Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:7012

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
7038455 AZ VERZ 18-47
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding artikel 7: 671b lid 1 sub b BW afgewezen. Onvoldoende onderbouwing daadwerkelijke beëindiging

activiteiten. Tegenverzoek toegewezen om pensioeninformatie te verstrekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1411
PR-Updates.nl PR-2018-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 7038455 AZ VERZ 18-47

beschikking d.d. 11 oktober 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CONLINE-RHENANIA BEHEER B.V.,

statutair gevestigd te Nijmegen,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

verder ook te noemen: ‘CRB’,

gemachtigde: mr. H. Barrahmun, advocaat te Eindhoven,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,

verder ook te noemen: ‘[verweerder]’,

gemachtigde: mr. W.A.A. van Kuijk, advocaat te Tilburg.

1 Het procesverloop

1.1

CRB heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend.

1.2

Op maandag 3 september 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben ter gelegenheid van die zitting pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting zijn namens CRB bij brief van haar gemachtigde van 31 augustus 2018 nog aanvullende producties toegezonden.

1.3

Op dezelfde dag, 3 september 2018, heeft de mondelinge behandeling van een tweetal, voor een belangrijk deel gelijkluidende verzoeken van Conline Coatings B.V. (tegen haar werkneemsters [werkneemster I] en [werkneemster II] ), plaatsgehad.

1.4

Na debat ter zitting is (datum van) uitspraak bepaald. Die datum is, om organisatorische redenen, nader bepaald op heden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

2.1

CRB maakt onderdeel uit van de internationale A. Hakpark-groep. CRB is daarvan één van de dochtermaatschappijen. Op haar beurt heeft CRB drie dochtermaatschappijen Conline Coatings B.V. (nader ook ‘CC’), B.V. Handel- en Industriemaatschappij Rhenania (nader ook ‘Rhenania’) en - hier minder relevant - Conline Vastgoed B.V..

2.2

CC, met locaties te Maassluis, Moerdijk en Dordrecht, en Rhenania, met locatie te Nijmegen, presenteren zich op de markt gezamenlijk. Volgens de tekst op de openingspagina van de gemeenschappelijke website houdt ‘Conline-Rhenania’ zich bezig met in- en uitwendige bekleding van buizen voor het transport van olie, gas, water en andere vloeistoffen en levert zij, met productiefaciliteiten in Maassluis, Nijmegen en Dordrecht en opslaglocaties over heel Nederland, haar diensten aan gas-, olie- en watermaatschappijen in Nederland, Europa en de rest van de wereld.

2.3

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 11 mei 1987 in dienst getreden bij CRB. Laatstelijk was hij werkzaam als [functie] CC (visie CRB), dan wel [functie] , verantwoordelijk voor alle locaties, (visie [verweerder] ) tegen een jaarsalaris van € 146.691,97 bruto.

2.4

Veranderende marktomstandigheden hebben de A.Hakpark-groep doen besluiten een reorganisatie door te voeren.

2.5

Op 15 december 2017 heeft CC haar Personeelsvertegenwoordiging (‘PVT’) schriftelijk om advies gevraagd betreffende ‘voorgenomen stopzetting bedrijfsactiviteiten Conline Coatings B.V.’. In de adviesaanvraag is onder meer als volgt uiteengezet:

Na drie opeenvolgende jaren met zeer teleurstellende resultaten heeft A.Hak maatregelen moeten nemen om weer een winstgevende organisatie te kunnen worden die beter in staat is om veranderende marktomstandigheden het hoofd te bieden. Deze maatregelen omvatten onder andere een nieuwe strategie. A.Hak zal zich de komende jaren uitsluitend richten op haar kernactiviteiten: de aanleg van ondergrondse infrastructuur. Coatingwerkzaamheden maken geen deel uit van deze kernactiviteiten. Als onderdeel van deze nieuwe strategie heeft A.Hak in de achterliggende periode verschillende desinvesteringen gedaan. Een aantal slecht renderende bedrijfsactiviteiten is stopgezet en een aantal bedrijfsonderdelen is verkocht. (…).

