Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1171

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
7356471 AZ VERZ 18-110
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:3817, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ, ernstig verwijtbaar handelen nalaten en verstoorde arbeidsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0324
Onderwijs Totaal 2019/979
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster Civiel

Kanton

Tilburg

zaaknummer 7356471 AZ VERZ 18-110

beschikking d.d. 7 maart 2019

in de zaak van:

de stichting

stichting Katholiek Ondernemersonderwijs te Tilburg, h.o.d.n. Scholengemeenschap De Rooi Pannen,

gevestigd te Tilburg,

verzoekster,

hierna te noemen: De Rooi Pannen,

gemachtigden: mr. A.G.W. Verstraten en mr. J. Jacobs, advocaten te Tilburg,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. G.J. van den Hoven, advocaat te Breda.

1 Het procesverloop

1.1

De Rooi Pannen heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 16 november 2018, een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

1.2

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. Het verweerschrift is op 28 december 2018 ter griffie ontvangen.

1.3

Op 7 februari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van respectievelijk 30 januari 2019 en 4 februari 2019 nog aanvullende stukken toegezonden.

1.4

Partijen zijn er niet in geslaagd een minnelijke regeling te treffen, waarop de beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verweerder] is op 20 augustus 1984 bij De Rooi Pannen in dienst getreden in de functie van docent. Sinds 1995 is hij werkzaam in de functie van [functienaam] / [functienaam 2] .

Het laatstgenoten brutosalaris bedraagt € 4.855,50 per maand, exclusief emolumenten.

2.2

In de functie van [functienaam] maakt [verweerder] deel uit van het managementteam (hierna: MT) van de afdeling Horeca Eindhoven. Deze afdeling is onder te verdelen in de afdelingen HOM en Kort. [verweerder] is adjunt-directeur van de afdeling HOM en de heer [naam A] is dat van de afdeling Kort. De heer [naam B] is directeur (geweest) van de afdeling Horeca Eindhoven. In december 2016 is mevrouw [naam C] – naast [naam A] – benoemd tot [functienaam] van de afdeling Kort.

2.3

De Rooi Pannen heeft begin 2017 een extern bureau, Bureau Kock, ingeschakeld voor coaching van onder meer het managementteam van de afdeling Horeca. Voor 3 april 2017 stond, op advies van Bureau Kock, een gesprek gepland tussen [naam C] , [naam B] en [verweerder] . Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.4

In een gesprek op 4 april 2017 is [verweerder] door [naam B] met onmiddellijke ingang op non-actief gezet. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat [naam B] de samenwerking met [verweerder] in het MT niet meer zag zitten en dat de aanwezigheid van [verweerder] niet langer nog wenselijk was.

2.5

[verweerder] heeft zich daarop ziek gemeld.

2.6

Bij brief van 5 april 2017 is de op non-actiefstelling door [naam D] , voorzitter van het College van Bestuur van De Rooi Pannen, bevestigd. De inhoud van de brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Dinsdagochtend 4 april heeft [naam B] (…) aan jou te kennen gegeven dat hij de samenwerking met jou in het managementteam van de afdeling Horeca Eindhoven, niet meer ziet zitten en dat jouw aanwezigheid op de afdeling niet langer op prijs wordt gesteld. [naam B] heeft je daarmee met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Om de gerezen situatie en jouw visie daarop te kunnen bespreken verwacht ik jou en [naam B] op maandag 10 april om 12.30 uur bij mij op kantoor (…)”.

2.7

Het hiervoor aangekondigde gesprek heeft plaatsgevonden op 19 april 2017. Daarin is gezegd dat er binnen het managementteam van de afdeling Horeca een vertrouwensbreuk was ontstaan waardoor [verweerder] zijn eigen functie niet meer mocht uitoefenen.

2.8

In de brief van 20 april 2017 is het gesprek van 19 april 2017 bevestigd. Verder is daarin vermeld dat voor [verweerder] gezocht zal worden naar een docentenfunctie binnen De Rooi Pannen en dat zijn salaris vanaf het moment dat die functie beschikbaar is, zal worden aangepast conform schaal LC nummer 12, met een pensioengevende toelage van het verschil tussen schaal LD nummer 12 en LC nummer 12 gedurende het eerste jaar en de helft van dat verschil gedurende het tweede jaar.

2.9

[verweerder] heeft De Rooi Pannen bij (ongedateerde) brief laten weten zich beschikbaar te houden voor het verrichten van zijn eigen werkzaamheden met behoud van salarisschaal LD 12.

