Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6939

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4313
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aftrekbeperking artikel 15, vijfde lid van de Wet OB, artikel 176, tweede volzin, van de Btw-richtlijn betaaldvoetbalorganisatie, aftrek voorbelasting cateringkosten business seats, neutraliteitsbeginsel.

Belanghebbende is een betaaldvoetbalorganisatie en biedt tegen vergoeding business seats aan waar thuiswedstrijden kunnen worden bijgewoond en gebruik kan worden gemaakt van catering. De vergoeding voor het gebruik van een business seat is één vaste prijs inclusief catering. De catering wordt door een derde partij verzorgd, die daarvoor aan belanghebbende kosten in rekening heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van deze cateringkosten terecht is nageheven gelet op artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB. De diverse beroepsgronden van belanghebbende worden verworpen:

- het begrip "verstrekken aan personen" in artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB is niet beperkt tot degenen die spijzen en dranken afnemen én (als eindverbruiker) consumeren (vgl. Hoge Raad van 25 augustus 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5426);

- de nationale wetgever mag op grond van artikel 176, tweede volzin, van de Btw-richtlijn een reeds voor 1979 bestaande aftrekbeperking, zoals de onderhavige, handhaven;

- het neutraliteitsbeginsel betekent niet dat in gevallen waarin goederen of diensten (mede) voor particuliere consumptie worden gebruikt geen beperkingen van het recht op aftrek van de op die consumptie drukkende omzetbelasting mogen worden opgenomen;

- belanghebbende heeft de cateringkosten niet afzonderlijk doorbelast en kan daardoor geen geslaagd beroep doen op een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst.

Met betrekking tot de boetes oordeelt de rechtbank dat deze passend en geboden zijn en geen sprake is van een pleitbaar standpunt omdat belanghebbende er niet van mocht uitgaan dat zij recht op de geclaimde aftrek had. De rechtbank vermindert de boetes in verband met undue delay.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-03-2019
FutD 2019-0820
V-N Vandaag 2019/706
V-N 2019/23.28.12
NTFR 2019/1363 met annotatie van mr. J.P.W.H.T. Becks, drs. J. van der Laan
Belastingadvies 2019/12.9
NLF 2019/0749 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/4313 tot en met 17/4316

uitspraak van 13 december 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen en boete- en rentebeschikkingen tot de volgende bedragen opgelegd:

Zaaknummer:

17/4313

17/4314

17/4315

17/4316

Dagtekening:

28 december 2015

25 april 2016

30 juli 2016

30 juli 2016

Tijdvak:

1 juli 2010 tot en met 30 juni 2011 (hierna: 2010/2011)

1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012

(hierna: 2011/2012)

1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013

(hierna: 2012/ 2013)

1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 (hierna: 2013/2014)

Omzetbelasting:

€ 118.593

€ 39.887

€ 50.649

€ 52.519

Vergrijpboete (10%):

€ 11.858

€ 4.053

€ 4.920

€ 4.920

Rente:

€ 17.362

-

€ 5.940

€ 4.452

1.2.

De inspecteur heeft op 6 mei 2017 de volgende uitspraken op bezwaar gedaan:

Tijdvak:

2010/2011

2011/2012

2012/2013

2013/2014

Dictum:

ongegrond

gegrond

gegrond

gegrond

Omzetbelasting:

€ 118.593

€ 39.368

€ 48.435

€ 50.324

Boete:

€ 11.858

€ 4.002

€ 4.843

€ 4.920

Rente:

€ 17.362

-

€ 4.630

€ 3.259

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 15 juni 2017, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroepen ingesteld.

1.4.

Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende éénmaal griffierecht geheven van € 333.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2018 te Breda.

Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

1.8.

Bij brief van 23 oktober 2018 heeft de rechtbank partijen bericht dat de uitspraaktermijn met zes weken is verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een betaaldvoetbalorganisatie en biedt aan bezoekers en sponsoren tegen vergoeding business seats aan waar thuiswedstrijden kunnen worden bijgewoond en gebruik kan worden gemaakt van een buffet en dranken (hierna: de catering).

2.2.

