Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1294

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
02-665893-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Feit 1: veroordeling wegens artikel 6 WVW 1994.

Op 8 december 2016 heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor de bestuurster van een fiets is gedood. De mate van schuld bestaat uit aan een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid doordat verdachte geen voorrang heeft verleend, terwijl de fietsster op een voorrangsfietspad fietste en onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het van links komend verkeer, alvorens de kruising op te rijden. Immers heeft verdachte de bestuurster van de fiets in het geheel niet gezien, terwijl zij al enige tijd voor hem zichtbaar moet zijn geweest.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat voornoemd rijgedrag niet aan verdachte kan worden verweten vanwege een geconstateerde neurocognitieve stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte ten tijde van het verkeersongeval verkeerde in een toestand waarin hij geestelijk niet meer in staat was om naar behoren te functioneren. De bevindingen van de deskundige, die een dergelijke stoornis bij verdachte constateerde 1 jaar en 8 maanden na het ongeval, bevatten voor die conclusie onvoldoende aanwijzingen. Op grond van vorenstaande kan evenmin sprake zijn van bij verdachte bestaande verontschuldigbare onmacht. De rechtbank acht daarom schuld van verdachte aan het verkeersongeval bewezen.

Feit 2: vrijspraak.

Verdachte heeft verklaard de bestuurster van de fiets in het geheel niet te hebben gezien daarom acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte redelijkerwijs had kunnen weten dan wel vermoeden dat hij een ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665893-16

vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1932 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2019, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Feit 1 primair

hij, op of omstreeks 8 december 2016, in de gemeente Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Huisdreef en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Rouppe van der Voortlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

- geen, althans onvoldoende, aandacht te schenken aan het verkeer dat zich toen op die weg, die Rouppe van der Voortlaan en/of het verkeer dat zich toen op het, parallel aan de rijbaan van die weg gelegen, fietspad bevond,

en/of

- zonder voorrang te verlenen aan een bestuurster van een fiets, welke bestuurster toen daar reed op het voormelde, als voorrangsweg aangeduide, fietspad gelegen aan/naast en behorende tot voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan en welke bestuurster van die fiets, hem, verdachte, tot op (zeer korte) afstand was genaderd,

en/of

vanaf die weg, de Huisdreef - zonder het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen, althans behoorlijk/voldoende af te remmen - het kruisingsvlak van voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan, althans het voormelde fietspad is op- ingereden,

(mede) waardoor hij verdachte, met het door hem, bestuurde motorrijtuig, in botsing/aanrijding is gekomen met voormelde bestuurster van die fiets en/of met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, over die bestuurster van die fiets is gereden,

waardoor de bestuurster (genaamd: [naam 1] ) van die fiets werd gedood;

Feit 1 subsidiair

hij, op of omstreeks 8 december 2016, in de gemeente Breda, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Huisdreef, en gekomen ter hoogte de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Rouppe van der Voortlaan,

- geen, althans onvoldoende, aandacht heeft geschonken aan het verkeer dat zich toen op die weg, die Rouppe van der Voortlaan en/of het verkeer dat zich toen op het, parallel aan de rijbaan van die weg gelegen, fietspad bevond,

en/of

- zonder voorrang te verlenen aan een bestuurster van een fiets, welke bestuurster toen daar reed op het voormelde, als voorrangsweg aangeduide, fietspad gelegen aan/naast en behorende tot voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan en welke bestuurster van die fiets, hem, verdachte, tot op (zeer korte) afstand was genaderd,

en/of

vanaf die weg, de Huisdreef - zonder het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen, althans behoorlijk/voldoende af te remmen - het kruisingsvlak van voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan, althans het voormelde fietspad is op- ingereden,

(mede) waardoor hij, verdachte, met het door hem, bestuurde motorrijtuig, in botsing/aanrijding is gekomen met voormelde bestuurster van die fiets,

althans, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, over die bestuurster van die fiets is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Feit 1 tweede subsidiair

hij, op of omstreeks 8 december 2016, in de gemeente Breda, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Huisdreef, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rouppe van der Voortlaan, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

- geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurster van een fiets, rijdende op het fietspad, gelegen aan/naast en behorende tot die kruisende weg, niet in staat heeft gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen, waarbij (dodelijk) letsel aan die bestuurster, genaamd: [naam 1] werd toegebracht en/of schade aan goederen is ontstaan;

Feit 2

hij, op of omstreeks 8 december 2016, in de gemeente Breda, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval, op de weg, de Huisdreef, ter hoogte van de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Rouppe van der Voortlaan, de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten, een bestuurster, genaamd: [naam 1] , van een fiets), aan wie bij dat ongeval (dodelijk) letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten dood door schuld in het verkeer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in aanrijding is gekomen met het slachtoffer en vervolgens over het slachtoffer heen is gereden. Verdachte is als gevolg hiervan overleden. De officier van justitie is van mening dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dit hem kan worden verweten. Volgens de officier van justitie kan vastgesteld worden dat verdachte geen voorrang heeft verleend, terwijl het slachtoffer op een voorrangsfietspad fietste. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte niet in staat is geweest om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. Bovendien blijkt uit het dossier dat vanuit de Huisdreef goed zicht moet zijn geweest op het verkeer dat zich op het fietspad bevond en vanuit de richting van Ulvenhout in de richting van Bavel ging. Tot slot is de officier van justitie van mening dat uit het feit dat verdachte in het geheel niet door heeft gehad dat hij mevrouw [naam 1] heeft aangereden en vervolgens over haar en haar fiets heen is gereden, blijkt dat verdachte onvoldoende aandacht heeft gehad bij het overige verkeer.

De officier van justitie rekwireert eveneens tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit. Verdachte was betrokken bij het verkeersongeval en heeft de plaats van het ongeval verlaten. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij niet door heeft gehad dat hij iemand heeft aangereden en overreden, maar dat hij wel over een steen dan wel een vluchtheuvel zou zijn gereden. Hieruit blijkt dat verdachte kennelijk wel heeft gevoeld dat hij over ‘iets’ heenreed. Verdachte was bekend op de plaats delict en hij wist dat zich daar geen vluchtheuvel bevond. De officier van justitie meent daarom dat verdachte – nadat hij heeft gevoeld dat hij over ‘iets’ heenreed (hetgeen groter is geweest dan een steen) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij iemand had aangereden en dat hij deze persoon in hulpeloze toestand achterliet.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer heeft aangereden en overreden. De verdediging is echter van mening dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging betoogt daartoe dat geen sprake is van in hoge mate dan wel aanzienlijke mate onvoorzichtig handelen door verdachte. Volgens de verdediging kon verdachte het slachtoffer niet zien. Bovendien is het enkel niet waarnemen van het slachtoffer onvoldoende om te komen tot een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid. Verder stelt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van schuld in die zin dat de gedragingen verdachte niet kunnen worden verweten, nu hij lijdt aan een cognitieve stoornis waardoor hij complexe situaties – bijvoorbeeld een verkeerssituatie – onvoldoende kan overzien. Hoewel de deskundige niet kan vaststellen in welke mate de stoornis het handelen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, meent de verdediging dat zich in het dossier voldoende aanwijzingen bevinden dat het aannemelijk is dat er een verband is tussen het tenlastegelegde en de cognitieve stoornis, zodat het feit verdachte niet kan worden toegerekend. Indien de rechtbank meent dat het feit verdachte wel kan worden toegerekend, doet de verdediging een beroep op de schulduitsluitingsgrond verontschuldigbare overmacht. De verdediging betoogt dat de cognitieve stoornis bij verdachte de oorzaak is geweest van het ongeval en verdachte buiten eigen schuld in die toestand is geraakt.

