (begraven in de tuin van de woning aan de [adres 1] te Tilburg)

Op 21 augustus 2012 vond een doorzoeking plaats van de woning op het adres [adres 1] te Tilburg. Op dat adres was op dat moment woonachtig [naam 2] en [naam 45] . In de tuin van die woning werd een plastic vuilniszak opgegraven met daarin een zogenaamd zuurvaatje. In dit vaatje bleek na telling een bedrag van € 200.000,- aan bankbiljetten te zitten138. [naam 2] heeft met betrekking tot dit geldbedrag verklaard dat hij blij was dat dat geld gevonden was en dat hij er nu van af was omdat het toch zwart geld was. Ook geeft hij aan dat hij veel geld heeft verdiend in de hennep en dat hij dat geld niet had gespaard, anders zou hij het niet in zijn tuin begraven139.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande, en dan met name op grond van de wijze waarop het bedrag van € 200.000,- was verstopt en de verklaring van [naam 2] met betrekking tot de herkomst van het geld, van oordeel dat [naam 2] de herkomst van die € 200.000,- heeft verhuld als bedoeld in art. 420bis sub a Sr. en dat daarmee het witwassen van dat geldbedrag van € 200.000,- wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Een geldbedrag van € 10.000,= (in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging)

Bij voornoemde doorzoeking van de woning van [naam 2] aan de [adres 1] te Tilburg werd in de berging van die woning een bedrag van € 10.000,- aangetroffen140. Dit geld zat verpakt in een plastic zak en dit pakket lag in een plastic opbergbak. [naam 2] heeft zelf verklaard dat hij veel geld heeft verdiend in de hennephandel en dat hij met het bij hem aangetroffen contante geld grote contante uitgaven betaalt141. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat onder [naam 2] crimineel vermogen in beslag is aangetroffen . Echter, zoals ook de verdediging heeft gesteld, kan, gelet op de wijze van verbergen, met betrekking tot het geldbedrag van € 10.000,- niet worden gesproken van verbergen of verhullen in de zin van art. 420bis sub a Sr. en is er daarom sprake van het voorhanden hebben van die € 10.000,-, terwijl dat geld onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat er sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank zal hier later in het vonnis, waar het zal gaan over de strafbaarheid van het feit, op terug komen.

Een geldbedrag van € 43.250,= (verborgen in een woning gelegen aan de [adres 5] te Tilburg)

Op 21 augustus 2012 vond een doorzoeking plaats van de woning op het adres [adres 5] te Tilburg. Tijdens de doorzoeking bleek dat in de nis, onder de trap, een kolom was gemaakt. Die kolom bleek hol te zijn en aan de bovenkant open. Aan de bovenkant was een haak bevestigd met daaraan een touw. Aan het touw bleek een plastic bus te zijn bevestigd, met een rood deksel. In de bus zaten vier bundels met bankbiljetten. Na telling bleek dat er in de bus € 43.250,- zat142.

Verdachte [naam 2] heeft verklaard dat de bewoners van het pand, zijnde de ouders van [naam 45] , nooit van dat geld hebben geweten. [naam 2] heeft bekend dat hij dat geld daar heeft verstopt en ook [naam 45] wist dat daar geld verstopt was143. [naam 45] heeft bevestigd dat zij wist dat in de woning van haar ouders geld was verstopt en dat zij en [naam 2] een sleutel hadden van de woning van haar ouders144.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande, en dan met name op grond van de plaats en de bijzondere wijze waarop het bedrag van € 43.250,- was verstopt en de verklaring van [naam 2] met betrekking tot de herkomst van het geld, van oordeel dat [naam 2] de herkomst van die € 43.250,- heeft verhuld als bedoeld in art. 420bis sub a Sr. en dat daarmee het witwassen van dat geldbedrag van € 43.250,- wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Een scooter merk Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9]

Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] te Tilburg op 21 augustus 2012 werd een scooter, merk Piaggio C38, kenteken [kenteken 9] , in beslag genomen145. [naam 2] heeft verklaard dat die scooter van hem is en dat hij er ook mee rijdt. De scooter staat op naam van zijn moeder omdat hij bang was dat er misschien iets verkeerd zou gaan146.

