Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:881

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
BRE 16_9491 16_9492
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in BRE 16_9491 16_9492

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/9491 BBZ en BRE 16/9492 BBZ

uitspraak van 13 februari 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eisers], [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. L.J. de Rijke,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 oktober 2016 van het college inzake de afwijzing van het verzoek om bijstand ‘om niet’ en rentereductie (bestreden besluit I). Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/9492 BBZ.

Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen het besluit van 25 oktober 2016 van het college inzake het terugbetalen van een bedrag van € 97.814,34 (bestreden besluit II). Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/9491 BBZ.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 november 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts.

Overwegingen

1. In 2010 hebben eisers gevraagd om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het college heeft de aanvraag voorgelegd aan de Dienst Regelingen (onderdeel van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) voor onderzoek, beoordeling en advies. Dienst Regelingen heeft het college geadviseerd om het verzoek om bijstand te honoreren.

2. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college aan eisers een bedrijfskrediet verstrekt van € 80.000,-. Eisers dienen maandelijks € 533,33 aan rente en € 667,- aan aflossing te betalen.

3. Het college heeft geconstateerd dat eisers structureel hun betalingsverplichtingen niet nakomen. Bij besluiten van 11 maart 2014 en 10 april 2014 heeft het college de leenovereenkomst opgezegd en een bedrag van € 97.998,32 van eisers teruggevorderd.

4. Eisers hebben vervolgens voorgesteld om vanaf april 2014 minimaal de verschuldigde rente te voldoen van € 533,- per maand, en vanaf juli 2014 te starten met een aanvullende betaling van € 3.000,- per maand.

Bij besluit van 24 april 2014 is het college akkoord gegaan met dit voorstel. Het college heeft daarbij opgemerkt dat bij het niet nakomen van de aan eisers opgelegde aflossingsverplichting, de totale vordering inclusief incassokosten onmiddellijk in zijn geheel opeisbaar wordt.

5. Eisers hebben in oktober 2014 bij het college aangegeven dat zij niet in staat zijn om het gedane betalingsvoorstel na te komen. In reactie daarop heeft het college aan eisers laten weten dat het besluit van 24 april 2014 wordt gehandhaafd.

6. Het college heeft in februari 2015 geconstateerd dat eisers de betalingsregeling niet consequent nakomen en hebben eisers aangemaand om een bedrag van € 97.404,51 te betalen. Naar aanleiding van de aanmaning hebben eisers voorgesteld om € 1.000,- per maand te betalen. Bij brieven van 23 februari 2015 en 13 april 2015 heeft het college aan eisers laten weten dat de aflossingsverplichting wordt gehandhaafd op € 3.000,- per maand. Op 8 april 2015 heeft het college een dwangbevel uitgevaardigd en is eisers verzocht om over te gaan tot betaling ineens van het openstaande bedrag.

7. Op 22 juni 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen het college en eisers, die werden bijgestaan door hun gemachtigde en hun accountant. Tijdens dit gesprek hebben eisers een (mondeling) verzoek gedaan om toekenning van bijstand ‘om niet’ en rentereductie. Het college heeft toegezegd te onderzoeken of eisers hier recht op hebben. Het college heeft vervolgens op verschillende momenten aan eisers gevraagd om hun verzoek met (nader genoemde) stukken te onderbouwen.

Bijstand ‘om niet’ en rentereductie

8. Bij besluit van 23 november 2015 (primair besluit I) heeft het college het verzoek van eisers om bijstand ‘om niet’ en rentereductie afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit I heeft de ISD Brabantse Wal, namens het college, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie voor bezwaarschriften.

9. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit I onbevoegd is genomen. Het college heeft het bestreden besluit I op 17 januari 2017 bekrachtigd. Daarmee is het gebrek hersteld. De rechtbank zal het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

10. Het college stelt zich in het bestreden besluit I, samengevat, op het standpunt dat bijstand om niet over de jaren 2009 en 2010 en rentereductie over de jaren 2011 en 2012 terecht is afgewezen bij gebreke van voldoende stukken over deze jaren om dit te kunnen beoordelen.

11. Eisers voeren in beroep, samengevat, het volgende aan. Het is niet de taak van het college, maar van de belastinginspecteur om het netto inkomen vast te stellen, zodat het college moet uitgaan van de vaststelling door de belastinginspecteur. Er zijn door eisers wel voldoende stukken aangeleverd om tot een inhoudelijke beoordeling van hun verzoek te komen.

