Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:7340

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
6011634 CV EXPL 17-3357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artt. 5:2; 3:99; 3:107; 3:112; 3:113 BW. Percelen op recreatiepark zijn gescheiden door middel van haag en hek die deels over de kadastrale erfgrens zijn geplaatst. Vordering tot ontruiming tot de kadastrale erfgrens. Verweer dat sprake is van verkrijgende verjaring verworpen. Door het ontbreken van feitelijke machtsuitoefening is geen sprake van inbezitneming en dus ook niet van onafgebroken bezit gedurende ten minste 10 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 6011634 CV EXPL 17-3357

vonnis d.d. 25 april 2018

inzake

1 [verweerder]

en

2. [verweerder],

beiden wonend te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

(hierna te noemen: [verweerders] ),

gemachtigde: mr. E.L.H. Verhage,

tegen

1 [gedaagde]

en

2. [gedaagde],

beiden wonend te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

(hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,

gemachtigde: mr. G.P. Buise.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  1. het tussenvonnis van 12 juli 2017 met alle daarin vermelde stukken;

  2. de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting van 10 augustus 2017.

1.2

Na de zitting is vonnis bepaald.

2 Het geschil

In conventie en in reconventie

2.1

In conventie hebben [verweerders] gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen om:

  1. binnen een maand nadat vonnis is gewezen het perceel van [verweerders] te ontruimen tot de kadastrale erfgrens;

  2. binnen 14 dagen nadat vonnis is gewezen de kosten van het kadaster ad € 495,- te betalen;

  3. binnen 14 dagen nadat vonnis is gewezen de kosten van deze procedure te betalen, bij niet tijdige voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede nakosten te betalen.

2.2

[gedaagden] hebben verweer gevoerd en geconcludeerd [verweerders] in hun vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering aan hen te ontzeggen.

2.3

Voor het geval dat de vordering in conventie wordt toegewezen, hebben [gedaagden] gevorderd dat [verweerders] worden verplicht om een deugdelijke erfafscheiding te plaatsen op hun eigen grond teneinde overlast aan [gedaagden] door de dieren van [verweerders] te voorkomen.

2.4

[verweerders] hebben tegen deze (voorwaardelijke) vordering in

reconventie verweer gevoerd.

3 De beoordeling

In conventie

3.1

Het geschil tussen partijen betreft samengevat het volgende.

Partijen zijn eigenaar van naast elkaar gelegen percelen op een recreatiepark te Chaam. [gedaagden] hebben hun perceel en de daarop gelegen recreatiewoning gekocht in 2007; [verweerders] zijn sinds 2010 eigenaar van hun perceel en recreatiewoning.

Beide percelen worden voor het grootste deel feitelijk van elkaar gescheiden door een haag en een hekwerk dat is begroeid met klimop.

Op het verzoek van [verweerders] heeft een medewerker van het kadaster op beide percelen metingen verricht om te komen tot een grensreconstructie. Daarvan is op 23 november 2015 een zogenoemd relaas van bevindingen opgemaakt. Daaruit volgt dat de haag nagenoeg geheel en het hekwerk voor het grootste deel, op het perceel van [verweerders] zijn gesitueerd. Voor deze werkzaamheden heeft het kadaster

€ 495,- gefactureerd, welk bedrag [verweerders] hebben betaald.

[verweerders] vorderen op grond van het bepaalde in artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat hun perceel door [gedaagden] tot aan de kadastrale erfgrens wordt ontruimd, althans, meer bepaald, dat [gedaagden] de haag en, naar ter zitting is aangevuld, het hekwerk verwijderen van hun perceel.

[gedaagden] hebben gesteld dat sprake is van een reeds lang bestaande situatie. Zowel zijzelf, als [verweerders] , als de rechtsvoorgangers van beide partijen waren te goeder trouw met de reeds meer dan 10 jaar bestaande erfgrenzen bekend. [gedaagden] beroepen zich daarom op verkrijgende verjaring van het aan hun zijde van de erfafscheiding gelegen perceeldeel (artikel 3:99 BW).

3.2

[gedaagden] hebben de markering van de kadastrale erfgrens en van de feitelijke erf-afscheiding in het relaas van bevindingen niet bestreden. Vastgesteld wordt dan ook dat de haag en het hekwerk zijn geplaatst op het perceel dat overeenkomstig de oorspronkelijke splitsing van de kavels toebehoort aan [verweerders] . De revindicatie-vordering slaagt dan ook wanneer [gedaagden] niet door middel van verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van het betreffende deel van dat perceel.

3.3

Ingevolge artikel 3:99 lid 1 BW wordt een recht op een onroerende zaak door een bezitter te goeder trouw verkregen wanneer hij die zaak ten minste 10 jaren onafgebroken bezit.

Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 lid 1 BW) en kan onder andere worden verkregen door inbezitneming (artikel 3:112 BW, hetgeen wil zeggen dat een persoon zich de feitelijke macht over het goed verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Een of enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn echter onvoldoende om van inbezitneming te kunnen spreken (artikel 3:113 lid 2 BW). Als maatstaf geldt artikel 3:108 BW, dat vereist dat de machtsuitoefening van dien aard is dat deze naar verkeersopvatting als bezit wordt gekwalificeerd. Bij de beoordeling of iemand naar verkeersopvatting macht over een goed uitoefent moeten alle omstandigheden van het geval, de aard en bestemming van het goed, de wijze waarop de bijzondere betrekking tot dat goed is ontstaan, et cetera, tegen elkaar worden afgewogen.

3.4

Door [gedaagden] is niet gesteld dat het perceeldeel door hun rechtsvoorganger aan hen is verkocht. Ter zitting hebben zij verklaard dat bij de koopovereenkomst geen tekening van hun perceel was gevoegd. Zij zijn er vanuit gegaan dat de toen bestaande erfafscheiding de grens van hun eigendom markeerde. Ter onderbouwing van hun verweer dat het perceeldeel door verjaring is verkregen hebben zij aangevoerd dat de erfafscheiding reeds aanwezig was toen zij in 2007 hun perceel kochten. Nadien hebben zij geen wijzigingen aangebracht, behoudens het vervangen van een rij struikjes door een haag, die zij meer in de richting van hun perceel hebben geplant. De vraag rijst dan of dit naar verkeersopvatting voldoende is om te kunnen spreken van bezit van het perceeldeel door [gedaagden] .

3.5

Naar het oordeel van de kantonrechter moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Aan de enkele, voor derden niet kenbare, wil van [gedaagden] om als rechthebbende op te treden komt in dit verband geen betekenis toe. Om aan te kunnen nemen dat [gedaagden] bezitters van het perceeldeel zijn dient gedurende ten minste 10 jaren sprake te zijn van feitelijke machtsuitoefening daarover door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] met de pretentie dat zij rechthebbenden op dat perceeldeel zijn. Reeds uit hun stelling dat zij na de koop geen wijzigingen op of aan het perceeldeel hebben aangebracht volgt dat van een zodanige machtsuitoefening door [gedaagden] geen sprake is (geweest). Weliswaar is het vervangen van de bestaande beplanting een wijze van machtuitoefening maar dit was eenmalig en daarmee onvoldoende om te kunnen spreken van inbezitneming.

3.6

Daar komt bij dat [verweerders] hebben aangevoerd dat de heg ooit in overleg tussen de rechtsvoorgangers van partijen is geplaatst (dagvaarding, alinea 19). [gedaagden] hebben dit niet weersproken. Daarvan uitgaande en waar niet is gesteld of gebleken dat die rechtsvoorgangers hebben beoogd de eigendomsverhoudingen te wijzigen, is geen sprake van bezit, maar hooguit van houderschap (artikel 3:107 lid 4 BW) dan wel van bruikleen (artikel 7A:1777 e.v. BW). In beide gevallen kan er geen sprake van zijn dat [gedaagden] het perceeldeel voor zichzelf houden, zodat zij dit ook niet door verjaring in eigendom kunnen hebben verkregen.

3.7

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van bezit in de zin van artikel 3:107 lid 1 BW, zodat [gedaagden] niet door middel van verkrijgende verjaring eigenaar van het perceeldeel zijn geworden. De vordering om dit te ontruimen zal dan ook worden toegewezen, en wel op de wijze zoals hierna vermeld.

3.8

Tegen de vordering tot betaling van de kosten van het kadaster hebben [gedaagden] geen verweer gevoerd, zodat deze vordering, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder b BW, eveneens zal worden toegewezen en wel zoals hierna vermeld.

In reconventie

3.9

Voor de vordering om van [gedaagden] om [verweerders] te verplichten een deugdelijke erfafscheiding te plaatsen ontbreekt een deugdelijke grondslag, zodat deze vordering wordt afgewezen.

4 De proceskosten

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden] worden veroordeeld in de proces-kosten van [verweerders] , vermeerderd met wettelijke rente zoals gevorderd (namelijk alleen over de proceskosten in conventie) en hierna vermeld. De proceskosten worden vastgesteld op in totaal € 330,11 (in conventie en in reconventie) en bestaan uit € 101,11 voor de dagvaarding, € 79,00 voor het griffierecht en € 120,- (2 punten à € 60,- in conventie en ½ punt in reconventie) voor het salaris van de gemachtigde van [verweerders] . Nu [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld zijn ook de in conventie gevorderde nakosten toewijsbaar. De gevorderde nakosten zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

- veroordeelt [gedaagden] om binnen een maand nadat dit vonnis aan hen is betekend, het in

deze procedure bedoelde perceeldeel tot de kadastrale erfgrens te ontruimen;

- veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [verweerders] van € 495,-, en

wel binnen 14 dagen nadat dit vonnis is betekend;

- veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 30,00 aan salaris gemachtigde;

In reconventie

- wijst de vordering af;

In conventie en in reconventie

- veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerders]

vastgesteld op € 330,11, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 300,11

vanaf de 15e dag nadat dit vonnis aan is betekend tot aan de dag van gehele voldoening;

- verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goofers en is in het openbaar uitgesproken op

25 april 2018.