De rechtbank is van oordeel dat [naam 2] , door die scooter op naam van zijn moeder te zetten, de werkelijke herkomst van die scooter, namelijk aangekocht met crimineel geld en tevens de werkelijke rechthebbende op de scooter, namelijk [naam 2] zelf, heeft verhuld. Die scooter heeft [naam 2] bovendien voorhanden gehad doordat hij de rechthebbende bleef en ook op die wijze witgewassen.

Een geldbedrag van € 64.200,= (aangetroffen in een safeloket bij de Rabobank te Tilburg op naam van [naam 33] )

Bij de Rabobank te Tilburg werden op 21 augustus 2012 in een safeloket op naam van [naam 33] , de ex-echtgenote van [naam 2] , vier pakketten met geld aangetroffen. Twee van die pakketten waren verpakt in aluminiumfolie. Van die twee pakketten verpakt in aluminiumfolie heeft [naam 33] verklaard dat dat geld afkomstig was van verzekeringsgeld. De andere twee pakketjes, inhoudende in totaal € 64.200,-, zijn volgens [naam 33] nog uit de periode van haar huwelijk met [naam 2] . Het zou gaan om haar deel van het spaargeld. Volgens het requisitoir van het Openbaar Ministerie ziet de tenlastelegging op dit laatste deel.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de criminele activiteiten van [naam 2] en gelet op het afzonderlijk opbergen van dit bedrag van het andere aangetroffen bedrag, er een vermoeden van witwassen kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het bedrag van € 64.200,- door [naam 33] een min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van dat geld. Deze verklaring heeft er in ieder geval niet toe geleid dat nog nader onderzoek is gedaan naar een alternatieve herkomst van het geld en is in ieder geval niet met voldoende mate van zekerheid gebleken dat kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Niet uit te sluiten valt dat het legale inkomen van [naam 2] en [naam 33] de basis vormt. Nader onderzoek had daarin duidelijkheid kunnen brengen. De rechtbank zal [naam 2] dan ook van het witwassen van het geldbedrag van € 64.200,- vrijspreken.

Het gewoontewitwassen

Met betrekking tot het aan [naam 2] tenlastegelegde gewoontewitwassen neemt de rechtbank in overweging dat volgens de wetsgeschiedenis sprake is van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam 2] gedurende een lange periode grote geldbedragen voorhanden heeft gehad, een fors aantal auto’s en een scooter heeft gekocht en drie huizen heeft gekocht en ingericht, telkens met geld uit criminele herkomst. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van gewoontewitwassen.

4.7

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Bedreiging [naam 1] , Zaaksdossier 1, blz. 2390 t/m 2824.

hij op of omstreeks 19 april 2012 te Tilburg,

[naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk dreigend

een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand

gepakt en/of gehouden en/of dit vuurwapen, althans dat op een vuurwapen

gelijkende voorwerp geheel of gedeeltelijk getoond aan die [naam 1]

en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven-

dat hij, verdachte, van [naam 1] 30.000 euro wilde hebben en/of dat die

[naam 1] dat maar moest regelen en/of dat hij het de jongens al verteld had

en/of dat hij het anders zelf zou doen. althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

2.

Hennepkwekerij [adres 2] te Etten-Leur, Zaaksdossier 2, blz. 2825

t/m 3520.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2008 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

(telkens) opzettelijk ongeveer 430, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid

hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens)

een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad;

3.