2.10

Begin 2018 heeft De Rooi Pannen onregelmatigheden in de administratie van leerlingenhandtekeningen ontdekt. De Rooi Pannen heeft [verweerder] hiervoor (mede)aansprakelijk gehouden.

2.11

De bedrijfsarts heeft [verweerder] per 1 mei 2018 volledig hersteld geacht.

2.12

De Rooi Pannen heeft (aanvankelijk) 70% van het salaris over mei en juni 2018 aan [verweerder] uitbetaald.

2.13

Bij dagvaarding van 16 juli 2018 heeft [verweerder] onder andere achterstallig loon gevorderd, alsmede weer te worden toegelaten tot het verrichten van werkzaamheden in de functie van [functienaam] . De vorderingen strekkende tot betaling van het achterstallige loon zijn bij vonnis van 30 augustus 2018 (gewezen onder zaaknummer 7047939 VV EXPL 18-47) toegewezen. De gevorderde wedertewerkstelling is daarentegen afgewezen. In reconventie heeft De Rooi Pannen gevorderd om [verweerder] te veroordelen tot hervatting van zijn werkzaamheden in de functie van docent voor de afdeling Toerisme en Vrije Tijd. Deze vordering is ook afgewezen.

3 Het verzoek

3.1.

De Rooi Pannen verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdelen e, g en h BW, zonder toekenning van de transitievergoeding.

3.2.

Aan dit verzoek legt De Rooi Pannen primair ten grondslag dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel in strijd met de kern van wat van een [functienaam] verwacht mag worden en dat is, mede gezien zijn hoge functie, iets dat hem sterk wordt verweten en ook ernstig te verwijten is. Subsidiair stelt De Rooi Pannen dat de arbeidsverhouding tussen partijen door de handelswijze van [verweerder] dermate verstoord is geraakt, dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Tot slot stelt de Rooi Pannen dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn, dat ook op die grond van haar in redelijkheid niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer

3.3

Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen heeft De Rooi Pannen in de eerste plaats naar voren gebracht, dat zij begin 2018 geconstateerd heeft dat er zich onregelmatigheden voordeden in de administratie van de leerlingenhandtekeningen op de afdeling Horeca Eindhoven. Leerlingen moeten op twee peilmomenten in het (school)jaar (1oktober en 1 februari) hun handtekening zetten om zo te bewijzen dat zij op die data daadwerkelijk schoolgaand zijn. De Rooi Pannen moet – in verband met de subsidie die haar toekomt en gebaseerd is op het aantal schoolgaande leerlingen – namelijk aantonen dat de leerlingen niet alleen staan ingeschreven, maar ook daadwerkelijk schoolgaand zijn. Ten aanzien van de vierdejaars leerlingen van de afdeling Horeca bestaat de (afwijkende) afspraak dat zij op een zogenaamde terugkomdag in januari moeten tekenen voor zowel het peilmoment van (alsdan) 1 oktober jl. als 1 februari a.s. De achterliggende gedachte hiervan is dat deze leerlingen in verband met een buitenlandstage afwezig (kunnen) zijn en daarom niet in staat zijn hun handtekening te zetten. Door onderzoek is aan het licht gekomen dat de afdeling Horeca Eindhoven deze afspraak niet heeft nageleefd. De afdeling Horeca liet namelijk de aanstaande vierdejaars leerlingen al voor de zomervakantie formulieren ondertekenen om te bevestigen dat zij op 1 oktober en 1 februari van het daaropvolgende schooljaar schoolgaand zouden zijn. Het vooraf vragen van handtekeningen is volstrekt onacceptabel en in strijd met het beleid. Bovendien levert dit (aanzetten tot c.q. medeplichtigheid aan) valsheid in geschrifte op. Hoewel [verweerder] niet daadwerkelijk zelf om handtekeningen heeft gevraagd, doet dit naar mening van De Rooi Pannen niet af aan de omstandigheid dat [verweerder] hiervan op de hoogte was en juist uit oogpunt van zijn leidinggevende positie, had moeten inzien dat het vooraf vragen van handtekeningen tegen de regels is.

