Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1186

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
02/820301-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820301-18

vonnis van de meervoudige kamer van 21 maart 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 maart 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven-Ivankovic, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 23 december 2017 tot en met 20 april 2018, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland en/of te België en/of te Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten: [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] ), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd (mede) over die minderjarige uitoefende (te weten: het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd: [naam 2] ),

immers heeft verdachte en/of haar mededader(s) daar toen (telkens) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van genoemde [naam 2] ), toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, die minderjarige meegenomen (en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [naam 2] gebracht en/of gehouden), zulks terwijl voornoemde minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud was;

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 19 juni 2017 te Bergen op Zoom aangifte heeft gedaan dat door [naam 2] een strafbaar feit is gepleegd (mishandeling), wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd;

art 188 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijk van de officier van justitie.

Het verwijt aan verdachte ziet erop, dat zij [naam 1] aan het wettig gezag van de vader heeft onttrokken op het moment dat zij samen met haar toenmalige partner [naam 3] , [naam 1] , zonder medeweten en zonder toestemming van de vader, meenam naar Curaçao en dat dit onttrekken heeft voortgeduurd tot op het moment dat [naam 1] op Curaçao bij verdachte werd weggehaald.

Op grond van artikel 5 Sr heeft Nederland rechtsmacht ter zake van misdrijven tegen een Nederlander, voor zover op dat misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf, onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige beneden de twaalf jaar, zou zijn gepleegd tegen aangever [naam 2] , die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op dat misdrijf is een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaar gesteld. Het is tevens een feit waarop in Curaçao straf is gesteld in artikel 2:246 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel van Nederland op grond van artikel 5 Sr rechtsmacht toekomt. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 1 ten laste gelegde feit schuldig heeft gemaakt, te weten het onttrekken van de minderjarige [naam 1] aan het gezag van haar vader. Zij baseert zich daarbij op het politieonderzoek waaruit blijkt dat verdachte en haar toenmalige partner [naam 3] met [naam 1] vanuit België – via Santa Dominco – naar Curaçao zijn vertrokken zonder toestemming en zonder medeweten van de vader. Zij betrekt hierbij het feit dat verdachte haar woning, baan en telefoonabonnement had opgezegd, de inhoud van de brieven die verdachte heeft geschreven naar haar moeder en de koning en koningin, de uitlating van verdachte bij haar aanhouding inhoudende dat Curaçao geen uitleveringsverdrag heeft bij onttrekkingen, alsmede het feit dat verdachte tijdens de reis een oude beschikking van de rechtbank had meegenomen waarin stond dat zij het eenhoofdig gezag had over [naam 1] .

De officier van justitie heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 geen bewijsverweer gevoerd.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 2 kan komen vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging betoogt – kort gezegd – dat het belastende bewijs het relaas van zijn cliënte onvoldoende falsificeert.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Verdachte heeft op de terechtzitting van 7 maart 2019 verklaard dat zij samen met haar toenmalige partner [naam 3] op 31 december 2017 met haar dochter [naam 1] vanuit België is vertrokken voor een vakantie naar Curaçao, terwijl zij met [naam 2] gezamenlijk het gezag had over [naam 1] . Zij had [naam 2] niet om toestemming gevraagd om met [naam 1] op vakantie te gaan en had hem ook niet laten weten dat ze weg gingen en waar zij verbleven.

Nu verdachte feit 1 heeft bekend en door haar raadsman hiervoor geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:

- de aangifte van [naam 2]1;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 7 maart 2019.

feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van feit 2 zodat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken. Het dossier bevat meerdere aanwijzingen dat sprake zou kunnen zijn van het doen van een valse aangifte door verdachte. Op grond van het dossier kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is van een valse aangifte. Bij dergelijke twijfel dient de vraag of een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, altijd in het voordeel van verdachte uit te vallen en dit maakt dan ook dat de rechtbank het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht. Het feit dat de strafzaak tegen [naam 2] is geseponeerd en de sepotcode uiteindelijk op 01 (dat wil zeggen onterecht als verdachte aangemerkt) is gesteld, maakt dit niet anders.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

zij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 23 december 2017 tot en met 20 april 2018, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland en/of te België en/of te Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten: [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] ), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd (mede) over die minderjarige uitoefende (te weten: het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd: [naam 2] ),

immers heeftbben verdachte en/of haar mededader(s) daar toen (telkens) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van genoemde [naam 2] ), toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, die minderjarige meegenomen (en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [naam 2] gebracht en/of gehouden), zulks terwijl voornoemde minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals de reclassering in haar rapport van 1 maart 2019 heeft geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de voorgeschiedenis. Tussen verdachte en [naam 2] was een strijd ontstaan over de omgang met [naam 1] waarbij vele civiele rechtszaken waren gevoerd. [naam 1] was onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant (JBB) en verdachte voelde zich door de betrokken instanties niet gehoord. Zij zag in het belang van [naam 1] in die situatie geen andere uitweg dan om zich tijdelijk te onttrekken en met [naam 1] op vakantie naar Curaçao te gaan om zo tot rust te komen. De verdediging verzoekt verder rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, het feit dat alle schorsingsvoorwaarden door verdachte tot op heden zijn nageleefd, zij een eigen kapperszaak heeft waar zij minimaal 25 uren per week werkt en sinds er een nieuwe gezinsvoogd is aangesteld de samenwerking met [naam 2] veel beter verloopt. Verdachte en [naam 2] zijn inmiddels ook gestart met een hulpverleningstraject bij Psychologenpraktijk Johan van Schaik. De verdediging verzoekt gelet op het vorenstaande om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging bepleit primair een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, subsidiair een taakstraf waarvan al dan niet een gedeelte voorwaardelijk zonder oplegging van bijzondere voorwaarden. Volgens de verdediging is er al genoeg hulp aanwezig en is behandeling niet nodig.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft haar dochter onttrokken aan het gezag van haar vader, die samen met haar met het ouderlijk gezag was belast, door de afspraken in het kader van de omgangsregeling niet na te komen. Zij heeft samen met haar toenmalige partner haar dochter, zonder medeweten en toestemming van de vader, naar Curaçao meegenomen en verbleef daar gedurende vier maanden, tot haar aanhouding. Ook de betrokken overheidsinstanties zijn door haar niet geïnformeerd. Gedurende die maanden heeft de vader op geen enkele wijze contact met zijn dochter gehad, wist hij niet waar zij was en verkeerde hij voortdurend in onzekerheid omtrent het lot van zijn dochter. Dit heeft de vader logischerwijs emotioneel erg aangegrepen. Dat het kind weer is teruggekeerd naar Nederland en haar vader weer heeft kunnen zien is niet de verdienste van verdachte, maar van adequaat optreden van diverse (Nederlandse en buitenlandse) opsporingsdiensten en andere overheidsdiensten en organisaties. Verdachte heeft verklaard dat slechts sprake was van een (verlengde) vakantie en het verblijf op Curaçao van tijdelijke aard was. Uit het dossier komt echter een ander beeld naar voren, namelijk dat verdachte van plan was voor langere tijd met haar partner, medeverdachte, en dochter weg te blijven. Medeverdachte heeft zijn baan opgezegd en verdachte heeft haar eigen kapsalon achtergelaten. Ze hebben de huur van hun woning in Essen opgezegd en de politie relateert dat, volgens de verhuurder van het huis waarin zij op Curaçao verbleven, er een huurcontract van een jaar was afgesloten. Verdachte heeft verklaard dat zij handelde in het belang van haar dochter, maar in feite heeft zij voor eigen rechter gespeeld, de beslissingen van de kinderrechter genegeerd en haar eigen belangen boven het belang van aangever en van hun dochter gesteld, hetgeen de rechtbank haar ernstig aanrekent.

Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op het rapport van de

reclassering van 1 maart 2019. De reclassering acht de kans op herhaling aanwezig zolang er strijd blijft bestaan tussen verdachte en de vader van [naam 1] . Het valt de reclassering op dat verdachte onvoldoende tot niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van haar gedrag. De reclassering heeft onvoldoende zicht op de mogelijk achterliggende problematiek/redenen van de keuze van verdachte en vindt haar keuze opvallend en zorgelijk te noemen. De reclassering adviseert daarom nader onderzoek te doen naar de motieven of eventueel achterliggende emoties die het delictgedrag mogelijk ingegeven hebben. Zij adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en de verplichting tot medewerking aan de hulpverlening vanuit JBB. De rechtbank onderschrijft het advies van de reclassering.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Met het voorwaardelijk deel van deze straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten als de onderhavige te plegen. In navolging van het advies van de reclassering zal de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, naast de gebruikelijke algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zullen niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, zoals door de reclassering is geadviseerd. De bewezenverklaarde onttrekking aan het gezag bevat geen gedraging die onmiskenbaar gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zodat voor dadelijke uitvoerbaarverklaring geen plaats is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 2] vordert een schadevergoeding van € 6.288,25, te weten € 4.788,25 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade.

Materiële schade

Voornoemd bedrag bestaat blijkens het voegingsformulier uit de volgende posten:

- loonderving 13 uren à € 16,04 per uur € 208,52

- juridische kosten:

a) valse aangifte € 1.524,60

b) onttrekking gezag € 3.041,20

- reiskosten € 5,93

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering wegens materiële schade niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank is met betrekking tot de gevorderde loonderving en de juridische kosten onder sub a (valse aangifte) van oordeel dat dit schade betreft die verband houdt met feit 2, waarvan verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat het causaal verband tussen de juridische kosten onder sub b (onttrekking gezag) en het bewezen verklaarde feit 1 ontbreekt, nu deze kosten zien op de civiele procedures die zijn gevoerd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de opgevoerde reiskosten dat - voor zover zij al zien op feit 1 - onvoldoende is onderbouwd waar deze kosten betrekking op hebben.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert ter zake van feit 1 een vergoeding van € 1.000,- en ter zake van feit 2 een vergoeding van € 500,-.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 2, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor het deel dat ziet op de schade die is ontstaan uit feit 2. De rechtbank is van oordeel dat de schade die ziet op feit 1 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot een bedrag van € 1.000,- toewijzen.

De kosten rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.524,60 aan proceskosten opgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank komen de opgevoerde proceskosten enkel in aanmerking voor vergoeding volgens het liquidatietarief. Aansluiting wordt gezocht bij het in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken geldend vanaf 1 januari 2019. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier één punt wordt gehanteerd en voor de aanwezigheid op de zitting ook één punt wordt toegekend. De benadeelde partij vordert schadevergoeding van in totaal

€ 6.288,25. Voor bedragen tussen € 5.000,- en € 10.000,- wordt per punt een salaris toegekend van € 300,-. Nu de raadsman van benadeelde partij aanwezig was op de zitting, zal de rechtbank een bedrag van € 600,- toekennen ter zake van kosten voor rechtsbijstand.

Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 20 april 2018. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, nu sprake is van medeplegen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 47, 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, Peter Vineloolaan 4 te Bergen op Zoom en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en/of intelligentieonderzoek, dit ter beoordeling van de reclassering, bij Mozaik of soortgelijke instelling en indien haar een behandelaanbod wordt gedaan zij zich onder behandeling zal stellen op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd begeleidbaar opstelt en meewerkt aan de hulpverlening vanuit Jeugdbescherming Brabant;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van € 1.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 20 april 2018 tot de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk, tezamen met de mededader, in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 600,-;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] (feit 1), € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 20 april 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Linden, voorzitter, mr. Van Kralingen en

mr. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van den Hurk-van der Zanden, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 maart 2019.

Mrs. Van Kralingen en Heblij zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R018023 Champion van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 515. proces-verbaal aangifte [naam 2] , p. 14-19