Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:137

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 5248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 11, eerste lid, onderdeel i, onder ten tweede en art. 15 Wet OB 1968

Belanghebbende heeft derden ingeschakeld om haar bij te staan in het kader van de verkoop van aandelen in een van haar dochtermaatschappijen. De aan haar door deze derden in rekening gebrachte btw heeft zij in aftrek genomen. De inspecteur heeft deze aftrek, volgens de rechtbank terecht, geweigerd. Volgens de rechtbank is het voor belanghebbende niet mogelijk om in deze belastingprocedure aan de rechtbank een oordeel te vragen over de btw-kwalificatie van de activiteiten die de door haar ingeschakelde derden hebben uitgevoerd. Paragraaf 3.5.2 van het Besluit van 6 december 2014 (BLKB 2014/704M) is niet van toepassing nu het in die paragraaf gaat om in aftrek gebrachte btw en hier aftrek is geweigerd. Ook is geen sprake van strijd met Europese rechtsbeginselen. Voorts voldoet belanghebbende niet aan de situaties als genoemd in het besluit van 3 augustus 2004 (CPP 2004/1709M). Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aandelenverkoop een economische activiteit is die binnen de werkingssfeer van de btw valt.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-04-2019
V-N Vandaag 2019/850
FutD 2019-1043
NTFR 2019/1442 met annotatie van Drs. C. Verweij
V-N 2019/30.21.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/5248

uitspraak van 15 januari 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft in haar aangifte omzetbelasting (hierna: btw) over het vierde kwartaal van 2015 verzocht om een teruggaaf. De inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 9 december 2016 gedeeltelijk afgewezen ( [beschikkingnummer] ).

1.2.

De inspecteur heeft een brief met dagtekening 5 juli 2017 gestuurd getiteld ‘toelichting uitspraak Bezwaarschrift’. Met dagtekening 28 juli 2017 is aan belanghebbende een biljet ‘uitspraak op bezwaarschrift’ gestuurd met de cijfermatige uitwerking van de beslissing op het bezwaar tegen de in 1.1 vermelde beschikking. De uitspraak op bezwaar houdt in dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

1.3.

Bij brief van 25 juli 2017, door de rechtbank ontvangen op 26 juli 2017, heeft belanghebbende daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

1.4.

Op 4 augustus 2017 heeft belanghebbende de gronden van haar beroep aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 19 november 2018 nadere stukken toegestuurd. Een afschrift van de ingediende stukken is steeds aan de wederpartij verstrekt.

1.5.

Op 3 december 2018 heeft de inspecteur een pleitnota toegestuurd. Een kopie van deze pleitnota is tevens aan belanghebbende verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018 te Breda.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Van het verder verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een financiële holdingmaatschappij. Het bestuur van belanghebbende wordt gevormd door [A] en [B] .

2.2.

Tot 23 december 2015 was belanghebbende enig aandeelhouder van [A GmbH] (hierna: [A GmbH] ). [A GmbH] is op haar beurt enig aandeelhouder van [B GmbH] en [C GmbH] . De bestuurders van [A GmbH] zijn [A] en [C] . Ook houdt belanghebbende alle aandelen in [A BV] en [B BV] .

2.3.

Met [A BV] heeft belanghebbende een managementovereenkomst gesloten. De managementvergoeding bedraagt € 270.000 per jaar. Met [A GmbH] heeft belanghebbende een dergelijke overeenkomst niet gesloten. Ook is in de managementovereenkomst met [A BV] geen bepaling opgenomen met betrekking tot het beheer van de Duitse deelnemingen of de verkoop van de aandelen in deze deelnemingen.

2.4.

Belanghebbende heeft op enig moment het besluit genomen om haar aandelen in [A GmbH] te verkopen. Op 18 mei 2015 heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met [C BV] (hierna: [C BV] ) voor werkzaamheden bij de beoogde verkoop van de aandelen in [A GmbH] .

2.5.

Op 31 juli 2015 heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met [D BV] (hierna: [D BV] ), eveneens in verband met de beoogde verkoop van de aandelen in [A GmbH] .

2.6.

Op 23 december 2015 heeft belanghebbende haar aandelen in [A GmbH] verkocht aan [E BV] . Door [C BV] en [D BV] zijn in verband met de werkzaamheden voor de verkooptransactie de volgende bedragen in rekening gebracht.

fee

btw

totaal

[C BV]

€ 263.750,00

€ 55.387,50

€ 319.137,50

[D BV]

€ 68.500,00

€ 14.385,00

€ 82.885,00

Totaal

€ 332.250,00

€ 69.772,50

€ 402.022,50

2.7.

Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal van het kalenderjaar 2015 haar aangifte btw gedaan. Uit deze aangifte volgt een terug te ontvangen bedrag van € 155.470. Belanghebbende heeft hierbij de aan haar door [C BV] en [D BV] in rekening gebrachte btw van in totaal € 69.773 in aftrek gebracht.

2.8.

Met dagtekening 9 december 2016 heeft de inspecteur een teruggaafbeschikking van € 85.698 afgegeven. De inspecteur heeft daarbij de aftrek van het voormelde bedrag van € 69.773 geweigerd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen afgewezen.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van het aan haar door [C BV] en [D BV] in rekening gebrachte bedrag aan btw van in totaal € 69.773.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en tijdens de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het vaststellen van de teruggaaf btw over het vierde kwartaal 2015 op een bedrag van € 155.470.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verder concludeert de inspecteur dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar verzoek om de handelingen van [C BV] en [D BV] te beoordelen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: bewijsaanbod ter zitting

4.1.

Belanghebbende heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan in de vorm van het inbrengen van een verklaring van [A] ter onderbouwing van haar stelling dat belanghebbende een moeiende holding is voor [A GmbH] . De rechtbank heeft belanghebbende in reactie hierop voorgehouden dat [A] niet alleen bestuurder van [A GmbH] is maar ook van belanghebbende en dat het de vraag is in welke hoedanigheid hij werkzaamheden uitvoert. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende met een verklaring van [A] niet aannemelijk maakt dat zij een moeiende holding is. Belanghebbende heeft hierop niet in haar bewijsaanbod volhardt. Afgezien daarvan, verzet naar het oordeel van de rechtbank de goede procesorde zich tegen het honoreren van het ter zitting gedane bewijsaanbod. De rechtbank heeft daarbij het belang van belanghebbende bij de inbreng van bewijsmiddelen en het ontbreken van een geldige reden waarom zij dit niet eerder heeft gedaan, afgewogen tegen het algemeen belang van een doelmatige procesgang.

Vooraf: ontvankelijkheidsverweer van de inspecteur

4.2.

De rechtbank heeft hiervoor in 3.1 de gegeven geschilomschrijving niet nader uitgewerkt in diverse geschilonderdelen, hoewel er meerdere geschilpunten zijn. De reden hiervoor is dat partijen niet alleen van mening verschillen over de inhoudelijke kwesties, maar ook over wat de geschilpunten zijn c.q. over de wijze waarop het geschil moet worden benaderd. Nu belanghebbende beroep heeft ingesteld, zal de rechtbank hierna als uitgangspunt het geschil beoordelen aan de hand van de geschilpunten zoals benoemd in het beroepschrift.

4.3.

De inspecteur heeft met betrekking tot het door belanghebbende gevoerde betoog over de kwalificatie van de diensten van [C BV] en [D BV] een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd (zie 3.3, laatste zin). De rechtbank verwerpt dat verweer. Belanghebbende heeft het desbetreffende betoog voor het eerst gevoerd in een brief van 5 augustus 2016 als reactie op het voornemen tot afwijzing van de gevraagde teruggaaf van € 69.773. Anders dan de inspecteur aanvoert, houdt dat betoog geen (nieuw) tweede verzoek in, maar is het een nadere onderbouwing van het eerste verzoek. Het staat belanghebbende vrij om een teruggaafverzoek in de loop van een procedure met nieuwe argumenten te onderbouwen.

Beoordeling van de btw-kwalificatie van de activiteiten van [C BV] en [D BV] ?

4.4.

Belanghebbende stelt primair dat de activiteiten die door [C BV] en [D BV] zijn uitgevoerd zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, onder ten tweede, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Volgens belanghebbende komen de werkzaamheden grotendeels overeen met de activiteiten die in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) van 5 juli 2012 (DTZ Zadelhoff vof, ECLI:EU:C:2012:423) plaatsvonden, waarbij het HvJ heeft geoordeeld dat sprake is van van btw vrijgestelde bemiddeling bij verkoop van aandelen. [C BV] en [D BV] hebben volgens belanghebbende dus ten onrechte btw in rekening gebracht. Op grond van artikel 37 van de Wet OB zijn zij deze ten onrechte in rekening gebrachte btw wel verschuldigd. Belanghebbende stelt dat zij deze btw in aftrek kan brengen op grond van paragraaf 3.5.2 van het Besluit van de Staatsecretaris van Financiën van 6 december 2014 (nr. BLKB 2014/704M) (hierna: het Besluit van 6 december 2014), nu zowel [C BV] als [D BV] heeft geweigerd om de uitgereikte factuur te herzien. Subsidiair stelt belanghebbende dat zij recht op aftrek van deze btw heeft op grond van algemene beginselen van het Europese btw-stelsel zoals het doeltreffendheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel.

