Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:990

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
02-700050-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

de zaak Oostburg. Vrijspraak medeplichtigheid aan doodslag. Bewezenverklaring begunstiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700050-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsvrouw mr. F.M.G. Landerloo, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 februari 2018, waarbij de officier van justitie mr. Y. van Setten en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is op 6 februari 2018 formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

feit 1

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk, en met voorbedachten rade, van het leven hebben/heeft beroofd, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen een of meermalen in en/of door en/of op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, en/of (elders) in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte een voertuig (personenauto) ter beschikking heeft gesteld en heeft bestuurd waarmee één of meer van bovengenoemde verdachte(n) zich naar Oostburg heeft/hebben begeven en/of, nadat die [slachtoffer] was beschoten, waarmee één of meer van bovengenoemde verdachte(n) Oostburg heeft/hebben verlaten;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven hebben/heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meermalen in en/of door en/of op het lichaam van die [slachtoffer] te schieten,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 maart 2017 te

Oostburg, gemeente Sluis, en/of (elders) in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan at verdachte een voertuig (personenauto) ter beschikking heeft gesteld en heeft bestuurd waarmee één of meer van bovengenoemde verdachte(n) zich naar Oostburg heeft/hebben begeven en/of, nadat die [slachtoffer] was beschoten, waarmee één of meer van bovengenoemde verdachte(n) Oostburg hebben/heeft verlaten;

meer meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, en/of (elders) in Nederland,

nadat er op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, het misdrijf was

gepleegd van 289/287 Wetboek van Strafrecht, althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, één of meer perso(o)n(en) die schuldig dan wel verdachte waren van bovenomschreven misdrijf, verbergt of hem/hen behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door ambtenaren van justitie of politie, hebbende hij, verdachte, één of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) helpen ontkomen door deze weg te voeren in een personenauto;

feit 2

hij op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II en/of III, en/of munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) door het ter beschikking stellen van zijn auto en het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Verdachte bestuurde de auto zowel voor als na het schietincident. Zij acht het onwaarschijnlijk dat verdachte op de heenweg naar het café niet heeft gemerkt dat er een wapen aanwezig was in de auto. Door na het schietincident met de medeverdachten naar Goes te rijden heeft hij de schutter een vrije aftocht gegeven, aldus de officier van justitie. Zij vordert vrijspraak van de ten laste gelegde medeplichtigheid aan moord, aangezien er geen wettig en overtuigend bewijs is voor voorbedachte raad.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (feit 1 in al zijn varianten) en heeft verzocht verdachte hiervan vrij te spreken. Er was geen sprake van een plan zodat de voorbedachte raad ontbreekt waardoor ook geen sprake kan zijn van moord. Evenmin was er bij verdachte sprake van opzet op (bevordering van) doodslag. Doordat verdachte niet wist wat er precies was voorgevallen in het café had hij bovendien geen opzet op het verhullen van een misdrijf. Hij wist niet dat hij de dader van het schietincident in de auto vervoerde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is in de vonnissen van 20 februari 2018 van [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] tot het oordeel gekomen dat zij zich op 3 maart 2017 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van doodslag door tezamen en in vereniging [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van het leven te beroven door met een vuurwapen meermalen in en door het lichaam van het slachtoffer te schieten.1 Aangezien zij door de rechtbank zijn vrijgesproken voor het (medeplegen van) moord wordt ook verdachte vrijgesproken voor de primair ten laste gelegde medeplichtigheid daarvan. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is wat de rol van verdachte bij de doodslag is geweest.

feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de stukken in het dossier uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Zij zal deze in chronologische volgorde bespreken, inhoudende drie momenten, te weten de rit naar café [naam café] in Oostburg (hierna: het café), de schietpartij in het café en de vlucht na de schietpartij. Nu de in de tenlastelegging opgenomen medeplichtigheid in de zaak van verdachte feitelijk slechts wordt omschreven door het ter beschikking stellen van een auto voorafgaand en na het schietincident zal de rechtbank niet uitgebreid ingaan op de schietpartij.

