Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:78

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-01-2018
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
BRE - 16 _ 2131
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:4117, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is door de rechtbank in beginsel niet geselecteerd ter publicatie. De uitspraak is op verzoek alsnog gepubliceerd. Derhalve is er geen samenvatting beschikbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/2131 t/m 16/2134

uitspraak van 8 januari 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 29 februari 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane:
(1) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) van € 7.555 ( [aangiftenummer 1] ) ter zake van een personenauto Ford, type S-Max 2.0 TDCi (VIN: [VIN 1] ; zaaknummer 16/2131);

(2) BPM van € 5.720 ( [aangiftenummer 2] ) ter zake van een personenauto Ford, type S-Max 2.0 TDCi (VIN: [VIN 2] ; zaaknummer 16/2132);

(3) BPM van € 6.938 ( [aangiftenummer 3] ) ter zake van een personenauto Ford, type S-Max 2.0 TDCi (VIN: [VIN 3] ; zaaknummer 16/2133);
(4) BPM van € 4.522 ( [aangiftenummer 4] ) ter zake van een personenauto Ford, type Mondeo (VIN: [VIN 4] ; zaaknummer 16/2134).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017 te Eindhoven. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal is op 17 oktober 2017 aan partijen toegezonden.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017 te Breda. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen toegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    verleent een teruggaaf van de op aangifte voldane BPM in zaaknummer 16/2131 van € 603;

  • -

    verleent een teruggaaf van de op aangifte voldane BPM in zaaknummer 16/2132 van € 458;

  • -

    verleent een teruggaaf van de op aangifte voldane BPM in zaaknummer 16/2133 van € 550;

  • -

    verleent een teruggaaf van de op aangifte voldane BPM in zaaknummer 16/2134 van € 364;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.748;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 aan deze vergoedt.

2 Gronden

Vooraf

2.0

De inspecteur heeft tijdens de eerste zitting verzocht om de inleidende passage van de brief van belanghebbende van 26 september 2017 ‘te schrappen’ gelet op het taalgebruik. De rechtbank gaat hierin, uit symbolisch oogpunt, mee voor zover het de eerste twee alinea’s betreft. Belanghebbende heeft termen als ‘gedrocht’ en ‘gans’ gebruikt om een persoon aan te duiden die bij de Belastingdienst werkzaam is. Dergelijke termen behoren niet te worden gebruikt door een veel procederende professioneel gemachtigde zoals deze gemachtigde.

Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank de achterliggende frustratie van belanghebbende goed begrijpt, te weten de zeer lange duur van uitbetaling door de Belastingdienst van teruggaven. De inspecteur heeft tijdens de tweede zitting ook beaamd dat er helaas grote achterstanden zijn.

Inhoudelijk

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onderhavige personenauto’s. Belanghebbende heeft met betrekking tot de registratie in het Nederlandse kentekenregister van de auto’s, afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie BPM op aangifte voldaan voor de volgende bedragen:

Zaaknummer:

Bedrag:

Aangifte gedaan op:

Betaald op:

16/2131

€ 7.555

28-08-2015

04-09-2015

16/2132

€ 5.720

28-08-2015

04-09-2015

16/2133

€ 6.938

05-10-2015

12-10-2015

16/2134

€ 4.522

11-11-2015

16-11-2015

Hierbij heeft belanghebbende gebruik gemaakt van koerslijsten.

2.2.

Bij uitspraken op bezwaar van 29 februari 2016 heeft de inspecteur de bezwaren tegen de voldoening ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij overwogen dat hij ambtshalve alsnog tegemoet zal komen aan de bezwaren indien de Hoge Raad in de BTW/marge-kwestie in het voordeel van belanghebbende arrest wijst. Hierbij heeft de inspecteur gesteld dat hij per bezwaar 1 punt toekent en 1 punt (in alle zaken) voor het horen.

2.3.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
- in hoeverre heeft belanghebbende teveel BPM op aangiften voldaan?
- heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over de teruggaaf?
- heeft belanghebbende recht op rente over het griffierecht?
- heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?
Verder heeft belanghebbende verzocht om immateriëleschadevergoeding.


Hoogte van de aangiften BPM

2.4.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat in verband met een BTW/marge-correctie belanghebbende recht heeft op de volgende teruggave:

Zaaknummer:

Bedrag:

16/2131

€ 603

16/2132

€ 458

16/2133

€ 550

16/2134

€ 364

2.5.

Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in de zaaknummers 16/2132 t/m 16/2134 nog rekening moet worden gehouden met een waardedruk in verband met ex-rental. Desgevraagd ter zitting of die auto’s ex-rental auto’s zijn, heeft belanghebbende gesteld dat de ex-rentalkorting altijd moet worden toegepast los van het feit of daadwerkelijk sprake is van een ex-rental. De rechtbank begrijpt dat de redenering aldus is dat (i) aangezien er binnenlandse auto’s zijn van hetzelfde type (als de onderhavige auto’s) die ex-rental zijn, de waarde van die auto’s lager is vanwege de ex-rentalstatus en de rest-BPM daarmee ook, (ii) ook op de onderhavige auto’s niet meer dan die rest-BPM mag drukken gelet op artikel 110 VWEU.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze stelling niet. Indien en voor zover een waardedruk bij een ex-rental auto al gelegen zou zijn in de enkele omstandigheid dat sprake is van een “huurverleden”, zijn auto’s zonder een dergelijk huurverleden in zoverre juist niet vergelijkbaar. Voor zover waardedruk bij een ex-rental auto komt door schade die de normale gebruiksschade te boven gaat, kan een andere auto daarmee vergelijkbaar zijn indien bij deze auto sprake is van een vergelijkbaar schade(verleden). Voor een standaard “ex-rentalkorting” is geen aanleiding. Het gelijk is aan de inspecteur.

2.6.

Gelet op wat in 2.4 is overwogen, zijn de beroepen gegrond en zijn teruggaven overeenkomstig de in 2.4 opgenomen tabel verleend.

Vergoeding van rente over de teruggaaf
2.7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341 overwogen dat na 1 januari 2015 uitsluitend de ontvanger van de Belastingdienst bevoegd is deze rente te vergoeden op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990. Het is daarom niet aan de rechtbank om in de onderhavige procedure die rente toe te kennen. Anders dan belanghebbende betoogt dwingt het EU-recht niet om dat wel te doen. Belanghebbende heeft weliswaar op grond van EU-recht recht op vergoeding van rente, maar een lidstaat mag – met inachtneming van beginselen zoals het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel – proceduregels treffen met betrekking tot de wijze waarop aanspraak kan worden gemaakt op de vergoeding. Of de procedure van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 op alle punten in overeenstemming is met het EU-recht, hetgeen belanghebbende bestrijdt, kan in een eventuele procedure tegen een beschikking op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 aan de orde worden gesteld in het geval aan belanghebbende een rentevergoeding zou worden geweigerd.

Rente over griffierecht
2.8. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geen recht op een vergoeding van rente over het griffierecht. Het nationale recht voorziet daarin niet en het EU-recht dwingt daartoe niet (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:131, rov. 4.26 en 4.27).

Immateriëleschadevergoeding

2.9.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade.

2.9.2.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken aangemerkt dienen te worden als samenhangende zaken in die zin dat voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn wordt gehanteerd. De zaken zijn namelijk gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, te weten de BTW/marge-kwestie en in beroep daarnaast ook de ex-rental-stelling (met uitzondering van in één zaak).

2.9.3.

De eerste twee bezwaarschriften, gedagtekend 17 september 2015, zijn door de inspecteur ontvangen op 18 september 2015. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 8 januari 2018, derhalve ruim 28 maanden na de indiening van de bezwaarschriften. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank langer geduurd dan de twee jaar die ook in dit geval kan worden beschouwd als de redelijke termijn van de behandeling in eerste feitelijke aanleg zijnde de bezwaar- en beroepsprocedure.

2.9.4.

Belanghebbende heeft daarmee recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor 4 maanden (28 min 24). De vergoeding is daarmee, uitgaande van € 500 per overschrijding van een half jaar, € 500. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank heeft de Minister voor Rechtsbescherming dan ook veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade.

Proceskosten

2.10.

De rechtbank vindt gelet op hetgeen in 2.6 is overwogen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De rechtbank acht in de onderhavige zaken geen bijzondere omstandigheden aanwezig die de door belanghebbende verzochte vergoeding van de werkelijke kosten rechtvaardigen. De inspecteur heeft zich in de uitspraken op bezwaar op een standpunt gesteld met betrekking tot de BTW/marge-kwestie dat niet kan worden aangemerkt als onhoudbaar, in aanmerking genomen dat destijds nog een cassatieprocedure liep over die kwestie.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bezwaar- en beroepsfase sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), nu zowel voor de bezwaar als beroepsprocedure geldt dat de gronden vergelijkbaar zijn en gemachtigde in de onderhavige zaken nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten (vgl. HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420).

De inspecteur heeft in de uitspraken op bezwaar toegezegd dat hij 5 punten (1 voor elk bezwaarschrift en 1 voor het hoorgesprek) zal toekennen voor de bezwaarfase. Nu dit meer bedraagt dan 2 punten voor bezwaar en een wegingsfactor 1,5 voor samenhang zal de rechtbank voor de bezwaarfase 5 punten toekennen. De kosten voor bezwaar zijn aldus vastgesteld op € 1.245 (5 punten met een waarde per punt van € 249).

De kosten voor beroep zijn vastgesteld op grond van het Besluit op € 1.503 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor de samenhang van de onderhavige zaken).

De totale kosten voor bezwaar en beroep zijn aldus vastgesteld op € 2.748.

Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.