4.5.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In feite verzoekt belanghebbende de rechtbank om te beoordelen of de activiteiten die [C BV] en [D BV] hebben uitgevoerd vallen onder de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, onder ten tweede, van de Wet OB. De rechtbank kan daarover in deze procedure geen uitspraak doen. Het wettelijk stelsel van de btw en dat van de AWR brengen mee dat een procedure voor de belastingrechter met betrekking tot een kwalificatiekwestie als hier alleen kan worden gevoerd door de dienstverrichters, hier [C BV] en [D BV] , en niet door de dienstontvanger, hier belanghebbende. Als belanghebbende van mening is dat de factuur die zij heeft ontvangen te hoog is vanwege ten onrechte in rekening gebrachte btw dan kan zij hiervoor een civiele procedure starten.

4.6.

De kwestie of de activiteiten van [C BV] en [D BV] vrijgesteld zijn van btw, zou wel een belang hebben in deze procedure indien een bevestigend antwoord gevolgen zou kunnen hebben voor de in geding zijnde teruggaafbeschikking. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende meent dat dit het geval is omdat de in rekening gebrachte btw dan weliswaar btw in de zin van artikel 37 van de Wet OB is, maar niettemin toch in aftrek kan worden gebracht. De rechtbank is het daarmee niet eens, en overweegt daartoe als volgt.

4.7.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat btw in de zin van artikel 37 van de Wet OB niet op grond van artikel 15 van de Wet OB in aftrek kan worden gebracht. Ook in richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: de Btw-richtlijn) is er geen bepaling opgenomen op grond waarvan belanghebbende dergelijke btw kan terugvragen.

4.8.

Naar aanleiding van het arrest van het HvJ van 19 september 2000 (Schmeink en Cofreth-Manfred Strobel, ECLI:EU:C:2000:469) heeft de Staatssecretaris een procedure voor herziening door de opsteller van een factuur opgenomen. In paragraaf 3.5.1 van het Besluit van 6 december 2014 is opgenomen dat de opsteller van een foutieve factuur deze factuur kan herzien mits er geen gevaar bestaat voor verlies van belastinginkomsten. Zowel [C BV] als [D BV] heeft aangegeven dat de btw terecht op de facturen is vermeld.

4.9.

In paragraaf 3.5.2 van het Besluit van 6 december 2014 is opgenomen dat aftrek bij de afnemer in stand kan blijven als die afnemer niet kan worden verweten dat hij bij de beoordeling van de aan hem uitgerekte factuur niet voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat deze paragraaf 3.5.2 hier niet van toepassing is. In die paragraaf gaat het om btw die reeds in aftrek is gebracht. In het onderhavige geval is de, volgens belanghebbende ten onrechte, gefactureerde btw niet in aftrek gebracht. De inspecteur heeft de aftrek immers geweigerd. Het besluit kent in een dergelijke situatie geen aftrekrecht toe. De verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 16 juli 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3083) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat de situatie in dat geval anders is dan in dit geval. Zo stond in dat geval – anders dan hier – vast dat ten onrechte btw in rekening was gebracht en dat van herziening van de voldane btw bij de dienstverleners geen sprake kon zijn. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst in een andere procedure van een andere belastingplichtige een andere uitleg heeft gegeven aan voormelde paragraaf 3.5.2. Belanghebbende maakt uit die andere procedure op dat de benadering van de inspecteur in haar zaak geen beleid is en voert daartoe aan dat de inspecteur in die andere procedure geen verweer heeft gevoerd op het gedane beroep op voormelde paragraaf 3.5.2. Ook indien veronderstellenderwijze ervan wordt uitgegaan dat belanghebbendes weergave van het verhandelde in die andere procedure juist is, kan dit niet tot het oordeel leiden dat belanghebbende recht heeft op de door haar verzochte teruggave. Het niet voeren van verweer in een andere procedure is onvoldoende om daaraan vertrouwen te kunnen ontlenen. Ook is het geen vereiste dat een standpunt dat een inspecteur inneemt, een beleidsstandpunt is.

4.10.