3.4

Daarnaast is aan het licht gekomen dat de afdeling Horeca er een zogenaamde ‘zwarte kas’ op nahoudt. Groothandel Sligro verstrekt bij de boodschappen zegels die ingeleverd kunnen worden voor nieuwe aankopen of contant geld. De afdeling van [verweerder] heeft kennelijk gekozen voor de laatste optie, maar heeft nagelaten de contanten in de administratie te verwerken of in te boeken. Het is tegen alle protocollen van De Rooi Pannen in om er een zogenaamde ‘zwarte kas’ op na te houden. Het voorhanden hebben van contant geld als zodanig is niet verboden, doch dient deugdelijk geadministreerd worden. Als lid van het MT en (mede) verantwoordelijke voor financiën was [verweerder] hiervoor (mede) verantwoordelijk en het handelen in strijd met die duidelijke en kenbare protocollen levert ernstig verwijtbaar handelen op.

3.5

Verder heeft De Rooi Pannen aangevoerd dat [verweerder] als [functienaam] iedere week vier uur les dient te geven. De [functienaam] (en) dient of dienen aan het begin van het schooljaar het (les)rooster te overleggen waarin de lesuren staan vermeld. De bedoeling hiervan is dat de Rooi Pannen toezicht kan houden op het feit dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Het lesgeven gedurende vier uur per week betreft het verzorgen van inhoudelijke lessen. Dat is ook hetgeen [verweerder] telkens in het rooster aangaf te doen. Gebleken is echter dat [verweerder] helemaal geen inhoudelijke lessen verzorgde, maar slechts als begeleider en/of toezichthouder bij klassen aanwezig was. Dat is strijdig met het beleid van De Rooi Pannen en onaanvaardbaar.

3.6

Voorts wordt [verweerder] verweten dat hij geen functioneringsgesprekken voert met de teamleden, terwijl dit uitdrukkelijk tot zijn takenpakket behoort. Uit het binnen De Rooi Pannen geldende beleid aangaande functioneringsgesprekken blijkt dat met de medewerkers jaarlijks een functioneringsgesprek moet worden gevoerd. Daarvan moet de leidinggevende verslagen maken en deze ook bewaren ten behoeve van het personeelsdossier. Uit de personeelsdossiers van de medewerkers die onder leiding van [verweerder] vielen, blijkt dat er geen of nauwelijks verslagen van functioneringsgesprekken aanwezig zijn. Ook de zogenaamde BIO-gesprekken (bekwaamheidsgesprekken) die conform het beleid van De Rooi Pannen eens in de drie jaar moeten worden gehouden, hebben niet plaatsgevonden. In geen enkel personeelsdossier komt een voorbereidingsformulier of zogenaamd eindconclusie bekwaamheidsformulier voor. Uit het voorgaande volgt dan ook dat [verweerder] zich onttrekt aan de managementtaken.

3.7

Tot slot wordt [verweerder] verweten dat hij in strijd met geldende beleid jaarlijks een onderwijsplan liet opstellen door een kwaliteitszorgmedewerker van de afdeling HOM, terwijl dit plan door het gehele onderwijsteam onder leiding van [verweerder] dient te worden opgesteld. Bovendien is gebleken dat de opgestelde plannen niet werden nageleefd. Juist als [functienaam] had [verweerder] zich het belang van de opgestelde onderwijsplannen moeten realiseren. Dat heeft hij kennelijk niet beseft, of althans het belang van het opstellen en naleven van het onderwijsplan aan zijn laars lapt, verwijt De Rooi Pannen hem sterk.

Verstoorde arbeidsverhouding

3.8

De Rooi Pannen stelt subsidiair dat de verhouding tussen de Rooi Pannen en [verweerder] in de achterliggende periode ernstig en duurzaam verstoord is geraakt als gevolg van het handelen van [verweerder] . Hij communiceert slecht en onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheden en managementtaken. Sinds de op non-actiefstelling van 4 april 2017 is een uiterst moeizaam traject doorlopen waarin getracht is te komen tot een herplaatsing van [verweerder] in de functie van docent. Dat heeft echter niet geleid tot het gewenste resultaat. Dit heeft ertoe geleid dat de verhoudingen verstoord raakten. De situatie is er ook niet beter op geworden, omdat na de op non-actiefstelling allerlei zaken aan het licht zijn gekomen die door De Rooi Pannen gekwalificeerd worden als ernstig verwijtbaar handelen, zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen.

