Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1183

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 7333
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:650, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4, eerste lid, Wet OB en artikel 11, eerste lid onder b, Wet OB

De rechtbank is van oordeel dat de verhuur van de grondplaatsen niet is aan te merken als de verhuur van onroerende zaken. Alle prestaties die belanghebbende verricht voor de organisatie van de vlooienmarkt samen vormen namelijk een totaalpakket aan diensten om gelegenheid te bieden deel te nemen aan de vlooienmarkt. Het enkele feit dat tijdens het bieden van die gelegenheid de afnemer van de dienst de desbetreffende grondplaats exclusief mag gebruiken voor de verkoop van zijn goederen, maakt niet dat er sprake is van verhuur van onroerend goed.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 4
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-05-2019
V-N Vandaag 2019/1219
FutD 2019-1431
NTFR 2019/1515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/7333

uitspraak van 21 maart 2019

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 oktober 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 mei 2016 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.6501).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, directeur van belanghebbende [directeur] , vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] , bijgestaan door [persoon A] verbonden aan [Kantoor A] en namens de inspecteur [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de organisatie van vlooienmarkten en verhuurt in dat kader grondplaatsen en marktkramen. Soms is het mogelijk om grondplaatsen zonder marktkraam te huren maar niet altijd. Voor de huur van een grondplaats wordt één bedrag in rekening gebracht. De overige handelingen die belanghebbende verricht in het kader van de organisatie van de vlooienmarkten zoals marketing, innen van entree van bezoekers, toezicht door een marktmeester en schoonmaak worden niet apart in rekening gebracht. Voor de huur van de marktkraam brengt belanghebbende een extra bedrag in rekening bovenop het bedrag voor de grondplaats. Belanghebbende heeft geen omzetbelasting (hierna: OB) in rekening gebracht in het betreffende tijdvak ten aanzien van deze verhuur van zowel grondplaatsen als marktkramen.

2.2.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek is aan belanghebbende een naheffingsaanslag OB opgelegd ten aanzien van haar verhuuractiviteiten. Belanghebbende is hiertegen in bezwaar gekomen. In de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Geschil

2.3.

Tussen partijen is in geschil is of de naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2016 tot 31 mei 2016 terecht is opgelegd.

Beoordeling

2.4.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) zijn diensten alle prestaties niet zijnde leveringen van goederen. Op grond van artikel 11, eerste lid onder b, Wet OB is de verhuur van onroerende zaken vrijgesteld van OB.

2.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verhuur van de grondplaatsen een van OB vrijgestelde hoofdprestatie vormt en de dienstverlening erom heen het fiscale lot van de hoofdprestatie volgt. In het geval van de verhuur van de marktkramen, stelt belanghebbende primair dat de verhuur van de onderliggende grondplaats de hoofdprestatie is en dat de verhuur van de markkraam een aanvullende prestatie is die – evenals de andere diensten – het fiscale lot van de hoofdprestatie volgt. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de dienst van belanghebbende dient te worden gekwalificeerd als het faciliteren van het tentoonstellen en verkopen van artikelen en niet als de verhuur van onroerende zaken. De dienst van belanghebbende is daarom volgens de inspecteur niet vrijgesteld van OB.

2.6.

Beide partijen gaan ervan uit dat sprake is van één dienst bij de verhuur van grondplaatsen. De rechtbank gaat hier ook van uit. De rechtbank is van oordeel dat de verhuur van de grondplaatsen en de overige handelingen die belanghebbende voor haar afnemers verricht in het kader van de organisatie van de vlooienmarkten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtbank echter van oordeel dat de verhuur van de grondplaatsen niet is aan te merken als de verhuur van onroerende zaken. Alle prestaties die belanghebbende verricht voor de organisatie van de vlooienmarkt samen vormen namelijk een totaalpakket aan diensten om gelegenheid te bieden deel te nemen aan de vlooienmarkt. Het enkele feit dat tijdens het bieden van die gelegenheid de afnemer van de dienst de desbetreffende grondplaats exclusief mag gebruiken voor de verkoop van zijn goederen, maakt niet dat er sprake is van verhuur van onroerend goed. De dienst van belanghebbende dient daarom te worden gekwalificeerd als het faciliteren van deelname aan vlooienmarkten, niet als de verhuur van onroerende zaken. Deze dienst is dan ook niet vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid onder b. van de Wet OB.

2.7.

Belanghebbende heeft subsidiair betoogd dat bij de verhuur van een marktraam sprake is van twee afzonderlijke prestaties en dat een splitsing moet worden gemaakt tussen het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor de verhuur van de grondplaatsen (vrijgesteld) en het extra bedrag dat zij in rekening brengt voor de huur van een marktkraam (belast). Nu de rechtbank van oordeel is dat de verhuur van grondplaatsen al niet is vrijgesteld, is er geen belang bij de vraag of een splitsing gemaakt kan worden. De rechtbank laat daarom verdere bespreking van deze vraag achterwege.

Gelijkheidsbeginsel

2.8.

Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende wijst daarbij op organisatoren van een aantal andere vlooienmarkten en curiosamarkten die toegangsplaatsen verhuren aan afnemers zonder heffing van OB.

2.9.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien aannemelijk wordt dat de inspecteur hetzij (I) een beleid heeft gevoerd waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, hetzij (II) het oogmerk heeft gehad één of meer andere belastingplichtigen te begunstigen, hetzij (III) in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen in het voordeel van die gevallen een (niet op beleid of begunstiging gebaseerde) fout heeft gemaakt. Belanghebbende heeft hiervan de bewijslast. Belanghebbende neemt de stelling in dat andere organisatoren van vlooienmarkten en curiosamarkten toegangsplaatsen verhuren zonder OB. Het is echter onduidelijk in hoeverre deze andere organisatoren en belanghebbende gelijke gevallen zijn. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een van de drie hiervoor genoemde situaties die schending van het gelijkheidsbeginsel opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.10.

De naheffingsaanslag is dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. De berekening van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

2.11.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2019 door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.