- de autorit naar het café

Op enig moment op 3 maart 2017 hebben [medeverdachte 2] , [naam 1] , [medeverdachte 1] ,

[medeverdachte 3] en verdachte besloten om met de auto die verdachte bestuurde, een Ford Focus met kenteken [kenteken] , naar het café in Oostburg te gaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat zij vanuit Breskens naar Oostburg zijn gereden, maar dat zij eerst nog bij het huis van [medeverdachte 3] in Boerenhol zijn gestopt. Op grond van deze verklaringen staat vast dat [medeverdachte 3] in Boerenhol uit de auto is gestapt en in zijn woning is geweest. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 3] , nadat hij weer in de auto is gestapt, een vuurwapen uit zijn zak haalde en dat werd gevraagd wie dat wapen bij zich ging houden. Op een gegeven moment zei [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] het maar aan hem moest geven en dat hij het wel bij zich zou houden. De rechtbank stelt vast dat géén van de overige inzittenden in de auto heeft verklaard over dit gesprek of over de aanwezigheid van een wapen in de auto. [medeverdachte 3] ontkent dat hij een wapen uit zijn woning heeft gehaald aan [medeverdachte 1] heeft overhandigd, dan wel dat het in de auto aanwezig is geweest.

- de schietpartij in het café

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij even heeft getwijfeld of hij in het café een kaars naar het slachtoffer en [medeverdachte 2] zou gooien toen zij binnen aan het vechten waren, maar dat hij dit uiteindelijk niet heeft gedaan. Hij heeft de kaars net voordat er werd geschoten neergezet en is toen naar buiten gevlucht. Hij stond vlakbij de vechtpartij.2 [naam 2] heeft verklaard dat hij zag dat [medeverdachte 2] en het slachtoffer al vechtend het café binnenkwamen. Verdachte en de anderen kwam op dat moment aanlopen. Toen er werd geschoten zijn zij allemaal weggerend.3

- de vlucht na de schietpartij

Op vrijdag 3 maart 2017 om 23.06 uur kwam bij de politie Zeeland-West-Brabant een melding binnen dat er een schietpartij had plaatsgevonden in het café te Oostburg (gemeente Sluis).4Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij knallen hoorde, zijn jas heeft gepakt en is weggegaan.5 Een aantal omstanders heeft vijf personen naar buiten zien vluchten.6 Hij was als eerste weer terug bij de auto. De andere jongens, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [naam 1] en zijn neef (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) sprongen ook in de auto en zeiden dat hij weg moest rijden. In de auto was er paniek.7 De jongens in de auto waren niet op hun gemak en waren aan het schreeuwen. Een van hen riep: ‘ik heb bloed op me’. Ook riep iemand: ‘weg, weg’. Verdachte heeft [medeverdachte 3] afgezet in Boerenhol en is hierna naar Ghistelkerke te Breskens gereden.8 [medeverdachte 1] werd afgezet bij zijn oma.9 Hierna werd er gezegd dat ze naar Goes moesten rijden.10 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevestigen dat alle vijf de jongens op de terugweg in de auto zaten.11 Op de camerabeelden van de tolpassages van de Westerscheldetunnel is te zien dat op 4 maart 2017, omstreeks 00.12 uur, de Ford Focus met kenteken [kenteken] , de auto waarin verdachte reed, de tolbaan passeert.12 [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het vuurwapen in de auto weer terug heeft gegeven aan [medeverdachte 3] . De rechtbank stelt vast dat géén van de overige inzittenden in de auto heeft verklaard dat het vuurwapen in de auto is teruggegeven aan [medeverdachte 3] dan wel dat het op de terugweg in de auto aanwezig is geweest. [medeverdachte 3] ontkent dat hij op de terugweg in de auto heeft gezeten dan wel dat hij het wapen van [medeverdachte 1] heeft aangenomen.

Bewijsoverwegingen

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en bij gebrek aan bewijsmiddelen om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat een vuurwapen in de auto aanwezig is geweest, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte vóór de schietpartij reeds wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden wat er later die avond in het café stond te gebeuren. Dat betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat verdachte met dat doel zijn auto ter beschikking heeft gesteld aan de medeverdachten en heeft bestuurd. De gedragingen die door verdachte zijn verricht na het misdrijf, het vervoeren van de medeverdachten naar huis, kunnen op zichzelf niet bijdragen aan een bewezenverklaring van medeplichtigheid. Dat zou alleen anders zijn wanneer vast zou komen te staan dat verdachte voorafgaand aan het misdrijf hieromtrent met de medeverdachten afspraken zou hebben gemaakt. Hiervan is echter niet gebleken. Gelet hierop kunnen ook de gedragingen die zijn verricht na het misdrijf geen medeplichtigheid aan de doodslag opleveren. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.