Andere omstandigheden

3.9

Tussen partijen bestaat een patstelling, zo voert De Rooi Pannen meer subsidiair aan. Enerzijds is [verweerder] niet meer te handhaven in de functie van [functienaam] of enig andere leidinggevende functie, zo oordeelde ook de kantonrechter in kort geding. Anderzijds weigert [verweerder] de functie van docent te accepteren en die werkzaamheden te verrichten. Als gevolg hiervan bestaat een impasse, waarmee de arbeidsovereenkomst in feite een ‘lege huls’ is geworden. Er bestaat immers wel een arbeidsovereenkomst tussen partijen, maar [verweerder] verricht geen werkzaamheden meer. Herplaatsing van [verweerder] is getracht vorm te geven in de functie van docent, maar dat heeft [verweerder] afgehouden. Inmiddels ligt door de verstoorde arbeidsverhouding zulks ook niet meer in de rede, aldus De Rooi Pannen.

4 Het verweer

4.1

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij betwist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ook betwist hij dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie of overige gronden, zodanig dat van De Rooi Pannen in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] heeft in dit verband allerlei stellingen naar voren gebracht, die hierna in de beoordeling, voor zover relevant, nog zullen worden besproken.

4.2

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding ad € 81.000,00 bruto, alsmede om toekenning van een billijke vergoeding van € 65.890,00 bruto.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan de werknemer een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.3.

De Rooi Pannen voert aan dat er redelijke gronden zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door De Rooi Pannen in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden echter geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g of h BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.4.1

Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten

5.4.2

Vooropgesteld wordt dat de memorie van toelichting bij de WWZ bij artikel 7:669 lid 3 sub e BW als toelichting geeft dat het handelen of nalaten zodanig ernstig dient te zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hiervan is uiteraard sprake bij omstandigheden die een dringende reden opleveren als bedoeld in artikel 7:678 BW. Dan kan immers van de werkgever in ieder geval niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Handtekeningenkwestie

5.4.3

Op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs is De Rooi Pannen verplicht om bewijs aan te leveren dat leerlingen op 1 oktober en 1 februari niet alleen staan ingeschreven maar ook daadwerkelijk schoolgaand zijn. Hoewel in dit verband geen sprake is van een door de Dienst Uitvoering Onderwijs voorgeschreven procedure met betrekking tot het zetten van handtekeningen, omdat immers voor het berekenen van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs de inschrijving van een leerling op 1 oktober en 1 februari leidend is, hetgeen overigens kan blijken uit het leerling-administratiesysteem, is het binnen De Rooi Pannen beleid dat haar leerlingen in beginsel op of omstreeks de hiervoor genoemde data een lijst en/of formulier te ondertekenen om dit te bevestigen. Het verplicht zetten van handtekeningen is volgens de Onderwijsinspectie echter geen vereiste (productie 6 bij verweerschrift).

5.4.4

De Rooi Pannen heeft gesteld dat met de accountant de afspraak was gemaakt dat vierdejaars leerlingen, in verband met hun buitenlandstage, op de terugkomdag in januari moeten tekenen om te bevestigen dat zij op 1 oktober en 1 februari schoolgaand zijn. Gebleken is dat de vierdejaars leerlingen van de afdeling Horeca is gevraagd om reeds vóór de zomervakantie te tekenen dat zij op beide data in het daarop volgende schooljaar schoolgaand zijn. [verweerder] wordt dienaangaande weliswaar verweten frauduleus te hebben gehandeld, maar in deze procedure is vast is komen te staan dat niet [verweerder] zelf betrokken is geweest bij de handtekeningenkwestie, maar zijn direct leidinggevende, te weten de heer [naam B] , de directeur van de afdeling Horeca. Als productie 12 bij het verweerschrift heeft [verweerder] een geanonimiseerde voorbeeldbrief overgelegd, die uit hoofde van de heer [naam B] is geschreven en getekend en waaruit derhalve diens directe betrokkenheid kan worden afgeleid, en niet die van [verweerder] . [verweerder] voegt daar nog aan toe dat door de heer [naam B] controle is uitgevoerd door het aftekenen van leerlingenlijsten vanuit het leerling-administratiesysteem.