Witwassen door [verdachte] . Zaaksdossier 4, Blz. 4087 t/m 4897.

hij op meerdere althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012, te Tilburg en/of Sprang-Capelle

en/of Oisterwijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (van) een of meer

voorwerp(en), te weten:

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 3] te Tilburg en/of roerend(e) goed(eren)

behorende bij die woning/dat pand (3.4.3.) en/of

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 4] te Sprang-Capelle en/of roerend(e)

goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.4.) en/of

- een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerende(e) goed(eren)

gelegen aan de [adres 1] te Tilburg en/of roerend(e) goed(eren)

behorende bij die woning/dat pand (3.4.5.) en/of

- een of meer geldbedrag(en) (contante betalingen vakantiereizen) tot een

totaal(bedrag) van 5.415,15 euro (3.5.1.) en/of

- een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 1] ) (3.5.2.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 2] ) (3.5.3.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 3] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) (3.5.4.) en/of

- een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 6] ) (3.5.5.) en/ of

- een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 7] ) (3.5.5.) en/of

- een auto (Renault Twingo, kenteken [kenteken 8] ) (3.5.6.) en/of

- een geldbedrag van 200.000 euro, (begraven in de tuin van zijn woning

gelegen aan de [adres 1] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een geldbedrag van 10.000 euro, (verborgen in de schuur behorende bij

woning gelegen aan de [adres 1] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een geldbedrag van 43.250 euro, (verborgen in een woning gelegen aan de

[adres 5] te Tilburg) (3.6.2.) en/of

- een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ) (3.6.3.) en/of

- een geldbedrag van 64.200 euro, (aangetroffen in een safeloket bij de

Rabobank te Tilburg op naam van [naam 33] ) (3.6.5),

de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld danwel verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) voorwerpen en/of heeft/hebben

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie

bovengenoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij,

verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden dat de/het bovengenoemde voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een)

voorwerp(en), te weten van (een of meer van de) hiervoor genoemd(e)

voorwerp(en)/goed(eren)

gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en)

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat

bovenomschreven goed(eren)/voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

4.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 en 1, Blz. 7210 t/m 7268 en 2388 t/m

2824.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te

Tilburg en/of Breda en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 11]

en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of meer andere

medeverdachten

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van

hennep en/of

- diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of

- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig

electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk

veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel

verijdelen en/of

- het witwassen (van de opbrengsten van bovengenoemde misdrijven)

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

5.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 en 1, Blz. 7210 t/m 7268 en2388 t/m 2824.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te

Tilburg en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of

Sprang-Capelle en/of Alphen en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 4]

en/of [naam 11] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of

meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk:

- witwassen van voorwerpen en/of

- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom en/of

- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig

electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk

veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel

verijdelen en/of

- afpersing en/of diefstal door middel van en/of gevolgd van geweld van

geldbedragen en/of hennep en/of de opbrengsten van hennep en/of

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te

Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of

Sprang-Capelle en/of elders In Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 4]

en/of [naam 11] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of een of

meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een)

misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de

Opiumwet te weten:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig

hebben van (grote) hoeveelheden hennep;

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

6.

Hennepkwekerij [naam 5] te Alphen, Zaaksdossier 6, blz. 7269 t/m 7982.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te, Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in

een pand gelegen aan de [adres 6] (Restaurant " [naam 5] ")

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

(telkens) opzettelijk ongeveer 1150, althans (telkens) een (grote)

hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad;

7.

Hennepkwekerij [adres 7] te Alphen en knipperij [adres 8] te Tilburg,

Zaaksdossier 2 (Kenia), blz. 7983 t/m 14968.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te

Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan de [adres 7]

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

opzettelijk ongeveer 1540 althans een (grote) hoeveelheid hennepplanten

en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II

heeft geteeld en/of verwerkt en/of vervoerd in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad;

en/of

B.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een

garage/loods gelegen op het adres [adres 8] )

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot aangetroffen contante geldbedragen aangevoerd dat niet kan worden gesproken van verbergen en/of verhullen en dat sprake is van het voorhanden hebben van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf. De verdediging heeft daarom een beroep gedaan op de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

In de visie van de verdediging geldt het vorenstaande ten aanzien van een bedrag van € 10.000,=, aangetroffen in een krat in de schuur. Verdachte heeft met betrekking tot dat bedrag verklaard dat het van hem is en dat het afkomstig is uit de hennephandel, gepleegd geruime tijd voor de tenlastegelegde periode.

