Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:143

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
C/02/353140 HA RK 18-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: C/02/353140 HA RK 18-245

Beslissing van 15 januari 2019 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] ,

(statutair) gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen verzoekster, dan wel [verzoekster] ,

advocaten mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2] (beiden advocaat te [kantoorplaats] .

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het op 12 december 2018 ingekomen wrakingsverzoek, gericht tegen mr. Hermans, senior rechter in deze rechtbank en deel uitmakend van de meervoudige civiele kamer, belast met de behandeling van na te noemen zaak;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van die zaak;

  • -

    de mondelinge behandeling van het verzoek door de wrakingskamer op 8 januari 2019, waarbij zijn verschenen namens verzoekster, haar bestuurder de heer [naam bestuurder] , bijgestaan door mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2] , mr. Hermans en namens [verweerster] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , verweerster in de hierna te noemen zaak, mrs. [advocaat 1 verweerser] en [advcocaat 2 verweerster] , advocaten te [plaatsnaam] , en

  • -

    de ter zitting van de wrakingskamer overgelegde spreekaantekeningen van mr. [advocaat 1] .

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt subsidiair tot wraking van mr. Hermans, voornoemd, hierna ook te noemen de rechter, mede belast met de behandeling van de zaak van verzoekster tegen [verweerster] , als verweerster, met procedurenummer C/02/349907/HA RK 18-193.

2.2.

Het door [verzoekster] primair gedaan verzoek aan de wrakingskamer om bij wege van bemiddeling het ertoe te leiden dat een andere rechter dan mr. Hermans aan de behandeling van die zaak zal deelnemen, is door [verzoekster] (ter zitting van de wrakingskamer) niet langer gehandhaafd.

2.3.

De rechter berust niet in het verzoek tot haar wraking.

3 De feiten

3.1.

Voor de feiten wordt op de eerste plaats verwezen naar het door mr. Hermans als voorzieningenrechter tussen verzoekster en [verweerster] (verder [verweerster] ) op 24 oktober 2018 gewezen kortgedingvonnis, in het bijzonder naar de daarin onder 3.1.a tot en met o., genoemde feiten, dit met uitzondering van letter k. vanaf de 2e regel. Dit vonnis maakt deel uit van de hiervoor onder 1. genoemde processtukken en is bij partijen voldoende bekend.

3.2.

Bij dit vonnis zijn op vordering van [verweerster] de door verzoekster ten laste van haar op 5 oktober 2018 gelegde conservatoire derdenbeslagen opgeheven. Het voor die beslaglegging vereiste verlof was door de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van [verzoekster] op 4 oktober 2018 verleend.

3.3.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank in de hiervoor onder 2. genoemde procedure bij verzoekschrift om op de voet van artikel 474g Rv te bepalen dat de door [naam] (verder [naam] ) gehouden aandelen in [verweerster] door en ten behoeve van [verzoekster] mogen worden geëxecuteerd door middel van een onderhandse verkoop, een openbare veiling op het internet of een andersoortige openbare executie door de deurwaarder te bepalen, dit met inachtneming van de in het door [verzoekster] ingediende verzoekschrift genoemde voorwaarden.

3.4.

Het aan dit verzoek ten grondslag gelegde executoriaal (geworden) beslag ten laste van [naam] op de door haar gehouden aandelen in het kapitaal van [verweerster] , vloeit voort uit het vonnis van 29 augustus 2018 van de rechtbank Oost-Brabant. Bij dit vonnis is een vordering van [verzoekster] op [naam] ter zake van aan [naam] uitgeleende arbeidskrachten (ad € 369.778,92 aan hoofdsom inclusief buitengerechtelijke incassokosten), en waarvoor zij ter verzekering van verhaal (onder meer) op die aandelen conservatoir beslag heeft gelegd, toegewezen.

3.5.

De behandeling van het verzoekschrift door de meervoudige civiele kamer (onder voorzitterschap van de rechter) was voorzien voor 17 december 2018. Die behandeling is geschorst door de indiening van het wrakingsverzoek.

4 De gronden voor wraking

4.1.

Door verzoekster worden in haar wrakingsverzoek de volgende gronden aangevoerd.

a. Verzoekster is van oordeel dat de rechter in haar vonnis van 24 oktober 2018 aan relevante stellingen van verzoekster ongemotiveerd is voorbijgegaan. Zo overweegt de rechter dat verzoekster haar vorderingen op [verweerster] op drie gronden zou hebben gebaseerd, terwijl zij dit heeft gedaan op een zestal gronden. Een belangrijk deel van door verzoekster aangedragen omstandigheden heeft de rechter ongemotiveerd buiten haar oordeel gelaten, zodat het vonnis op een aantal belangrijke onderdelen onbegrijpelijk is.