Dit is anders voor wat betreft de meer subsidiair ten laste gelegde begunstiging. Verdachte stond tijdens het schietincident naar eigen zeggen vlakbij [medeverdachte 2] en het slachtoffer. Nadat hij schoten hoorde is hij direct naar buiten gevlucht, in zijn auto gestapt en heeft in ieder geval de personen waarvan hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat zij bij het schietincident betrokken waren, namelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , naar Breskens vervoerd. Overigens blijkt uit de door verdachte beschreven paniek in de auto en de bewoordingen die werden gebruikt voorts ook dat hij door moet hebben gehad dat er iets niet in orde was. Verdachte is door zijn handelen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] behulpzaam geweest bij het ontkomen aan de nasporing van en aanhouding door de ambtenaren van justitie en politie. De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwijst voor wat betreft de autorit naar het café en de vlucht uit het café naar de hiervoor vermelde bewijsoverwegingen. In het café is sprake geweest van een vuurwapen en munitie. Bij verdachte heeft, gelet op zijn aanwezigheid ten tijde van het schietincident, een bewustheid bestaan ten opzichte van het vuurwapen en de munitie. Het dossier biedt geen basis voor het oordeel dat er een zekere relatie heeft bestaan tussen deze voorwerpen en verdachte in die zin dat er voor verdachte in het café met betrekking tot het geladen wapen een zekere vorm van machtsuitoefening mogelijk is geweest. Er is ook geen bewijs dat verdachte voor wat betreft het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie met de medeverdachten zo nauw en bewust heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen. Gelet op het voorgaande is niet bewezen dat de verdachte op 3 maart 2017, al dan niet samen met anderen, een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, zodat hij van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1: meer meer subsidiair

op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, en/of (elders) in Nederland,

nadat er op of omstreeks 03 maart 2017 te Oostburg, gemeente Sluis, het misdrijf was

gepleegd van artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht, althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, één of meer perso(o)n(en) die schuldig dan wel verdachte zijn waren van aan bovenomschreven misdrijf, verbergt of hem/hen behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door ambtenaren van justitie of politie, hebbende hij, verdachte, één of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) helpen ontkomen door deze weg te voeren in een personenauto.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte te bestraffen conform het jeugdstrafrecht en zij heeft verzocht om aan hem op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 231 dagen, met aftrek, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren. Voorts heeft zij verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, dan wel om in elk geval geen straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel de tijd overschrijdt die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Zij wijst op de minimale rol van verdachte in het tenlastegelegde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich door het besturen van de vluchtauto schuldig gemaakt aan begunstiging. In het onderhavige geval heeft verdachte door zijn handelen de nasporing of de vervolging van één van de ernstigste misdrijven die Nederland kent, te weten doodslag, een stuk moeilijker gemaakt. Verdachte beschikte over genoeg aanwijzingen die hem hadden moeten laten inzien dat er iets niet in de haak was en hij heeft voldoende tijd gehad om zich over zijn handelen te beraden. Immers, hij had toen hij als eerste bij zijn auto was de overige personen kunnen weigeren óf alleen weg kunnen rijden. Dat hij niet anders heeft gehandeld dan dat hij heeft gedaan, acht de rechtbank dan ook bijzonder kwalijk.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 21 december 2017 waaruit blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten. Ook houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de over verdachte opgemaakte rapportages.

