Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:7313

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
29-04-2019
Zaaknummer
C/02/343970 / HA ZA 18-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ernstig ongeval wielrenner, aansprakelijkheid eigenaar hond, toedracht, bewijsvermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0677
JA 2019/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/343970 / HA ZA 18-265

Vonnis van 19 december 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. klein Gunnewiek te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek met productie 3.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] door het ongeval met de hond van [gedaagde] heeft geleden en nog zal lijden;

2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval met de hond van [gedaagde] heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen bij wet, vermeerderd met de wettelijke rente;

3. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

2.2.

[gedaagde] voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De navolgende feiten staan in rechte vast:

3.1.1

Op zaterdagmiddag 24 juli 2016 reed [eiser] op zijn racefiets over een grindpad in de omgeving van de “Zandput”, een recreatieplas te Raamsdonkveer. Het pad is ongeveer 1 meter breed en naast het pad bevindt zich aan beide zijden verhoogd gras. Hij naderde rijdende aan de voor hem rechterzijde van het pad [gedaagde] . [gedaagde] liep vanuit [eiser] bezien aan de linkerzijde van het pad [eiser] tegemoet. [eiser] minderde daarbij vaart. Achter [gedaagde] liep de hond van [gedaagde] , een bullterriër.

3.1.2

Toen [eiser] [gedaagde] passeerde is hij ten val gekomen waarbij hij met zijn fiets over de kop is geslagen, als gevolg waarvan [eiser] een dwarslaesie van/aan de bovenste nekwervel (atlas) heeft opgelopen. Hierdoor is hij geheel verlamd geraakt.

3.1.3

Bij de ingang van het recreatiegebied was geen (verkeers)bord met betrekking tot het gebruik van het pad geplaatst. Een medewerker van de gemeente heeft schriftelijk bericht dat op grond van de APV onverharde wegen buiten de bebouwde kom losloopgebieden voor honden zijn en dat het pad wordt aangemerkt als wandelpad en niet als fietspad, gezien de breedte van 1 meter.

3.1.4

In het kader van het door de rechtbank gelaste voorlopig getuigenverhoor zijn [eiser] en [gedaagde] als getuige gehoord. Er waren geen andere getuigen aanwezig bij de val.

3.1.5

Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor heeft [eiser] verklaard dat hij tussen de 10 en 15 km per uur fietste en vaart minderde bij het voorbijgaan van [gedaagde] en dat hij toen voor het eerst de witte hond zag die niet was aangelijnd. De hond liep vanuit [gedaagde] gezien ongeveer 2 meter rechtsachter [gedaagde] . Op dat moment kwam de hond redelijk snel naar het voorwiel van de fiets van [eiser] , raakte het voorwiel de hond licht waarop de hond kennelijk schrok omdat deze onder de trapas van de fiets weer naar links liep. [eiser] schrok, week gelijktijdig uit naar rechts en remde waarna hij over de kop is gegaan.

3.1.6

[gedaagde] heeft blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor verklaard dat zijn bullterriër een lieve speelse hond is die door hem was aangelijnd met een uitlooplijn met een lengte van 5 meter die niet op slot was gezet. De hond liep op enig moment een halve meter rechts achter [gedaagde] die zelf op het gras naast het pad liep. Op het moment dat de rustig rijdende [eiser] [gedaagde] op zijn racefiets passeerde zag hij links van hem het achterwiel omhoogkomen en hoorde hij [eiser] als het ware vallen. [gedaagde] hoorde hem ook iets roepen of schreeuwen. [gedaagde] verklaart voorts dat hij niet heeft gemerkt dat zijn hond van rechts achter hem naar links was gegaan, maar als [eiser] zegt dat hij van de hond geschrokken raakte zou dat zeker zo zijn. De hond had geen verwondingen of uiterlijk kenmerken van een botsing met een fiets. Op het moment dat [eiser] viel was de hond direct bij [eiser] in de buurt om te kijken /snuffelen.