5.4.5

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – de door De Rooi Pannen in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende vast komen te staan. Tegenover deze gemotiveerde betwisting, heeft De Rooi Pannen haar stellingen vervolgens onvoldoende gemotiveerd onderbouwd met bewijsstukken, zodat thans naar het oordeel van de kantonrechter niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de door De Rooi Pannen gesuggereerde valsheid in geschrifte c.q. frauduleus handelen door [verweerder] . Anders dan De Rooi Pannen heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat de [functienaam] die in hiërarchisch opzicht ondergeschikt is aan de directeur niet (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor het handelen van die directeur. De kantonrechter betrekt bij dit oordeel bovendien nog de omstandigheid dat tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd zijdens de Rooi Pannen is bevestigd dat er tot op heden jegens [verweerder] geen aangifte is gedaan en ook niet zal worden gedaan. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter aldus van oordeel dat in dit verband aan het vereiste van artikel 7:669 lid 3 sub e BW niet is voldaan.

Zwarte kas

5.4.6

Het tweede verwijt dat [verweerder] wordt gemaakt, heeft betrekking op de omstandigheid dat hij volgens De Rooi Pannen een zogenaamde zwarte kas erop nahoudt. Hiertegen heeft [verweerder] als verweer aangevoerd dat hij absoluut geen weet heeft van het bestaan hiervan, laat staan hierbij betrokken te zijn. De aantijging met betrekking tot de zegels van de Sligro slaat op de afdeling van de heer [naam B] . Nu De Rooi Pannen heeft nagelaten bewijsstukken te overleggen waaruit volgt dat [verweerder] daadwerkelijk in strijd met protocollen en het beleid van De Rooi Pannen heeft gehandeld, dient aldus hieraan voorbij te worden gegaan.

5.4.7

De kantonrechter stelt met [verweerder] vast dat De Rooi Pannen haar stellingen in dit verband op geen enkele wijze heeft onderbouwd met bewijsstukken, zodat in rechte niet kan worden uitgegaan van de juistheid van haar stellingen in dit verband. Het verweer van [verweerder] slaagt, hetgeen betekent dat ook in dit verband niet aan het vereiste van artikel 7:669 lid 3 sub e BW is voldaan.

Lesrooster

5.4.8

Ook de stelling dat [verweerder] niet conform het gestelde beleid (gedurende vier uur per week) zou lesgeven, levert naar het oordeel van de kantonrechter – als onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd – geen verwijtbaar handelen of nalaten op. Daarbij overweegt de kantonrechter dat wanneer in rechte van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan, het in dat geval veel meer voor de hand had gelegen dat [verweerder] door zijn leidinggevende op zijn (dis)functioneren zou zijn aangesproken en dat – indien nodig – een individueel verbetertraject zou zijn opgestart. Gesteld noch gebleken is echter dat [verweerder] op zijn gedragingen is aangesproken of daarvoor is gewaarschuwd, waarbij bovendien ook nog eens vastgesteld wordt dat functioneringsgespreksverslagen en een verbetertraject, inclusief ondersteuning, ontbreken, hetgeen ook tijdens de mondelinge behandeling is erkend door De Rooi Pannen. Tegen deze achtergrond bezien zijn – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – de door De Rooi Pannen in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende vast komen te staan en is ook in dit verband niet aan het vereiste van artikel 7:669 lid 3 sub e BW voldaan.

Functioneringsgespreken en/of BIO-gesprekken

5.4.9

Met betrekking tot de stelling dat [verweerder] geen functionerings- en/of BIO-gesprekken zou voeren met zijn teamleden, is de kantonrechter eveneens – bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarvan – van oordeel dat dit geen verwijtbaar handelen of nalaten oplevert. Ook ten aanzien van dit verwijt overweegt de kantonrechter dat wanneer wel van de juistheid van deze stelling zou moeten worden uitgegaan, het in dat geval (wederom) veel meer voor de hand had gelegen dat [verweerder] door zijn leidinggevende op zijn (dis)functioneren zou zijn aangesproken en dat – desgewenst – een individueel verbetertraject zou zijn opgestart. Gesteld noch gebleken is echter dat [verweerder] op zijn nalaten is aangesproken door zijn leidinggevende dan wel door de afdeling HR of dienaangaande is gewaarschuwd, waarbij ook in dit verband nogmaals wordt vastgesteld dat functioneringsgespreksverslagen en een verbetertraject, inclusief ondersteuning, ontbreken. Tegen deze achtergrond bezien zijn – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – de door De Rooi Pannen in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende vast komen te staan en is in dit verband niet aan het vereiste van artikel 7:669 lid 3 sub e BW voldaan.