Tot 1 oktober 2012 werd de catering in de business seats verzorgd door [A BV] . Vanaf 1 oktober 2012 wordt de catering verzorgd door [B BV] (hierna: [B BV] ). [B BV] heeft voor de catering facturen inclusief omzetbelasting uitgereikt aan [belanghebbende] .

2.3.

Belanghebbende heeft de door [B BV] in rekening gebrachte cateringkosten (hierna: de cateringkosten) niet afzonderlijk doorbelast aan de houders van business seats, maar heeft voor het gebruik van een business seat inclusief catering één vaste prijs berekend en heeft over die prijs 6% omzetbelasting gefactureerd.

2.4.

Belanghebbende heeft de omzetbelasting die in de onderhavige tijdvakken ter zake van de in de business seats verstrekte spijzen en dranken door [B BV] aan haar in rekening is gebracht, in aftrek gebracht.

2.5.

Op 23 juni 2014 is bij belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2014.

2.6.

Van de bevindingen van dit onderzoek is een conceptrapport opgesteld dat op 27 oktober 2015 aan belanghebbende is verzonden. In dit conceptrapport zijn vergrijpboetes aangekondigd. Het definitieve rapport is gedagtekend 2 maart 2016 (hierna: het rapport).

2.7.

Naar aanleiding van het rapport zijn de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen, met boete- en rentebeschikkingen opgelegd.

2.8.

Bij de uitspraken op bezwaar van 6 mei 2017 (zie 1.2) is het bezwaar tegen het tijdvak 2010/2011 ongegrond verklaard, zijn de bezwaren met betrekking tot de tijdvakken 2011/2012, 2012/2013 en 2013/2014 gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 486.

2.9.

Tijdens het boekenonderzoek over de periode 2003-2009 en de daaropvolgende bezwaarfase is belanghebbende door de inspecteur gewezen op de mogelijkheid om uitsluiting van aftrek van omzetbelasting te voorkomen (hierna: de goedkeuring). Zo heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar van 6 maart 2009 onder meer geschreven: "Indien de horecaverstrekkingen niet afzonderlijk worden in rekening worden gebracht, vindt in deze gevallen toch correctie plaats bij de leverancier".

2.10.

De KNVB heeft in haar "Fiscale nieuwsbrief betaald voetbal " van 25 maart 2011 naar aanleiding van overleg met de Belastingdienst op 10 maart 2011 onder meer bericht:

" De catering moet, evenals bij business-seats, afzonderlijk op de factuur of op een bijlage bij de factuur worden vermeld, waarbij expliciet wordt vermeld dat de afnemer de omzetbelasting op het catering-deel niet in aftrek kan brengen. (...) Als de catering door de BVO [rechtbank: betaald voetbal organisatie ] niet afzonderlijk op factuur wordt doorberekend, vindt een correctie van de aftrek bij de BVO plaats over de inkoop-BTW met betrekking tot de catering".

2.11.

Belanghebbende heeft voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2010 gebruik gemaakt van de goedkeuring door de cateringskosten afzonderlijk op de factuur vermelden en de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van deze cateringskosten in aftrek te brengen. Van 1 juli 2010 tot en met 30 juni 2014, wat is gelegen in de periode waarop het onderhavige boekenonderzoek betrekking heeft, heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt van de goedkeuring (de cateringskosten zijn niet afzonderlijk doorbelast), maar heeft zij de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting met betrekking tot de cateringskosten wel in aftrek gebracht.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Dienen de naheffingsaanslagen over de jaren 2010/2011 en 2011/2012 om een formele reden vernietigd te worden?

  2. Is de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van de cateringkosten terecht nageheven? (De overige correcties zijn niet in geschil)

  3. Zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd voor zover die betrekking hebben op de nageheven omzetbelasting in verband met de cateringkosten, en zo ja niet naar een te hoog bedrag? (De boetes zijn voor het overige niet in geschil)

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben verklaard.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslagen over 2010/2011 en 2011/2012 (subsidiair tot vermindering met € 16.652 respectievelijk € 19.244) en vermindering van de naheffingsaanslagen met € 24.254 over het tijdvak 2012/2013 en met

€ 30.069 over het tijdvak 2013/2014, en dienovereenkomstige vermindering van de boetes en rente.