Eén van de redenen voor de recente verliezen van A.Hak is de afname van omzet in de olie- en gasindustrie, onder andere als gevolg van de sterk gedaalde olieprijs. Ook voor de omzet uit coatingactiviteiten heeft deze verandering in de markt grote gevolgen gehad.

De situatie is voor Conline Coatings BV door een aantal specifieke omstandigheden verder verslechterd:

  • -

    Nederlandse Gasunie NV, reeds vele jaren de grootste klant van Conline Coatings, legt geen grote pijpleidingen meer aan.

  • -

    Bender GmbH, de fabrikant van buizen die coatingwerkzaamheden uitbesteedde aan Conline Coatings, bestaat niet meer.

  • -

    De offshore-industrie voor olie- en gasleidingen biedt voor de voorzienbare toekomst onvoldoende perspectief.

De locatie Moerdijk van Conline Coatings is ten eerste gebouwd en ingericht om te voldoen aan de vraag uit de offshore-industrie; een vraag die enige jaren geleden nog sterk toenam.

Ten tweede zouden activiteiten van de locatie Maassluis overgaan naar Moerdijk, aangezien de locatie Maassluis in de loop van 2018 gesloten wordt en een andere bestemming krijgt. Nu de vraag naar coating van buizen beperkt is en naar verwachting beperkt blijft, in de offshore-markt en daarbuiten, is de financiële positie van Conline Coatings steeds verder onder druk komen te staan door de hoge kosten voor de locatie Moerdijk.

De resultaten van Conline Coatings BV vanaf 2014 geven aan dat ingrijpen onvermijdelijk is. (…)

Om deze redenen is A.Hak tot het voorgenomen besluit gekomen om de activiteiten van Conline Coatings te beëindigen, de locatie Moerdijk op korte termijn te sluiten en op een iets later tijdstip ook de sluiting van de locatie Maassluis doorgang te laten vinden. Bij concrete aanvragen voor CWC-werkzaamheden (Concrete Weight Coating) blijft de locatie te Dordrecht beschikbaar. Voor het onroerend goed op de locatie Moerdijk is een geïnteresseerde koper gevonden.

Deze noodzakelijke maatregelen hebben helaas tot gevolg dat er een einde komt aan de werkgelegenheid voor de 44 personeelsleden van Conline Coating BV en naar verwachting 5 medewerkers van Conline-Rhenania Beheer B.V. Binnen A.Hak en Conline-Rhenania zal worden gezocht naar vervangende arbeidsplaatsen. Naar verwachting zal dit echter maar voor een zeer beperkt aantal mensen tot voortzetting van het arbeidscontract kunnen leiden. (…)’

2.6

Op 12 januari 2018 heeft de PVT haar reactie kenbaar gemaakt en als ‘hoofdadvies’ meegegeven, dat zij niet anders dan tot de conclusie kan komen ‘dat het voorgenomen besluit omgezet kan worden naar een definitief besluit’.

2.7

De betrokken vakbonden (FNV Utrecht, CNV Vakmensen Utrecht en Vakvereniging Het Zwarte Korps Utrecht) zijn door CRB geïnformeerd conform artikel 3 jo. 4 Wet Melding Collectief Ontslag. Op 23 februari 2018 is met hen een sociaal plan Conline Coatings B.V. en Conline-Rhenania Beheer B.V. afgesloten met als datum van inwerkingtreding 15 december 2017 en een looptijd tot en met 31 december 2018. Als uitgangspunt is in dit plan geformuleerd dat wordt beoogd voor iedere betrokken werknemer een passende oplossing te vinden. In dit plan is neergelegd, dat gedurende de periode dat het dienstverband nog niet is beëindigd zal worden getracht de betrokken werknemer te herplaatsen in een passende functie binnen het A. Hak concern indien daarvoor een vacature bestaat en de werknemer zich daarvoor voldoende kwalificeert. Het sociaal plan voorziet verder in een beëindigingsvergoeding ter grootte van de wettelijke transitievergoeding zoals deze met ingang van 1 juli 2015 geldt, een eenmalige extra bruto ontslagvergoeding ter hoogte van
€ 500,00 voor de individuele werknemer die medewerking verleent aan een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het sociaal plan en deze niet herroept, een outplacementtraject en een gemaximeerde vergoeding voor juridische bijstand.

