Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1425

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 6874
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:4113, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm – Onderdeel 3.4 van Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Bpm

Belanghebbende heeft gesteld dat de eis voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in de situatie waarin referentiemotorrijtuigen niet identiek zijn aan de auto, van het gemiddelde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen moet worden uitgegaan, in strijd is met het Unierecht. Alsdan moet volgens belanghebbende worden uitgegaan van de laagst denkbare (handelsinkoop)waarde en niet van een gemiddelde waarde. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling en is van oordeel dat nu er geen identiek referentievoertuig is, de gemiddelde waarde van drie referentievoertuigen een redelijke benadering is van de laagste waarde van een vergelijkbare auto. Derhalve is geen sprake van strijdigheid met het Unierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-05-2019
FutD 2019-1513
V-N Vandaag 2019/1308
NTFR 2019/1518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/6874

uitspraak van 26 maart 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd in [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 21 september 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar ter zake van de registratie van een personenauto op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, A.F.M.J. Verhoeven, verbonden aan Netcar Juridische Dienstverlening BV te Westerhoven, vergezeld door A.A. Zorko, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

De beroepen met zaaknummers 17/6159, 18/8055, 17/6873, 17/6156, 17/5419, 17/5148, 17/5353, 17/6874 zijn gelijktijdig behandeld.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 20 februari 2017 op aangifte € 4.429 Bpm voldaan ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige personenauto van het merk en type Honda CR-V 1.6D (hierna: de auto) in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. Belanghebbende heeft in de aangifte als methode van de vermindering op de Bpm gekozen voor toepassing van een taxatierapport. Bij dat rapport zijn gegevens van 3 referentievoertuigen en een schadecalculatie gevoegd.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte tijdig bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift stelt belanghebbende onder meer dat zij het voertuig in de koerslijst XRay heeft aangegeven als zijnde een Btw-voertuig.

2.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar een teruggaaf verleend van € 260 als gevolg van de Btw-marge correctie en heeft geen kostenvergoeding toegekend.

2.4.

In geschil is:

  1. of de verschuldigde Bpm verder moet worden verminderd;

  2. of de inspecteur ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend;

  3. in hoeverre de inspecteur rente is verschuldigd over de teruggaaf als gevolg van de vermindering van de te betalen Bpm; en

  4. of het griffierecht onevenredig te hoog is.

Vraag a)

2.5.1.

Belanghebbende heeft in haar pleitnota, die één dag voor de zitting door de rechtbank is ontvangen, het standpunt ingenomen dat onderdeel 3.4 van Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Bpm in strijd is met het Unierecht. Volgens belanghebbende is de eis dat voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in de situatie waarin de referentiemotorrijtuigen niet identiek zijn aan de auto, moet worden uitgegaan van het gemiddelde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen, in strijd met het Unierecht. Belanghebbende heeft gesteld dat van de laagst denkbare (handelsinkoop)waarde moet worden uitgegaan en niet van een gemiddelde waarde. De laagste denkbare waarde is volgens belanghebbende in dit geval een verkoopwaarde van € 33.495 en die waarde dient vervolgens met 20% te worden verminderd, waardoor een inkoopwaarde ontstaat van € 26.796. Nu de taxateur de inkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft gesteld op € 26.904 (dat is 80% van het gemiddelde van 3 referentievoertuigen die via het internet te koop staan) dient de te betalen Bpm verder te worden verminderd met € 20.

2.5.2.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling. In Bijlage I behorend bij de Uitvoeringsregeling Bpm is in artikel 3.2 opgenomen dat in het taxatierapport ter onderbouwing van de waarde de handelsinkoopwaarde van drie tot vijf referentiemotorrijtuigen moet worden vermeld. In artikel 3.4. is vervolgens bepaald dat, indien geen van de referentiemotorrijtuigen 100% overeenkomt met het te taxeren motorrijtuig de gemiddelde waarde van de opgevoerde referentiemotorrijtuigen wordt aangemerkt als handelsinkoopwaarde die gebruikt wordt bij het te taxeren motorrijtuig. Belanghebbende heeft bij het doen van de aangifte een taxatierapport bijgevoegd. Hierin wordt ter bepaling van de waarde verwezen naar de gemiddelde vraagprijs van drie referentievoertuigen, waarop 20% in aftrek is gebracht om te komen tot de handelsinkoopwaarde (exclusief schade) van de auto. Daarbij is belanghebbende er blijkbaar van uitgegaan dat de referentievoertuigen niet identiek waren aan de auto. Daar is belanghebbende later niet op teruggekomen. De rechtbank stelt ook vast dat de opgevoerde referentievoertuigen op diverse punten afwijken van de auto.