3.4.

In het verweerschrift en ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat drie naheffingsaanslagen niet overeenkomstig de cijfermatige conclusies van het rapport zijn vastgesteld. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen voor de tijdvakken 2010/2011 en 2011/2012 alsmede de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen daarom op 18 augustus 2017, derhalve ná instelling van de beroepen, ambtshalve verminderd. Omdat de naheffingsaanslag over 2013/2014 bij de uitspraak op bezwaar tot een lager bedrag is verminderd dan waartoe het rapport concludeert, is deze naheffingsaanslag niet verminderd.

Ter zitting heeft de inspecteur gemeld dat de naheffingsaanslag 2011/2012 te weinig is verminderd, namelijk met € 2.159 minus € 519 in plaats van met € 2.195 minus € 519.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen BRE 17/4313 en 17/4314, vernietiging van de desbetreffende uitspraken op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslagen voor het tijdvak 2010/2011 tot € 109.381 en voor het tijdvak 2011/2012 tot € 37.692 en overeenkomstige vermindering van de boetes tot € 10.936 respectievelijk

€ 3.769. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen BRE 17/4315 en 17/4316.

4 Beoordeling van het geschil

Dienen de naheffingsaanslagen 2010/2011 en 2011/2012 vernietigd te worden?

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd binnen de van toepassing zijnde vijfjaarstermijn. Belanghebbende heeft niettemin – voor het eerst ter zitting – aangevoerd dat de naheffingsaanslagen 2010/2011 en 2011/2012 vernietigd dienen worden. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat de inspecteur ter zake van de ambtshalve toegepaste verminderingen van 18 augustus 2017 voor de tijdvakken 2010/2011 en 2011/2012 heeft gehandeld in strijd met de termijnen van paragraaf 23, onderdeel 9, onder b, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht in combinatie met artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Als gevolg van de overschrijding van deze termijn moet de inspecteur geacht worden niet meer ambtshalve te kunnen verminderen. De fouten die aanleiding hebben gegeven tot de ambtshalve verminderingen kunnen derhalve niet meer worden hersteld. Dit gebrek moet er in de visie van belanghebbende toe leiden dat de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 2010/2011 en 2011/2012 moeten worden vernietigd.

De rechtbank verwerpt dit betoog, nu het geen steun vindt in het recht.

Is de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van de cateringkosten terecht nageheven?

4.2.

In de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is - voor zover hier van belang - bepaald:

Artikel 2 [Aftrek van omzetbelasting]

Op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, wordt in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, ter zake van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen en ter zake van invoer van voor hem bestemde goederen.

Artikel 15 [Aftrek van voorbelasting]

1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

(...)

5. Geen aftrek vindt plaats van belasting welke in rekening is gebracht ter zake van het verstrekken van spijzen en dranken voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden.

In artikel 176 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn) is bepaald:

De Raad bepaalt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat. In ieder geval zijn uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek uitgesloten.

Totdat de in de eerste alinea bedoelde bepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving op 1 januari 1979 dan wel, voor de lidstaten die na die datum tot de Gemeenschap zijn toegetreden, op de datum van hun toetreding voorzag.

Artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB

4.3.

Belanghebbende heeft gesteld dat de aftrekbeperking van artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB niet van toepassing is, omdat geen sprake is van het "verstrekken aan personen" zoals bedoeld in deze bepaling. Belanghebbende verdedigt de stelling dat haar situatie moet worden geschaard onder artikel 15, eerste lid, van de Wet OB, zodat volgens de hoofdregel recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Volgens belanghebbende moet het begrip "verstrekken aan personen" worden beperkt tot degenen die spijzen en dranken afnemen én (als eindverbruiker) consumeren. Het heffingssysteem van de omzetbelasting beoogt immers het consumptief (eind)verbruik) te belasten. Aangezien niet belanghebbende maar de business seat houders (en/of hun gasten) de spijzen en dranken hebben geconsumeerd (en daarmee eindverbruikers zijn), moet de aftrekbeperking bij belanghebbende achterwege blijven. Volgens belanghebbende wordt deze uitleg bevestigd door het feit dat aftrekbeperking bij belanghebbende leidt tot cumulatie van omzetbelasting, omdat belanghebbende de niet aftrekbare omzetbelasting (als tussenschakel) met berekening van omzetbelasting doorbelast aan de eindverbruikers (business seat houders). De rechtbank overweegt als volgt.