b. Daarnaast voert verzoekster aan dat de rechter relevante documenten, die zij in het geding heeft gebracht en die ter zitting zijn besproken, niet bij haar oordeel heeft betrokken. Zo zijn volgens verzoekster cruciale documenten door de rechter buiten beschouwing gelaten. Deze documenten tonen volgens verzoeksters aan dat het bestuur van [naam] en [verweerster] een voorheen winstgevend deel van de onderneming van [naam] , direct nadat verzoekster jegens [naam] rechtsmaatregelen had aangezegd, heeft overgeheveld naar [verweerster] , zonder aan [naam] daarvoor te betalen. Daarmee is het voor verhaal vatbaar vermogen van [naam] ten nadele van verzoekster uitgehold.

c. Voorts heeft naar de mening van verzoekster de rechter toegelaten dat [verweerster] fundamentele beginselen van een goede procesorde, het procesreglement, artikel 117 Rv en het beginsel van een eerlijk proces vastgelegd in artikel 6 EVRM, met voeten heeft getreden. Zo heeft de rechter geaccepteerd dat [verweerster] eerst 2 dagen voor de mondelinge behandeling van het kort geding aan verzoekster een grote hoeveelheid stukken heeft toegezonden, terwijl verzoekster al sinds 10 oktober 2018 op toezending van stukken had aangedrongen. Verzoekster is hierdoor ernstig in haar belangen geschaad en heeft zich hierdoor niet behoorlijk op de mondelinge behandeling kunnen voorbereiden. Volgens verzoekster lijkt het bewust laattijdig toezenden van een grote hoeveelheid, voor verzoekster onbekende stukken, een vooropgezet plan van [verweerster] om verzoekster te belemmeren in haar verweer.

d. Het door de rechter op 24 oktober 2018 gewezen vonnis in kort geding maakt volgens verzoekster evident dat de rechter de visie van [verweerster] en [naam] omarmt en het niet eens is met de standpunten van verzoekster. De verzoekschriftprocedure ex artikel 474g Rv is een verlengstuk van de procedure tussen [verzoekster] enerzijds en [naam] en [verweerster] anderzijds. In de kort gedingprocedure was de executie van de aandelen van [naam] in [verweerster] ook onderwerp van debat en ook daarover heeft de rechter in haar vonnis al een oordeel gevormd, welk oordeel niet in het voordeel van verzoekster is uitgevallen.

4.2.

De hiervoor genoemde omstandigheden geven volgens verzoekster gegronde redenen om te vrezen dat de rechterlijke onpartijdigheid in de verzoekschriftprocedure ex artikel 474g Rv zal zijn geschaad, wanneer de rechter onderdeel zal blijven uitmaken van de behandelende meervoudige kamer in die procedure. Verzoekster vreest dat de rechter die procedure niet zonder volledige vooringenomenheid zal kunnen behandelen. Reeds het feit dat de rechter de stellingen van verzoekster niet, respectievelijk verkeerd heeft weergegeven, en op andere stellingen van verzoekster bovendien niet heeft beslist, maakt volgens verzoekster haar vrees voor vooringenomenheid bij de rechter gerechtvaardigd.

4.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster dit overeenkomstig de door haar advocaat mr. [advocaat 1] overgelegde spreekaantekeningen doen toelichten. Verder is nog aangevoerd dat de rechter op de kortgedingzitting haar twijfel heeft uitgesproken over de rechtskracht van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en wel in die zin, dat het volgens haar nog maar de vraag is of dit vonnis in hoger beroep in stand zal blijven. Nu dit vonnis de grondslag vormt voor het verzoek ex artikel 474g Rv heeft de rechter daarmee al een voor [verzoekster] negatief oordeel gegeven ten aanzien van dit verzoek en heeft zij daarmee blijk gegeven van vooringenomenheid, dan wel in ieder geval een gerechtvaardigde schijn gewekt.

5 Het standpunt van de rechter

5.1.

De rechter voert op de eerste plaats aan dat het feit dat zij deel uitmaakt van de samenstelling van de meervoudige kamer, die met de behandeling van het verzoekschrift van [verzoekster] is belast, niet voortvloeit uit de omstandigheid, dat zij als voorzieningenrechter het door [verweerster] geëntameerde kort geding heeft behandeld en daardoor al in zekere mate bekend was met de zaak, maar uitsluitend een roostertechnische oorzaak heeft.

5.2.