Onderwijsplan

5.4.10

Voor wat betreft het onderwijsplan heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat dit is opgesteld in samenwerking met de kwaliteitsmedewerker mevrouw [naam E] . Volgens [verweerder] zijn alle medewerkers van de afdeling Horeca hierbij betrokken geweest en bovendien zijn de jaarplannen in de periode dat [verweerder] werkzaam was op zijn afdeling ingestuurd naar het College van Bestuur. Tegen deze achtergrond bevreemdt het [verweerder] als de Rooi Pannen zich (thans) opeens op het standpunt stelt dat de jaarplannen niet voldeden. Voor zover De Rooi Pannen [verweerder] het verwijt maakt dat de jaarplannen niet door hem werden nageleefd, stelt [verweerder] dat De Rooi Pannen ook hiervan geen ter zake dienend bewijs heeft ingebracht.

5.4.11

De kantonrechter is met [verweerder] van oordeel dat De Rooi Pannen ook dit verwijt onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd. De kantonrechter overweegt ook dat indien wel in rechte van de juistheid van deze stelling zou moeten worden uitgegaan, het in dit geval wederom veel meer voor de hand had gelegen dat [verweerder] door zijn leidinggevende op zijn (dis)functioneren zou zijn aangesproken en dat – indien nodig – een individueel verbetertraject zou zijn opgestart. Gesteld noch gebleken is echter dat [verweerder] op zijn gedragingen is aangesproken of daarvoor is gewaarschuwd, waarbij ook weer in dit verband vastgesteld wordt dat functioneringsgespreksverslagen en een verbetertraject, inclusief ondersteuning, ontbreken. Tegen deze achtergrond bezien zijn – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – de door De Rooi Pannen in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende vast komen te staan en is in dit verband wederom niet aan het vereiste van artikel 7:669 lid 3 sub e BW voldaan.

5.5.1

Verstoorde arbeidsverhouding

5.5.2

De kantonrechter neemt hierbij als uitgangspunt dat uit voornoemd artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW volgt dat van de hierin genoemde ‘redelijke grond’ voor een ontbinding slecht sprake kan zijn indien een verstoorde arbeidsverhouding zodanig is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de zinsnede “zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren” ligt besloten dat de verstoring van de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam moet zijn.

5.5.3

Anders dan [verweerder] stelt, kan naar het oordeel van de kantonrechter worden vastgesteld dat op zichzelf wel sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen De Rooi Pannen en [verweerder] . Bij de beoordeling van de vraag of dit uiteindelijk tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te leiden, is van belang aan wie de verstoring van de arbeidsverhouding daadwerkelijk te wijten is. Indien het verwijt in overwegende mate bij de werkgever ligt, kan niet worden geoordeeld dat van deze werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Anders dan door De Rooi Pannen is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat hiervan in dit geval sprake is en dat het verwijt aan de verstoorde arbeidsrelatie niet (enkel) bij [verweerder] ligt, maar dat vooral De Rooi Pannen hierin een belangrijk aandeel heeft.

5.5.4

Op basis van de stukken en de verklaringen ter zitting kan worden vastgesteld dat de problemen tussen partijen niet alleen zijn ontstaan nadat [verweerder] in april 2017 op non-actief is gesteld en De Rooi Pannen [verweerder] aanvankelijk nog heeft verplicht zijn werkzaamheden voor De Rooi Pannen te hervatten in de functie van docent, terwijl daarvoor – kort gezegd – helemaal geen grond bestond zoals reeds door de kantonrechter is overwogen in het vonnis van 30 augustus 2018, maar óók omdat De Rooi Pannen (overigens pas in 2018) aan [verweerder] de hiervoor besproken verwijten heeft gemaakt.

5.5.5

Wat daar verder ook van zij, gebleken is dat [verweerder] – bij brief van 28 augustus 2017 – nog heeft aangestuurd op een mediationtraject teneinde tot een oplossing van de ontstane situatie te komen. De Rooi Pannen heeft echter bij brief van 13 september 2017 het voorgestelde mediationtraject van de hand gewezen, waarmee zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende moeite heeft gedaan om het gesprek met [verweerder] aan te gaan, dan wel de tussen partijen ontstane problemen uit de wereld te helpen. In plaats van het gesprek met hem aan te gaan heeft De Rooi Pannen [verweerder] de mogelijkheid onthouden om – in het kader van mediation – zijn gedrag en werkhouding dan wel datgene wat De Rooi Pannen zo gestoord heeft op positieve wijze te veranderen.

