Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:7099

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
BRE 17 _ 3472
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:229, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 36 Invorderingswet 1990, artikel 7, tweede lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990

Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap, waarvan hij bestuurder is, niet betaalde omzetbelasting. Immers, het is aan grove schuld van de vennootschap te wijten dat te lage aangifte is gedaan en het is aan belanghebbende te wijten dat de vennootschap niet rechtsgeldig kon melden. In dat geval wordt vermoed dat de niet-betaling van de omzetbelasting door de vennootschap is te wijten aan belanghebbende als bestuurder van de vennootschap. Belanghebbende wordt niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. De door belanghebbende gestelde contacten met de Belastingdienst staan niet aan de aansprakelijkstelling in de weg.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-04-2019
V-N Vandaag 2019/818
V-N 2019/24.2.5
JONDR 2019/619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/3472

uitspraak van 20 december 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 13 juli 2016 op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW) aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 24.900 voor de door [vennootschap] (hierna: de vennootschap) onbetaald gelaten naheffingsaanslag omzetbelasting over het kalenderjaar 2011.

1.2.

De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 april 2017 de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 mei 2017, ontvangen bij de rechtbank op 10 mei 2017, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting, namelijk op 26 oktober 2018 en 29 oktober 2018, per fax nadere stukken ingediend.

1.6.

De rechtbank heeft bij brief van 1 november 2018 de ontvanger verzocht onder hem berustende stukken in te zenden, op welk verzoek hij heeft gereageerd bij brief van 5 november 2018, bij de rechtbank binnengekomen op 8 november 2018. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken en zich voldoende in staat te achten ter zitting hierop te reageren.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen, de ter zitting overgelegde stukken en het verder verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is bestuurder van de vennootschap en was dit ook in het jaar 2011.

2.2.

De vennootschap deed maandaangiften voor de omzetbelasting. Over 2011 heeft de vennootschap, met uitzondering van de maanden februari en juni, nihilaangiften gedaan, zij het voor november eerst nadat aan de vennootschap een naheffingsaanslag naar een geschat bedrag aan omzetbelasting is opgelegd.

2.3.

Op 13 juni 2012 heeft de Belastingdienst de volgende melding ontvangen:

“Hierbij meld ik betalingsonmacht

[vennootschap] ,

[adres] . [woonplaats]

Gaarne bevestiging van dit schrijven.

Bij voorbaat dank. [belanghebbende]

[adres] . [woonplaats] ”

Naar aanleiding van deze melding heeft de ontvanger bij brief van 26 juni 2012 vragen gesteld aan de vennootschap. Bij brief van 3 augustus 2012 heeft de ontvanger de melding van betalingsonmacht beoordeeld als niet rechtsgeldig, onder opgaaf van de volgende redenen:

  • -

    het niet ontvangen van de informatie waar in de brief van 26 juni 2012 om is verzocht;

  • -

    het ontbreken van een openstaande schuld van de vennootschap.

2.4.

Op 18 juli 2013 heeft de vennootschap een suppletieaangifte omzetbelasting over het kalenderjaar 2011 ingediend. Hierin is becijferd dat de vennootschap over 2011 € 27.507 aan omzetbelasting is verschuldigd. Dat is € 24.900 meer dan hetgeen in totaal in de maandaangiften over het jaar 2011 in totaal is verantwoord. Het meerdere heeft betrekking op omzetbelasting die verschuldigd is geworden ter zake van de oplevering van een bouwproject per 6 december 2011.

2.5.

Met dagtekening 26 augustus 2013 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 24.900 en gelijktijdig bij beschikkingen een verzuimboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

2.6.

Bij beschikking van 13 juli 2016 heeft de ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap niet betaalde omzetbelasting ten bedrage van € 24.900.

3 Geschil

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de niet betaalde omzetbelastingschuld van de vennootschap ten bedrage van € 24.900.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking.

3.4.

