Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1491

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
02-800335-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer op klaarlichte dag op de openbare weg 31 keren met een mes in haar borst, rug en schouder gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Door herhaaldelijk met een mes op de borststreek in te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank opzet gehad op de dood van het slachtoffer en haar aldus opzettelijk van het leven beroofd.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte voorafgaand aan het steken van plan was om het slachtoffer te doden. De gebeurtenissen voorafgaande en tijdens de uitvoering van de daad, die plaatsvonden in enkele minuten, lijken eerder te passen bij een handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank acht voorbedachte raad niet bewezen en spreekt verdachte vrij van moord. De rechtbank acht verdachte schuldig aan doodslag.

De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800335-18

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] Breda

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Grave

raadsman mr. M.J. Crombach, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 januari 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 16 mei 2018 te Breda [naam 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [naam 1] met een mes, meermalen, althans eenmaal in haar hart en/of haar borst, in elk geval in haar lichaam te steken.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam 1] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door haar meermalen met een mes in de borst te steken. De officier van justitie baseert zich daarbij op het forensisch onderzoek, de verklaringen van de getuigen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] en op de verklaringen van verdachte.

Naar de mening van de officier van justitie waren de handelingen die verdachte heeft verricht qua uiterlijke verschijningsvorm geheel gericht op het doden van het slachtoffer en kan vol opzet worden bewezen.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake was van voorbedachten rade heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gehele gang van zaken blijk geeft van een voortdurende toenemende boosheid jegens het slachtoffer en van voortdurend toenemend geweld van de kant van verdachte. Er is geen sprake van een plotseling opkomende agressie en plotselinge uitbarsting van geweld. De officier van justitie heeft daarbij erop gewezen dat verdachte, toen hij op de bewuste dag met [naam 1] had afgesproken en zij was gearriveerd, bewust een mes mee naar beneden heeft genomen. Verdachte heeft daardoor volgens de officier van justitie tijd en gelegenheid gehad om over het gebruik van het mes na te denken en er waren ook geen belemmeringen voor hem om dat te doen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat op grond daarvan geen voorbedachten rade kan worden aangenomen, is de officier van justitie van mening dat er een tweede moment is geweest waarop verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken, te weten het moment waarop het slachtoffer kans zag om de auto te ontvluchten. Verdachte had op dat moment kunnen besluiten te stoppen of hulp voor het slachtoffer in te schakelen. Hij is echter achter het slachtoffer aangegaan en heeft haar vervolgens nog een paar keer gestoken.

De gedraging van verdachte na het feit wijst volgens de officier van justitie ook in niets op iemand die net een daad in blinde paniek heeft begaan, maar meer op iemand die zijn voorgenomen plan heeft uitgevoerd en daarvan het bewijs doorstuurt door foto’s van het slachtoffer direct nadat hij haar vele malen had gestoken per WhatsApp te versturen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het feit door verdachte is begaan gelet op de bekennende verklaring van verdachte en zijn aanhouding op heterdaad.

Volgens de raadsman kan de rechtbank echter niet tot een bewezenverklaring komen van het kwalificerende bestanddeel voorbedachten rade, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van moord. Er zijn voldoende contra-indicaties tegen het handelen met voorbedachten rade en deze duiden juist op het handelen in een plotselinge gemoedsbeweging of opwelling.

De raadsman heeft daartoe gewezen op de verklaringen van verdachte, het ontbreken van een financieel motief en de reacties van de neef van verdachte en [naam 5] op het overlijden van het slachtoffer.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat – blijkens recente jurisprudentie – het feit dat het delict een lange aanloop heeft gehad nog niet betekent dat er sprake moet zijn geweest van voorbedachten rade. Daarnaast moet, om te komen tot voorbedachten rade, worden uitgesloten dat er is gehandeld in een plotselinge gemoedsbeweging. De gedachte dat verdachte het mes mee naar de auto nam om zijn woorden kracht bij te zetten en om het slachtoffer daarmee te bedreigen om te laten zien dat er geld moest worden terugbetaald, is naar de mening van de raadsman, gelet op de druk bij verdachte om zijn contacten in Syrië terug te betalen, zeker niet onwaarschijnlijk. Het lijkt volgens de raadsman eerder een soort laatste wanhoopsdaad. De reactie van het slachtoffer daarop dat verdachte en zijn familie ‘naar de hel konden’ heeft er volgens de raadsman bij verdachte toe geleid dat de stoppen doorsloegen, waardoor hij in een heftige gemoedsbeweging is gekomen tot deze daad.

