Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1424

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 6159
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2071, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm / Unierecht / kampeerauto

De inspecteur heeft het unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet geschonden nu belanghebbende op het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag heeft kunnen reageren. Verder oordeelt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gebruikte kampeerauto op het moment dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Voorts is het de rechtbank niet gebleken dat de hoogte van het griffierecht voor belanghebbende een onoverkomelijk obstakel heeft gevormd voor de toegang tot de rechter.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/1312
V-N 2019/35.2.3
NTFR 2019/1517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/6159 en 18/8055

uitspraak van 26 maart 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 15 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) van € 1.250 ( [aanslagnummer] , de naheffingsaanslag) en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente van € 12 (beschikking belastingrente).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, A.F.M.J. Verhoeven, verbonden aan Netcar Juridische Dienstverlening BV te Westerhoven, vergezeld door A.A. Zorko, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

De beroepen met zaaknummers 17/6159, 18/8055, 17/6873, 17/6156, 17/5419, 17/5148, 17/5353, 17/6874 zijn gelijktijdig behandeld.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het de kostenvergoeding betreft;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de kostenvergoeding;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.020;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 917;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 83;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt;

  • -

    bepaalt dat, indien de schadevergoeding, de vergoeding van proceskosten en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig worden voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop de onderhavige uitspraak is gedaan.

2 Gronden

2.1.

De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel onder meer uit de in- en verkoop van campers en caravans.

2.2.

Belanghebbende heeft op 19 april 2015 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig in nieuwe staat van het merk Fiat Ducato 35H 2.3 MJ L3H1 met voertuigidentificatienummer ZFA25000002732667 (hierna: kampeerauto 1). De volgens deze aangifte verschuldigde BPM van € 10.363 is op 24 april 2015 voldaan. Dat bedrag komt overeen met de in de aangifte vermelde Bruto Bpm. De tellerstand was bij aangifte 14 kilometer.

2.3.

Belanghebbende heeft op 27 april 2015 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig van het merk Fiat Ducato 35H 2.3 MJ LH1 met voertuigidentificatienummer ZFA25000001924916 (hierna: kampeerauto 2). De volgens deze aangifte verschuldigde BPM van € 3.212 is op 11 mei 2015 voldaan.

2.4.

Kampeerauto 2 is afkomstig uit Duitsland. De datum van eerste toelating aldaar is 13 april 2011. Belanghebbende is ter berekening van de BPM uitgegaan van een netto catalogusprijs (exclusief opties en accessoires) van 24.050. Voor de bepaling van de afschrijving heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de afschrijvingstabel.

2.5.

De inspecteur heeft in zijn brief 24 november 2015 aangekondigd om een naheffingsaanslag op te leggen omdat voor zowel kampeerauto1 als kampeerauto 2 te weinig BPM is voldaan. Volgens de inspecteur is bij beide kampeerauto’s sprake van een hogere netto catalogusprijs van een gesloten bestel-uitvoering van die auto’s en is daarom meer Bpm verschuldigd. In deze brief heeft de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om vóór 9 december 2015 haar zienswijze te geven tegen het voorgenomen besluit.

2.6.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 maart 2016 de naheffingsaanslag opgelegd. Daarin staat dat belanghebbende voor kampeerauto 1 en kampeerauto 2 nog respectievelijk € 905 en € 345 aan Bpm is verschuldigd. Tevens is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 12 over het totaal verschuldigde bedrag van € 1.250. Belanghebbende heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt en heeft tevens om een integrale kostenvergoeding verzocht.

2.7.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag met € 81 verminderd tot € 1.169, heeft de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en heeft geen kostenvergoeding toegekend. De vermindering ziet op de verschuldigde Bpm van kampeerauto 2 (het toepassen van de leeftijdskorting).

2.8.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven dat belanghebbende recht heeft op de forfaitaire kostenvergoeding voor zowel het indienen van een bezwaarschrift als voor het gevoerde hoorgesprek. Het beroep is om deze reden al gegrond.

2.9.

In geschil is:

  1. of sprake is van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel wegens schending van de hoorplicht in de fase voordat de naheffingsaanslag is opgelegd;

  2. of de verschuldigde belasting kan worden nageheven op een tijdstip dat ligt na het belastbare feit;

  3. of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende is opgelegd;

  4. of belanghebbende recht heeft op een werkelijke kostenvergoeding;

  5. of het griffierecht onevenredig te hoog is; en

  6. of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over de teruggaaf.

