Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1540

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
18-003160 02-810551-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

“Klaagschrift ex 552a Sv met betrekking tot beslag op roerende en onroerende zaken in binnen- en buitenland. De rechtbank acht zich bevoegd te oordelen over het in Nederland en over het in het buitenland gelegde beslag.

Hoewel de waarde van het beslag de aangekondigde vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt, is de rechtbank van oordeel dat het beslag in onderhavige zaak proportioneel is.

De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-810551-16

rk-nummer: 18-003160

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[Klaagster]

geboren op [Geboortedag] 1968 te [Geboorteplaats- en land]

wonende te [Adres]

hierna te noemen: klaagster.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de kennisgevingen van inbeslagname op grond van artikel 94 en artikel 94a Sv in combinatie met de machtiging tot het voeren van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna te noemen: SFO), waaruit blijkt dat op meerdere momenten onder klaagster goederen in beslag zijn genomen;

  • -

    het klaagschrift, ingediend op 12 april 2018 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv);

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 30 oktober 2018;

  • -

    het schriftelijk standpunt van de officier van justitie van 15 januari 2019;

  • -

    het aanvullende standpunt van klager van 23 januari 2019;

  • -

    de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Uit deze stukken volgt dat onder klaagster in beslag is genomen:

de volgende onverdeelde aandelen in onroerende zaken ieder voor 1/2e deel toebehorende aan klaagster (ex artikel 94 en 94a Sv):

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: TILBURG, sectie AG nummer [Nummer 1] , en omschrijving WONEN ERF-TUIN, ter grootte van circa 1.615 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 1] te Tilburg en [Straatnaam 28] te Tilburg;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: TILBURG, sectie AG nummer [Nummer 2] , en omschrijving ERF-TUIN, ter grootte van circa 208 m2, met coördinaten 126482-399193;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: TILBURG, sectie M nummer [Nummer 3] , en omschrijving WONEN, ter grootte van circa 230 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 2] te Tilburg;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: TILBURG, sectie N nummer [Nummer 4] , en omschrijving BEDRIJVIGHEID(INDUSTRIE), ter grootte van circa 883 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 3] te Tilburg en [Straatnaam 4] te Tilburg;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: TILBURG, sectie N nummer [Nummer 5] , en omschrijving BEDRIJVIGHEID(INDUSTRIE), ter grootte van circa 862 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 5] te Tilburg en [Straatnaam 4] te Tilburg;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 6] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 416 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 6] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 7] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 392 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 7] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 8] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 478 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 8] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 9] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 2.990 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 9] te Lage Mierde, [Straatnaam 10] te Lage Mierde, [Straatnaam 11] te Lage Mierde, [Straatnaam 12] te Lage Mierde, [Straatnaam 13] te Lage Mierde, [Straatnaam 14] te Lage Mierde, [Straatnaam 15] te Lage Mierde, [Straatnaam 16] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 10] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 379 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 17] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 11] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 510 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 18] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 12] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 425 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 19] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 13] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 425 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 20] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 14] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 359 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 21] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 15] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 385 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 22] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 16] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 388 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 23] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 17] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 790 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 24] te Lage Mierde en [Straatnaam 25] te Lage Mierde;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: HOOGE EN LAGE MIERDE, sectie H nummer [Nummer 18] , en omschrijving WONEN (RECREATIE), ter grootte van circa 384 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 26] te Lage Mierde;

de volgende onverdeelde aandelen in onroerende zaken ieder voor 1/3e deel toebehorende aan klaagster (ex artikel 94 en 94a Sv):

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: AMBT-OMMEN, sectie A nummer [Nummer 19] , en omschrijving RECREATIE-SPORT, ter grootte van circa 149 m2, met coördinaten 220790-505891;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: AMBT-OMMEN, sectie A nummer [Nummer 20] , en omschrijving RECREATIE-SPORT, ter grootte van circa 2.369 m2, met coördinaten 220695-505891;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: AMBT-OMMEN, sectie A nummer [Nummer 21] , en omschrijving RECREATIE-SPORT, ter grootte van circa 184 m2, met coördinaten 221026-505770;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: AMBT-OMMEN, sectie A nummer [Nummer 22] , en omschrijving RECREATIE-SPORT, ter grootte van circa 9 m2, met coördinaten 220949-505793;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding: AMBT-OMMEN, sectie A nummer [Nummer 23] , en omschrijving RECREATIE-SPORT, ter grootte van circa 23.869 m2, plaatselijk bekend als [Straatnaam 27] te Ommen;

de volgende roerende goederen (ex artikel 94 en 94a Sv):

  • -

    een Mercedes-Benz GI 320 Cdi 4 mat met kenteken [Kenteken 1] ;

  • -

    een Seat Leon met kenteken [Kenteken 2] ;

  • -

    een horloge van het merk Cartier;

Daarnaast is er conservatoir derdenbeslag gelegd op (ex artikel 94a Sv):

  • -

    een levensverzekering SRLEV N.V. polisnummer [Polisnummer] ;

  • -

    alle vorderingen en roerende zaken bij ABN Amro Bank N.V.;

Tot slot volgt uit de stellingen van de officier van justitie dat in Spanje tevens beslag is gelegd op:

  • -

    een appartement in Ibiza;

  • -

    een bankrekening in Ibiza.