Ten aanzien van het ontbreken van een financieel motief heeft de raadsman aangevoerd dat, ondanks het feit dat het slachtoffer om het leven is gebracht, verdachte en zijn familie de Syrische handelaar geld nog steeds verschuldigd blijven.

Met betrekking tot de gesprekken tussen de neef van verdachte en [naam 5] heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op die gesprekken, kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan waar die neef, [naam 5] , of beiden bij betrokken waren.

Ten aanzien van de bewezenverklaring voor doodslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Op 16 mei 2018 kregen verbalisanten [naam 6] en [naam 7] de melding dat er op de [adres] te Breda een persoon was neergestoken.

Ter plaatse zagen zij een persoon levenloos op de grond liggen. Zij zagen dat naast die persoon bloed op de grond lag. Een aantal meter verderop stond een manspersoon tegen de achterzijde van een auto geleund die voldeed aan het opgegeven signalement. Na aanhouding bleek dit verdachte te zijn.1

De ter plaatse gekomen verbalisant [naam 8] zag dat het slachtoffer een groot model mes in de linkerzijde tussen de oksel en de borst in het lijf had zitten. Hij zag dat dit mes tot het handvat in het lijf zat. Hij zag dat de vrouw meerdere steekwonden op haar armen, handen en rug en benen had. Hij zag dat het diepe wonden waren die open stonden. Hij zag ook dat het flink bloedde.2

Het slachtoffer is, na lange tijd op straat te zijn behandeld met hartslag vervoerd naar het Amphia ziekenhuis te Breda,3 alwaar zij op 16 mei 2018 in de operatiekamer is overleden.4

Het slachtoffer betrof [naam 1] .5

Getuige [naam 3] heeft gezien dat de man uit de flat naar beneden kwam en aan de passagierskant voor in een auto stapte. Na twee á drie minuten sprong een vrouw vanaf de bestuurderskant de auto uit en rende zij weg. De man stapte uit aan de bijrijderskant. De vrouw viel voorover op haar buik. Toen de vrouw op haar buik op de grond lag, beukte de man op haar in. Toen [naam 3] goed keek, zag hij dat de man een mes vast had. De man maakte zeker acht keer die beweging met het mes op haar rug. Na het steken liep de man terug naar de auto.6

Getuige [naam 9] heeft gezien dat een auto kwam aanrijden met een vrouw achter het stuur die voor de flat stopte, vervolgens zag hij dat er een man naar deze vrouw liep, dat ze een conflict hadden bij de auto, dat de vrouw wegrende en dat de man achter haar aan rende. Hij zag dat de man een steekwapen vast had en zes á zeven keer stekende bewegingen maakte in de linker zij van de vrouw. [naam 9] zag meteen dat er bloed uit het lichaam van de vrouw stroomde. De vrouw lag op de grond toen de man stekende bewegingen maakte en de man stond gebogen boven haar.7

Bij het sporenonderzoek op de plaats delict werd vastgesteld dat, gezien het bloed in het voertuig op de bestuurdersstoel en het bloedspoortraject tot de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen, in het voertuig al één of meerdere bloedende verwondingen waren toegebracht.8

Tijdens het pathologieonderzoek naar de doodsoorzaak is vastgesteld dat er, uitgezonderd het medisch handelen, in totaal 25 steekletsels en circa 6 snijletsels waren. Deze letsels zijn alle bij leven ontstaan, door de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door steken/snijden met één of meerdere messen.9 Bij de inwendige schouw werd geconstateerd dat er onder andere sprake was van perforatie van de rechter hartkamer. Verder is er perforatie van de rechterborstholte en perforatie van de rechterlong geconstateerd. Deze letsels verklaren in combinatie het overlijden.10 In het rapport wordt geconcludeerd dat het overlijden van [naam 1] wordt verklaard door 3 steekletsels in de borst. De overige 22 steek- en circa 6 snijletsels hebben zeer waarschijnlijk (enige) bijdrage geleverd aan het overlijden middels bloedverlies.11