De verdediging stelt subsidiair dat, indien de rechtbank niet aannemelijk acht dat bij verdachte ten tijde van het ongeval sprake was van een cognitieve stoornis, moet worden getoetst aan de norm dat ‘niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen’ of bij verdachte ten tijde van het ongeval sprake was van een cognitieve stoornis waardoor verdachte gebrekkig heeft waargenomen dan wel onbewust en onjuist heeft gehandeld. Hierdoor ontbreekt het bewijs voor het bestanddeel schuld ten gevolge waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair onder 1 en het meer subsidiair onder 1 tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, maar dat verdachte, gelet op bovenstaande, een geslaagd beroep toekomt op schulduitsluitingsgronden, namelijk ontoerekenbaarheid, verontschuldigbare onmacht dan wel afwezigheid van alle schuld, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging bepleit eveneens vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit en stelt

dat verdachte niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat hij de bestuurster van de fiets in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten, nu hij haar in het geheel niet heeft gezien. Verder beroept de verdediging zich ook ten aanzien van feit 2 subsidiair op bovenstaande schulduitsluitingsgronden, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 8 december 2016 heeft op het kruispunt van de Rouppe van der Voortlaan met de Huisdreef in de gemeente Breda een ongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een fietsster. De bestuurster van de fiets is ter plaatse aan haar verwondingen overleden.

De bestuurder van de personenauto is vervolgens doorgereden in de richting van Bavel.

Feit 1: de bewijsmiddelen

Door GGD-arts dr. I. Flameling is een schouw aan het lichaam van het slachtoffer, zijnde mevrouw [naam 1] , verricht. Daarnaast is nader onderzoek verricht naar de doodsoorzaak door prof. dr. P.A.M. Hofman, forensisch radioloog van het Maastricht Universitair Medisch Centrum. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat ‘hoog energetisch trauma door botsend geweld van buitenaf’ de dood van de bestuurster van de fiets zeer waarschijnlijk heeft veroorzaakt.1

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij op 8 december 2016, omstreeks 11:15 uur, op de Huisdreef te Ulvenhout fietste en dat ze voor de kruising met de Rouppe van der Voortlaan werd ingehaald door een grijze auto, die op de kruising afreed. [naam 2] zag dat vanaf links een vrouw aan kwam fietsen; de vrouw reed op het fietspad naast de Rouppe van der Voortlaan. [naam 2] zag dat de grijze auto en de vrouw op de fiets gelijktijdig op de kruising aankwamen en dat de auto de vrouw van voren aanreed. Vervolgens zag ze dat de vrouw op haar linkerzijde viel, maar niet werd weggeslingerd door de klap.

Daarna zag [naam 2] dat de auto omhoog kwam en dat de auto over de borst van de vrouw reed. Dit ongeval gebeurde ongeveer 15 à 20 meter voor haar.2

Op 8 december 2018 heeft het Operationeel Centrum - in de loop van de middag - de melding ontvangen van een man, woonachtig op de [adres] te Bavel, naar aanleiding van een NL-Alert bericht aangaande het ongeval. De man had naar de politie gebeld met de mededeling dat hij een paar uur eerder op de Huisdreef had gereden. Ook gaf de man in het gesprek aan dat hij ter plaatse over een steen zou zijn gereden en dat hij in het bezit is van een grijze Volkswagen.

De verbalisanten [naam 3] en [naam 4] zijn naar aanleiding van deze melding naar de woning van voornoemde man gegaan en bij de woning zagen zij een zilvergrijze personenauto, merk Volkswagen met kenteken [kenteken] , geparkeerd staan. De verbalisanten constateerden dat er naast “oude” schade ook verse schade aan de voorkant van de personenauto zat en hielden hierop de melder, zijnde de heer [verdachte] , aan als verdachte.