De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De ontvanger heeft gesteld dat het aan grove schuld van de vennootschap is te wijten, dat de verschuldigde omzetbelasting over 2011 méér beloopt dan die welke overeenkomstig de aangiften is dan wel had moeten worden voldaan. Daarom is volgens de ontvanger bij uitsluiting de meldingsregeling van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: het UB IW) van toepassing. Dat betekent volgens de ontvanger dat melding van betalingsonmacht niet mogelijk is, dat sprake is van een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat belanghebbende, als bestuurder van de vennootschap, hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelasting.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat op de ontvanger de last rust te bewijzen, dat de vennootschap grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan. Daartoe dient de ontvanger feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat de vennootschap grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan. Voor grove schuld is vereist dat de ontvanger aannemelijk maakt dat de vennootschap een aan laakbaarheid grenzende onachtzaamheid heeft betracht, zodat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat te lage aangiften werden gedaan. Indien de ontvanger dit heeft bewezen dan kan een melding die het rechtsgevolg van artikel 36, derde lid, van de IW heeft, niet meer worden gedaan (Hoge Raad 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR7038, BNB 2012/50). Artikel 36, vierde lid, van de IW treedt dan in werking op grond waarvan het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat het niet aan hem is te wijten dat (de vennootschap niet rechtsgeldig kon melden doordat) de vennootschap grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan (Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:HR:2014:2149, BNB 2014/215 en Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:480, BNB 2016/112). Zo hij daarin slaagt, wordt hij toegelaten tot de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs omtrent het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

4.3.

De ontvanger heeft gesteld dat de vennootschap zich gedurende 2011 heeft beziggehouden met één project (namelijk het bouwen van één huis), dat de daarbij behorende administratie beperkt van omvang is en dat ter zake van dat project één factuur is uitgereikt, te weten op 6 december 2011. De omzetbelasting ter zake daarvan had uiterlijk 31 januari 2012 aangegeven en voldaan moeten worden. In plaats daarvan heeft de vennootschap over december 2011 een nihilaangifte ingediend. Gelet op deze omstandigheden acht de ontvanger ongeloofwaardig dat belanghebbende, zijnde de bestuurder van de vennootschap, niet heeft geweten dat er omzetbelasting moest worden aangegeven en voldaan. Bovendien heeft belanghebbende in 2011 zelf enkele aangiften omzetbelasting namens de vennootschap ingediend. Dat de vennootschap bij het doen van de aangiften geen gebruik kon maken van een professionele partij acht de ontvanger niet relevant.

4.4.