Vraag a

2.10.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393), over de vraag of sprake is van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel omdat belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag Bpm niet is gehoord, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld:

‘2.1. (…). Het hiervoor bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor hem nadelig besluit wordt genomen, houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken (vgl. HvJ 9 november 2017, Teodor Ispas, C-298/16, ECLI:EU:C:2017:843, punt 26, en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467). Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken. Wel mag de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Dit betekent dat als de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.’

Vast staat dat de inspecteur belanghebbende voorafgaand het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de in 2.5 vermelde aankondiging. Daarmee heeft de inspecteur voldaan aan de unierechtelijke verplichting tot horen voordat de naheffingsaanslag is opgelegd.

Vraag b

2.11.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU geen belasting kan worden nageheven van te importeren gebruikte voertuigen, nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden.

2.11.2.

De rechtbank verwerpt het betoog van belanghebbende gelet op wat de Hoge Raad daarover in het 2.10 vermelde arrest in rov 2.2 heeft overwogen.

Vraag c

2.12.1.

Ter zake van kampeerauto 1 heeft belanghebbende gesteld dat de eerste inschrijving in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015 en de eerste tenaamstelling in het kentekenregister (de registratie) op 2 oktober 2015. Nu het belastbare feit op 2 oktober 2015 heeft plaatsgevonden en op dat moment de staat van kampeerauto 1 van belang is voor de bepaling van de verschuldigde Bpm, is volgens belanghebbende sprake van een gebruikte kampeerauto en niet van een nieuwe kampeerauto. Het is immers niet uitgesloten dat tot 2 oktober 2015 met kampeerauto 1 (fors) meer kilometers zijn gereden. Op grond van het Unierecht is het aan de inspecteur om aan te tonen welke tellerstand kampeerauto 1 had ten tijde van het belastbare feit op 2 oktober 2015, aldus nog steeds belanghebbende.

De inspecteur heeft gesteld dat ook al heeft de tenaamstelling van kampeerauto 1 plaatsgevonden op 2 oktober 2015, nog steeds sprake is van een nieuwe kampeerauto. Volgens de gegevens van de RDW bij het doen van aangifte was de tellerstand op dat moment 14 kilometer en indien belanghebbende de mening is toegedaan dat de verschuldigde Bpm moet worden verminderd omdat sprake is van een gebruikte kampeerauto, rust daarvoor de bewijslast op belanghebbende. Bij een nieuwe kampeerauto wordt geen leeftijdskorting toegepast, aldus nog steeds de inspecteur.

2.12.2.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ter zitting heeft de inspecteur onbetwist verklaard dat het regelmatig voorkomt dat een handelaar, zoals belanghebbende, een auto invoert, de verschuldigde BPM betaalt, maar de auto nog niet laat registreren omdat hij nog geen koper heeft gevonden. In een dergelijke situatie mag de handelaar tot het moment van registratie niet met de auto (met het reeds toegekende kenteken) op de openbare weg rijden. Dat mag alleen met gebruikmaking van een tot het bedrijf behorend handelaarskenteken. Dit gold ook voor kampeerauto 1 in de periode tussen eerste inschrijving en registratie in het kentekenregister. Vast staat dat bij het doen van aangifte van kampeerauto 1 sprake was van een nieuwe kampeerauto. Gelet op het feit dat tot 2 oktober 2015 slechts met een handelaarskenteken met kampeerauto 1 gereden mocht worden is naar het oordeel van de rechtbank ook op die datum nog steeds sprake van een nieuwe auto. De kampeerauto onderscheidt zich immers in die periode niet van een willekeurige andere nieuwe auto waarmee ook met een handelaarskenteken gereden wordt. Zo’n auto blijft “nieuw” omdat met een handelaarskenteken normaal gesproken alleen maar in het kader van een mogelijke verkoop af en toe korte ritten gereden worden. Het ligt in dit geval op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat, in afwijking van de normale situatie, op 2 oktober 2015 geen sprake meer is van een nieuwe auto. Met de enkele stelling dat het niet uitgesloten is dat fors meer dan enkele kilometers met de kampeerauto gereden zijn levert belanghebbende niet het verlangde bewijs.