De door belanghebbende voorgestane uitleg van artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 augustus 1993 ECLI:NL:HR:1993:ZC5426, gepubliceerd in BNB 1993/305) niet juist. In dit arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof (Amsterdam), dat aan toepassing van de aftrekbeperking niet afdoet dat de spijzen en dranken worden verstrekt aan de door de sponsors uitgenodigde gasten, immers juist geacht. Met andere woorden, voor toepassing van de aftrekbeperking is niet vereist dat belanghebbende tevens degene is die de spijzen en dranken consumeert (de eindverbruiker). Het onderhavige geval is een situatie die geschaard moet worden onder het bepaalde van artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB. Het bepaalde in het vijfde lid is een lex specialis ten opzichte van de hoofdregel van het eerste lid van artikel 15 van de Wet OB. De stelling van belanghebbende dat aan het bepaalde in het vijfde lid niet wordt toegekomen, indien het eerste lid van toepassing is, is onjuist gelet op de wetssystematiek. De gevolgen daarvan kunnen onder omstandigheden ruw zijn, maar dat is een bewuste keuze geweest van de wetgever. De inspecteur erkent - naar het oordeel van de rechtbank terecht - dat door toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB in sommige situaties het risico van cumulatie van heffing bestaat. Ter voorkoming daarvan heeft de inspecteur een goedkeuring ingevoerd. Belanghebbende heeft in de onderhavige tijdvakken de goedkeuring niet toegepast. Het bestaan van deze goedkeuring neemt echter niet weg dat in dit geval sprake is van een juiste wetstoepassing door de inspecteur.

Btw-richtlijn

4.4.

Op grond van artikel 176, tweede volzin, van de Btw-richtlijn mag de nationale wetgever een reeds voor 1979 bestaande aftrekbeperking handhaven zolang in het Unierecht nog niet is vastgesteld voor welke uitgaven geen recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Nu deze vaststelling er nog niet is en de aftrekbeperking van het vijfde lid van artikel 15 van de Wet OB reeds met ingang van 1 januari 1979 bestaat, wordt deze beperking niet opzij gezet door de Btw-richtlijn (vgl. HvJ 15 april 2010, nr. C‑33/09, (Oracle), ECLI:EU:C:2010:192). Alle in de onderhavige zaak centraal staande catering valt onder deze beperking. Belanghebbendes beroep op de Btw-richtlijn faalt dan ook.

Neutraliteitsbeginsel

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB in strijd is met het neutraliteitsbeginsel, omdat op basis van dat beginsel moet worden uitgegaan van een aftrekstelsel waarbij de omzetbelasting uitsluitend op de eindverbruiker drukt, terwijl in dit geval de aftrekbeperking leidt tot een situatie waarin de omzetbelasting op belanghebbende als tussenschakel drukt.

De rechtbank stelt voorop dat het recht op vooraftrek een fundamenteel beginsel is van het btw-stelsel, maar dat dat niet wegneemt dat in gevallen waarin goederen of diensten (mede) voor particuliere consumptie worden gebruikt beperkingen van het recht op aftrek van de op die consumptie drukkende omzetbelasting mogen worden opgenomen. Voorts kan een eventuele strijdigheid met het neutraliteitsbeginsel niet leiden tot het buiten toepassing laten van de aftrekbeperking van artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB, aangezien die beperking op grond van artikel 176 van de Btw-richtlijn mag worden gehandhaafd (zie rechtsoverweging 4.4).

Kennisgroepstandpunt

4.6.