Hetzelfde geldt naar de mening van de verdediging ook voor het bedrag van € 43.250,=, dat bij de ouders van de partner van verdachte werd gevonden in een tonnetje aan een touw in een nis naast de trap. Verdachte heeft met betrekking tot dit geld hetzelfde verklaard als hiervoor.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in haar requisitoir aangevoerd dat beide bedragen door verdachte verstopt waren, hetgeen moet worden gezien als het verhullen van de criminele herkomst.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan, gelet op de wijze van verbergen, met betrekking tot het geldbedrag van € 10.000,= niet worden gesproken van verbergen of verhullen in de zin van artikel 420 bis sub a Sr. en is er daarom sprake van het voorhanden hebben van die € 10.000,=, terwijl dat geld onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat er ten aanzien van het aangetroffen bedrag van € 10.000,= sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en verdachte zal dan ook voor dat onderdeel van het bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Met betrekking tot het bedrag van € 43.250,= heeft de rechtbank hiervoor onder 4.6.10.2 reeds overwogen dat naar haar oordeel wel sprake is geweest van verhullen als bedoeld in art. 420bis sub a Sr.. Op grond daarvan is er geen sprake van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en zijn er ook voorts geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is voor het overige strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de strafmaat heeft de verdediging aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zijn aandoeningen, ADHD en een vorm van autisme, maken dat het ondergaan van een vrijheidsstraf voorzienbare psychische problemen met zich kan meebrengen. Dit zou aanleiding moeten zijn tot het opleggen van ten hoogste een straf gelijk aan het voorarrest. Ook dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ondermijning

[naam 1] heeft door zijn reeks aan verklaringen een uitgebreid beeld geschetst van een criminele organisatie in Tilburg die zich gedurende een behoorlijk aantal jaren op zeer grote schaal heeft beziggehouden met het telen van hennep. Uiteraard was de hennepproblematiek in Brabant bij de rechtbank reeds uitgebreid bekend, al is het alleen maar vanwege het feit dat deze vorm van criminaliteit – ook in georganiseerde vorm – al jarenlang een aanzienlijk deel van de in deze rechtbank te behandelen strafzaken vormt. De wijze waarop deze zaak aan het licht is gekomen en in welke mate vervolgens is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank echter tamelijk uniek te noemen. Wellicht voor het eerst is er een inkijk in de Tilburgse hennepwereld van binnenuit gegeven, die duidelijk maakt hoe omvangrijk en goed georganiseerd het gehele productieproces rondom hennep kan zijn. Waar het in veel strafzaken de katvangers zijn die met een hennepkwekerij worden gepakt en door hun stilzwijgen vaak onduidelijk blijft of, en zo ja welke, andere personen erbij betrokken zijn, is dit in deze zaak uitvoerig blootgelegd. Bij hennepteelt van deze omvang en over deze periode zijn vele schakels nodig om het proces tot een succes te maken, zoals (bedrijfs)leiders, katvangers, werkers en knippers. Ook makelaars die henneplocaties aandragen en elektriciens die de elektra manipuleren om zo goedkoop mogelijk te produceren en buiten het zicht van energieleveranciers te blijven, lijken onontbeerlijk om op deze schaal te kunnen acteren. Maar ook andere ingangen blijken voor een criminele organisatie uitermate handig om over te kunnen beschikken. Een bekende bij de politie, waardoor men tijdig op de hoogte raakt van voor de organisatie relevante informatie, maar ook de medewerking van iemand bij de milieustraat die voor een tientje een oogje wil toeknijpen, waardoor men onder de radar en tegen een kleine vergoeding hennepafval weet te dumpen, maken het leven voor een hennepcrimineel net even wat gemakkelijker.