De personenauto werd in beslag genomen. Onderweg naar het politiebureau hoorden de verbalisanten dat verdachte ongevraagd verklaarde dat hij ervan overtuigd was dat hij op de betreffende kruising een steen had geraakt en dat hij naar aanleiding van een burgernetmelding de politie had gebeld.3

Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 december 2016 in het bos had gewandeld en dat hij, omstreeks 11:00 uur, met zijn auto het bos uitreed via de Huisdreef. Bij de kruising met de Rouppe van der Voortlaan was hij het fietspad overgestoken en was hij niet gestopt. Vervolgens was verdachte rechtsaf geslagen de Rouppe van der Voortlaan op in de richting van Bavel. Op het moment dat verdachte rechtsaf sloeg, meende hij iets te horen aan de linkerkant van zijn auto en dacht hij dat het een vluchtheuvel was. Het was voor hem een onbekend geluid, maar daarna is hij doorgereden. Verdachte heeft verklaard dat hij niemand op het fietspad (bij de kruising) had gezien. Verdachte reed dagelijks naar het bos en was goed bekend op die kruising. Het was op dat moment niet echt druk en verdachte had volgens zijn verklaring een goed zicht over de kruising.4

Naar aanleiding van het ongeval is op de plaats van het ongeval onderzoek uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat het kruisingsvlak van de Huisdreef en de Rouppe van der Voortlaan verhoogd is gelegen, dat de Rouppe van der Voortlaan is aangeduid als voorrangsweg en dat dit voor het verkeer op de Huisdreef duidelijk is gemaakt door middel van een bord B6 en haaientanden op het wegdek voor de fietsoversteekplaats.5 Het zicht wordt vanuit de Huisdreef op het verkeer dat op de Rouppe van der Voortlaan in de richting van Bavel rijdt niet belemmerd.6 Tijdens het voertuigonderzoek aan de personenauto van verdachte, een grijze Volkswagen Golf Plus met kenteken [kenteken] , zijn aan de (linker)onderkant van de personenauto verstoringen in het vuilbeeld aangetroffen en op het linker voorwiel is een verstoring in het rubber aangetroffen. De genoemde verstoringen en zichtbare vezels zijn passend bij het scenario dat voornoemde personenauto recent over een voorwerp/persoon is gereden.7Ten aanzien van de toedracht van het ongeval is geconcludeerd dat de auto vermoedelijk met de linker voorzijde tegen de rechterzijde van de fiets is gebotst. De fiets en het slachtoffer zijn daardoor met de linkerzijde op het wegdek ten val gekomen en vervolgens door beide linker wielen van de personenauto overreden.8

Op de jas van het slachtoffer is een afdrukspoor aangetroffen. In het kader van een vergelijkend bandensporenonderzoek is het afdrukspoor op de jas van het slachtoffer (een halflange winterjas, gedragen door het slachtoffer ten tijde van het ongeval) vergeleken met de linker voorband van de auto van verdachte (een linker voorband, merk Continental, afkomstig van het voertuig, merk Volkswagen, type Golf Plus, kleur grijs en voorzien van kenteken [kenteken] ). Hierbij is gebleken dat de afwijkende golfbeweging van de lijnen van de wang van de linker voorband ook is waargenomen in de lijnen in de afdruk op de jas.

Uit het vergelijkend bandsporenonderzoek volgt de conclusie dat het afdrukspoor op de jas mogelijk is veroorzaakt met de buitenzijde van de wang van de linker voorband.9

Bij het forensisch onderzoek aan de auto van verdachte is de auto aan de onderkant bemonsterd. Er is onder andere een monster genomen van de bodemplaat (SIN AAJE3357NL).10

Door het Nederlands Forensisch Instituut zijn de monsters van de onderkant van de auto van verdachte onderzocht om te bezien of daar DNA op aanwezig was op basis waarvan een DNA-profiel kon worden vastgesteld. Daarnaast is kleding onderzocht die het slachtoffer droeg op het moment van het ongeval, om daar een DNA-profiel uit vast te stellen. Uit dit onderzoek volgt dat de bemonstering met SIN-nummer AAJE3357NL#01 (bemonstering van het stuurwiel/de bodemplaat, tussen linker voorwiel en linker achterwiel) leidt tot een DNA-profiel van een vrouw A met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard. Dit betreft hetzelfde DNA-profiel als in de binnenkant van de linker- en rechterhandschoen van het slachtoffer is aangetroffen, met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard.11