Volgens belanghebbende volgt uit een advies van de kennisgroep omzetbelasting van de Belastingdienst van 25 augustus 2005 (hierna: het kennisgroepstandpunt) dat artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB niet van toepassing is. Belanghebbende wijst daartoe op de volgende passage: "Daarom mag in de situatie waarin vaststaat dat het evenementenbureau een prestatie verricht zoals bedoeld is in artikel 15 lid 5 van de Wet OB, het evenementenbureau de aan hem in rekening gebracht omzetbelasting in aftrek brengen."

De rechtbank overweegt dat, nog ervan afgezien dat belanghebbende geen evenementenbureau is, belanghebbende bij haar interpretatie van het kennisgroepstandpunt voorbijgaat aan de daarin opgenomen voorwaarde, zijnde: "Ten einde zeker te stellen dat de afnemer van het evenementenbureau artikel 15 lid 5 Wet OB toepast dient het evenementenbureau hetzij op de uitgaande factuur te vermelden dat zijn prestatie betrekking heeft op het verstrekken van voedingsmiddelen voor gebruik ter plaatse (...) en dat de omzetbelasting op grond van artikel 15 lid 5 de Wet OB niet aftrekbaar is." Met andere woorden voor aftrek is vereist dat het evenementenbureau (in dit geval zou dat zijn: belanghebbende) de verleende diensten afzonderlijk vermeldt, zodat controleerbaar is dat de afnemer (de business seathouder) de in rekening gebrachte omzetbelasting over het consumptieve gebruik niet in aftrek brengt. Nu vaststaat dat belanghebbende dat niet heeft gedaan, kan zij ook om deze reden geen geslaagd beroep doen op dit kennisgroepstandpunt.

4.7.

Belanghebbende heeft voorts onder verwijzing naar het kennisgroepstandpunt gesteld dat de verhuur van de business seats en de catering moeten worden gezien als één samengestelde dienst waarbij de ter beschikkingstelling van de business seats de hoofdienst vormt en de catering een bijkomende prestatie is zodat artikel 15, vijfde lid, van de Wet OB niet van toepassing is. De rechtbank verwerpt deze stelling, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bijwonen van de wedstrijd het primaire doel is van de huur van een business seat en de catering daarin opgaat.

4.8.

Gelet op het voorgaande, heeft de inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van de cateringkosten terecht nageheven. Voor dat geval is de berekening van de naheffingsaanslagen zoals de inspecteur die uiteindelijke bepleit (zie 3.4) niet in geschil.

De hoogte van de vergrijpboetes

Grove schuld

4.9.

De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de AWR, in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), een vergrijpboete van (uiteindelijk) 10% opgelegd wegens grove schuld. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van grove schuld. Om van grove schuld te kunnen spreken moet sprake zijn van een ernstig verwijt, dat wil zeggen een dermate lichtvaardig handelen dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid.

4.10.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft belanghebbende ten onrechte aftrek van voorbelasting met betrekking tot de cateringkosten geclaimd en is daardoor te weinig omzetbelasting voldaan. Gelet op de in 2.9 aangehaalde brief van de inspecteur, de in 2.10 aangehaalde fiscale nieuwsbrief van de KNVB alsmede het feit dat belanghebbende in een eerder tijdvak (2009/2010) gebruik heeft gemaakt van de goedkeuring (zie 2.11) is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ten minste had moeten weten dat zij indien zij niet handelde overeenkomstig de goedkeuring, geen recht had op de geclaimde vooraftrek. Door de omzetbelasting van de cateringskosten desondanks toch in aftrek te brengen, is bij belanghebbende sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Dat in de onderhavige tijdvakken sprake was van personeelswisselingen en een wijziging van de boekhoudsoftware maakt dit oordeel niet anders. De inspecteur stelt daartoe immers terecht dat belanghebbende maatregelen had moeten nemen om bij dergelijk wijzigingen te zorgen dat de aanwezige kennis omtrent de goedkeuring en de facturering zou worden overgedragen en toegepast.

Pleitbaar standpunt

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet verdedigbaar dat belanghebbende kon menen juist te handelen door ervan uit te gaan dat zij recht had op aftrek van de over de cateringskosten aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting. Belanghebbende stelt terecht dat het algemene uitgangspunt van de omzetbelasting is dat deze het consumptieve eindgebruik belast. Dat betekent echter niet dat belanghebbende in haar geval ervan uit mocht gaan dat zij recht op de geclaimde aftrek had. Belanghebbende mag immers geacht worden bekend te zijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 augustus 1993 (zie 4.3).