De door [naam 1] uitvoerig beschreven organisatie van [naam 2] en [naam 4] lijkt slechts één van de alleen al in Tilburg en omgeving acterende hennepgroeperingen. Kijkend naar de verdiensten in deze grootschalige hennephandel en de omvangrijke bedragen zoals deze door [naam 1] worden genoemd, lijkt de in een onderzoek getrokken conclusie dat de verdiensten in deze vorm van criminaliteit bijna op gelijke hoogte staan met de gehele begroting van de gemeente Tilburg, niet uit de lucht gegrepen. Een hele samenleving lijkt te kunnen leven van dit soort strafbare feiten. Het behoeft geen betoog dat de rechtbank dit als zeer kwalijk en ernstig kwalificeert en dat zij dan ook van oordeel is dat hiertegen streng dient te worden opgetreden.

De hiervoor beschreven vermenging van boven- en onderwereld naar aanleiding van een bepaald type criminaliteit, lijkt de afgelopen jaren meer en meer aan de oppervlakte te komen en daardoor in de schijnwerpers te staan. Dit fenomeen wordt veelal omschreven als “ondermijning”, waarbij de daaraan ten grondslag gelegde definities niet eensluidend zijn en een scherpe afbakening niet te geven lijkt te zijn. Deze extra aandacht maakt echter niet dat hierdoor per definitie een hogere of andersoortige straf aan verdachten wordt opgelegd omdat de door hen gepleegde strafbare feiten als “ondermijnend” gezien worden.

De rechtbank behandelt deze zaak dan ook niet anders dan soortgelijke zaken die in de jaren vóór de aandacht voor dit fenomeen aan haar werden voorgelegd. De rechtbank zal – zoals te doen gebruikelijk – in haar strafmaat rekening houden met de aard, omvang en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, waaronder de mate van organisatie, en de persoon van de verdachte alsmede met de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Rol van [naam 2] in de criminele organisatie

Verdachte [naam 2] had binnen de criminele organisatie een leidinggevende rol. Gedurende de pleegperiode van bijna 10 jaar was hij degene die aan de touwtjes trok: als locaties geregeld moesten worden, was hij degene die daar uiteindelijk over besliste. Als er opbrengsten verdeeld werden, bepaalde hij wie welk deel mocht opstrijken. En wanneer er problemen ontstonden die bedrijfsleiders [naam 1] en/of [naam 3] niet zelf konden oplossen, trad [naam 2] naar voren om knopen door te hakken.

Door deel te nemen aan de hierboven omschreven criminele organisatie heeft verdachte geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich brengt. De werkzame stof THC is bij (langdurig) gebruik schadelijk voor de gezondheid van personen. Dit is de reden dat het meewerken aan de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Verdachte heeft door zijn handelen dit restrictieve beleid doorkruist. Weliswaar kent Nederland een gedoogbeleid voor softdrugs, maar dat is vooral gericht op het gebruik van hennep en hasj. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het grootschalig, langdurig en veelvuldig telen van hennep nadrukkelijk niet wordt gedoogd en strafbaar is. Het op deze wijze telen gaat de omvang van wat voor gebruik nodig is, ver te buiten.

Hennepteelt is daarnaast direct en indirect de oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit.

De liquidaties die de afgelopen jaren in Nederland hebben plaatsgevonden tegen de achtergrond van grootschalige (soft)drugshandel alsmede het in dat verband vaak gebruikte grove geweld, zijn hiervan schrijnende voorbeelden. Hoewel de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van geweld als oogmerk van deze criminele organisatie is gekomen, blijkt hieruit wel de noodzaak om dergelijke criminele organisaties te bestrijden.

Voorts brengt het exploiteren van hennepkwekerijen in woningen dikwijls brand- of elektrocutiegevaar met zich, doordat middels een illegale aansluiting stroom wordt afgenomen.