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 16 mei 2018 in Breda [naam 1] meerdere malen heeft gestoken met een mes. Hij had die dag met haar afgesproken. Toen ze bij hem voor de deur stond, zag hij dat de cheques met daarop het geld dat hij van haar te goed had er niet meer lagen. Daarop is hij naar de keuken gelopen en heeft hij daar een mes gepakt. Hij nam het mes mee naar beneden om [naam 1] daarmee te bedreigen. Hij is naar haar auto gelopen en wilde eerst met haar praten, maar werd door haar niet serieus genomen. Toen ze zei ‘vraag aan je moeder als je wil weten waar die cheques zijn’ heeft hij het mes uit zijn achterzak gepakt om haar te bedreigen. Op het moment dat ze zei ‘ga naar de hel, jij, je familie en [naam 5] ’ en hem uitlachte, werd hij boos en verloor hij de controle over zichzelf. Hij herinnert zich nog dat hij haar stak terwijl zij doorging met praten. Hij kan zich herinneren dat hij haar in de auto heeft gestoken. Toen ze de auto uit ging, liep hij haar achterna. Verdachte weet ook nog dat hij haar buiten de auto heeft gestoken en dat hij het bloed aan zijn handen en kleren zag.12

De bewijsoverweging

De rechtbank acht op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden bewezen dat verdachte op 16 mei 2018 [naam 1] meerdere malen met een mes in haar hart, borst, rug en schouder heeft gestoken. Verdachte heeft daarbij zodanig gestoken dat het mes tot in de borstholte is gekomen. Hierdoor zijn het hart, de borstwand en de rechterlong geperforeerd, ten gevolge waarvan [naam 1] is overleden. De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte [naam 1] zowel in de auto als op straat meerdere malen heeft gestoken, in totaal 31 keren. De rechtbank overweegt daarbij dat de borststreek kwetsbare delen van het lichaam bevat, waaronder het hart en de longen. Door daar herhaaldelijk met een mes op in te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank opzet gehad op de dood van [naam 1] en haar aldus opzettelijk van het leven beroofd.

Voorbedachten rade

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte ook met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvoor moet vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij moet worden gekeken naar de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.

In dit geval zal de rechtbank, voor zover het gaat om de invulling van de voorbedachten rade, enkel gebruik kunnen maken van hetgeen verdachte daarover heeft verklaard. Er zijn geen andere bewijsmiddelen voorhanden die aan het bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging zouden kunnen bijdragen.

Op basis van de verklaringen van verdachte stelt de rechtbank vast dat er drie momenten zijn geweest waarop verdachte zich gedurende enige tijd zou hebben kunnen beraden op het te nemen besluit, te weten vóór het pakken van het mes, na het pakken van het mes en op het moment dat beiden uit de auto stapten.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat die erop duiden dat verdachte reeds vóór hij het mes pakte heeft overwogen [naam 1] van het leven te beroven. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft immers verklaard dat hij het mes pakte om [naam 1] daarmee te bedreigen. Objectiveerbaar bewijs dat deze verklaring onaannemelijk maakt, bevat het dossier niet.

Ook bevat het dossier geen objectieve aanwijzing dat op het moment dat verdachte met het mes naar beneden liep, verdachte het plan heeft opgevat om [naam 1] te doden in de auto. Tegen deze aanname pleit immers dat in de auto, naast een volle damestas, ook een lege damestas is aangetroffen, hetgeen steun biedt aan de verklaring van verdachte dat hij een tas als cadeau voor [naam 1] mee naar beneden had genomen. Deze omstandigheid wijst er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat verdachte op dat moment van plan was [naam 1] te doden.