Feit 1: feitelijkheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 8 december 2016 heeft gereden als bestuurder van een auto, een grijze Volkswagen Golf Plus met kenteken [kenteken] , over de rijbaan van de Huisdreef. De bestuurster van de fiets heeft gereden over het zuidelijk van de rijbaan van de Rouppe van der Voortlaan gelegen voorrangsfietspad.

Op het kruispunt van de Rouppe van der Voortlaan met de Huisdreef heeft de linker voorzijde van de auto van verdachte de rechterzijde van de fiets en daarmee de bestuurster van de fiets geraakt, waardoor de fiets en de bestuurster van de fiets ten val zijn gekomen.

De bestuurster van de fiets is ter plaatse overleden en uit onderzoek van de GGD-arts en uit onderzoek van de radioloog van het Maastricht Universitair Medisch Centrum volgt dat ‘hoog energetisch trauma door botsend geweld van buitenaf’ de dood van de bestuurster van de fiets heeft veroorzaakt.

Uit de bevindingen omtrent het bandenspoor op de jas van het slachtoffer in combinatie met de bevindingen met betrekking tot het DNA dat onder de auto van verdachte is aangetroffen, dat gelet op de herkomst uit de handschoenen van het slachtoffer aan het slachtoffer kan worden toegerekend, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte na de aanrijding met zijn auto over het slachtoffer is gereden. Dat het slachtoffer al op de weg lag toen verdachte aan kwam rijden en verdachte vervolgens over het slachtoffer zou zijn gereden, wordt door de verklaring van getuige [naam 2] weersproken.

De rechtbank is dan ook gelet op vorenstaande van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte het ongeval heeft veroorzaakt, waarbij hij tegen de fietsende mevrouw [naam 1] is aangereden waarna zij is gevallen en dat hij haar vervolgens heeft overreden, ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden.

Feit 1 primair: is er sprake van schuld?

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden, is of het ongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanzienlijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat, gelet op de positie waar het slachtoffer zich moet hebben bevonden, zowel op het moment van de aanrijding als momenten daarvoor, zij vanuit de positie van verdachte zichtbaar moet zijn geweest. De door de verdediging overgelegde foto’s weerspreken dit ook niet, nu deze foto’s een naderende fietsster laten zien, gefotografeerd vanuit een stilstaande positie, terwijl verdachte zich in een rijdend voertuig bevond. Bij de op de foto’s getoonde situatie zou verdachte met zijn rijdende auto het fietsende slachtoffer al gepasseerd zijn voordat zij bij de kruising zou zijn aangekomen, gelet op de beweging van de auto vooruit.

Verder overweegt de rechtbank dat uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte de bestuurster van de fiets geen voorrang heeft verleend, terwijl zij op een voorrangsfietspad fietste. Daarbij heeft verdachte, zowel bij de politie als ter zitting, verklaard dat hij de fietsster in het geheel niet heeft gezien, dat hij niet door heeft gehad dat hij tegen haar is aangereden en dat hij vervolgens over haar heen is gereden. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verklaring van verdachte, geen andere conclusie volgen dan dat verdachte bij nadering van het kruispunt tot en met de aanrijding gedurende langere tijd geen aandacht heeft geschonken aan van links komend verkeer, alvorens de kruising op te rijden. Immers heeft verdachte de bestuurster van de fiets in het geheel niet gezien, terwijl zij al enige tijd zichtbaar moet zijn geweest en bovendien ook voor getuige [naam 2] zichtbaar was. De rechtbank overweegt dat hier geen sprake is van een situatie, waarbij in een kort moment van onoplettendheid iets aan de aandacht van de bestuurder van een auto ontsnapt, maar dat er hier sprake is van een langer durende periode van onoplettendheid, die zelfs voortduurde nadat verdachte tegen mevrouw [naam 1] was aangereden.