2.8

Voor ondersteuning en/of de begeleiding bij het vinden van ander werk heeft CRB voor de betrokken werknemers het outplacementbureau MEPD te Hengelo ingeschakeld.

2.9

Inmiddels is een aantal betrokken werknemers herplaatst. Met een aantal anderen is een vaststellingsovereenkomst gesloten. Voor de betrokken resterende werknemers, onder wie [verweerder] , is een procedure gevoerd bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (‘UWV’).

2.10

Zo heeft CRB op 26 februari 2018 voor [verweerder] bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens bedrijfseconomische redenen. [verweerder] heeft daartegen verweer gevoerd.

2.11

Het UWV heeft, na twee rondes van hoor en wederhoor, bij besluit van 24 mei 2018 geweigerd om aan CRB toestemming te geven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . Het UWV heeft daartoe onder meer overwogen dat in haar visie CRB

niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de arbeidsplaatsen van de betrokken medewerkers komen te vervallen als gevolg van de sluiting van CC.

Ten aanzien van [verweerder] is daarbij door het UWV meer specifiek nog als volgt overwogen: “Ondanks twee ronden van hoor en wederhoor is het tot op heden niet mogelijk om vast te stellen ten behoeve van welke entiteit, en in welke mate, de heer [verweerder] werkzaamheden verricht. De door u aangevoerde gronden en de geleverde informatie bieden ons onvoldoende inzicht hierin. Wij zijn van mening dat u niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de sluiting van CC gevolgen heeft voor de arbeidsplaats van de heer [verweerder] . Indien werknemer (mede) werkzaam is voor en ten behoeve van Handel- en Industriemaatschappij Rhenania B.V. zien wij niet in waarom zijn arbeidsplaats (geheel) zou moeten komen te vervallen als gevolg van de sluiting van CC. (…) Ook als u aannemelijk had gemaakt dat de sluiting van de locaties Maassluis en Moerdijk behorende bij CC zal leiden tot het verval van arbeidsplaatsen bij CRB, zou dit niet leiden tot een ander oordeel.

2.12

CRB heeft [verweerder] inmiddels op non-actief gesteld, - mede - omdat hij bedrijfsinformatie naar zijn privé-mailadres zou hebben gestuurd.

3 Het verzoek

3.1

CRB verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW.

3.2

Aan dit verzoek legt CRB, kort gezegd, bedrijfseconomische redenen ten grondslag. Die redenen zijn volgens CRB, samengevat, gelegen in een bedrijfsbeëindiging van CC, die onontkoombaar is omdat haar financiële positie, mede door een veranderende markt, steeds verder onder druk is komen te staan. Ingrijpen vanuit het concern is noodzakelijk om weer een winstgevende organisatie te kunnen worden, die beter in staat om veranderende marktomstandigheden het hoofd te (kunnen) bieden, aldus CRB. In de visie van CRB was [verweerder] in de - unieke - functie van [functie] CC verantwoordelijk voor uitsluitend de sales van CC. Omdat CC ophoudt te bestaan vervalt zijn functie bij CRB.

3.3

Herplaatsing in een andere functie is onderzocht, maar niet mogelijk gebleken. Afspiegeling is niet aan de orde omdat [verweerder] een unieke functie vervult en afspiegeling (bovendien) plaats vindt binnen één bedrijfsvestiging, zodat verwijzing naar werknemers die werkzaam zijn in een andere bedrijfsvestiging niet relevant is, aldus nog steeds CRB.

3.4

De hiervoor beknopt weergegeven standpunten van CRB komen, waar nodig en relevant, bij de beoordeling verder aan de orde.

4 Het verweer en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

4.1

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

4.2

In de visie van [verweerder] is zijn functie niet die van [functie] , maar [functie] , werkte hij niet louter voor CC en is het onjuist dat de activiteiten van CC volledig worden gestaakt.