Op het moment dat verdachte, na [naam 1] , de auto uit stapte, had hij haar reeds in de auto met het mes gestoken. De rechtbank overweegt dat verdachte op dat moment voldoende tijd had om zich te beraden over het vervolg van zijn daden. Verdachte heeft echter verklaard dat hij, door het feit dat zijn cheques weg waren en de reactie van [naam 1] daarop, zo boos was dat hij de controle over zichzelf had verloren. De daarop volgende gebeurtenissen – het vele malen steken en op grove wijze inhakken op het slachtoffer op klaarlichte dag in een woonwijk – sluiten naar het oordeel van de rechtbank aan bij het handelen door verdachte vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Naar het oordeel van de rechtbank valt dan ook onvoldoende uit te sluiten dat er sprake is geweest van besluitvorming en uitvoering van het feit in een plotselinge hevige drift.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank voorbedachte raad niet bewezen en zal zij verdachte vrijspreken van moord. De rechtbank acht verdachte wel schuldig aan doodslag van [naam 1] .

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 16 mei 2018 te Breda [naam 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [naam 1] met een mes, meermalen, althans eenmaal in haar hart en/of haar borst, in elk geval in haar lichaam te steken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, er van uitgaande dat moord kan worden bewezen, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 jaar met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Ten aanzien van de ernst van het feit heeft de officier van justitie onder meer gewezen op de gevolgen van het feit voor de nabestaanden en op het gegeven dat het feit is gepleegd op klaarlichte dag midden in een woonwijk.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de raadsman gewezen op de omstandigheden die van belang zijn geweest bij de totstandkoming van het feit. Verdachte weet welk leed hij heeft veroorzaakt en zou niets liever willen dan de tijd terugdraaien. Hij stond onder immense druk vanwege de bedreigingen aan het adres van zijn familie in Syrië, maar werd daarin door het slachtoffer niet serieus genomen.

Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en gesteld dat, gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak, de rechtbank naar zijn mening naar beneden zou moeten afwijken van de modale gevangenisstraf van twaalf jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft [naam 1] op klaarlichte dag op de openbare weg om het leven gebracht door meerdere malen met een mes op haar in te steken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het dossier maakt de rechtbank op dat er in de aanloop naar het feit bij verdachte een enorme woede lijkt te zijn ontstaan. Verdachte heeft verklaard dat [naam 1] cheques van hem had afgepakt en dat ze daar ruzie over kregen. In die ruzie heeft zij hem zodanig gegriefd dat hij razend is geworden en haar is gaan steken. Die woede rechtvaardigt echter geenszins de daden van verdachte. Door het handelen van verdachte heeft hij [naam 1] , een vrouw die midden in het leven stond, het belangrijkste dat zij had, te weten haar leven, ontnomen.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft met name bij de nabestaanden van [naam 1] een intens groot en onherstelbaar verdriet veroorzaakt, zo blijkt onder meer uit de tijdens de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van haar twee zoons, [naam 10] en [naam 11] . Zij hebben op een gruwelijke wijze hun moeder verloren en zullen verder moeten opgroeien zonder haar zorg en liefde. [naam 1] voedde haar kinderen alleen op, zodat haar kinderen, nu zij er niet meer is, in een ander gezin verder zullen moeten opgroeien. Uit de informatie gevoegd bij de vorderingen benadeelde partij, blijkt dat zij psychische klachten ondervinden als gevolg van de dood van hun moeder.

Uit het dossier komt naar voren dat veel mensen getuige zijn geweest van het gewelddadige optreden van verdachte. Het steken van [naam 1] vond plaats op straat in een woonwijk rond half 7 ’s avonds, terwijl het nog licht was. Veel mensen hadden vanuit hun woning zicht op de plaats waar het gebeurde. Zij werden gealarmeerd door het gegil van het slachtoffer en hebben vervolgens gezien dat verdachte met een steekwapen [naam 1] meerdere keren heeft gestoken. Zij hebben haar in elkaar zien zakken. Een van de getuigen beschrijft dat hij verdachte op het slachtoffer heeft zien inbeuken, terwijl verdachte boven haar stond gebogen. Dit moet voor de vele ooggetuigen een zeer schokkende gebeurtenis zijn geweest. Feit van algemene bekendheid is dat ook de ooggetuigen nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

De psychiater en de psycholoog hebben in hun rapporten geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat dit ook niet het geval was tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Zij merken daarbij op dat het onderzoek niet volledig is geweest vanwege het ontbreken van objectieve informatie, zoals een hetero anamnese. Verdachte is te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar ten aanzien van het strafbare feit. Het recidiverisico wordt door beide deskundigen als laag ingeschat. De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater over en houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte is te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar.

