Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1190

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
BRE - 18 _ 5080
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaaknummer 18/5080 artikel 14 MRB, artikel 26 AWR, artikel 6 EVRM en artikel 120 Grondwet

De rekening MRB is geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 AWR. De omstandigheid dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen een rekening MRB betekent niet dat er geen rechtsbescherming is. Als belanghebbende belasting op aangifte voldoet, kan hij bezwaar maken tegen die voldoening. Wanneer een naheffingsaanslag wordt opgelegd, staat daartegen bezwaar open. Voor zover er overigens nog een lacune zou zijn in de fiscale rechtsbescherming, kan belanghebbende een rechtsvordering instellen bij de civiele rechter als restrechter. Het beroep van belanghebbende op artikel 6 EVRM faalt, omdat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op geschillen over belastingen. Voor zover belanghebbende stelt dat het wettelijk stelsel van rechtsbescherming in strijd is met de Grondwet, helpt haar dat ook niet gelet op het grondwettelijk toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 14
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Grondwet 120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/5080

uitspraak van 21 maart 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 augustus 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen een rekening motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) met [nummer]

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019 te Eindhoven.

Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [naam] . Belanghebbende is niet verschenen (zie 2.1). Op de zitting is tegelijk de zaak met nummer 17/6660 behandeld, in welke zaak heden een tussenuitspraak is gedaan.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijk met het afschrift van deze uitspraak aan partijen verzonden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

Vooraf

2.1.

Belanghebbende heeft één dag voor de zitting de rechtbank verzocht om de zitting uit te stellen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat het verzoek met niet meer was onderbouwd dan een enkele vermelding van ziekte van de bestuurder van belanghebbende (hierna: de bestuurder). Nadat belanghebbende was bericht dat het verzoek om uitstel is afgewezen, heeft belanghebbende een patiëntbericht opgestuurd. Nu daarbij elke toelichting ontbrak en uit het patiëntbericht niet valt op te maken dat de bestuurder niet bij de zitting aanwezig kon zijn, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zitting uit te stellen.

2.2.

Feiten

2.3.

Belanghebbende is blijkens kentekenregistratie houder van een personenauto met het merk Audi, type A4 en kenteken [nummer] (hierna: de auto).

2.4.

Belanghebbende heeft een rekening MRB ontvangen met [nummer] van € 142 (hierna: de rekening). Belanghebbende heeft de rekening niet betaald en bezwaar aangetekend tegen deze rekening.

2.5.

Het bezwaar van belanghebbende is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen een niet betaalde rekening geen bezwaar kan worden gemaakt.

2.6.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is schriftelijk gewezen op het verschuldigdheid van het griffierecht van € 338. Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald maar een beroep op betalingsonmacht gedaan. Omdat belanghebbende in een andere zaak ook een dergelijk beroep heeft gedaan, is deze zaak op zitting behandeld tegelijk met die andere zaak, nog voordat expliciet op het beroep op betalingsonmacht is beslist.

Griffierecht

2.7.

In de voornoemde andere zaak is geoordeeld dat gelet op de omstandigheden van dat geval het beroep op betalingsonmacht in zoverre wordt gehonoreerd dat van belanghebbende een lager bedrag aan griffierecht geheven dient te worden dan het wettelijk bedrag. Of dat in deze zaak ook het geval is, zou nader onderzoek vergen. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat geen griffierecht verschuldigd is wegens betalingsonmacht.

Beoordeling van het geschil

2.8.

In artikel 14 Wet MRB is bepaald dat de motorrijtuigenbelasting op aangifte moet worden voldaan. De aanvraag tot een tenaamstelling wordt aangemerkt als het doen van aangifte, in beginsel voor alle tijdvakken waarin het motorijtuig wordt gehouden. De motorrijtuigenbelasting moet zijn betaald vóór de aanvang het tijdvak (van drie maanden).

Het voorgaande betekent dat belanghebbende verantwoordelijk is voor de tijdige voldoening van de MRB. Het verzenden van een rekening MRB (acceptgiro) heeft slechts de functie belanghebbende te herinneren aan zijn betalingsverplichting.

De rekening MRB is geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De rechtbank is daarom van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

2.9.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet openstellen van een rechtsmiddel tegen een rekening MRB in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 17 en 20 van de Grondwet. De rechtbank verwerpt dit betoog.

De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen een rekening MRB niet betekent dat er geen rechtsbescherming is. Als belanghebbende belasting op aangifte voldoet, kan hij bezwaar maken tegen die voldoening. Wanneer belanghebbende de verschuldigde belasting niet voldoet en daarom een naheffingsaanslag wordt opgelegd, staat bezwaar en beroep open tegen die naheffingsaanslag. Voor zover er overigens nog een lacune zou zijn in de fiscale rechtsbescherming, kan belanghebbende een rechtsvordering instellen bij de civiele rechter als restrechter.

Voor zover belanghebbende betoogt dat de in 2.8 vermelde wijze van heffing en het hiervoor beschreven stelsel van rechtsbescherming in strijd zijn met artikel 6 EVRM, faalt dit betoog. Artikel 6 EVRM is immers niet van toepassing op geschillen over belastingen.

Voor zover belanghebbende stelt dat het wettelijk stelsel van rechtsbescherming in strijd is met de Grondwet, baat haar dat ook niet. Het beschreven stelsel is neergelegd in de AWR en de Wet MRB. Dat zijn zogenoemde wetten in formele zin. De rechter mag dergelijke wetten niet toetsen aan de Grondwet. Dit toetsingsverbod is neergelegd in artikel 120 Grondwet.

2.10.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.