Belanghebbende heeft niet gesteld en/of onderbouwd dat er sinds dit arrest ontwikkelingen zijn geweest die objectief gezien maken dat sprake is van een pleitbaar standpunt.

4.12.

Gelet op de hoogte van de verschuldigde belasting, de ernst van de gedraging, de coöperatieve opstelling van belanghebbende en het feit dat zij maatregelen heeft getroffen om problemen met de administratie in de toekomst te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat een boete van 10% passend en geboden is voor zover de boete ziet op de bestreden correctie.

4.13.

Vanwege de vermindering van de naheffingsaanslagen voor de tijdvakken 2010/2011 en 2011/2012 moeten de boetes voor de tijdvakken worden verminderd tot

€ 10.936 respectievelijk € 3.769. De boetes voor de andere tijdvakken blijven in stand.

Overschrijding van de redelijke termijn (undue delay)

4.14.

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de boetes (verder) moeten worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaken. De redelijke termijn waarbinnen de beoordeling van een boete moet plaatsvinden bedraagt twee jaar, hier te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van de boetes in het conceptrapport van 27 oktober 2015. De rechtbank doet in deze zaken uitspraak op 13 december 2018. Er zijn dus 3 jaren en ruim 1 maand verstreken sinds de bekendmaking van de boetes. Nu niet is gebleken dat het procesverloop in betekenende mate door belanghebbende is beïnvloed, is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met ruim 13 maanden (undue delay). Dit geeft aanleiding tot vermindering van de boetes met 15% (zie ook de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16). Het voorgaande betekent dat de boetes tot de volgende bedragen moeten worden verminderd:

  • -

    € 9.295 (= € 10.936 x 85%) voor het tijdvak 2010/2011;

  • -

    € 3.203 (= € 3.769 x 85%) voor het tijdvak 2011/2012;

  • -

    € 4.116 (= € 4.843 x 85%) voor het tijdvak 2012/2013;

  • -

    € 4.182 (= € 4.920 x 85%) voor het tijdvak 2013/2014.

Met betrekking tot de rente

4.15.

Belanghebbende heeft tegen de rente geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Voor de tijdvakken 2010/2011 en 2011/2012 moet de rente overeenkomstig de vermindering van de desbetreffende naheffingsaanslagen worden verminderd.

4.16.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen BRE 17/4313 en 17/4314 gegrond te worden verklaard en dienen de beroepen BRE 17/4315 en 17/4316 ongegrond te worden verklaard. De rechtbank merkt op dat de ambtshalve constatering dat de redelijke termijn is overschreden er niet toe leidt dat de beroepen BRE 17/4315 en 17/4316 gegrond zijn en belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten voor die beroepen (zie Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de gegronde beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale vergoeding van de proceskosten van de beroepsfase. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een integrale proceskostenvergoeding worden verleend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich hier niet voor.

5.3.

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank de te vergoeden proceskosten met inachtneming van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501, een wegingsfactor 1 en in verband met het aantal samenhangende zaken waarin het beroep is gegrond verklaard (2) een vermenigingsvuldigingsfactor van 1).

6 Beslissing

Met betrekking tot het beroep BRE 17/4313 - tijdvak 2010/2011

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 109.381 en de rente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete tot € 9.295;

Met betrekking tot het beroep BRE 17/4314 - tijdvak 2011/2012

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 37.692 en de rente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete tot € 3.203;

Met betrekking tot de beroepen BRE 17/4313 en 17/4314

De rechtbank:

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.002;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan deze vergoedt.

Met betrekking tot het beroep BRE 17/4315 - 2012/2013

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vermindert de boete tot € 4.116.

Met betrekking tot het beroep BRE 17/4316 - 2013/2014

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vermindert de boete tot € 4.182.

Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter,

mr. M.M. Dondorp-Loopstra en prof.dr. G. van Norden, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.