Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1080

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
BRE 18_4187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag, omdat eiseres geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om goedkopere woonruimte te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/4187 PW

uitspraak van 11 maart 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [Plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.M.H.G. Ritzen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2018 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S.J.E. Loontjens, haar toenmalige gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Ter zitting is het onderzoek geschorst om het college in de gelegenheid te stellen om op de door eiseres ingebrachte stukken te reageren.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 februari 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 2 november 2017 bijzondere bijstand aangevraagd in de vorm van een woonkostentoeslag per 1 oktober 2017. Bij brief van 22 november 2017 heeft het college eiseres verzocht om een aantal ontbrekende gegevens in te leveren. Bij besluit van 15 januari 2018 (primair besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de woonkosten zich voordoen. Daarnaast valt volgens het college te betwijfelen of de woonkostentoeslag wel ten goede zal komen aan het doel waarvoor deze is bedoeld, namelijk het betalen van de woonlasten.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. De bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag wordt geweigerd, omdat eiseres vanaf het moment van de inkomensachteruitgang tot aan de aanvraag en ook daarna geen aantoonbare inspanning heeft verricht om goedkopere woonruimte te vinden. Verder is niet aangetoond dat een inspanning tot verhuizen in redelijkheid niet van eiseres verwacht zou kunnen worden. Het mogelijk ontstaan van een restschuld is geen bijzondere omstandigheid. Ten slotte is onvoldoende aangetoond dat de woning volledig buiten de faillissementsboedel valt en dat de hypotheek uitsluitend op naam van eiseres zou staan.

2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Het is niet juist dat zij geen inspanningen heeft verricht om naar een andere woning te verhuizen, omdat zij al vanaf 2007/2008 ingeschreven staat voor een aangepaste seniorenwoning. Daarnaast ontvangt zij sinds medio 2012 een bijstandsuitkering, heeft het college haar - vanwege een zeer beperkte vordering - failliet laten verklaren en aan de Belastingdienst doorgegeven dat zij geen inkomen heeft. Hierdoor is zij niet in staat om een andere woning te krijgen. Als zij dus al meer zou hebben gedaan om een andere woning te krijgen, dan was dat niet gelukt. Daarnaast heeft eiseres al in bezwaar de vaststellingsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat haar woning buiten de failliete boedel valt. Ook als dat anders zou zijn, is er geen reden om eiseres een woonkostentoeslag te onthouden. Ook dan draait zij immers op voor de kosten die zijn verbonden aan haar woning.

3. Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 32, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015 (Beleidsregels) bepaalt dat indien de belanghebbende een eigen woning bezit waar hij tevens woont, tijdelijk woonkostentoeslag kan worden verstrekt.

Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat aan de woonkostentoeslag de voorwaarde is verbonden dat de belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht). Dit wordt halfjaarlijks gecontroleerd.

4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college terecht heeft geweigerd om aan eiseres bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toe te kennen. Niet (meer) in geschil is dat de kosten waar het om gaat zich voordoen en dat deze noodzakelijk zijn. Wel is in geschil of die kosten voortvloeien uit individuele bijzondere omstandigheden. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of eiseres voldoende inspanningen heeft geleverd om andere en goedkopere woonruimte te vinden.

5. Uit de stukken van het dossier en het behandelde ter zitting blijkt dat eiseres eerder bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag heeft aangevraagd. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 3 april 2017 afgewezen. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt en beroep en hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 30 oktober 2018 uitspraak gedaan op dat hoger beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:3390) en geoordeeld dat de aanvraag terecht is afgewezen. De aanvraag die in deze procedure voorligt, dateert van ongeveer zeven maanden na de afwijzing van die vorige aanvraag. De rechtbank is niet gebleken dat er in die zeven maanden iets wezenlijks is veranderd in de situatie van eiseres dat relevant is voor de beoordeling van haar huidige aanvraag. In ieder geval is niet gebleken dat zij in die zeven maanden actief op zoek is gegaan naar een andere en goedkopere woning. Zij heeft weliswaar een uitdraai overgelegd van een beschikbare huurwoning waar tot 12 juli 2018 op kon worden gereageerd, maar daaruit zou hooguit kunnen worden afgeleid dat eiseres ingeschreven heeft gestaan en niet dat zij ook daadwerkelijk op die of andere woningen heeft gereageerd.

6. In het kader van de eerdere aanvraag heeft de CRvB in zijn uitspraak van 30 oktober 2018 overwogen dat eiseres begin 2014 is verhuisd naar haar huidige woning aan de [adres] te [Plaatsnaam] . Al op dat moment was zij echter niet in staat om zelfstandig de woonlasten te betalen. Desondanks heeft zij de woning betrokken en is zij daar blijven wonen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verkoop van de woning in de periode voor de aanvraag niet mogelijk was. Voorzover eiseres niet voor het verkopen van haar woning heeft gekozen om een eventuele restschuld te voorkomen, komen de gevolgen van die keuze voor haar rekening.

De rechtbank is van oordeel dat deze overwegingen van de CRvB nog onverkort van toepassing zijn op de huidige aanvraag. Daar komt bij dat er in de loop van deze procedure nog een onderhands bod op de woning is gedaan, dat hoger was dan de resterende hypotheekschuld. Eveneens heeft eiseres een bedrag aan de curator betaald, zodat de overwaarde van haar woning vanwege haar faillissement niet te gelde zou worden gemaakt. De rechtbank ziet ook in deze feiten en omstandigheden ondersteuning voor het reeds gegeven oordeel van de CRvB.

7. Verder heeft eiseres volgens de CRvB evenmin aannemelijk gemaakt dat zij zich heeft laten inschrijven als woningzoekende. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige procedure. Eiseres heeft ook in deze procedure weliswaar gesteld dat zij periodes ingeschreven heeft gestaan, maar daarvan heeft zij geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd. Dat eiseres die inschrijving zou hebben laten verlopen, omdat zij niet in aanmerking zou komen voor een woning vanwege een gebrek aan inkomsten, leidt niet tot een ander oordeel. Uit navraag door het college is namelijk gebleken dat het ook zonder inkomsten mogelijk is om te reageren op een woning in de laagste huurprijsklasse. Ook het argument dat eiseres niet kan verhuizen omdat zij door de zorg voor haar autistische pleegzoon een aangepaste woning nodig heeft, doet er niet aan af dat zij geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen om voor een dergelijke huurwoning in aanmerking te komen.

8. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat in [Plaatsnaam] geen huurwoning met 2 aparte slaapkamers bestaat die zo goedkoop is, dat zij goedkoper kan wonen dan dat zij nu woont. Het college heeft er echter terecht op gewezen dat eiseres in een huurwoning aanspraak kan maken op huurtoeslag, zodat haar maandelijkse netto woonlasten onder haar huidige hypotheeklasten kunnen uitkomen. Een beroep op bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag is dan niet meer nodig. Bovendien is het bedoeling dat een woonkostentoeslag slechts tijdelijk wordt verstrekt, terwijl het college dit bij gelijkblijvende omstandigheden aan eiseres zou moeten blijven verstrekken als zij in haar huidige woning blijft wonen.

9. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de aanvraag van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag terecht heeft afgewezen, omdat eiseres geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om goedkopere woonruimte te vinden. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, en mr. drs. E.J. Govaers en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.