Toen zij bekend werd met de toebedeling aan haar van de zaak, is zij, aldus de rechter, zeer wel overwogen tot de conclusie gekomen dat het haar vrij staat deze (mede) te behandelen. De door verzoekster gevoerde kortgedingprocedure berustte immers op een volledig andere grondslag dan het onderhavige verzoekschrift. Inzet van het kort geding was de opheffing van conservatoire beslagen, door verzoekster ten laste van [verweerster] gelegd op grond van het in haar visie overhevelen door [naam] van een winstgevend deel van haar onderneming aan [verweerster] , enkel met het doel om verhaal van verzoeksters vordering illusoir te maken. De grondslag van het door [verzoekster] ingediende verzoekschrift ex artikel 474g Rv betreft het uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de vordering van verzoekster op [naam] , zoals in dat vonnis vermeld, is toegewezen en waardoor het ter verzekering van verhaal van die vordering op onder meer de aandelen van [verweerster] gelegde conservatoire beslag, executoriaal is geworden. Niet valt volgens de rechter in te zien, waarom het haar niet vrij zou staan aan de behandeling van het verzoekschrift deel te nemen.

5.3.

De rechter betwist dat zij in haar vonnis van 24 oktober 2018 noch bij de behandeling ter zitting twijfel heeft uitgesproken over de juistheid van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, wat thans in de nu dienende procedure ter executie voorligt. Daarnaast voert zij aan dat de door verzoekster aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegde gronden alle grieven betreffen die zien op het door haar gewezen kortgedingvonnis van 24 oktober 2018. Zij wil en kan hierop niet ingaan, nu dit is voorbehouden aan de appèlrechter. Deze gronden rechtvaardigen in haar opvatting in ieder geval niet de verzochte wraking, zodat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

6 Het standpunt van [verweerster]

verenigt zich met het standpunt van de rechter en concludeert eveneens tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

7 De beoordeling en de gronden daarvoor

7.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich een dergelijke omstandigheid in het onderhavige geval niet voor.

7.4.

De door verzoekster aangevoerde wrakingsgronden zijn alle terug te voeren op het door de rechter als voorzieningenrechter op 24 oktober 2018 gewezen vonnis in kort geding.

Naar heersende rechtsopvatting, laatstelijk andermaal bevestigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413), brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee dat een rechterlijke beslissing nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van die beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van het aanwenden van een rechtsmiddel belast is met de behandeling daarvan.

7.5.

Evenzeer verzet volgens die rechtsopvatting het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen dat ook de motivering van de beslissing grond kan vormen voor wraking, ook al zou bij een beoordeling daarvan door de wrakingskamer sprake kunnen zijn van een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkig of te summier geachte motivering of van het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.

7.6.

Van dit laatste is echter naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval gebleken, noch aannemelijk geworden.

7.7.

Met de rechter kan niet anders wordt geconstateerd, dan dat het door haar gewezen kortgedingvonnis ziet op de beoordeling van een andere rechtsvraag, als waarvan sprake is in het thans (mede) aan haar ter behandeling voorliggende verzoekschrift. Juist is haar standpunt dat de aan haar in kort geding voorgelegde vordering van [verweerster] betrekking had op de opheffing van een aantal conservatoire beslagen, gelegd door verzoekster op grond van een geheel andere rechtsgrond (onrechtmatige daad) dan die aan de orde in de onderhavige verzoekschriftprocedure. In die procedure gaat het immers om de executie van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, in het bijzonder om de wijze van verkoop van de door [naam] in [verweerster] gehouden aandelen, waarop verzoekster ter verzekering van verhaal van haar bij dat vonnis toegewezen geldvordering, conservatoir beslag heeft doen leggen, welk beslag met het vonnis executoriaal is geworden.

7.8.

Anders dan verzoekster meent, heeft de rechter zich in haar kortgedingvonnis niet, althans niet oordelend, over het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant uitgelaten. Evenmin zijn er aanwijzingen te vinden dat de rechter dit wel tijdens behandeling ter kortgedingzitting zou hebben gedaan. De rechter betwist het daarover door verzoekster ingenomen standpunt, welke betwisting door [verweerster] wordt bevestigd. Maar zelfs als het standpunt van verzoekster zou moeten worden gevolgd, dan nog levert dit geen gerechtvaardigde reden voor wraking op. De volgens verzoekster door de rechter gedane uitlating dat het nog de vraag is of het vonnis rechtskracht behoudt, is, bezien in het licht van het daartegen door [naam] ingestelde hoger beroep, alsmede op grond van de omstandigheid dat in de zaak geen verweer is gevoerd (akte van niet dienen), geheel feitelijk van aard. Daaruit kan geen, naar objectieve maatstaven gemeten, vooringenomenheid noch de schijn daarvan worden afgeleid.

7.9.

Er zijn dan ook geen redenen de rechter deelname aan de behandeling en beoordeling van het verzoekschrift te onthouden. Dit betekent dat het wrakingsverzoek als ongegrond moet worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer C/02/349907/HA RK 18-193 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 15 januari 2019 door mrs. Peters, Kool en van Kralingen, in tegenwoordigheid van de griffier de Jong, en in het openbaar uitgesproken.

--