12. Aanvullend hebben eisers nog aangevoerd dat eiseres ten onrechte als partij betrokken is in de procedure, omdat zij niet als subject van de verleende bijstand kan worden aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2009:BK1188).

Nadat ter zitting door het college een kopie van de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz, welke is gesteld op naam van beide eisers en twee handtekeningen bevat, is overgelegd en het college heeft gewezen op het feit dat de bijstand bij besluit van 23 maart 2010 aan beide eisers is toegekend, hebben eisers deze beroepsgrond niet langer gehandhaafd, zodat deze onbesproken kan blijven.

13. In geschil is of het college terecht het verzoek om bijstandsverlening ‘om niet’ en rentereductie heeft afgewezen op de grond dat voldoende stukken ter vaststelling daarvan ontbreken.

14. Artikel 21 van het Bbz luidt:

1. De op grond van de artikelen 15 en 20 verleende bijstand wordt ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet, indien het netto inkomen in het boekjaar van de aanvraag dan wel in het daaraan voorafgaande jaar lager is dan de jaarnorm. Het bedrag om niet bedraagt het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen doch ten hoogste het verschil tussen het eigen vermogen en de toepasselijke vermogensgrens bedoeld in artikel 3, eerste lid. De zelfstandige bepaalt het boekjaar waarover de bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

2. De op grond van de artikelen 15 en 20 verschuldigde rente wordt ambtshalve kwijtgescholden en reeds betaalde rente terugbetaald, indien het netto inkomen in een of beide boekjaren volgend op het boekjaar van de aanvraag, lager is dan de jaarnorm. Het bedrag is ten hoogste de voor dat boekjaar geldende renteverplichting op grond van artikel 15, doch niet meer dan het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen in het boekjaar.

3. […].

4. Het bedrag van de op grond van het eerste lid in een bedrag om niet omgezette bijstand, of het bedrag van de op grond van het tweede lid kwijtgescholden of terugbetaalde rente dan wel het op grond van het derde lid berekende bedrag om niet, kan tezamen met de over hetzelfde boekjaar verleende bijstand ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 4, niet meer bedragen dan de jaarnorm.

Artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz luidt:

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder netto inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet, met toepassing van artikel 6, tweede lid.

Artikel 6, tweede lid, van het Bbz luidt:

Bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven gesteld op 20 procent van dat inkomen.

Artikel 1, aanhef en onder g, van het Bbz luidt:

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder jaarnorm: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3 van de wet, verhoogd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en de verleende bijzondere bijstand.

15. Uit voornoemd wettelijk kader volgt dat recht bestaat op omzetting van een lening in bijstand ‘om niet’ en kwijtschelding van rente indien het netto inkomen in bepaalde jaren lager is dan de zogenaamde jaarnorm.

16. Voor de bepaling van het netto inkomen wordt in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz aansluiting gezocht bij het inkomensbegrip van de Wet werk en bijstand (WWB) (vanaf 1 januari 2015 Participatiewet) waarbij een specifiek, forfaitair heffingspercentage op grond van artikel 6, tweede lid, van het Bbz geldt. Dit forfaitaire percentage waarop de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen moeten worden gesteld bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige, wordt ook gehanteerd voor de vaststelling van het netto inkomen uit andere bronnen waarover geen loonbelasting is geheven.

Hieruit volgt dat voor de bepaling van het inkomen niet het fiscale inkomensbegrip dient te worden gehanteerd en geen rekening dient te worden gehouden met door de Belastingdienst gehanteerde fiscale uitgangspunten en faciliteiten, zoals aftrekposten. Bij de beoordeling van de bijstandsbehoeftigheid ingevolge het Bbz gaat het om de feitelijk beschikbare middelen. Derhalve is in het kader van de onderhavige beoordeling niet bepalend op welk bedrag de Belastingdienst het inkomen van eisers heeft vastgesteld, of de Belastingdienst daarbij rekening heeft gehouden met de door eisers bij aangiften opgegeven winst/verlies en welke aanslagen eisers over de betreffende jaren hebben ontvangen (vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:601, en 18 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2553).

Het voorgaande brengt mee dat de beroepsgrond van eisers, inhoudende dat het college dient uit te gaan van het door de belastinginspecteur vastgestelde inkomen, niet slaagt.

17. Eisers wijzen voorts op het feit dat de Dienst Regelingen in haar advies van 10 maart 2010 al spreekt over de mogelijkheid van bijstand ‘om niet’ en rentereductie op grond van artikel 21 van het Bbz (pagina’s 10 en 19, het woord ‘niet’ op pagina 4 is kennelijk een verschrijving).