Over verdachte is op 27 juni 2017 door psychiater G.C.G.M. Broekman en op 29 juni 2017 door psycholoog G.A. Ameling een rapport opgemaakt. Volgens de deskundigen is bij verdachte thans nog geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of van een ziekelijke stoornis. De psycholoog wijst er wel op dat een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte dreigt. Beide deskundigen zien een risico in de beïnvloedbaarheid van verdachte, waarbij zij het zorgelijk vinden dat het verdachte niet is gelukt afstand te nemen van zijn antisociale vrienden. De deskundigen adviseren verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren en bij het bepalen van de strafmaat het adolescentenstrafrecht toe te passen. Beide deskundigen vinden dat verdachte sociale vaardigheden dient aan te leren. Ook de reclassering heeft in haar rapport van 15 augustus 2017 geadviseerd tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Zij schat het recidiverisico in als laag. De reclassering heeft aanvankelijk geadviseerd als voorwaarde voor schorsing van verdachte uit de voorlopige hechtenis op te nemen dat verdachte begeleid gaat wonen. Nadat bleek dat verdachte bij sociaal pension Goes werd afgewezen omdat hij niet open stond voor een behandeling, heeft de reclassering dit advies ingetrokken.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten toch het jeugdsanctierecht toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Verdachte was ten tijde van het plegen van het delict 21 jaar oud. Uit de aangehaalde rapporten van de deskundigen en de reclassering volgt dat in hun afweging de persoon van verdachte de doorslaggevende factor is geweest om te adviseren het jeugdsanctierecht toe te passen. Anders dan de deskundigen en de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om het jeugdsanctierecht toe te passen. Verdachte heeft er blijk van gegeven niet open te staan voor pedagogische beïnvloeding. Zijn opname bij het sociaal pension Goes is niet door gegaan vanwege zijn gebrekkige motivatie voor behandeling. Uit de rapporten van de deskundigen en uit zijn houding ter zitting maakt de rechtbank bovendien op dat verdachte nog altijd geen afstand heeft genomen van zijn vrienden. Voorts gaat verdachte niet meer naar school, heeft een vaste baan en is voornemens na zijn berechting te vertrekken naar het Verenigd Koninkrijk. Alles overziend ziet de rechtbank in de persoonlijkheid van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en de indruk die zij van verdachte heeft gekregen ter zitting onvoldoende aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan doodslag en strafoplegging volgens het jeugdstrafrecht. Nu de rechtbank slechts bewezen acht de meer subsidiair ten laste gelegde begunstiging, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, ook al past de rechtbank het meerderjarigenstrafrecht toe op de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de maximaal op te leggen straf, te weten een gevangenisstraf van zes maanden, passend en geboden is. Nu de rechtbank reclasseringstoezicht geïndiceerd acht, zal zij een deel hiervan voorwaardelijk opleggen.

7 De benadeelde partij

De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] (broer), [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (ouders), hebben via hun raadsvrouw mr. S. van Steenberge een vordering als benadeelde partij ingediend. De broer van het slachtoffer vordert een schadevergoeding van € 29.930,27 en de ouders vorderen een schadevergoeding van € 21.250,04 voor feit 1.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan moord respectievelijk de medeplichtigheid aan doodslag. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de meer subsidiair bewezen verklaarde begunstiging. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Zij kunnen hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 14a, 14b, 14c, 57 en 189 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1; meer subsidiair: opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de politie of justitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 60 (zestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland (volwassenen), unit Middelburg, op het adres Vrijlandstraat 33b, 4337 EA Middelburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. M.P. Meeuwisse en

mr. M.E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 februari 2018.

Mr. de Boer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt daarmee – tenzij anders vermeld – bedoeld de pagina’s van het procesdossier van de politie Zeeland-West-Brabant, Team Grootschalige Opsporing, onderzoek Cercedilla, gesloten op 3 november 2017, waarvan de inhoud is opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en geheel is doorgenummerd. De vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2018, bekend onder de parketnummers: 02/700048-17 ( [medeverdachte 1] ) en 02/700051-17 ( [medeverdachte 2] ).

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2018.

3 Het proces-verbaal verhoor van [naam 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 17 oktober 2017, los.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2017, pagina 597, tweede t/m vierde alinea.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 maart 2017, pagina 550, laatste alinea en pagina 551, tweede alinea.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] d.d. 7 maart 2017, pagina 835, tiende alinea en het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] d.d. 15 maart 2017, pagina 857, laatste alinea.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 5 maart 2017, pagina 118, dertiende alinea en pagina 119, eerste alinea.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 maart 2017, pagina 558, dertiende alinea.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 5 maart 2017, pagina 118, twaalfde alinea.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 maart 2017, pagina 559, eerste alinea.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 5 maart 2017, pagina 118, twaalfde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 5 maart, pagina 305, vijfde alinea.

12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2017, pagina 720.