3.2

[eiser] baseert zijn vordering primair op aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW van [gedaagde] als bezitter van de bullterriër voor de schade die door zijn hond is aangericht. [eiser] stelt daartoe dat vast staat dat de hond van [gedaagde] uit eigen energie het ongeval heeft veroorzaakt. Op het moment dat [eiser] en [gedaagde] elkaar passeerden stak de loslopende hond zelfstandig en onverwachts het pad over in de richting van [eiser] . De hond bewoog volgens [eiser] richting het voorwiel van de fiets van [eiser] , rende tegen het voorwiel van de fiets van [eiser] , waardoor [eiser] hevig schrok, krachtig moest remmen, moest uitwijken en hij met zijn fiets over de kop is geslagen. De hond liep ongeveer 2 meter achter [gedaagde] en was niet aangelijnd. Volgens [eiser] veroorzaakte niet slechts de fysieke aanwezigheid maar de eigen én onverwachte beweging van de hond het ongeval. Ook als niet komt vast te staan dat er contact was tussen de hond en de fiets is het oversteken van het pad door de hond voldoende voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW, aldus [eiser] .

3.3

Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Hij stelt daartoe onder meer dat [gedaagde] zijn hond niet in de macht had omdat deze voorafgaand en tijdens het ongeval op enige afstand achter [gedaagde] liep en niet was aangelijnd; of aan een vrije uitlooplijn vast zat op een relatief smal pad, net voldoende om elkaar te passeren. Hoewel [gedaagde] [eiser] tijdig zag aankomen heeft [gedaagde] verzuimd te controleren waar zijn hond liep en deze zo kort aan te lijnen dat [gedaagde] zijn hond onder controle had. Dit terwijl de hond van [gedaagde] een als gevaarlijk bekend staande hond namelijk een bullterriër, is en volgens [gedaagde] ook een speelse hond betreft. De hond liep daarbij buiten het gezichtsveld van [eiser] . Aldus heeft [gedaagde] volgens [eiser] willens en wetens het risico van een incident in het leven geroepen en is [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade van [eiser] , aldus [eiser] .

3.4

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en dat de toedracht van het ongeval niet vast staat. Volgens [gedaagde] staat niet vast dat de hond in aanraking is gekomen met de fiets van [eiser] en evenmin dat de hond in de richting van de fiets van [eiser] is gelopen. [gedaagde] stelt dat zijn hond schuin achter hem in het gras liep op het moment dat hij [eiser] zag naderen. Hij heeft niet gemerkt dat zijn hond van rechtsachter naar linksachter zou zijn gelopen en hij acht het onaannemelijk dat er inderdaad contact is geweest tussen zijn hond en de racefiets van [eiser] . Hij heeft niets gemerkt aan zijn hondenriem, hij heeft de hond niet horen piepen en de hond had geen letsel. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet geslaagd in het bewijs van de toedracht van het ongeval. Hierdoor is niet komen vast staan dat aan de eisen van artikel 6:179 BW is voldaan, namelijk dat de schade is veroorzaakt door de eigen energie van het dier, hetgeen een actieve gedraging van het dier impliceert.

3.5

[gedaagde] weerspreekt aansprakelijk te zijn op grond van onrechtmatig handelen. [gedaagde] betwist dat hij zijn hond overduidelijk niet in zijn macht had en stelt dat hij zijn hond had aangelijnd en wel degelijk onder controle had. [gedaagde] liep met zijn hond aangelijnd in een bij veel hondenbezitters populair recreatiegebied waar honden zelfs los mogen lopen, gaf ruimte aan [eiser] en heeft volgens [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld. Het wandelen met honden in publieke ruimtes is algemeen geaccepteerd in de samenleving en het feit dat een bullterriër - enkel vanwege zijn bijttechniek- als hoog risicovol wordt bestempeld doet daar niet aan af. [gedaagde] betwist dat hij door zijn hond aan een vrije uitlooplijn te hebben aangelijnd willens en weten het risico op incidenten heeft geaccepteerd. Dat een fietser ten val komt door de enkele aanwezigheid van een hond langs een pad is volgens [gedaagde] geenszins redelijkerwijs te voorzien.

3.6

[gedaagde] doet, voor zover hij toch aansprakelijk wordt geacht, een beroep op eigen schuld van [eiser] . Hij meent dat [eiser] ter plaatse niet had mogen fietsen en voert aan dat de voorrem van de fiets van [eiser] zeer strak stond afgesteld. Het zijn dan ook hoofdzakelijk de eigen gedragingen van [eiser] die het ongeval hebben veroorzaakt, aldus [gedaagde] .