5.5.6

Het vorenstaande klemt temeer nu het hier om een werknemer gaat die bijna 35 jaar in dienst is en al die tijd (kennelijk) goed heeft gefunctioneerd, althans functioneringsverslagen waaruit het tegendeel kan worden afgeleid, zijn in deze procedure niet overgelegd. De kantonrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [verweerder] ten onrechte een bepaalde handelswijze wordt verweten, waarmee De Rooi Pannen blijkens haar eigen stellingen pas bekend zou zijn geraakt in 2018, dus eerst nadat zij [verweerder] op non-actief heeft gesteld.

5.5.7

Gelet op het vorenstaande heeft De Rooi Pannen naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onterecht aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband.

5.5.8

Voorgaande overwegingen in acht nemende heeft De Rooi Pannen naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld dat haar geen enkele andere weg restte dan onderhavig ontbindingsverzoek in te dienen. Gelet op voorgaande kan op dit moment niet worden geoordeeld dat van De Rooi Pannen niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat de kans op een vruchtbare samenwerking in de toekomst in het geheel niet meer reëel is te achten, is op dit moment onvoldoende vast komen te staan, temeer omdat niet dan wel onvoldoende gebleken is dat ook andere medewerkers van De Rooi Pannen een verstoorde arbeidsrelatie ervaren met [verweerder] . Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is dat van De Rooi Pannen niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarom levert deze grond geen redelijke grond op om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

5.6.1.

Andere omstandigheden

5.6.2.

Vervolgens moet worden beoordeeld of er sprake is van de door De Rooi Pannen aan haar verzoek ten grondslag gelegde h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Deze grond is slechts bedoeld voor bijzondere gevallen die niet zijn terug te voeren op de omstandigheden als genoemd onder artikel 669 lid 3 sub a tot en met g BW. De memorie van toelichting noemt als voorbeelden: detentie en illegaliteit van de werknemer en – gedurende de parlementaire behandeling – ook bijvoorbeeld de voetbaltrainer die wordt ontslagen wegens achterblijvende resultaten en de manager met wie verschillen van inzicht bestaan over het te voeren beleid. Tegen het aanvaarden van een (al) te ruime uitleg van de restgrond pleit dat zich dan al snel de situatie voordoet waarin slechts een begin van bijvoorbeeld disfunctioneren of van een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie daarvan aan de ontbinding van een arbeidsovereenkomst ten grondslag wordt gelegd. Het is echter in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat zo’n nog onvoldoende onderbouwde grond of een combinatie van dergelijke onvoldragen gronden toch een ontslag kan dragen. Met andere woorden, het enkele feit dat de door De Rooi Pannen aangevoerde feiten en omstandigheden in het onderhavige geval niet tot ontbinding op de e- of g-grond kunnen leiden, heeft niet tot gevolg dat vervolgens sprake is van de in artikel 7:669, lid 3, aanhef en onder h BW bedoelde situatie. Dat er sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is door [verweerder] niet alleen uitvoerig gemotiveerd betwist, maar ook, zo volgt uit het hiervoor overwogene, onvoldoende door De Rooi Pannen onderbouwd. Dat geen althans onvoldoende sprake is van een verstoorde verhouding is hiervoor eveneens uiteengezet. De Rooi Pannen heeft ook overigens geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die zelfstandig tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden de overeenkomst te laten voortduren. Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst van partijen ook niet op basis van de restgrond kan worden ontbonden.

Conclusie

5.7

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van De Rooi Pannen zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden. In dit verband zij vermeld dat, nu de arbeidsovereenkomst voortduurt, van De Rooi Pannen nadere inspanningen worden verwacht om tot een verbetering van de arbeidsrelatie te komen, maar ook van [verweerder] wordt verwacht dat hij een constructieve houding zal laten zien. Het ligt om die reden op de weg van beide partijen om actief mee te werken aan een herstel van de arbeidsverhouding.

5.8

Nu het verzoek van De Rooi Pannen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wordt afgewezen, betekent dit dat aan de beoordeling van het verzoek van [verweerder] om aan hem de transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen, niet wordt toegekomen.

5.9

Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd leidt de kantonrechter niet tot een ander oordeel en behoeft dus geen verdere bespreking.

Proceskosten

5.10

De proceskosten komen voor rekening van De Rooi Pannen, omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten van [verweerder] worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor het salaris van de gemachtigde van [verweerder] .

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzochte ontbinding af;

veroordeelt De Rooi Pannen tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 aan salaris gemachtigde

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Kerkhofs, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.