Gelet op het voorgaande is er geen nationaalrechtelijke grondslag om als er – zoals belanghebbende betoogt – sprake zou zijn van ten onrechte in rekening gebrachte btw, deze btw bij haar in aftrek toe te laten. Anders dan belanghebbende betoogt brengen beginselen zoals het neutraliteitsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel niet mee dat dit wel zou moeten. Zoals hiervoor overwogen in 4.5 is belanghebbende in het Nederlandse rechtssysteem aangewezen op de civielrechtelijke weg indien zij van mening is dat ten onrechte btw in rekening is gebracht. Uit bijvoorbeeld het arrest HvJ 15 maart 2007

(C-35/05, Reemtsma Cigarettenfabriken GmbH, ECLI:EU:C:2007:167) leidt de rechtbank af dat dit niet tot strijd met de door belanghebbende aangehaalde beginselen leidt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt vereist dat de dienstenontvanger zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de Belastingdienst kan richten. Met name is dat het geval indien terugbetaling van de btw onmogelijk of buitengewoon moeilijk is, bijvoorbeeld indien de dienstenverrichter insolvabel is. Dat is hier niet het geval. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard niet voor de civielrechtelijke weg te hebben gekozen, omdat zij van mening was dat ook de fiscaal-bestuursrechtelijke weg tot het door haar gewenste resultaat (teruggaaf van de in rekening gebrachte btw) kon leiden.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat zelfs als belanghebbende gelijk heeft dat de activiteiten van [C BV] en [D BV] vrijgesteld zijn van btw en dat deze vennootschappen dus ten onrechte btw in rekening hebben gebracht, dit niet ertoe kan leiden dat de bestreden teruggaafbeschikking op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Aan behandeling van het door belanghebbende opgeworpen geschilpunt over de kwalificatie van de diensten van [C BV] en [D BV] wordt daarom niet toegekomen.

Aftrek van btw op grond van artikel 15 van de Wet OB?

4.12.

Belanghebbende heeft (subsidiair) aangevoerd dat als [C BV] en [D BV] wel terecht btw in rekening hebben gebracht, deze btw in aftrek komt op grond van artikel 15 van de Wet OB, gelet op het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 augustus 2014, nr. CPP 2004/1709M (hierna: het Besluit van 3 augustus 2014).

4.13.

In artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald.

“De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a.de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

(…)

een en ander voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.”

Op grond van jurisprudentie van het HvJ is de btw op gemaakte kosten alleen aftrekbaar als een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen die kosten en belaste handelingen. Niet is uitgesloten dat aangeschafte goederen of afgenomen diensten die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor andere handelingen dan de prestaties die de ondernemer tegen vergoeding verricht, niettemin worden aangemerkt als ‘gebruikt voor belaste handelingen’ (vgl. onder meer HvJ 22 oktober 2015, C-126/4, Sveda UAB, ECLI:EU:C:2015:712, HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5405 en HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:424).

4.14.

Belanghebbende heeft in haar nader stuk van 16 november 2018 (hierna: het nader stuk) verduidelijkt dat zij in beroep niet het standpunt inneemt dat de kosten van [C BV] en [D BV] toerekenbaar zijn aan btw-belaste managementactiviteiten van haar, maar dat zij stelt dat zij recht heeft op aftrek op grond van het Besluit van 3 augustus 2004. Volgens haar is situatie 2 uit dat besluit op haar van toepassing. Die situatie is aldaar als volgt beschreven:

“Het verwerven, het houden en de verkoop van een aandelenpakket door een houdstermaatschappij zijn economische activiteiten omdat deze handelingen worden verricht in het kader van een direct of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschap waarin wordt deelgenomen en deze inmenging gepaard gaat het handelingen die aan de BTW zijn onderworpen.

N.b. Gelet op de jurisprudentie (…) is naar mijn mening in deze voor de directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschap waarin wordt deelgenomen een meerderheidsparticipatie vereist.”

Voornoemd besluit vermeldt voor deze situatie de volgende gevolgen voor de heffing van btw:

“Het verwerven, het houden en de verkoop van het aandelenpakket geschieden binnen het kader van een onderneming. De kosten die betrekking hebben op deze handelingen maken deel uit van de algemene kosten. De terzake in rekening gebrachte omzetbelasting komt op voet van artikel 15 van de Wet voor aftrek in aanmerking. De verkoopopbrengst van het aandelenpakket maakt geen uit van de in artikel 11, lid 1, letter c, van de Beschikking bedoelde vergoedingen.”

Volgens belanghebbende dient de aftrek volledig te worden toegekend, aangezien de pro rata 100% bedraagt.

4.15.

Belanghebbende heeft de last om aannemelijk te maken dat er sprake is van economische activiteiten met betrekking tot [A GmbH] . Hiertoe wijst belanghebbende – voor het eerst in het nader stuk – op een (vóór 2015 afgeloste) lening die belanghebbende heeft verstrekt aan [B GmbH] en een auto die zij in 2015 tegen vergoeding aan [B GmbH] ter beschikking heeft gesteld. De inspecteur heeft deze gestelde feiten betwist. Verder stelt belanghebbende dat er sprake is van moeien door belanghebbende in [A GmbH] , gelet op de activiteiten door [A] .