Dit leidt logischerwijs tot gevaarlijke situaties voor bewoners en omwonenden. Daarnaast kan door het maken van zo’n illegale aansluiting meer vermogen worden afgenomen dan contractueel is overeengekomen, wat weer tot hinder en schade leidt voor de energieleverancier.

Verdachte heeft zich om alle hierboven genoemde gevolgen niet bekommerd en heeft zich kennelijk louter laten leiden door eigen winstbejag.

Voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige hennepteelt worden – kijkend naar soortgelijke zaken – doorgaans lange gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank is ook in onderhavige zaak van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt zou moeten zijn.

Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan het witwassen van de met deze grootschalige hennepteelt verdiende inkomsten. Hierdoor werd de herkomst van de gelden versluierd. Daar komt nog bij dat het witwassen van gelden een ontwrichtende werking heeft op het economisch verkeer. De rechtbank vindt ook dit een kwalijke zaak.

Overschrijding redelijke termijn

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Door de verdediging is hier uitgebreid aandacht voor gevraagd en ook de officier van justitie heeft dit tot uitdrukking laten komen in haar strafeis. Om verschillende redenen heeft het lang geduurd voordat het onderzoek Heemskerck en de daarmee samenhangende onderzoeken tot een inhoudelijke behandeling hebben geleid. Niet alleen omdat het gaat om een complexe, omvangrijke zaak waarbij veel onderzoekswensen zijn ingediend en toegewezen, maar zeker ook omdat de zaak te lang bij de rechter-commissaris heeft gelegen en het lang heeft geduurd voordat er voldoende zittingsruimte beschikbaar was om de zaak te kunnen plannen. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar, de rechter naar bevind van zaken kan handelen. Zonder de overschrijding van de redelijke termijn was de rechtbank gekomen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. Rekening houdend met alle omstandigheden, acht de rechtbank in deze zaak een strafkorting van 25% redelijk, hetgeen tot de navolgende strafoplegging zal leiden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
6 jaar met aftrek van voorarrest noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte, gelegen in diens psychische gezondheidsproblematiek, maken dit voor de rechtbank niet anders.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 1.000,- in verband met het tenlastegelegde onder feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het in beslag genomen geld dat een deel daarvan, te weten € 64.200,-, dient te worden teruggegeven aan verdachte. Dit omdat verdachte van het witwassen van een bedrag van deze omvang door de rechtbank wordt vrijgesproken.

8.2

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36f, 47, 56, 57, 91, 140, 285, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 11a, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 8 primair, subsidiair en tweede subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.7 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag van
€ 10.000,=, (verborgen in de schuur behorende bij woning gelegen aan de [adres 1] te Tilburg) geen strafbaar feit is en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: Gewoontewitwassen;

feit 4: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 5: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet,

terwijl de feiten 4 en 5 in voortgezette handeling zijn gepleegd;

feit 6: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 7: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (A) en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (B);

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 807209, 807621, 808420, 808424, 808429, 808431, 808433, 808531, 808546, 808556 (een deel groot €135.800,-) en 808637;
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van een deel van het onder nummer 808556 genoemde bedrag, groot € 64.200,-;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 4, 807215, 819589, 819913, 819916, 819918, 2 en 3;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 1.000,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[naam 1] (feit 1), € 1.000,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en Nouws, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal in het onderzoek HEEMSKERCK met dossiernummer 205A12018 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, Unit Zware Criminaliteit, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 18013 of een pagina van het eindproces-verbaal in het deeldossier KENIA van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en bestaande uit de deeldossier A tot en met F of een pagina van het eindproces-verbaal in het onderzoek ELS, van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en bestaande uit de deeldossier A tot en met G of een pagina van het eindproces-verbaal in het onderzoek SALIE, van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en bestaande uit de deeldossier A tot en met F. Het geschrift, inhoudende de aangifte van [naam 1] op 20 april 2012, pagina’s 2402 tot en met 2404.