De reclassering heeft geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Er zijn geen aanwijzingen dat bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij van oordeel is dat niet moord maar doodslag bewezen is.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In zaken waarin doodslag wordt bewezen wordt geacht, worden doorgaans gevangenisstraffen opgelegd van twaalf jaar. Uit de verklaringen van de getuigen komt naar voren dat verdachte zeer bruut heeft gehandeld. Het slachtoffer was al gewond toen zij de auto verliet, maar verdachte is haar achterna gerend en is doorgegaan met steken. Ook toen zij op haar buik op de grond lag, ging hij daarmee door. Verder zijn er, zoals hiervoor is overwogen, veel mensen getuige geweest van de steekpartij. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de zonen van [naam 1] onherstelbaar leed is toegebracht. Vanwege deze omstandigheden acht de rechtbank een enigszins hogere gevangenisstraf op zijn plaats en zal zij een gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van voorarrest, opleggen aan verdachte. De rechtbank ziet geen ruimte voor een lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [naam 10] en [naam 11] vorderen ieder een schadevergoeding van € 25.000,00. De gevorderde bedragen zien op shockschade welke benadeelde partijen stellen geleden te hebben als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit.

Van shockschade wordt doorgaans gesproken indien een persoon geestelijk letsel oploopt als gevolg van het waarnemen van of het geconfronteerd worden met een door gevaarzettend handelen van een ander veroorzaakt ernstig gevolg. In een dergelijk geval handelt de dader niet alleen onrechtmatig jegens degene die door zijn handelen is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Deze situatie zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval of het geweldsdelict is gedood of gewond. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een familielid dat ooggetuige is van een geweldsdelict of een naaste die het slachtoffer zwaar gewond dan wel levenloos aantreft. De door die emotionele shock ontstane immateriële schade komt onder omstandigheden op grond van het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20ide19f3e35969b6b7708bd5d94654ce69d), aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van shockschade (immateriële schade) als hier gevorderd is onder meer vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat het overlijden van zijn moeder een enorme impact heeft gehad op de psychische toestand van [naam 10] en dat hij ten gevolge van het feit lijdende is geweest aan een psychose.

[naam 11] woonde thuis en was afhankelijk van zijn moeder. Hij was erg aan haar gehecht. Ten gevolge van het feit is bij hem een psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis geconstateerd.

Voor toekenning van vergoeding als gevolg van shockschade is vereist, naast ondervonden geestelijk letsel, dat er sprake moet zijn van een directe waarneming of confrontatie, die naar de rechtbank begrijpt, naast direct, ook onverhoeds moet zijn. Naar de rechtbank begrijpt uit het dossier hebben, anders de advocaat heeft toegelicht ter zitting, de beide vaders van [naam 10] en [naam 11] het slachtoffer geïdentificeerd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd op basis van de stukken in het dossier dat sprake is geweest van een rechtstreekse en onverhoedse confrontatie met de omstandigheden waaronder de steekpartij heeft plaatsgevonden.

De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

Zij kunnen hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 10] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 10] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [naam 11] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 11] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Bogaert en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2018111529 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1170 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of een pagina van het forensisch onderzoek in die zaak, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 159 (hierna te noemen proces-verbaal 2) De processen-verbaal van bevindingen, pagina 56, 58, 66 en 67 van proces-verbaal 1.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 70 van proces-verbaal 1.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 73 van proces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal relaas, pagina 2 proces-verbaal 2, en het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, pagina 75 van proces-verbaal 2.

5 Het proces-verbaal bevindingen confrontatie, pagina 76 van proces-verbaal 1.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , pagina 110 en 111 van proces-verbaal 1.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] , pagina 115, 117 en 118 van proces-verbaal 1.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 10 van proces-verbaal 2.

9 Het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, pagina 78 van proces-verbaal 2.

10 Bijlage bij het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, pagina 89 van proces-verbaal 2.

11 Het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, pagina 79 van proces-verbaal 2.

12 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 24 januari 2019.