Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:1025

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
BRE - 17 _ 5428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 24 Wet WOZ.

Belanghebbende heeft eigendom van onroerende zaken dat bezwaard is met het recht van erfpacht. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat omdat de BV die het recht van erfpacht had, is ontbonden, belanghebbende de volle eigendom heeft. De rechtbank acht dat standpunt onjuist. De aan belanghebbende bekendgemaakte WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB(Eigenaren) worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2019
V-N Vandaag 2019/1527
FutD 2019-1817
Belastingblad 2019/288
V-N 2019/48.19 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/2192 met annotatie van mr. B.S. Kats
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/5428 tot en met 17/5431

uitspraak van 6 maart 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar van 4 juli 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikkingen waarbij de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [pand 1] (voorheen [pand 1] ), [pand 2] (voorheen [pand 2] ), [pand 3] (voorheen [pand 3] ), [pand 4] (voorheen [pand 4] ), alle gelegen in [plaats 2] (hierna: de onroerende zaken), zijn gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en de gelijktijdig met deze beschikking aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslagen onroerendezaakbelastingen eigenaren (OZBE).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar bestuurder [gemachtigde] en ter bijstand [gemachtigde] , en namens de heffingsambtenaar, [verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, alsmede de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZBE;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. Tussen partijen is niet in geschil dat in elk geval tot [datum] de eigendom van deze onroerende zaken was bezwaard met het recht van erfpacht, toebehorend aan [A] B.V. (hierna: de BV).

2.2.

Op voornoemde datum [datum] is de BV ontbonden (hierna: de ontbinding). Volgens de heffingsambtenaar heeft dat ertoe geleid dat belanghebbende weer de volle eigendom heeft. De heffingsambtenaar heeft daarom op grond van de Wet WOZ aan belanghebbende WOZ-beschikkingen voor het jaar 2017 voor de onroerende zaken toegezonden, waarbij de waarde van de onroerende zaken per waardepeildatum 1 januari 2016 is vastgesteld. Tegelijkertijd met de beschikkingen zijn aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaken de aanslagen OZBE opgelegd. De beschikkingen en de aanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar gehandhaafd.

2.3.

In geschil is of de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZBE terecht aan belanghebbende heeft bekendgemaakt respectievelijk opgelegd.

2.4.

Belanghebbende heeft betwist dat zij de volle eigendom heeft sinds de ontbinding. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij in 2005 de blote eigendom van de onroerende zaken heeft gekocht en dat deze onroerende zaken toen reeds waren bezwaard met het recht van erfpacht. Volgens belanghebbende is sprake van een eeuwigdurend recht van erfpacht, is haar niet bekend of en zo ja aan wie het recht van erfpacht is overgedragen na de ontbinding, en ontvangt zij al twee jaar geen erfpachtcanons. Belanghebbende heeft in verband met dit laatste desgevraagd ter zitting verklaard niet de erfpacht te hebben opgezegd.

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Het erfpachtrecht is een beperkt recht. De regeling inzake het recht van erfpacht is opgenomen in Titel 7 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 5:85 tot en met 5:100). Anders dan waarvan de heffingsambtenaar uitgaat leidt de ontbinding van de BV op zichzelf niet op grond van de wet ertoe dat belanghebbende volle eigenaar is geworden van de onroerende zaken. Zie bijvoorbeeld art. 3:81 en 5:87 BW. Niet uitgesloten kan worden dat dat bij de vestiging van het recht van erfpacht (of op een later moment) in de notariële akte bepalingen zijn opgenomen voor het geval de erfpachtrechthouder wordt ontbonden, maar daarover zijn geen stellingen betrokken. De rechtbank merkt verder op dat de ontbinding van een rechtspersoon nog niet zonder meer betekent dat de rechtspersoon direct ophoudt te bestaan. Zo zal er als er vermogen is – zoals een erfpachtrecht – nog een vereffening moeten plaatsvinden. Kennelijk heeft de heffingsambtenaar daar geen onderzoek naar gedaan.

De heffingsambtenaar heeft nog gesteld dat belanghebbende per 1 januari 2017 bij de Dienst van het kadaster stond vermeld als zakelijk gerechtigde (eigenaar) van de betreffende onroerende zaken. Deze stelling helpt de heffingsambtenaar niet. In de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken van het Kadaster d.d. 13 februari 2019 is vermeld dat de BV de gerechtigde van het recht van erfpacht is.

2.6.

De heffingsambtenaar heeft dus onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat de eigendom van de onroerende zaken niet langer bezwaard is met het recht van erfpacht. Voor dat geval heeft de heffingsambtenaar verklaard dat de aan belanghebbende bekendgemaakte WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZBE moeten worden vernietigd.

2.7.

De beroepen zijn daarom gegrond verklaard.

2.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken van kosten voor beroepsmatig verleende juridische bijstand en overigens geen kosten zijn gesteld die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.