Hiervan is geen Nederlandse kennisgeving van inbeslagname aanwezig.

Voornoemde beslagen worden hierna vermeld als “de inbeslaggenomen goederen”.

Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 15 februari 2019. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. Suijkerbuijk, en mr. Van ‘t Land als gemachtigd raadsman van klaagster.

Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

De belanghebbenden (overeenkomstig artikel 552a lid 5 Sv), zijnde [Naam 1] , [Naam 2] en [Naam 3] , zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat onder klaagster beslag is gelegd op verschillende roerende en onroerende zaken. Er is sprake van een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 1.790.502,00. Klaagster is de eigenaresse van de inbeslaggenomen zaken. Er is niet gebleken van enig onderzoek en het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook niet tegen de teruggave van het beslag. Klaagster acht het hoogst onwaarschijnlijk dat zij zal worden veroordeeld en dat aan hem een geldboete of geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd. Klaagster heeft hierbij onder meer gewezen op een eerder ingediend klaagschrift dat gegrond is verklaard.

In zijn verweerschrift heeft de officier van justitie aangevoerd dat het eerder ingediende klaagschrift
- dat door de raadkamer gegrond is verklaard - was gericht tegen een beslag op contant geld op grond van artikel 94 Sv. Dat beslag was gelegd in het kader van een onderzoek naar Opiumwetfeiten en betreft een ander beslag - van een eerdere datum - dan het onderhavige beslag dat heeft plaatsgevonden in het kader van het SFO.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster wordt verdacht van witwassen en dat hij de inbeslaggenomen goederen uitsluitend heeft kunnen bekostigen met geld verkregen uit misdrijf. De op de eerdere zitting door de raadsman overgelegde stukken, waaruit zou moeten volgen dat die goederen wel degelijk met legaal geld zijn betaald, zijn onderzocht. Klaagster stelt de huurinkomsten, waaruit het legale inkomen zou bestaan, echter rooskleuriger voor dan zij daadwerkelijk zijn. De officier van justitie heeft benadrukt dat de legale inkomsten in de onderzoeksperiode onvoldoende zijn om de uitgaven door klaagster en haar partner te verklaren. Gelet hierop is de officier van justitie van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend, klaagster zal verplichten tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of dat de inbeslaggenomen goederen verbeurd worden verklaard. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Voor zover de waarde van het beslag het bedrag zoals genoemd in de machtiging van de rechter-commissaris overstijgt, heeft de officier van justitie verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad (met kenmerk ECLI:NL:HR:2018:200), waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het Openbaar Ministerie zich bij het leggen van beslag niet hoeft te beperken tot het in de machtiging van de rechter-commissaris genoemde bedrag.

In raadkamer heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie de rechtbank stukken heeft onthouden door uitsluitend een proces-verbaal van verdenking over te leggen, waaruit blijkt welke verdenking er enkele jaren geleden tegen klaagster was. Klaagster heeft kunnen aantonen dat zij over voldoende legaal inkomen beschikte om de inbeslaggenomen goederen te bekostigen en zij weet dat dit ook wordt ondersteund door verklaringen van getuigen en daarom dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard. Het verouderde proces-verbaal van verdenking kan thans niet meer de grondslag bieden voor handhaving van het beslag. Het proces-verbaal, gedateerd 7 februari 2019, waarin wordt gereageerd op de door klaagster overgelegde stukken, wijst alleen op details aan dat er zaken niet kloppen, maar weerspreekt niet dat klaagster over een substantieel inkomen heeft beschikt uit verhuur van panden. Het klaagschrift dient daarom gegrond te worden verklaard. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van disproportioneel overbeslag waardoor de belangen van klaagster worden geschaad.
Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de rechtbank de mogelijkheid wordt ontnomen om het klaagschrift goed te beoordelen, nu er nauwelijks inhoudelijke stukken zijn overgelegd, anders dan het proces-verbaal van verdenking en een kort proces-verbaal over de namens klaagster ingediende stukken. Gelet hierop heeft de raadsman van klaagster – subsidiair - verzocht, de behandeling van het klaagschrift in raadkamer aan te houden naar een zitting op korte termijn en de officier van justitie de opdracht te geven alle stukken toe te voegen aan het raadkamerdossier.