Bovendien mag van een bestuurder van een auto worden verwacht dat hij een kruispunt behoedzaam en voorzichtig nadert, temeer nu verdachte met de situatie ter plaatse goed bekend was.

Op basis van hetgeen is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de onoplettendheid van verdachte zodanig is te noemen dat hij schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 in de vorm van een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is in hoeverre verdachte voornoemd onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag kan worden verweten. Nu de vraag naar de verwijtbaarheid, onderdeel is van de schuldvraag, behandelt de rechtbank het verweer van de verdediging in het kader van de bewijsvraag.

In het dossier bevindt zich een rapportage van 17 augustus 2018, opgesteld door GZ-psycholoog/neuropsycholoog E. van der Vorst (hierna: de deskundige). Hieruit blijkt dat bij verdachte ten tijde van het neuropsychologisch onderzoek sprake is van een depressieve stoornis en een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis. De deskundige rapporteert dat de depressieve stoornis pas na het tenlastegelegde is ontstaan en derhalve geen invloed heeft gehad. Verder rapporteert de deskundige dat bij verdachte aanwijzingen bestaan voor cognitief disfunctioneren in de periode van het tenlastegelegde. Op basis van de aanwijzingen voor cognitieve problemen ten tijde van het tenlastegelegde en omdat autorijden als complexe activiteit een groot beroep doet op de cognitieve functies, acht de deskundige een verband tussen de cognitieve stoornis en het tenlastegelegde aannemelijk. De deskundige kan echter niet met terugwerkende kracht nagaan in welke mate de cognitieve stoornis het handelen ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, nu veroudering negatief van invloed is op de cognitie en cognitief verval progressief verloopt. Bovendien betekent een gebrek aan handelingsvaardigheden als gevolg van een cognitieve stoornis niet automatisch dat iemand zijn wil niet meer in vrijheid kan bepalen.

De deskundige onthoudt zich daarom van advies over de mate van toerekening.

De rechtbank overweegt dat de toets die dient te worden gehanteerd niet is of buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte niet ontoerekeningsvatbaar was het moment van het ongeval, maar of het aannemelijk is dat hij wel ontoerekeningsvatbaar was.

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging, hetgeen de psycholoog heeft vastgesteld ten aanzien van het functioneren van verdachte op het moment van het onderzoek, ten onrechte heeft uitgebreid naar het verleden, waarbij door de verdediging ten onrechte de stellige conclusie wordt getrokken dat een dergelijke mate van cognitief disfunctioneren ook al in het verleden bestond.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de deskundige evenals haar mondelinge toelichting ter zitting onvoldoende aanwijzingen en houvast bieden om een zodanige mate van cognitief disfunctioneren ten tijde van het tenlastegelegde vast te stellen dat aannemelijk is dat verdachte het slachtoffer daardoor volstrekt niet gezien zou hebben, terwijl hij op dat moment kennelijk weggebruikers aan de andere kant van de weg wel heeft gezien. Dat verdachte in de situatietekening twee fietsers aan de rechter kant van de weg weergeeft waar [naam 2] verklaart dat alleen zij daar fietste doet daar niet aan af. De rechtbank verwijst daarbij bovendien naar hetgeen verdachte, blijkens het rapport, zelf heeft verklaard over zijn gezondheid voor het ongeval, en de splitsing die blijkens het rapport door de zoon van verdachte wordt gemaakt tussen het functioneren van verdachte voor en na het ongeval én het ontbreken van aanwijzingen van psychische problematiek vóór het ongeval.

Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook méér aannemelijk dat de gebeurtenissen na het ongeval hebben geleid tot hetgeen de psycholoog heeft beschreven, dan dat die situatie al bestond voor het verkeersongeval en daarvan de oorzaak was. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte verkeerde in een toestand waarin hij geestelijk niet meer in staat was om naar behoren te functioneren en komt tot de conclusie dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.