4.3

Volgens [verweerder] moeten CRB, CC en Rhenania als één geheel worden beschouwd; als één bedrijf met vier productielocaties. Zijn werkzaamheden in dienst van CRB verricht hij voor het geheel/de gehele groep. Hij is hiervoor niet alleen commercieel (eind)verantwoordelijk, maar heeft veel bredere taken. Deze taken behoren tot de functie van [functie] , zíjn functie, aldus [verweerder] . Bij de beantwoording van de vraag of er arbeidsplaatsen zijn of komen te vervallen moet, in zijn visie, worden gekeken naar de gehele groep. Dat geldt ook voor toepassing van het afspiegelingsbeginsel en de herplaatsingsplicht.

In de visie van [verweerder] blijft het werk van CC ook na de voorgenomen sluiting van twee van de productielocaties (Maassluis en Moerdijk) behouden, - deels - in Rhenania Nijmegen. Voor zover door de omzetting van activiteiten, klanten, onderhanden werk, een deel van het personeel en activa naar Rhenania Nijmegen feitelijk al geen sprake is van overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW, brengt de omzetting, volgens [verweerder] , in ieder geval met zich dat zijn werkzaamheden niet (zijn) komen te vervallen. Het besluit van het UWV tot weigering van de ontslagvergunning acht hij daarom juist en het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet volgens hem dan ook worden afgewezen.

4.4

Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden verzoekt [verweerder] om toekenning aan hem van een transitievergoeding van € 146.691,97 bruto en een billijke vergoeding van € 220.073,96 bruto.

4.5

Verder verzoekt hij CRB te veroordelen hem binnen 14 dagen na deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00, de navolgende pensioeninformatie ter beschikking te stellen:

  1. pensioenzegging(en) inclusief pensioenpolis(sen) en –reglementen gedurende het gehele dienstverband;

  2. toegezegd pensioenreglement conform brief A.Hak d.d. 6 juli 1989;

  3. alle nieuwe en/of gewijzigde pensioenreglementen na 6 juli 1989;

  4. instemmingsverklaringen van CvO omtrent pensioenreglementen en/of aanpassingen en/of wijzigingen;

  5. en overzicht van jaarlijkse stortingen van werkgevers- en werknemersbijdragen die gedaan zijn bij het pensioenfonds en/of pensioenverzekeraars, inclusief de bedragen van de backservice die bij de pensioenfondsen zijn betaald.

Dit alles met veroordeling van CRB in de kosten van de procedures.

4.6

CRB bepleit afwijzing van zowel het voorwaardelijk gedane verzoek als het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] .

4.7

Ten aanzien van het verweer en de verzoeken van [verweerder] geldt eveneens, dat deze waar nodig en relevant, bij de beoordeling verder aan de orde zullen komen.

5. De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2

CRB heeft het verzoek daartoe tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming door het UWV is geweigerd. Het besluit van het UWV is immers van 24 mei 2018 en het verzoek is ontvangen op 2 juli 2018.

5.3

Aan haar verzoek legt CRB een reorganisatie ten grondslag (als gevolg van de gestelde, maar betwiste sluiting van CC).

Zij baseert haar verzoek op artikel 7:671b lid 1b jo. 7:669 lid 3a BW. Uit die bepalingen volgt dat indien het UWV toestemming voor het ontslag heeft geweigerd de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden, als daar een redelijke grond voor is. In art. 7:669, lid 3 onder a, BW wordt als een redelijke grond aangemerkt:

het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering”.

5.4

In de Ontslagregeling (Stcrt. 2015/12685) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot onder meer het vervallen van arbeidsplaatsen als in artikel 7:669, lid 3 onder a BW bedoeld. Artikel 3 van die regeling luidt als volgt:

Indien arbeidsplaatsen vervallen bij een werkgever, wiens onderneming deel uitmaakt van een groep, of die meer dan één onderneming in stand houdt, wordt de noodzaak voor het vervallen van arbeidsplaatsen beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die van toepassing zijn op de onderneming waar de arbeidsplaatsen vervallen.