De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. Naar aanleiding van het betoog van de raadsman heeft hij zich aanvullend op het standpunt gesteld dat het gehele dossier ter grootte van 52 ordners tijdens de verhoren met klaagster, in de week na de raadkamerbehandeling, zal worden doorgenomen. Desondanks beschikt de rechtbank voor de summiere raadkamerprocedure over de stukken die de situatie voldoende duidelijk maken. Daarnaast heeft de officier van justitie benadrukt dat de door klaagster overgelegde stukken met betrekking tot de gestelde huurovereenkomsten niet kloppend zijn. Hier dient nader onderzoek naar te worden verricht.

2 De beoordeling

2.1

De bevoegdheid en ontvankelijkheid

De rechtbank acht zich bevoegd te oordelen over de goederen die in Nederland in beslag zijn genomen. De rechtbank stelt echter ook vast dat de officier van justitie heeft aangevoerd dat door de Spaanse autoriteiten op Ibiza beslag is gelegd op een appartement en een bankrekening. In raadkamer is door de raadsman aangevoerd dat het klaagschrift ex artikel 552a Sv zich ook richt tegen dit beslag. Echter, niet is aangevoerd of gebleken dat eerst in Spanje is geklaagd over het beslag. Hierdoor staat niet zonder meer vast dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het klaagschrift voor zover het zich richt op de in Spanje inbeslaggenomen goederen. De rechtbank zal daarom haar bevoegdheid ten aanzien van dit deel van het beslag moeten beoordelen.

De officier van justitie heeft gesteld dat de goederen in Spanje in beslag zijn genomen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek. De Hoge Raad heeft in een soortgelijke zaak (met kenmerk ECLI:NL:HR:2011:BR2911) geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing in een dergelijke situatie met zich brengt dat op voet van artikel 552a Sv bij de Nederlandse rechter kan worden geklaagd over de voortduring van het beslag. Gelet op voornoemde redelijke wetstoepassing acht de rechtbank zich bevoegd tot afdoening van het gehele klaagschrift, ook voor zover het ziet op in Spanje inbeslaggenomen goederen.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.

2.2

De toetsingskaders

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank hanteert met betrekking tot strafvorderlijk beslag voor zover dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv het volgende toetsingskader.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.

De rechtbank hanteert met betrekking tot strafvorderlijk beslag voor zover dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv het volgende toetsingskader.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:

( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en

(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het proces-verbaal van verdenking volgt dat de politie naar aanleiding van een MMA-melding op
1 juli 2014 een pand heeft gecontroleerd. Hierbij wordt een hennepkwekerij in de woning aangetroffen. Daarnaast wordt ook een koopovereenkomst aangetroffen waarbij de partner klaagster een pand voor € 125.000,00 aan een ander verkoopt en diezelfde persoon daarbij € 150.000,00 leent. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de politie ook andere panden van klaagster en haar partner bezocht. In meerdere panden worden een bitcoinfarm of hennepgerelateerde goederen aangetroffen. In de woning van de schoonbroer van klaagster wordt een hennepkwekerij aangetroffen. De schoonbroer van klaagster heeft hierbij verklaard dat de hennepkwekerij is opgezet door de partner van klaagster en dat zijn financiën worden beheerd door klaagster. Er wordt nader onderzoek verricht en klaagster blijkt meerdere onroerende zaken op haar naam te hebben. Uit het SFO dat volgde zijn witwasindicaties naar voor gekomen tegen klaagster en haar partner, waaronder onroerend goed transacties ter waarde van € 419.821,00 zonder hypotheek, contante aankopen, veelvuldige uitgaven aan verbouwingen en auto’s en de associatie met hennep. Tegenover de genoemde uitgaven staan nauwelijks legale inkomsten. De rechtbank constateert dat het door klaagster en haar partner wederrechtelijk verkregen voordeel is door het Openbaar Ministerie geschat op € 1.790.502,84.