Belanghebbende betwist dat de vennootschap grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan en heeft gesteld dat, zo dit anders is, het niet aan hem is te wijten dat (de vennootschap niet rechtsgeldig kon melden doordat) de vennootschap grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij zich heeft beziggehouden met de eigenlijke ondernemingsactiviteiten van de vennootschap en dat hij door toedoen van derden geen accountant, boekhouder of adviseur kon inschakelen, terwijl hij zelf door de bomen het bos niet meer zag.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het aan grove schuld van de vennootschap is te wijten dat over december 2011 te lage aangifte is gedaan. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De omzetbelasting waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, betreft omzetbelasting over december 2011. De rechtbank acht aannemelijk dat de aangiften omzetbelasting over 2011 van de vennootschap namens haar zijn ingevuld en ingediend door belanghebbende. Vast staat immers dat de vennootschap in 2011 geen gebruik (meer) maakte van de dienstverlening van een boekhouder. Gesteld noch gebleken is dat er andere personen betrokken waren bij het doen van de aangifte omzetbelasting over december 2011. In het “rapport inzake een onderzoek in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid” van 7 juni 2016 is vermeld dat niet is gebleken dat er sprake is van een medebeleidsbepaler die tevens als bestuurder van de vennootschap kan worden aangemerkt; belanghebbende heeft dit niet weersproken. Bovendien is de aangifte omzetbelasting over juni 2011, die tot de gedingstukken behoort, ingediend door “ [belanghebbende] ” op een zondag, te weten 7 augustus 2011 om 21:04 uur. In die aangifte is opgaaf gedaan van omzetbelasting die naar de vennootschap is verlegd. Uit deze laatste omstandigheid leidt de rechtbank verder af dat belanghebbende in ieder geval enige kennis van de omzetbelasting had. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ermee bekend was dat niet alleen omzetbelasting op aan de vennootschap gerichte facturen maar ook de omzetbelasting vermeld op door de vennootschap uitgereikte facturen verantwoord moest worden in de aangiften van de vennootschap. In december 2011 heeft de vennootschap slechts één factuur uitgereikt, namelijk op 6 december 2011. De rechtbank acht niet aannemelijk dat deze factuur aan de aandacht van belanghebbende kan zijn ontsnapt; de rechtbank acht daarbij van belang dat de omzetbelasting een bedrag van € 24.900 beliep, hetgeen zowel in absolute als relatieve zin een fors bedrag is. Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende daarom hebben beseft, dan wel had in elk geval behoren te beseffen, dat de omzetbelasting zoals vermeld op deze factuur verschuldigd was geworden en dat die op aangifte had moeten worden voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende door de bomen het bos niet meer zag en dat hij en de vennootschap door toedoen van derden niet over een boekhouder konden beschikken, dient voor rekening en risico van de vennootschap te komen. De rechtbank is van oordeel dat door de ontbrekende of gebrekkige samenwerking met de boekhouder juist een extra alertheid en zo nodig inspanning mocht worden verwacht van de vennootschap. Nu de rechtbank van oordeel is dat het aan grove schuld van de vennootschap is te wijten dat over december 2011 te lage aangifte is gedaan, is bij uitsluiting artikel 7, tweede lid, van het UB IW van toepassing. In dat geval kan niet meer rechtsgeldig worden gemeld en is artikel 36, derde lid, van de IW niet van toepassing. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de melding van betalingsonmacht op 13 juni 2012 is daarom niet relevant.

4.6.

Uit het voorgaande volgt, gelijk de ontvanger heeft gesteld, dat artikel 36, vierde lid, van de IW van toepassing is, op basis waarvan wordt vermoed dat de niet betaling van de omzetbelasting door de vennootschap is te wijten aan belanghebbende als bestuurder van de vennootschap. Belanghebbende wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs met betrekking tot dit vermoeden, indien belanghebbende aannemelijk maakt dat het niet op de voorgeschreven wijze (neergelegd in artikel 36, tweede lid, van de IW) melden niet aan hem is te wijten. In een geval als het onderhavige wil dat zeggen dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de vennootschap de betalingsonmacht niet rechtsgeldig kon melden doordat die grofschuldig een te lage aangifte heeft gedaan.

4.7.

De rechtbank acht belanghebbende niet in die bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft immers geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaraan de gevolgtrekking is te verbinden dat hij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door over december 2011 een nihilaangifte in te dienen. Belanghebbende wordt daarom niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

4.8.

De op 13 juni 2012 gedane melding vermeld in 2.3 en de door belanghebbende gestelde contacten met de Belastingdienst om een betalingsregeling dan wel kwijtschelding te bewerkstelligen, staan niet aan de aansprakelijkstelling in de weg. Ook al zou de ontvanger wetenschap hebben gehad over de financiële problemen van de vennootschap – hetgeen belanghebbende stelt en de ontvanger betwist – dan nog kan deze omstandigheid belanghebbende niet baten. Wetenschap bij de ontvanger heeft immers geen betekenis voor een geval als het onderhavige, waarin de meldingsregeling van artikel 7, tweede lid, van het UB IW bij uitsluiting van toepassing is; zie HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:419, BNB 2014/100.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld en dient de beschikking te worden gehandhaafd.

4.10.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2018 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. A.H.W. Steijn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Stassen‑Kanters, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.