5.5

In de toelichting op de Ontslagregeling is over artikel 3 het volgende vermeld:

In dit artikel is geregeld – zoals in de beleidsregels UWV was verwoord – dat indien een onderneming onderdeel uitmaakt van een concern, de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen wordt beoordeeld aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden die van toepassing zijn op de onderneming waar arbeidsplaatsen komen te vervallen. Dat kan betekenen dat ondanks het feit dat in concernverband winst wordt gemaakt maar in een onderneming behorend tot dat concern verlies wordt geleden, en er onvoldoende winstperspectieven zijn, het laten vervallen van arbeidsplaatsen binnen die onderneming als noodzakelijk kan worden aangemerkt voor een doelmatige bedrijfsvoering binnen de desbetreffende onderneming. In een dergelijke situatie kan de werkgever niet verweten worden dat hij passende maatregelen treft, activiteiten reorganiseert en zo nodig op personeelskosten bezuinigt. Het feit dat in concernverband winst wordt gemaakt, doet hier niet aan af. Dit betreft een andere situatie dan die waarin het concern in een slechte financiële positie verkeert en daarom ook van een onderneming die deel uitmaakt van het concern, maar op zichzelf niet in een slechte financiële positie verkeert, offers kunnen worden gevraagd die kunnen leiden tot het verval van arbeidsplaatsen bij deze onderneming. Overigens geldt dat ten aanzien van de mogelijkheden tot herplaatsing in artikel 9, tweede lid, is geregeld dat in het geval een onderneming deel uitmaakt van een concern, bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, steeds mede arbeidsplaatsen in andere tot dit concern behorende ondernemingen moeten worden betrokken.” (Stcrt. 2015, 12685, p. 11-12)

5.6

Artikel 3 van de Ontslagregeling houdt in, kort gezegd, dat de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen wordt beoordeeld aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden van de betrokken onderneming en niet, indien van toepassing, aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden van het verband van het geheel van met elkaar gelieerde ondernemingen waartoe de betrokken onderneming behoort. Blijkens de toelichting (zie hiervoor in 5.5) is de ratio van deze regel dat het laten vervallen van arbeidsplaatsen binnen een afzonderlijke onderneming noodzakelijk kan zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, en dat daaraan niet afdoet dat in het (concern)verband waartoe deze onderneming behoort, als geheel genomen winst wordt gemaakt.

5.7

De Hoge Raad heeft in een recent arrest bepaald dat hoewel de toelichting klaarblijkelijk is geschreven voor de situatie dat iedere onderneming in een afzonderlijke rechtspersoon wordt gedreven, deze ratio ook kan opgaan indien binnen één rechtspersoon bepaalde zelfstandige bedrijfsonderdelen kunnen worden onderscheiden. Een afzonderlijke reorganisatie van een bepaald zelfstandig bedrijfsonderdeel kan immers, gelet op de resultaten van dit bedrijfsonderdeel, noodzakelijk zijn in het belang van zowel het desbetreffende bedrijfsonderdeel als van de rechtspersoon als geheel. In de hier bedoelde gevallen kan daarom, voor zover afzonderlijke beoordeling van de bedrijfseconomische omstandigheden mogelijk is, de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen worden beoordeeld aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden van het zelfstandige bedrijfsonderdeel waar de arbeidsplaatsen vervallen (Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1212).

5.8

Dit betekent dat, als met CRB wordt aangenomen dat CC moet worden aangemerkt als

- ten minste - een zelfstandig bedrijfsonderdeel, voor de beoordeling van het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerder] bij CRB eerst moet worden nagegaan of de noodzaak er is van het vervallen van arbeidsplaatsen bij CC.