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele verwerven en houden van aandelen in een vennootschap niet kan worden beschouwd als een economische activiteit. Dit ligt anders wanneer het houden van aandelen gepaard gaat met een direct of indirect moeien in het beheer van die vennootschap. Bovendien dient dit moeien gepaard te gaan met handelingen die aan de btw zijn onderworpen op grond van artikel 2 van de Btw-richtlijn. Wil een aandelenoverdracht binnen de werkingssfeer van de btw kunnen vallen, moet deze handeling haar uitsluitende directe oorzaak in beginsel hebben in een belastbare economische activiteit van de betrokken moedermaatschappij of het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van die activiteit vormen. Dit is het geval wanneer die handeling wordt verricht met het oogmerk om de opbrengst van die verkoop rechtstreeks toe te wijzen aan de belastbare economische activiteit van de betrokken moedermaatschappij of aan de economische activiteit van de groep waarvan zij de moedermaatschappij is (vgl. HvJ 8 november 2018, zaak C-502/17 C&D Foods).

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende – op wie de bewijslast rust – niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verkoop van de aandelen in [A GmbH] een economische activiteit is die binnen de werkingssfeer van de btw valt. Niet aannemelijk is dat sprake is van moeien dat gepaard gaat met handelingen die aan de btw zijn onderworpen. De (gestelde) lening en de terbeschikkingstelling van de auto hebben namelijk beide betrekking op [B GmbH] en niet op [A GmbH] . Los daarvan is niet aannemelijk dat de verkoop haar uitsluitende directe oorzaak heeft in deze activiteiten. Verder blijkt uit geen enkel stuk dat [A] zich met [A GmbH] heeft gemoeid uit hoofde van zijn rol als bestuurder van belanghebbende. Nu hij tevens bestuurder was van [A GmbH] kan zijn bemoeienis met [A GmbH] evengoed voortvloeien uit die rol. Vast staat dat belanghebbende geen andere activiteiten tegen vergoeding verricht voor [A GmbH] . Verder kan op basis van antwoorden van belanghebbende op vragen van de rechtbank ter zitting over de bestemming van de opbrengst van de verkoop van de aandelen, niet worden gebaseerd dat de aandelenverkoop binnen de werkingssfeer van de btw valt.

4.18.

Uit het voorgaande volgt dat de door [C BV] en [D BV] in rekening gebrachte btw niet op grond van artikel 15 van de Wet OB in aftrek kan worden gebracht en dat het beroep van belanghebbende op situatie 2 van het Besluit van 3 augustus 2004 faalt.

4.19.

Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat niet met succes een beroep kan worden gedaan op situatie 2 van het Besluit van 3 augustus 2004, stelt belanghebbende dat er sprake is van een situatie die valt onder situatie 1b van dat besluit. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam 26 november 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4863). Belanghebbende voert aan dat zij niet stelt dat er een fiscale eenheid btw mogelijk was tussen haar en [A GmbH] , maar stelt dat uit de uitspraak van het Hof Amsterdam volgt dat niet moet worden getoetst of een fiscale eenheid btw mogelijk is, maar of er inhoudelijk op gelijke wijze wordt gemoeid bij de binnenlandse en buitenlandse deelnemingen. Volgens belanghebbende is niet relevant of er een vergoeding voor het moeien wordt voldaan.

4.20.

De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Situatie 1b van het Besluit van 3 augustus 2004 betreft kort gezegd het geval dat het verwerven, het houden en de verkoop van het aandelenpakket door een houdstermaatschappij geen economische activiteiten zijn maar wel plaatsvinden binnen het kader van een onderneming; volgens het besluit gaat het daarbij in het bijzonder om een aandelenpakket van een vennootschap waarmee de houdstermaatschappij een fiscale eenheid voor de btw vormt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie met deze situatie 1b vergelijkbaar is of daarmee op één lijn zou moeten worden gesteld. Zelfs als voorbijgegaan wordt aan de omstandigheid dat op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet OB geen fiscale eenheid voor de btw met [A GmbH] mogelijk zou zijn geweest omdat – kort gezegd – [A GmbH] niet in Nederland gevestigd is, heeft de inspecteur namelijk onweersproken gesteld dat er geen sprake is van economische verwevenheid tussen belanghebbende en [A GmbH] waardoor het reeds om die reden niet mogelijk zou zijn om een fiscale eenheid voor de btw aan te gaan. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van Hof Amsterdam geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.21.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2019 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof. dr. G. van Norden, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.