De rechtbank overweegt dat uit het advies volgt dat de Dienst Regelingen de cijfers van de jaren 2006-2008 en de voorlopige cijfers over 2009 heeft bekeken, zodat uit het advies niet geconcludeerd kan worden dat eisers voldoen aan de voorwaarden voor bijstand ‘om niet’ over 2009 of 2010 en rentereductie over 2011 of 2012. Daar komt bij dat de Dienst Regelingen spreekt over de waarde van het eigen vermogen in relatie tot mogelijkheid van artikel 21 met verwijzing naar artikel 3, eerste lid, van het Bbz. Dit laatste artikel stelt grenzen aan het eigen vermogen; boven een bepaald eigen vermogen is omzetting op grond van artikel 21 van het Bbz niet mogelijk. De vaststelling van de Dienst Regelingen dat het eigen vermogen van eisers niet in de weg staat aan toepassing van artikel 21, zegt nog niets over de in deze procedure voorliggende vraag of eisers voldoen aan de in artikel 21 gestelde voorwaarde dat het netto inkomen in bepaalde jaren lager is dan de zogenaamde jaarnorm.

18. Tegenover de opmerking van eisers dat het college ambtshalve dient te beoordelen of omzetting van de lening in bijstand ‘om niet’ en rentereductie mogelijk is, stelt het college terecht dat eisers ten behoeve van deze beoordeling wel voldoende gegevens dienen te overleggen.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB moet bij de bijstandverlening aan een zelfstandige in beginsel met alle in het met het kalenderjaar samenvallende boekjaar verworven inkomsten rekening worden gehouden en moet voor de berekening van het netto inkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming (de nettowinst). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2014:3898 en ECLI:NL:CRVB:2014:1073).

19. Niet in geschil is dat de voor de beoordeling relevante jaren de jaren 2009 of 2010 (bijstand ‘om niet’) en 2011 of 2012 (rentereductie) zijn. Wel in geschil is of eisers over deze jaren voldoende gegevens hebben verstrekt.

Zoals hiervoor overwogen, dient uitgegaan te worden van het nettoresultaat uit de jaarstukken. Laatstelijk op 4 juli 2016 heeft het college, onder meer, de definitieve jaarrekeningen over de jaren 2010 t/m 2012 bij eisers opgevraagd.

19.1

Ten aanzien van het verzoek tot omzetting van de lening in bijstand ‘om niet’ wordt het volgende overwogen.

2009

Over het jaar 2009 is een concept financieel verslag 2009 van de vof, mede omvattende de jaarrekening, overgelegd. Dit concept omvat een winst- en verliesrekening welke sluit op een negatief resultaat van € 79.281,-. In het verslag wordt echter opgemerkt dat deze winst- en verliesrekening voorlopig is opgesteld op basis van door eisers verstrekte gegevens om een eerste indruk te geven over het boekjaar 2009. Definitieve jaarstukken ontbreken.

Eisers hebben nog gesteld dat de belastinginspecteur in een navorderingsaanslag over 2009 het verzamelinkomen van eiser (nader) heeft vastgesteld op € 35.388,- negatief, conform het fiscaal rapport 2009 van eiser en het college hier dan ook vanuit dient te gaan.

Nog daargelaten dat deze fiscale vaststelling niet bepalend is, blijkt uit de eveneens overgelegde aanslag inkomstenbelasting over 2009 van eiseres dat de belastinginspecteur is uitgegaan van een geschat belastbaar inkomen van € 40.809,- positief, hetgeen niet strookt met het inkomen uit het fiscaal rapport 2009 van eiseres (€ 32.502,- negatief). In het geval van eiseres is geen navorderingsaanslag overgelegd. Het college wijst hierop in het bestreden besluit I, maar nadere gegevens zijn door eisers niet (ook niet in beroep) overgelegd.

Ten slotte merkt het college ten aanzien van het jaar 2009 op dat inkomsten uit verhuur van de voormalige veestal als caravanopslagplaats niet zichtbaar worden gemaakt. Eisers zijn ook hier niet met gegevens of een toelichting gekomen.

Nu geen definitieve jaarstukken zijn overgelegd, overige overgelegde stukken niet bepalend zijn en deze stukken overigens onduidelijkheid geven, terwijl inkomsten uit verhuur niet duidelijk zijn geworden, heeft het college zich ten aanzien van het jaar 2009 terecht op het standpunt gesteld dat er te weinig informatie is overgelegd.