2 Het proces-verbaal van verhoor aangever [naam 1] , pagina’s 2407 tot en met 2409.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 8] bij de rechter-commissaris d.d. 22 oktober 2013.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 12] , pagina 2427.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 36] , pagina 3918.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina’s 1098 tot en met 1100.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 23 mei 2012, pagina 1151.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 23 mei 2012, pagina’s 1153 en 1154.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 24 mei 2012, pagina 1161.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 juni 2012, pagina’s 1219 en 1220.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 1855.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7831.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7848.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7870.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] (deeldossier Salie), pagina 838.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] (deeldossier Salie), pagina 845.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] (deeldossier Salie), pagina 852.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 28] , pagina 2062.

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 28] , pagina 2069.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 1101.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 1102.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 mei 2012, pagina 1105.

23 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 mei 2012, pagina 1108.

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 16 mei 2012, pagina 1139.

25 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 23 mei 2012, pagina’s 1149 tot en met 1156.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 24 mei 2012, pagina 1161.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 24 mei 2012, pagina 1164.

28 Het geschrift, inhoudende een brief, pagina D688, D692 en D693.

29 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 30 mei 2012, pagina’s 1179 tot en met 1184.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 juni 2012, pagina’s 1219 en 1220.

31 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14586.

32 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 28] , pagina 2069.

33 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 28] , pagina 2081.

34 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7831.

35 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7870.

36 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] (deeldossier Salie), pagina 852.

37 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 37] (deeldossier Salie), pagina’s 1267 en 1292.

38 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 40] (deeldossier Els), pagina C51.

39 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 20] , pagina’s 1619, 1621, 1633, 1635 en 1636.

40 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 3006.

41 Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen kweekruimtes, pagina’s 2882 tot en met 2895.

42 Het proces-verbaal bevindingen drugstest, pagina’s 2897 en 2898.

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 41] , pagina’s 2956 en 2957.

44 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 3 mei 2012, pagina 2872.

45 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 5 juni 2012, pagina 3016.

46 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 13] , pagina 3365.

47 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 13] , pagina 3398.

48 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina

49 Het deskundigenrapport, te weten het NFI-rapport d.d. 17 januari 2013 (bijlage 14), pagina’s 3147 tot en met 3149.

50 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 3085.

51 Het deskundigenrapport, te weten het NFI-rapport d.d. 7 november 2012 (bijlage 12), pagina’s 3107 tot en met 3110.

52 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 juni 2012, pagina 3024.

53 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 3006.

54 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 20 juni 2012, pagina 3044.

55 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 3006.

56 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 36] , pagina 3926.

57 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 3007.

58 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 20 juni 2012, pagina’s 3043 en 3044.

59 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 28] , pagina 3935.

60 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 40] , pagina’s C50 tot en met C53 (onderzoek Els).

61 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 12 mei 2012, pagina 7323.

62 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 mei 2012, pagina 7333.

63 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 22] , pagina’s 7490 en 7494.

64 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 mei 2012, pagina 7334.

65 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 20 juni 2012, pagina 7404.

66 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 7530 en 7531.

67 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7535.

68 Het geschrift, inhoudende het huurcontract op naam van [naam 14] pagina’s 7626 tot en met 7633.

69 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina’s 7826 en 7827.

70 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7834 tot en met 7840.

71 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina 7853.

72 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , pagina’s 7850 en 7851.

73 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 12] , pagina’s 7947, 7950 en 7953.

74 De foto in bijlage 3 behorende bij het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 december 2012, pagina 7770.

75 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] d.d. 13 december 2012, pagina 7761.

76 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7636.

77 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 00109.

78 Proces-verbaal activiteitenjournaal (deeldossier Kenia), pagina 00111.

79 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 00115.

80 Proces-verbaal van bevindingen, (deeldossier Kenia) pagina 00366.

81 Het proces-verbaal aanhouding (deeldossier Kenia), pagina 00224.

82 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 00233.

