Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1348

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
BRE 18_3044
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek van derden. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/3044 AW

uitspraak van 27 maart 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. D.E. de Hoop,

en

het Dagelijks Bestuur van de RAV Brabant Midden-West-Noord, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april 2018 (bestreden besluit) van de RAV. Dit besluit gaat over eisers verzoek om compensatie van een AOW-gat (AOW = Algemene Ouderdomswet).

De zaak is behandeld in Breda op 15 februari 2019. Eiser was daarbij aanwezig, samen met zijn gemachtigde. Namens de RAV waren aanwezig mr. M.J.J. Rutten en [naam vertegenwoordiger]

Overwegingen

Wat is er aan de hand ?

1. Eiser heeft in het verleden gewerkt voor Ambulancedienst [naam bv] . Deze ambulancedienst is per 1 januari 2008 overgenomen door de RAV. Eiser is per 1 januari 2008 aangesteld door de RAV. Aan hem is per diezelfde datum buitengewoon verlof verleend op grond van hoofdstuk 9b van de cao RAV. Dit hoofdstuk regelt het overgangsrecht voor ambtenaren die op 31 december 2005 werkten in een functie die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (FLO).

Volgens het aanstellingsbesluit van 20 december 2007 betekent dit voor eiser dat:

  • -

    aan hem vanaf 1 januari 2008 volledig buitengewoon verlof wordt verleend tegen doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging;

  • -

    aan hem vanaf 59 jaar volledig onbezoldigd buitengewoon verlof wordt verleend, waarbij eiser op grond van de levensloopregeling in zijn inkomen kan voorzien;

  • -

    hij vanaf 62 jaar versterkt ouderdomspensioen ontvangt van het ABP, tenzij hij zelf voor een eerdere of latere datum kiest en waarbij hij zelf verantwoordelijk blijft voor de financiering van de periode van volledig onbezoldigd buitengewoon verlof die op 59-jarige leeftijd voor hem is ingegaan.

2. Inmiddels is de AOW-leeftijd voor eiser met een jaar verschoven. Eiser mist hierdoor inkomsten. Hij heeft daarom aan de RAV gevraagd om een compensatie voor dit AOW-gat.

Besluiten van de RAV

3. Op 11 september 2017 heeft de RAV eisers verzoek om compensatie afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. In het bestreden besluit heeft de RAV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Waarom vindt eiser dat hij recht heeft op compensatie ?

5. Eiser is van mening dat hij recht heeft op compensatie van de RAV. Hij heeft hiervoor drie redenen aangevoerd. De rechtbank zal deze hieronder puntsgewijs bespreken.

Gewijzigde overgangsrecht is op eiser van toepassing

6. Eiser is per 1 januari 2008 gebruik gaan maken van de FLO-regeling. Op dat moment gold de CAR/UWO als rechtspositieregeling. Vanaf 1 januari 2011 geldt voor het personeel van de RAV de cao Ambulancezorg als nieuwe rechtspositieregeling. De CAR/UWO is per die datum komen te vervallen. Eiser heeft hierover een brief

van 24 december 2010 gekregen. In die brief staat ook dat het FLO-overgangsrecht (hoofdstukken 9b tot en met 9e) uit de CAR/UWO ‘ongewijzigd en volledig’ voor hem van kracht blijft.

7. Partijen verschillen van mening over de vraag of ook het sindsdien gewijzigde FLO-overgangsrecht op eiser van toepassing is. In het gewijzigde FLO-overgangsrecht is namelijk een compensatie geregeld voor het AOW-gat (artikel 9b:77 van de CAR/UWO).

8. De rechtbank is het met de RAV eens dat alleen het ‘oude’ FLO-overgangsrecht op eiser van toepassing is. Ten eerste staat in de brief die naar eiser is gestuurd dat het FLO-overgangsrecht ongewijzigd van kracht blijft. Volgens de RAV zijn de betreffende hoofdstukken uit de CAR/UWO ook als bijlage bij de cao opgenomen. Ten tweede blijkt ook uit latere cao’s dat het oude FLO-overgangsrecht nog steeds van toepassing is. Zo staat in de cao 2013-2014 en in de cao 2015-2018: “Voor de overgangsbepalingen uit de CAR/ UWO wordt verwezen naar hoofdstuk 9b en hoofdstuk 9e CAR UWO. De afspraken zoals die van kracht waren op 1 januari 2011 blijven van toepassing.” De rechtbank is dan ook van oordeel dat het nieuwe artikel uit de CAR/UWO – waarin een compensatie is geregeld voor het AOW-gat – niet op eiser van toepassing is. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

Eiser moest verplicht stoppen met werken

9. Eiser is per 1 januari 2008 overgegaan van Ambulancedienst [naam bv] naar de RAV, in verband met het faillissement van [naam bv] . Bij de onderhandelingen is afgesproken dat de medewerkers van [naam bv] ook onder het FLO-overgangsrecht zouden vallen.

10. In het FLO-overgangsrecht zijn verschillende keuzemogelijkheden geregeld. Zo kan een medewerker ervoor kiezen om (volledig of gedeeltelijk) door te werken, ontslag te nemen of volledig met buitengewoon verlof te gaan. Aan elke keuze is een financieel aspect verbonden.

11. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij de overgang naar de RAV niet de mogelijkheid had om een keuze te maken. Volgens eiser mocht hij niet doorwerken, maar werd hij door de RAV verplicht om gebruik te maken van de FLO-regeling zoals is weergegeven in overweging 1 (beginnend met het volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging). Hierdoor wordt hij nu geconfronteerd met het AOW-gat. Eiser vindt daarom dat de RAV dit inkomstenverlies moet compenseren.

12. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eiser zelf kon kiezen tussen de verschillende mogelijkheden van het FLO-overgangsrecht, of dat hij door de RAV is verplicht om met buitengewoon verlof te gaan.

13. Eiser heeft in beroep een aantal e-mails uit oktober/november 2007 overgelegd, waarbij [naam collega] (collega van eiser) en [naam manager] (clustermanager bij RAV) discussiëren over de mogelijkheid om per 1 januari 2008 door te werken bij de RAV.

[naam manager] , 30 oktober 2007: “[…] De kans is echter zeer groot dat per 01-01-2008 de 5 medewerkers van [naam bv] die 55 jaar of ouder zijn met inactiviteit gaan.”

[naam collega] , 30 oktober 2007: “OOk als ze dat zelf NIET willen????”

[naam manager] , 6 november 2007: “Ik begrijp dat je voorkeur NIET uitgaat naar het op dit moment volledig stoppen met het ambulancewerk. Op dit moment kan ik je echter geen ander/beter vooruitzicht bieden. De onderhandelingen met de particuliere bonden zullen hier definitief duidelijkheid in verschaffen. In alle realiteit moet ik je wel berichten dat de kans dat alle medewerkers van [naam bv] vanaf 55 jaar per 01-01-2008 stoppen met het ALS ambulancevak aanwezig is. Je zult er dus wel rekening mee moeten houden dat medio november dit de uitkomst zou kunnen zijn van de onderhandelingen.”

Op 15 november 2007 vraagt eiser om een nieuwe FLO-berekening: “Tijdens de onderhandelingen afgelopen vrijdag in Den Bosch is ons door [naam1] en [naam2] te kennen gegeven dat wij niet in aanmerking kwamen om evt. door te werken. Zou jij een andere berekening kunnen laten maken. Hoeveel het salaris gaat worden als we in de FLO zitten.”

14. Uit deze e-mails lijkt naar voren te komen dat eiser inderdaad niet de keuze had om per 1 januari 2008 door te werken. Tijdens de zitting heeft de heer [naam2] echter gezegd dat de heer [naam collega] nog twee jaar heeft doorgewerkt en dat hij pas per 1 januari 2010 gebruik heeft gemaakt van de FLO-regeling. Eiser heeft bevestigd dat de heer [naam collega] nog twee jaar heeft doorgewerkt. Volgens eiser komt dit omdat de heer [naam collega] heel lang aan de bel heeft getrokken en heeft gevraagd of hij alsjeblieft mocht doorwerken, omdat hij anders financieel nadeel zou ondervinden.

De rechtbank vindt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de mogelijkheid had om per 1 januari 2008 door te werken, vooral nu vast staat dat eisers collega [naam collega] – die in dezelfde positie verkeerde als eiser – na 1 januari 2008 nog twee jaar heeft doorgewerkt. Het staat voor de rechtbank daarom onvoldoende vast dat eiser die mogelijkheid niet had. Daarbij komt dat eiser ook geen bezwaar heeft gemaakt tegen het aanstellingsbesluit van 20 december 2007.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat het de eigen keuze van eiser is geweest om per 1 januari 2008 gebruik te maken van de mogelijkheid om met buitengewoon verlof te gaan. Deze keuze heeft ertoe geleid dat eiser met een AOW-gat is komen te zitten. De rechtbank vindt dat eisers keuze voor zijn eigen rekening en risico dient te komen en dat het AOW-gat niet gecompenseerd hoefde te worden door de RAV. Het beroep van eiser kan op dit punt evenmin slagen.

Gelijkheidsbeginsel

15. Eiser heeft aangevoerd dat er bij andere overheidsinstanties wel een regeling is getroffen om het AOW-gat te compenseren. Hij heeft bijvoorbeeld gewezen op het principeakkoord Reparatie FLO-overgangsrecht, waarin het brandweerpersoneel gecompenseerd wordt voor het AOW-gat. Eiser is van mening dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

16. De rechtbank stelt vast dat eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Er is echter geen sprake van gelijke gevallen. Voor het brandweerpersoneel geldt een andere cao, waardoor het mogelijk is dat er andere afspraken worden gemaakt tussen werkgevers en werknemersorganisaties. Als het verlenen van een compensatie is geregeld op grond van een andere regeling dan de voor eiser geldende cao, kan daarom al niet worden gesproken van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het beroep van eiser is ook op dit punt ongegrond.

Conclusie en proceskosten

17. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzitter, mr. P.H.J.G. Römers en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak ?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.