2010

Over het jaar 2010 zijn geen definitieve jaarstukken overgelegd. Enkel bevindt zich bij het fiscaal rapport 2010 van eiser een winst- en verliesrekening (door het college in het bestreden besluit I een resultatenoverzicht genoemd) en hebben eisers aanslagen inkomstenbelasting overgelegd, waarop negatieve inkomsten zijn vermeld gebaseerd op de gedane aangifte.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht gesteld dat de overgelegde informatie voor een bedrijf met een omzet van € 300.000,- te karig is en dat informatie ontbreekt om toepassing te kunnen geven aan artikel 21 van het Bbz.

Het voorgaande brengt mee dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of voldaan wordt aan de voorwaarden voor bijstand ‘om niet’.

19.2

Ten aanzien van het verzoek om rentereductie wordt het volgende overwogen.

2011 en 2012

Over deze jaren is alleen een concept jaarrekening overgelegd. Verder komen de overgelegde verklaringen van geregistreerd inkomen bij de belastingdienst overeen met de overgelegde aanslagen inkomstenbelasting (behoudens overigens die van eiseres over het jaar 2011).

Over het jaar 2011 merkt het college nog op dat ook hier niet alle inkomsten, gegenereerd buiten het bedrijf, zichtbaar zijn. Eisers zijn ook hier niet met gegevens of een toelichting gekomen.

Nu ook hier definitieve stukken ontbreken, overige overgelegde gegevens niet bepalend zijn, terwijl niet alle inkomsten buiten het bedrijf duidelijk zijn geworden, heeft het college ook ten aanzien van deze jaren kunnen stellen dat de benodigde informatie ontbreekt om te kunnen oordelen of het netto inkomen lager is dan de jaarnorm.

Dit brengt mee dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor rentereductie.

20. Daar waar in het bestreden besluit I opmerkingen worden gemaakt over en vraagtekens worden geplaats bij de hoogte van privé-onttrekkingen over bepaalde jaren, moet aan eisers worden toegegeven dat deze mutaties niet relevant zijn voor de berekening van het netto inkomen. Deze mutaties hebben immers geen invloed op de omzet en zijn niet bepalend voor het netto inkomen. Nu, zoals hiervoor overwogen, relevante stukken voor de vaststelling van het netto inkomen ontbreken, leidt dit echter niet tot een ander oordeel, dan hiervoor onder 19 gegeven.

Terugbetaling

21. Bij besluit van 6 april 2016 (primair besluit II) heeft het college aan eisers een eenmalige aflossingsverplichting van € 97.814,34 opgelegd. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit II heeft de ISD Brabantse Wal, namens het college, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

22. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II eveneens onbevoegd is genomen. Het college heeft het bestreden besluit II op 17 januari 2017 bekrachtigd. Daarmee is het gebrek hersteld. De rechtbank zal het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

23. Het college stelt zich in het bestreden besluit II, samengevat, op het volgende standpunt. Tegen de besluiten van 11 maart 2014 en 10 april 2014 (opzegging van de lening en terugvordering) is geen bezwaar gemaakt, zodat deze in kracht van gewijsde zijn gegaan. Ook is tegen het dwangbevel van 8 april 2015 geen verzet aangetekend, zodat de vordering een executoriale titel heeft. Het primaire besluit II moet volgens het college worden beschouwd als een besluit omtrent de invordering. Het college heeft eisers meerdere malen verzocht om een betalingsvoorstel te doen en zich daaraan te houden. Nu dit niet is gebeurd, is het college gerechtigd te verzoeken om betaling ineens.

24. Met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 4 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5178) overweegt de rechtbank dat het onderhavige besluit meebrengt dat aflossing middels de eerdere betalingsregeling (onder meer nog gehandhaafd bij brief van 13 april 2015) niet langer werd toegestaan, zodat de opgelegde terugbetaling ineens op rechtsgevolg is gericht en dus een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

25. Eisers voeren tegen het bestreden besluit II dezelfde gronden aan als tegen het bestreden besluit I. Zoals hiervoor overwogen, kunnen deze gronden niet slagen. Nu van andere gronden niet is gebleken, heeft het college terecht kunnen komen tot het opleggen aan eisers van een aflossingsverplichting van € 97.814,34.

Daar waar eisers aanvullend hebben aangevoerd dat eiseres ten onrechte in de procedure is betrokken, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen.

26. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.