83 Proces-verbaal van inbeslagneming (deeldossier Kenia), pagina 00249 en relaas-proces-verbaal, pagina 00244.

84 De processen-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina’s 00258, 00260, 00262, 00264, 00266 en 00268.

85 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 002375.

86 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 2386.

87 Proces-verbaal van bevindingen (deeldossier Kenia), pagina 2445.

88 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] (deeldossier Kenia), pagina 2449.

89 Processen-verbaal van verhoor [naam 29] (deeldossier Kenia), pagina’s 2643 en 2659.

90 Proces-verbaal van verhoor [naam 11] (deeldossier Kenia), pagina 2681.

91 Proces-verbaal van verhoor [naam 7] (deeldossier Kenia), pagina 2722.

92 Proces-verbaal van verhoor [naam 43] (deeldossier Kenia), pagina 2733.

93 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14579.

94 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14592.

95 Proces-verbaal van verhoor [naam 14] , pagina 8018.

96 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14593.

97 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14595.

98 Proces-verbaal van verhoor [naam 29] , pagina 14734.

99 Proces-verbaal van verhoor [naam 14] , pagina 14793.

100 Proces-verbaal van verhoor [naam 14] , pagina 14804.

101 Proces-verbaal van verhoor [naam 14] , pagina 14803.

102 Proces-verbaal van verhoor [naam 12] , pagina 14803.

103 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 mei 2012, pagina 14586.

104 Proces-verbaal van verhoor [naam 20] , pagina 14932.

105 Het geschrift, te weten een huurovereenkomst, pagina 14936.

106 Proces-verbaal van verhoor [naam 44] (deeldossier Kenia), pagina 2063.

107 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 45] , pagina 4332.

108 Het proces-verbaal onderzoek kasopstelling [verdachte] en [naam 45] , pagina 4854.

109 Het relaas proces-verbaal, pagina 4108.

110 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 45] , pagina 4332.

111 Het proces-verbaal vordering bij makelaar [naam 46] , pagina 4338.

112 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, pagina 15618.

113 Het geschrift, te weten een betalingsbewijs, pagina 4174.

114 Het geschrift, te weten een kwitantie, pagina 4175.

115 Het geschrift, te weten een kwitantie, pagina 4176.

116 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 4243.

117 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 11] , pagina 705.

118 Het geschrift, te weten een bankafschrift Rabobank, pagina 4452.

119 Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. Toyota Landcruiser, pagina 4443.

120 Het geschrift, te weten een factuur nZO, pagina 4450.

121 Het geschrift, te weten een uittreksel KvK m.b.t. nZO, pagina 4450.

122 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] , pagina 4189.

123 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] , pagina 4218.

124 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 4328.

125 Het proces-verbaal onderzoek aan- en verkopen auto’s [bedrijf 8] , pagina 4651.

126 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 29] , pagina 4728.

127 Het geschrift, te weten een verkoopfactuur, pagina 4642.

128 Het geschrift, te weten financiële historie per debiteur, pagina 4645.

129 Het geschrift, te weten een bankafschrift ING, pagina 4646.

130 Het geschrift, te weten een factuur t.n.v. [naam 45] , pagina 4648.

131 Het geschrift, te weten een factuur t.n.v. [naam 45] , pagina 4649.

132 Het proces-verbaal aan- en verkopen auto’s Fiat [naam 48] , pagina 4638.

133 Het proces-verbaal onderzoek aan- en verkopen auto’s [bedrijf 10] , pagina 4840.

134 Het geschrift, te weten een verkoopfactuur, pagina 4844.

135 Het geschrift, te weten een verkoopfactuur, pagina 4847.

136 Het overzichts-proces-verbaal, pagina 4120.

137 Het proces-verbaal van verhoor [naam 29] , pagina 4728.

138 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 15621.

139 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 4242.

140 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, pagina 15618.

141 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 4242.

142 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 16093.

143 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 4809.

144 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 45] , pagina 4333.

145 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 15671.

146 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] , pagina 4325.