Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:127

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-01-2019
Datum publicatie
20-01-2019
Zaaknummer
AWB 17_7801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bijzondere bijstand aanvullende expertise

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/7801 PW

uitspraak van 7 januari 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,

en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 november 2017 (bestreden besluit) van Orionis inzake de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 30 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ch.R. Spiro.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV heeft op 16 juni 2016 deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dat afwijzende besluit bij het UWV bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar op 3 november 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank (de WIA-procedure).

Op 13 december 2016 heeft eiser bij Orionis een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van een rapport van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige]. Bij besluit van 8 februari 2017 heeft Orionis deze aanvraag toegewezen en aan eiser bijzondere bijstand ten bedrage van € 700,- toegekend. Op 19 april 2017 heeft [naam arbeidsdeskundige] een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht dat bij aanvullend beroepschrift in de WIA-procedure is overgelegd. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 juni 2017.

Op 29 juni 2017 heeft eiser bij Orionis een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van een aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van [naam arbeidsdeskundige] ten bedrage van € 500,-.

[naam arbeidsdeskundige] heeft op 3 juli 2017 een aanvullend arbeidsdeskundig rapport opgesteld. Dit rapport heeft eiser in de WIA-procedure overgelegd. De rechtbank heeft het beroep van eiser in de WIA-procedure bij uitspraak van 28 juli 2017 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 juli 2017 (primair besluit) heeft Orionis de aanvraag van 29 juni 2017 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

De bezwaarschriftencommissie Orionis Walcheren heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De bezwaarschriftencommissie is van mening dat het tweede onderzoek door [naam arbeidsdeskundige] direct in het verlengde van het eerste onderzoek moet worden gezien. Eiser dient adequaat inhoudelijk te kunnen reageren op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV. Volgens de commissie is dit niet mogelijk zonder een externe expertise en dient deze te worden gezien als een aanvulling op het eerdere onderzoek in het kader van een coherent verweer. Dit levert een bijzondere omstandigheid op waardoor de kosten als noodzakelijk moeten worden bestempeld. De bezwaarschriftencommissie adviseert het bezwaar gegrond te verklaren en bijzondere bijstand toe te kennen.

Bij het bestreden besluit is Orionis afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Orionis heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens Orionis moest eisers advocaat voldoende argumenten kunnen vinden in de eerste rapportage van [naam arbeidsdeskundige] om de daaropvolgende rapportage van het UWV van 19 juni 2017 te kunnen weerleggen. Er was daarom geen noodzaak voor het uitbrengen van een aanvullende rapportage door [naam arbeidsdeskundige]. Inmiddels heeft de rechtbank eisers beroep in de WIA-procedure ongegrond verklaard. Dit bevestigt volgens Orionis dat de aanvullende rapportage van [naam arbeidsdeskundige] niet noodzakelijk was om eisers argumenten kracht bij te zetten.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend. Volgens Orionis volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), dat de kosten van een contra-expertise niet noodzakelijk zijn. De eerste aanvraag is toegekend hoewel de kosten niet noodzakelijk waren. De kosten van de aanvullende rapportage waren eveneens niet noodzakelijk. Dat de kosten bij de eerste aanvraag wel zijn vergoed, betekent nog niet dat Orionis alleen al daarom verplicht is de kosten van de aanvullende rapportage te vergoeden.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de kosten voor de aanvullende rapportage van [naam arbeidsdeskundige] noodzakelijk waren. Die rapportage werd uitgebracht naar aanleiding van een reactie van het UWV op het eerste rapport van [naam arbeidsdeskundige], waarvoor wel bijzondere bijstand is toegekend. De aanvullende rapportage ligt in het verlengde van het eerste rapport. Met de rapportages van [naam arbeidsdeskundige] is getracht het arbeidsongeschiktheidspercentage van 32,27% te verhogen. De opleiding tot arbeidsdeskundige is een HBO-opleiding en de inhoud daarvan is anders dan de opleiding tot advocaat. Eiser meent dat inschakeling van een arbeidsdeskundige noodzakelijk was, ook vanwege het beginsel van equality of arms.

3. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4. De rechtbank is het volgende van oordeel.

Orionis heeft in het eerste besluit van 8 februari 2017 de kosten van bijzondere bijstand voor een arbeidsdeskundige expertise toegekend. Op grond hiervan mocht eiser gerechtvaardigd verwachten dat ook de tweede aanvraag gehonoreerd zou worden. Het gaat bij die aanvraag immers om de kosten voor een aanvullend rapport in dezelfde WIA-procedure. Van belang hierbij is dat eiser redelijkerwijs niet had kunnen weten dat Orionis bij het eerste besluit een fout heeft gemaakt. De door Orionis genoemde rechtspraak van de CRvB gaat over medische rapportages waarbij een betrokkene zelf medische gegevens van behandelaars kan indienen. Het gaat in deze zaak echter om een arbeidsdeskundige expertise waarbij geen gegevens van een behandelaar kunnen worden ingediend.

Gerechtvaardigde verwachtingen hoeven niet altijd te worden gehonoreerd. Er kan een zwaarwegend belang zijn dat zich daartegen verzet. Die situatie doet zich hier niet voor. Tegenover het belang van Orionis om herhaling van een gemaakte fout te voorkomen, staat het belang van eiser om in de lopende beroepsprocedure de aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van het UWV te betwisten met een aanvullend deskundigenrapport van [naam arbeidsdeskundige]. Dit laatste belang weegt zwaarder omdat de uitkomst van de WIA-procedure hiervan afhankelijk kan zijn. Bovendien heeft Orionis ter zitting gezegd, dat er geen vergelijkbare zaken zijn waarbij hetzelfde probleem speelt. Eisers situatie is dus uniek, zodat van het toekennen van bijzondere bijstand aan eiser geen precedentwerking uitgaat.

5. De conclusie is dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat dit is genomen in strijd met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat door een bestuursorgaan gewekte gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gehonoreerd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Niet ter discussie staat dat de kosten van de deskundige € 500,- bedragen. De rechtbank zal daarom het primaire besluit herroepen en bepalen dat de bijzondere bijstand voor een bedrag van € 500,- wordt toegekend.

6. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient Orionis het door eiser betaalde griffierecht (€ 46,-) te vergoeden. De rechtbank zal Orionis veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1). Ook dient Orionis de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting van € 15,- te vergoeden. De totale proceskostenveroordeling komt daarmee op een bedrag van € 1.039,-. In bezwaar is niet verzocht om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat er geen grondslag is om Orionis te veroordelen voor de in bezwaar door eiser gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan eiser een bedrag van € 500,- wordt toegekend als bijzondere bijstand;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Orionis in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.039,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzitter, en mr. J.L. Sierkstra en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.