5.9

In de UWV uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen versie augustus 2018 (hierna ook: ‘uitvoeringsregels’) is - onder 1.3 en verder - onder meer aangegeven welke informatie een werkgever moet aanleveren bij een ontslagaanvraag op bedrijfseconomische gronden bij het UWV. Hoewel de kantonrechter niet is gebonden aan de in de uitvoeringsregels neergelegde bepalingen, kan en zal daarop hier, naast de betrokken bepalingen uit het BW en de Ontslagregeling, acht worden geslagen. In de uitvoeringsregels wordt voor de aard van de te verstrekken gegevens een onderscheid gemaakt aan de hand van vorm van organisatorische verandering, zoals werkvermindering, bedrijfsverhuizing, als ook de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Volgens 1.3.5 van de uitvoeringsregels worden bij bedrijfsbeëindiging de activiteiten definitief beëindigd. Worden de activiteiten elders voortgezet dan is volgens die bepaling geen sprake van beëindiging. Voor de ‘categorie’ bedrijfsbeëindiging wordt onder meer van belang geacht dat de werkgever stukken overlegt waaruit blijkt dat de werkzaamheden van de onderneming daadwerkelijk worden beëindigd. In geval van sluiting van een afdeling of onderdeel van een onderneming is eenzelfde onderbouwing nodig als voor het beëindigen van een onderneming. In dit geval ontbreekt juist die onderbouwing, althans is deze tot dusver (nog steeds) onvoldoende. Daartoe wordt mede als volgt overwogen.

5.10

Op zichzelf is duidelijk dat A.Hakpark-groep zich door veranderende marktomstandigheden genoodzaakt heeft gezien te reorganiseren en in te zetten op een nieuwe strategie. Dat als onderdeel van die nieuwe strategie een aantal slecht renderende bedrijfsactiviteiten is stopgezet en een aantal onderdelen is verkocht zijn beleidskeuzes die A.Hakpark-groep, binnen de grenzen van goed werkgeverschap, mag maken. Bij de beoordeling van de noodzaak van dat soort strategische keuzes of beleidsbeslissingen past daarom een zekere mate van terughoudendheid. Zo ook waar het de (voorgenomen) sluiting van de bedrijfslocaties te Moerdijk en Maassluis betreft. Dat - uiteindelijk - daadwerkelijk tot sluiting van die locaties zal worden overgegaan is eveneens voldoende duidelijk gemaakt. Daarmee staat echter nog niet vast dat CC al haar bedrijfsactiviteiten staakt, laat staan dat als gevolg van de sluiting - alle - arbeidsplaatsen komen te vervallen.

5.11

Vaststaat dat er, naast de productielocaties in Maassluis en Moerdijk, sprake is van een derde bedrijfslocatie - van CC - te Dordrecht. Op deze locatie bevindt zich onweersproken een machine om leidingbuizen met beton te verzwaren, de zogenaamde Concrete Weight Coating Machine (‘CWC’). Gebleken is dat in Dordrecht de activiteiten met die machine zullen worden voortgezet, zoals ook aan klanten is bericht. Dat dit in de nabije toekomst mogelijk niet langer gebeurt ‘onder de vlag’ van CC, maar onder die van Rhenania neemt niet weg dat CWC-activiteiten dus blijven bestaan. Dit strookt ook met het gegeven dat medewerker [medewerker] , belast met onder meer het verkopen, begeleiden en uitvoeren van CWC-projecten, onlangs opnieuw in de functie van [functie] CWC is benoemd of herplaatst. Ook de (her)plaatsing bij Rhenania van een aantal andere, in de visie van CRB, boventallige werknemers (juridisch verbonden met CRB of CC) duidt erop dat het werk van CC niet - volledig - vervalt, maar voor een belangrijk deel is en wordt voortgezet door Rhenania. In dit verband is mede relevant dat ook activa naar Rhenania zijn overgebracht of omgezet. Dat de balanswaarde van de overgebrachte activa mogelijk niet heel groot is, laat onverlet de gemotiveerde stelling van [verweerder] dat de omzetwaarde daarvan wél groot is. Daarbij komt dat onduidelijk is en blijft wat de bestemming is van de resterende activa. De door CRB ingebrachte overzichtslijst activa met een actuele stand verkoopproces machines biedt in deze onvoldoende houvast, omdat daaruit slechts volgt dat de verkoop daarvan nog niet is gerealiseerd (kunnen worden). Daarmee blijft open de mogelijkheid dat