Voorts blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, als verstrekt door de officier van justitie op 8 februari 2019 dat de door de raadsman op de zitting van 30 oktober 2018 overgelegde stukken zijn onderzocht. De stukken dienden ter onderbouwing van het standpunt van klaagster en haar partner dat er sprake is van huurinkomsten die de vastgestelde uitgaven kunnen verklaren.
Uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen blijkt echter dat bij die gestelde huurinkomsten veel vragen gesteld kunnen worden. Een deel van de huurinkomsten is niet verifieerbaar omdat er geen gegevens zijn van de huurders, er worden huurders opgevoerd die ten tijde van de huur niet lijken te bestaan, er zou zijn verhuurd op momenten dat de betreffende panden ingrijpend werden verbouwd, er bestaat overlap tussen verschillende huurders, de huurprijs wordt niet geïndexeerd en de overgelegde overzichten van huurinkomsten passen op meerdere punten niet bij de onderliggende stukken. Voorts wordt in het proces-verbaal opgemerkt dat de weergegeven huurinkomsten ten dele een andere periode betreffen dan die waar de verdenking op ziet, zodat zelfs als van de juistheid moet worden uit gegaan, niet alle uitgaven verantwoord kunnen worden. Deze op zijn minst genomen opmerkelijke zaken, zijn namens klager niet weersproken, noch is daar opheldering over gegeven. Het geconstateerde in dit aanvullend proces-verbaal is namens klaagster slechts gebagatelliseerd als ‘enkele details’.

De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken niet een dusdanig concrete en verifieerbare verklaring hebben gegeven voor de uitgaven dat de verdenking van witwassen in het kader van deze summiere raadkamerprocedure, is komen te vervallen. Er dient nog op specifieke punten nader onderzoek te worden verricht, nu de overgelegde stukken onvoldoende duidelijkheid hebben geboden. Dat nader onderzoek gaat het summiere karakter van deze raadkamerprocedure te buiten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder genoemde omstandigheden niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend tot de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen zal komen. Het belang van strafvordering verlangt dat het beslag - voor zover dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv - wordt voortgezet.

Voorts stelt de rechtbank - voor zover het beslag is gelegd op grond van artikel 94a Sv - vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op diezelfde omstandigheden, ook niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste € 1.790.502,84 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De inbeslaggenomen goederen kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van een zodanige verplichting.

De voornoemde toe te passen maatstaven en de beoordeling daarvan sluiten niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).

De officier van justitie heeft gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad (in de zaak met kenmerk ECLI:NL:HR:2018:200) waarin is bepaald dat het Openbaar Ministerie bij het leggen van beslag zich niet hoeft te beperken tot het in de machtiging genoemde bedrag. Echter, zelfs bij toepassing van die uitspraak kan een beslag onder omstandigheden nog altijd disproportioneel zijn.

De rechtbank stelt vast dat door de rechter-commissaris een machtiging SFO is verleend waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaken tegen klaagster en haar partner is geschat op
€ 1.790.502,84. Uit de door de officier van justitie overgelegde stukken volgt dat de waarde van de onder klaagster inbeslaggenomen goederen € 1.531.099,50 is.

De waarde van € 1.531.099,50 is lager dan het bedrag dat is genoemd in de machtiging SFO. Dat onder de partner van klaagster ook beslag is gelegd, doet hieraan niets af. Daarnaast constateert de rechtbank dat in deze waardebepaling nog geen rekening is gehouden met het feit dat klaagster slechts gedeeltelijk eigenaar is van de onroerende zaken. De waarde van het beslag waarmee verrekend kan worden zal hierdoor dalen . Daarnaast zullen ook eventuele (hypothecaire) leningen nog in mindering strekken op de waarde van het beslag alvorens het ingezet kan worden voor de betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij komt dat het een rechter, later oordelend, is toegestaan om een verplichting tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel hoofdelijk op te leggen. Om die redenen is de rechtbank van oordeel dat het beslag niet disproportioneel is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat niet gebleken is dat de officier van justitie weigert enige vorm van zekerheid voor de waarde van het beslag te aanvaarden. Hiermee is ook geen sprake van een beslag dat niet in overeenstemming is met de eisen van subsidiariteit.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv en het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.

De raadsman van klaagster heeft een subsidiair verzoek tot heropening en aanhouding van de behandeling in raadkamer ingediend, indien de rechtbank - met de huidige gegevens - tot een ongegrondverklaring van het klaagschrift zou komen. De rechtbank benadrukt nogmaals dat in een klaagschriftprocedure sprake is van een summiere toets. Uit voorgaande overwegingen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat er een redelijke verdenking tegen klaagster is. Hoewel de rechtbank niet beschikt over alle stukken die bij een inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak kunnen worden overgelegd, acht zij zich op dit moment voldoende voorgelicht om onder de summiere toets en binnen de in de jurisprudentie gestelde toetsingskaders te oordelen over het klaagschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de behandeling in raadkamer te heropenen.

Zij wijst het subsidiaire aanhoudingsverzoek daarom af.

3 De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is op 15 maart 2019 gegeven door mr. Felix, voorzitter, mr. Goossens en mr. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2019.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).