Op grond van vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake zijn van bij verdachte bestaande verontschuldigbare onmacht.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdacht zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit in die zin dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor mevrouw [naam 1] is gedood, waarbij de mate van schuld bestaat uit een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid door onvoldoende aandacht te schenken aan het verkeer en geen voorrang te verlenen.

Feit 2

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit. De rechtbank gaat daarbij uit van de hierboven (onder feit 1) aangenomen situatie dat verdachte de bestuurster van de fiets in het geheel niet heeft gezien - terwijl hij haar wel had moeten zien -, maar dat hij wel heeft bemerkt dat hij over ‘iets’ heenreed. De rechtbank overweegt, nu verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, hij ook niet kon weten dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat hij een ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 primair

hij, op of omstreeks 8 december 2016, in de gemeente Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Huisdreef en naderend de kruising/splitsing van die weg, met de weg, de Rouppe van der Voortlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

- geen, althans onvoldoende, aandacht te schenken aan het verkeer dat zich toen op die weg, die Rouppe van der Voortlaan en/of het verkeer dat zich toen op het, parallel aan de rijbaan van die weg gelegen, fietspad bevond,

en/of

- zonder voorrang te verlenen aan een bestuurster van een fiets, welke bestuurster toen daar reed op het voormelde, als voorrangsweg aangeduide, fietspad gelegen aan/naast en behorende tot voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan en welke bestuurster van die fiets, hem, verdachte, tot op (zeer korte) afstand was genaderd,

en/of

vanaf die weg, de Huisdreef - zonder het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen, althans behoorlijk/voldoende af te remmen - het kruisingsvlak van voormelde weg, de Rouppe van der Voortlaan, althans het voormelde fietspad is op- ingereden,

(mede) waardoor hij verdachte, met het door hem, bestuurde motorrijtuig, in botsing/aanrijding is gekomen met voormelde bestuurster van die fiets en/of met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, over die bestuurster van die fiets is gereden,

waardoor de bestuurster (genaamd: [naam 1] ) van die fiets werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,- met een proeftijd van één jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte een bedrag van € 2.000 stort in een schadefonds bestemd voor verkeersslachtoffers.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij de bepaling van de straf rekening te houden met de leeftijd van verdachte, waarbij kan worden afgevraagd welke straf nog een bijdrage levert.

De verdediging verzoekt om verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Ook is een straf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, voorstelbaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft door aanzienlijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat zij ter plaatse is overleden. Gebleken is dat het handelen van verdachte grote gevolgen heeft gehad en nog heeft voor de nabestaanden. De nabestaanden is onherstelbaar leed aangedaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 22 maart 2018 waaruit blijkt dat verdachte zijn rijbewijs na het ongeval vrijwillig heeft ingeleverd.

Het recidiverisico wordt, mede doordat verdachte niet meer over een rijbewijs of auto beschikt, ingeschat als laag. De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte en de financiële draagkracht van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend is bij het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt. Zij zal deze straf ook aan verdachte opleggen. Dat doet echter niet af aan de tragische gevolgen van het ongeval voor de nabestaanden. Zoals blijkt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen heeft het ongeval grote gevolgen gehad, waarbij het emotionele gemis het meest in het oog springt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 2.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte binnen drie maanden na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden een bedrag van € 2.000,= zal storten ten gunste van Slachtofferhulp Nederland, zijnde een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, onder vermelding van het bovenstaande parketnummer van deze zaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Hoekstra en mr. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 maart 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2016314037 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, Afdeling Infrastructuur, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 57 of het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict met dossiernummer 2016314037-15, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 39. Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 20 (en bijlage Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 20 februari 2017).

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 28-29.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 38-41.

5 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 8.

6 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 17.

7 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 22 en 24.

8 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 36.

9 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 34.

10 Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, p. 29.

11 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een aanrijding met dodelijke afloop op 8 december 2016) d.d. 1 maart 2019.