Griffierecht

2.13.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat bij het heffen van griffierecht (van € 333) ten onrechte niet is gekeken naar de waarde van de betwiste vordering. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, Kantarev, ECLI:EU:C:2018:807, mag hier slechts griffierecht van € 46 worden geheven. Weliswaar is het formeel mogelijk om ontheffing van de betaling van griffierecht te krijgen, maar volgens belanghebbende moet er dan sprake zijn van een dusdanig extreem laag inkomensniveau, dat de ontheffing in feite is verworden tot een dode letter. Belanghebbende stelt dat het bedrag aan geheven griffierecht dusdanig buitensporig is dat de daadwerkelijke toegang tot het Unierecht in volle omvang niet is gewaarborgd.

2.13.2.

De rechtbank overweegt als volgt. De overwegingen in de zaak ‘Kantarev’ gaan erover dat een nationale procesregeling de uitoefening van rechten van particulieren op grond van het EU-recht niet praktisch onmogelijk mag maken. De procedure is afhankelijk van de betaling van griffierecht. Het is de rechtbank niet gebleken dat het griffierecht in de onderhavige procedure een onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter. Ook niet in verhouding tot het belang van belanghebbende, die overigens geen particulier is, bij de zaak. De hoogte van het griffierecht op zich is niet buitenproportioneel. Het staat de wetgever verder vrij, en dus zonder rekening met de hoogte van het (proces)belang, om voor een vast griffierecht te kiezen. Bij betalingsonmacht had belanghebbende kunnen verzoeken om ontheffing van de betaling van het griffierecht. Dat heeft zij niet gedaan.

Vergoeding van rente over de vermindering naheffingsaanslag

2.14.1.

Bij de vermindering van de naheffingsaanslag is de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De vergoeding van rente over het teveel of ten onrechte betaalde bedrag vindt plaats in de invorderingssfeer. Hierover kan de rechtbank niet oordelen.

Prejudiciële vragen

2.15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid die reden geeft tot het stellen van prejudiciële vragen.

Werkelijke vergoeding van de proceskosten

2.16

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van werkelijk gemaakte kosten in de bezwaarfase en van werkelijke proceskosten in de beroepsfase. De inspecteur heeft in zijn verweer aangegeven dat aan belanghebbende een vergoeding conform het zogenoemde puntensysteem van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dient te worden toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding dan de forfaitaire proceskostenvergoeding, reeds gelet op de reden waarom aanleiding is voor een proceskostenvergoeding.

Vergoeding van immateriële schade

2.17.1.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de lange behandelduur. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij voor elke kampeerauto afzonderlijk recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank verwerpt dit standpunt, alleen al omdat sprake is van één naheffingsaanslag.

2.17.2.

De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt hier twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ingekomen op 8 april 2016 en de rechtbank doet uitspraak op 26 maart 2019. Nu de redelijke termijn met bijna 12 maanden is overschreden, heeft belanghebbende – uitgaande van € 500 per overschrijding van een half jaar – recht op een schadevergoeding van € 1.000. De overschrijding die moet worden toegerekend aan de bezwaarfase bedraagt 11 maanden, waardoor de vergoeding over de bezwaarfase € 917 bedraagt. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt de resterende € 83. De rechtbank heeft de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aangemerkt als partij in dit geding.

Proceskostenveroordeling

2.18.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.020 (1 punt oor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). Voor de beroepsfase is de zaak als licht aangemerkt, omdat het beroep alleen gegrond is vanwege de kostenvergoeding in de bezwaarfase en de toekenning van immateriëleschadevergoeding.

Vergoeding van (Irimie-)rente over griffierecht

2.19

Voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht (artikel 8:74 Awb) geldt het uitgangspunt dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan (in dit geval vier weken na 26 maart 2019), zie r.o. 2.2.4 van HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358. De inspecteur dient het griffierecht derhalve uiterlijk vier weken na 26 maart 2019 aan belanghebbende te vergoeden. Datzelfde geldt voor de vergoeding van proceskosten. Er is geen grond voor enige andere of verdergaande rente.

Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2019 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.