3.7

Voor toewijzing van de vordering van [eiser] op grond van de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een dier ingevolge het bepaalde in artikel 6:179 BW is het voldoende indien komt vast te staan dat de hond van [gedaagde] zich in de richting van de fiets van [eiser] bewoog. Gezien het smalle pad waarop of waarnaast [gedaagde] en zijn hond zich bevonden, waarbij de hond zich bezien vanuit [eiser] achter [gedaagde] bevond, is bij een beweging van de hond richting de fiets van [eiser] naar het oordeel van de rechtbank het ongeval te wijten aan de eigen energie van de hond, omdat een dergelijke beweging voldoende is om aan te nemen dat [eiser] als gevolg hiervan heeft geremd en is uitgeweken, als gevolg waarvan hij over de kop is geslagen. [eiser] , die zijn vordering baseert op de rechtsgevolgen van deze beweging van de hond in de richting van zijn fiets, draagt bij voldoende betwisting aan de zijde van [gedaagde] , ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van deze toedracht van het ongeval. [gedaagde] heeft in deze procedure de stellingen van [eiser] over de toedracht van het ongeval, naast een algemene betwisting van al hetgeen door [eiser] is gesteld, slechts betwist door de stelling dat contact tussen de hond en de fiets volstrekt onaannemelijk is. Voorts heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat niet vast staat dat de hond onverwacht overstak en daarbij verwezen naar de getuigenverklaring van [gedaagde] dat zijn hond schuin achter hem (in het gras) liep en dat hij niet heeft bemerkt dat zijn hond van rechtsachter naar linksachter zou zijn gelopen.

Anders dan [gedaagde] meent heeft [eiser] voldaan aan zijn stelplicht in het kader van artikel 6:179 BW door beweren dat de hond van [gedaagde] in zijn richting liep en hij als gevolg daarvan over de kop is geslagen. De vraag of [gedaagde] die stelling van [eiser] wel voldoende heeft betwist, welke vraag voorafgaat aan de vraag of het bewijs is geleverd, zal de rechtbank bevestigend beantwoorden, omdat zij de stellingen van [gedaagde] zo uitlegt dat [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap - zijn hond liep immers achter hem en hij hield de hond bij het ongeval van [eiser] niet in het oog - de door [eiser] uiteengezette toedracht betwist.

3.8

De rechtbank acht vanwege de navolgende feiten en omstandigheden het bewijsvermoeden gerechtvaardigd dat het ongeval is ontstaan doordat de hond van [gedaagde] in de richting van de fiets van [eiser] is gelopen. Vast staat dat de hond voldoende bewegingsvrijheid had om het pad over te steken nu de hond of niet aangelijnd was of was aangelijnd aan een vrije uitlooplijn van 5 meter, terwijl het pad slechts ruim 1 meter breed is. Voorts blijkt uit de verklaringen van [gedaagde] en [eiser] dat [eiser] rustig reed en er voldoende ruimte was voor [eiser] om [gedaagde] te passeren. Vast staat voorts dat [eiser] gelet op de verklaringen van zowel [gedaagde] als [eiser] onmiddellijk na het passeren van [gedaagde] over de kop is geslagen. Vast staat verder dat de hond van [gedaagde] zich tussen 2 meter en een halve meter achter [eiser] bevond. Van andere oorzaken op grond waarvan [eiser] het geraden achtte te remmen anders dan een beweging van de hond in zijn richting, is voorshands niets gesteld of gebleken. Tenslotte geldt dat volgens [gedaagde] zijn hond een speelse hond is en dat [gedaagde] bij het passeren van [eiser] op zijn racefiets op het smalle pad zijn hond niet kort heeft gehouden, niet heeft geïnstrueerd, noch in de gaten heeft gehouden.

[gedaagde] zal toegelaten worden dit bewijsvermoeden te ontkrachten.

3.9

In afwachting van het door [gedaagde] te leveren tegenbewijs zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

laat [gedaagde] toe tot tegenbewijs van het in rechtsoverweging 3.8 geformuleerde bewijsvermoeden,

4.2

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 januari 2019 voor uitlating door [gedaagde] of hij tegenbewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.3

bepaalt dat [gedaagde] , indien hij geen tegenbewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

4.4

bepaalt dat [gedaagde] indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2019 direct dient op te geven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.5

bepaalt dat dit getuigenverhoor tenzij anders wordt beslist zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Van den Heuvel in het gerechtsgebouw te Breda aan Stationslaan 10,

4.6

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink, mr. Van den Heuvel en mr. Van ‘t Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.