2.5.3

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan Bijlage I voorschrijft, door belanghebbende niet de handelsinkoopwaarde van de referentievoertuigen is vermeld, maar de vraagprijs verminderd met 20%. In zoverre voldoet het taxatierapport niet aan de gestelde eisen. Voorts vormt, nu er geen identiek referentievoertuig is, de gemiddelde waarde van drie referentievoertuigen naar het oordeel van de rechtbank een redelijke benadering van de laagste waarde van een vergelijkbare auto. Gelet hierop is van strijd met het Unierecht naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De conclusie van de A-G, opgenomen in ECLI:NL:PHR:2016:223, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat het daar om een andere situatie en feitencomplex ging.

Vraag b)

2.6.1.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.6.2.

Volgens belanghebbende is het bezwaar gegrond verklaard en is een teruggaaf verleend. De inspecteur heeft gesteld dat er geen sprake is van een aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft bij het indienen van de aangifte al rekening kunnen houden met de btw-marge kwestie, omdat de Hoge Raad op 27 januari 2017 over die kwestie arrest heeft gewezen.

2.6.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft in de aangifte als methode van de vermindering op de Bpm gekozen voor toepassing van een taxatierapport. Volgens dat rapport is de taxatie en waardebepaling van de auto op 14 februari 2017 uitgevoerd. Belanghebbende heeft eveneens op 14 februari 2017 aangifte gedaan. Nu die feiten en omstandigheden zich na het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:45) hebben voorgedaan, had (de taxateur van) belanghebbende bij de berekening van de verschuldigde Bpm al rekening kunnen houden met de btw-margekwestie. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het bestreden besluit is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De inspecteur heeft het verzoek om een kostenvergoeding voor bezwaar terecht afgewezen.

Vraag c)

2.7.

Belanghebbende heeft niet gesteld dat de inspecteur met betrekking tot de teruggaaf in de uitspraak op bezwaar artikel 30ha van de AWR niet juist heeft toegepast. Belanghebbende heeft wel gesteld dat de rente, vanwege in strijd met het Unierecht geheven belasting, berekend moet worden vanaf het moment van betaling. De rechtbank wijst erop dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank niet bevoegd is daarover in een procedure tegen de inspecteur te oordelen, omdat het daarbij gaat om de toepassing van artikel 28c van de Invorderingswet 1990, waarvoor de ontvanger bevoegd is (zie Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, en Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790). Deze grond kan in de onderhavige procedure dus tot niets leiden.

Vraag d)

2.8.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat bij het heffen van griffierecht (van € 333) ten onrechte niet is gekeken naar de waarde van de betwiste vordering. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, Kantarev, ECLI:EU:C:2018:807, mag hier slechts griffierecht van € 1 worden geheven. Weliswaar is het formeel mogelijk om ontheffing van de betaling van griffierecht te krijgen, maar volgens belanghebbende moet er dan sprake zijn van een dusdanig extreem laag inkomensniveau, dat de ontheffing in feite is verworden tot een dode letter. Belanghebbende stelt dat het bedrag aan geheven griffierecht dusdanig buitensporig is dat de daadwerkelijke toegang tot het Unierecht in volle omvang niet is gewaarborgd.

2.8.2.

De rechtbank overweegt als volgt. De overwegingen in de zaak ‘Kantarev’ gaan erover dat een nationale procesregeling de uitoefening van rechten van particulieren op grond van het EU-recht niet praktisch onmogelijk mag maken. De procedure is afhankelijk van de betaling van griffierecht. Het is de rechtbank niet gebleken dat het griffierecht in de onderhavige procedure een onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter. Ook niet in verhouding tot het belang van belanghebbende, die overigens geen particulier is, bij de zaak. De hoogte van het griffierecht op zich is niet buitenproportioneel. Het staat de wetgever verder vrij, en dus zonder rekening met de hoogte van het (proces)belang, om voor een vast griffierecht te kiezen. Bij betalingsonmacht had belanghebbende kunnen verzoeken om ontheffing van de betaling van het griffierecht. Dat heeft zij niet gedaan.

Prejudiciële vragen

2.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid die reden geeft tot het stellen van prejudiciële vragen.

Overschrijding van de redelijke termijn

2.10.

De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ingekomen op 31 maart 2017 en de rechtbank doet uitspraak op 26 maart 2019. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn hier niet is overschreden.

Conclusie

2.11.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een (integrale) proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2019 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.