- ook - de resterende activa of een deel daarvan alsnog naar Rhenania zal worden overgebracht. De beleidskeuze om orders van CC onder te brengen bij Rhenania maakt die mogelijkheid niet ondenkbeeldig. Volgens CRB is die keuze - mede - ingegeven vanuit de gedachte, dat claims van klanten moeten worden voorkomen. Zo al juist, neemt dit niet weg, dat geconstateerd kan en moet worden dat dus - ook - op dit moment werk van CC door Rhenania wordt verricht. Bezien in samenhang met onder meer de aankoop van de CWC lijkt het de intentie van Rhenania om dat voorlopig te blijven doen. Gegeven die constatering is door CRB (veel) te weinig gesteld en feitelijk onderbouwd om haar conclusie, tevens grondslag van haar verzoek, dat sprake is van een algehele bedrijfsbeëindiging van CC, te kunnen rechtvaardigen. Immers worden de activiteiten van CC niet - geheel - gestaakt, maar wordt in ieder geval een gedeelte daarvan voortgezet door Rhenania. Of met de voortzetting van activiteiten van CC door Rhenania een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW is of zal worden bewerkstelligd kan hierbij in het midden blijven.

5.12

Overigens is onvoldoende aangetoond, dat de bedrijfssluiting te Maassluis al een feit is. Niet voldoende inzichtelijk is gemaakt per wanneer de activiteiten daar daadwerkelijk zullen worden gestaakt. Dat klanten al niet meer voor orders bij CC (Maassluis) terecht kunnen, valt moeilijk te rijmen met het verweer, dat een order is teruggezet naar Maassluis, omdat in Nijmegen niet kon worden voldaan aan de verwachtingen van de betrokken klant.

Maar belangrijker nog, is gebleken dat tussen CC enerzijds en onder meer Gasunie en Vallourec anderzijds langdurige verplichtingen bestaan. CRB heeft (nog) niet kunnen aangeven of en zo ja, per wanneer tot een tussentijdse beëindiging van de contracten met die partijen kan worden gekomen. Volgens CRB is zij daarover met partijen in onderhandeling. Dit zegt echter niets over de data en kans van slagen daarvan. Het lijkt erop dat ook in zoverre het werk van CC - voorlopig - nog in stand blijft. Een andersluidende stelling had CRB nader kunnen en moeten onderbouwen. CRB heeft dat nagelaten.

5.13

Door CRB is aldus onvoldoende - nader - gesteld en onderbouwd om er, in het licht van het gemotiveerde verweer van [verweerder] , van uit te kunnen gaan dat de activiteiten van CC daadwerkelijk worden beëindigd. Het op die grondslag gebaseerde ontbindingsverzoek stuit reeds daarop af. Maar ook als wordt uitgegaan van een herstructurering van werkzaamheden in verband met sluiting van de locaties te Moerdijk en Maassluis, geldt dat CRB niet duidelijk heeft kunnen maken dat het werk na die herstructurering minder arbeidsplaatsen behoeft en dat er daarom noodzakelijkerwijs arbeidsplaatsen komen te vervallen.

5.14

Ten aanzien van de arbeidsplaats van [verweerder] geldt daarbij in het bijzonder nog als volgt.

5.15

Zoals reeds overwogen, heeft een werkgever de vrijheid zijn bedrijf op onderdelen te reorganiseren. Hoewel de noodzaak voor het vervallen van arbeidsplaatsen in beginsel per onderdeel moet worden beoordeeld, kan er in dit geval niet aan worden voorbij gezien dat CRB, CC en Rhenania sterk met elkaar zijn verweven. De arbeidsplaats van [verweerder] lijkt in het geheel van ‘de groep’ te zijn ingebed. Hoewel hij juridisch verbonden is met CRB, stelt [verweerder] zijn werk, al dan niet in de functie van [functie] , evenals anderen, te verrichten voor alle locaties, dus (ook) CC én Rhenania. CRB heeft die gemotiveerde stellingname onvoldoende kunnen ontzenuwen. Ook in het kader van dit geding is onvoldoende inzichtelijk (gemaakt) ten behoeve van welke locaties, en in welke mate, [verweerder] werkzaamheden verricht. Niet is aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de locaties Moerdijk en - op termijn - Maassluis directe gevolgen heeft voor de arbeidsplaats van [verweerder] . CRB heeft verzuimd duidelijk te maken hoeveel werk er door en na de herstructurering daadwerkelijk is en zal komen te vervallen en hoe het overgebleven werk zal worden verdeeld over locaties en functies.

