Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1028

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 7330
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag loonheffingen / Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (art. 3, aanhef en onderdeel h en a en art. 21)

Belanghebbende (moedervennootschap) beschikt niet over een S&O-verklaring, maar haar dochtervennootschap wel. Gelet op de wettelijke bepalingen kan belanghebbende de S&O-afdrachtvermindering niet in haar aangiften loonheffingen aanmerking nemen.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-07-2019
V-N Vandaag 2019/1603
FutD 2019-1873
NTFR 2019/2246 met annotatie van Mr. E. Swaving Dijkstra
V-N 2019/44.24.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/7330

uitspraak van 6 maart 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[A] B.V., gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 oktober 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen naar een bedrag van € 13.958 [aanslagnr] ; hierna: de naheffingsaanslag) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 1.723.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de directeur van belanghebbende [naam 1] , de gemachtigde van belanghebbende [naam 2] , verbonden aan [kantoor 1] te Gilze , en namens de inspecteur, [verweerder] en [verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

[naam 1] is directeur en tevens enig aandeelhouder van belanghebbende (hierna: de dga). Belanghebbende is enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] BV).

2.2.

[A] BV is bij akte van [datum] opgericht. Namens [A] BV in oprichting is op 30 november 2012 en 29 maart 2013 een S&O (speur en ontwikkelingswerk)-verklaring aangevraagd ten behoeve van de S&O-afdrachtvermindering als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA).

2.3.

Agentschap NL van het Ministerie van Economische zaken (thans Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) heeft aan [A] BV i.o. voor de periode januari 2013 tot en met april 2013 en de periode mei 2013 tot en met augustus 2013 S&O-verklaringen afgegeven met dagtekeningen van respectievelijk 17 april 2013 en 14 juni 2013.

2.4.

Belanghebbende heeft in de maanden januari tot en met juli 2013 loon aan de dga betaald voor onder meer zijn werkzaamheden ten behoeve van [A] BV i.o.. Belanghebbende heeft bij haar afdrachten op aangiften loonheffingen voor de periode 1 januari tot en met 31 juli 2013 rekening gehouden met een afdrachtvermindering loonbelasting in verband met speur- en ontwikkelingswerk tot een bedrag van in totaal € 13.958.

2.5.

[A] BV heeft eerst vanaf augustus 2013 loon aan de dga betaald.

2.6.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd, omdat aan belanghebbende voor het jaar 2013 geen S&O-verklaring is afgegeven en zij dus ten onrechte een bedrag van € 13.958 aan afdrachtvermindering heeft geclaimd.

2.7.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft bij besluit van 7 maart 2017 het verzoek van [A] BV om de tenaamstelling van de afgegeven S&O-verklaringen te wijzigen in die van belanghebbende afgewezen.

2.8.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.

2.9.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Belastingdienst destijds heeft geweigerd een loonbelastingnummer aan [A] BV i.o. te verstrekken. Daardoor kon [A] BV i.o. voor de periode 1 januari tot en met 31 juli 2013 geen aangiften loonheffingen indienen. Als gevolg daarvan is het volledige salaris van de dga door haar betaald en is bij het indienen van de aangiften de afdrachtvermindering in aanmerking genomen.

Als verweer tegen de naheffingsaanslag stelt belanghebbende verder dat zij over de genoemde periode teveel loonheffingen heeft afgedragen. De dga heeft vanaf januari 2013 80% van zijn totale arbeidstijd werkzaamheden verricht voor [A] BV i.o. en 20% voor belanghebbende. Belanghebbende diende aldus over de periode januari tot en met juli 2013 over 20% van het totale maandloon van de dga loonheffingen af te dragen, waardoor over die periode maar € 5.172 loonheffingen is verschuldigd. Rekening houdende met wat over periode daadwerkelijk aan loonheffingen is afgedragen (€ 6.961) en de hoogte van de naheffingsaanslag (€ 13.956), is een bedrag van € 15.745 teveel afgedragen. Derhalve dient de naheffingsaanslag volgens belanghebbende te worden vernietigd.

2.10.

Artikel 3, aanhef en onderdeel h, van de WVA (tekst 2013) bepaalt dat de inhoudingsplichtige met de S&O-afdrachtvermindering de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen kan verminderen, doch niet verder dan tot nihil.

2.11.

Artikel 21, eerste lid, van de WVA (tekst 2013) luidt:

‘De S&O-afdrachtvermindering is met betrekking tot een aangiftetijdvak van toepassing indien de S&O-inhoudingsplichtige beschikt over een ten name van hem afgegeven S&O-verklaring die betrekking heeft op een periode waarin het aangiftetijdvak eindigt. Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering beloopt het bij die S&O-verklaring ter zake vastgestelde bedrag.’

2.12.

Voor zover het beroep erop ziet op dat de afdrachtvermindering ten onrechte is gecorrigeerd, faalt het beroep. Op basis van de wet kan belanghebbende de S&O-afdrachtvermindering niet in aanmerking nemen, aangezien zij niet over een ten name van haar afgegeven S&O-verklaring beschikt. Het in 2.9 vermelde betoog van belanghebbende kan dat niet anders maken. Dat neemt niet weg dat de rechtbank begrijpt dat het voor de dga zuur is dat de fiscale subsidie in de vorm van de S&O-afdrachtvermindering wordt misgelopen, hoewel de door hem verrichte activiteiten als zodanig als voldoende zijn gekwalificeerd om in aanmerking te komen voor deze subsidie.

2.13.

Ook het in 2.9, tweede alinea, vermelde betoog helpt belanghebbende niet. Vast staat dat belanghebbende over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 al het loon aan de dga heeft betaald en de daarop ingehouden loonbelasting heeft afgedragen. Verder was [A] BV in die periode nog niet opgericht. Gelet op het voorgaande faalt de stelling dat belanghebbende teveel loonheffingen heeft afgedragen. Dat de dga in de desbetreffende periode 80% van zijn totale arbeidstijd heeft besteed aan werkzaamheden ten behoeve van [A] BV i.o. en dat wellicht intern de loonkosten zijn doorbelast aan, dan wel direct zijn geboekt bij, [A] BV i.o., maakt dat niet anders.

2.14.

Het beroep is daarom ongegrond.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.