5.16

De slotsom luidt dan ook dat er geen sprake is van een redelijke grond voor ontbinding. Het ontbindingsverzoek zal daarom worden afgewezen. In het verlengde daarvan behoeven overige punten van geschil, die partijen verdeeld houden (zoals die omtrent de functie van [verweerder] , de afspiegelings- en de herplaatsingsplicht) geen nadere beoordeling en beslissing.

5.17

In de aard van de procedure en de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gezien te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

5.18

[verweerder] heeft verzocht om toekenning aan hem van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Dit voor het - subsidiaire - geval, dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Het ontbindingsverzoek is afgewezen en de voorwaarde waaronder [verweerder] om toekenning van vergoedingen heeft verzocht is dus niet vervuld. Dit brengt met zich dat dit verzoek niet - verder - kan en zal worden behandeld.

In de zaak van het tegenverzoek

5.19

[verweerder] verzoekt CRB, op straffe van een dwangsom, te veroordelen hem de pensioeninformatie te verstrekken als hiervoor sub 4.5 uiteengezet. CRB heeft een afwijzing van dit verzoek bepleit. Ter zitting heeft zij aangegeven, dat er geen sprake is van onwil om aan het verzoek van [verweerder] te voldoen, maar van onmacht om de gevraagde informatie binnen de door [verweerder] verlangde termijn te verstrekken.

5.20

[verweerder] heeft de termijn, waarbinnen hij de informatie wenst te ontvangen, in zijn verzoek gesteld op uiterlijk 14 dagen na deze beschikking. Deze termijn is kort te noemen, maar het verweer van CRB ‘dat [verweerder] op stel en sprong op straffe van een dwangsom alle informatie wil’, wordt reeds achterhaald door haar erkenning ter zitting, dat de vraag om pensioeninformatie al (veel) langer speelt.

5.21

Dat het verzoek van [verweerder] op zichzelf gerechtvaardigd is, is niet betwist. Het verzoek is daarom toewijsbaar. Of daarbij al dan niet spoedeisend belang bestaat is hier niet relevant. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming, wordt aangewezen geacht. De op te leggen dwangsom zal (wel) worden gematigd en gemaximeerd. De termijn

waarbinnen de informatie moet zijn verstrekt zal worden verlengd tot drie maanden. Voor een dergelijke verlenging van de termijn bestaat aanleiding, omdat CRB voor het voldoen aan het verzoek van [verweerder] mogelijk - mede - van derden afhankelijk is.

5.22

De proceskosten komen voor rekening van CRB, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek:

6.1

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de zaak van het tegenverzoek:

6.3

veroordeelt CRB om binnen drie maanden na deze beschikking, dus uiterlijk 10 januari 2019, aan [verweerder] de navolgende pensioeninformatie ter beschikking te stellen:

a) pensioenzegging(en) inclusief pensioenpolis(sen) en –reglementen gedurende het gehele

dienstverband toegezegd;

b) pensioenreglement conform brief A.Hak d.d. 6 juli 1989;

c) alle nieuwe en/of gewijzigde pensioenreglementen na 6 juli 1989;

d) instemmingsverklaringen van CvO omtrent pensioenreglementen en/of aanpassingen

en/of wijzigingen;

e) een overzicht van jaarlijkse stortingen van werkgevers- en werknemersbijdragen die

gedaan zijn bij het pensioenfonds en/of pensioenverzekeraars, inclusief de bedragen van

de backservice die bij de pensioenfondsen zijn betaald;

6.4

bepaalt dat CRB een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag dat zij na 10 januari 2019 nalaat aan de sub 6.4 uitgesproken veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;

6.5

veroordeelt CRB tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerder] gevallen en tot op heden begroot op € 400,00 aan gemachtigdensalaris;

6.6

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.K.N. Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 11 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.