Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6855

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
17/3772
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:3836, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in België in een eigen woning. Hij geniet in 2015 dividend uit een vennootschap, waarin hij een aanmerkelijk belang houdt en die inwoner is van Nederland. Ingevolge artikel 10 van het belastingverdrag Nederland-België mag dat dividend in België (eerste paragraaf) en tegelijkertijd ook in Nederland (tweede paragraaf) worden belast. Daarmee is volgens de rechtbank voldaan aan het vereiste dat het inkomen van belanghebbende (nagenoeg) geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, zodat hij dient te worden aangemerkt als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 , zesde lid, van de Wet IB 2001. De tekst van dit artikel is dermate duidelijk en eenduidig, dat deze, wat er ook zij van de strekking, niet voor een andere uitleg vatbaar is. Dat het dividend ook in België belastbaar is en dat het in Nederland slechts tegen een beperkt tarief belastbaar is doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-03-2019
V-N Vandaag 2019/531
FutD 2019-0637 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2019/0727 met annotatie van Erik Swaving Dijkstra
V-N 2019/17.4 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1038 met annotatie van MR. H.J. NOORDENBOS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/3772

uitspraak van 7 december 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, [aanslagnummer] .H.56.01 (hierna: de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2017 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 24 mei 2017, ontvangen bij de rechtbank op 29 mei 2017, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 18 september 2018 te Roermond. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Van dit proces-verbaal is een afschrift aan deze uitspraak gehecht.

1.7.

Ter zitting heeft de rechtbank de zaak verwezen naar een meervoudige kamer en hebben partijen verklaard dat een nadere mondelinge behandeling door de meervoudige kamer niet nodig is. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.

1.8.

Bij brief van 26 oktober 2018 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd met zes weken.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende woonde het hele jaar 2015 in [plaats] (België) en heeft daar een eigen woning. Hij heeft in 2015 in totaal een bedrag van € 10.269 aan renten van schulden betreffende deze woning voldaan. Het voor deze woning in aanmerking te nemen eigenwoningforfait bedraagt € 1.575. In het Belgische aanslagbiljet 2015 is geen aftrekpost in verband met de eigen woning opgenomen.

2.2.

Belanghebbende heeft een aanmerkelijk belang in [A BV] (hierna: de vennootschap). De vennootschap is gevestigd in Nederland. In 2015 heeft de vennootschap aan belanghebbende een dividend uitgekeerd ten bedrage van (bruto) € 135.000. Op het dividend is in Nederland 15 procent (€ 20.250) dividendbelasting ingehouden. In België is het netto dividend van € 114.750 belast met federale belasting tegen 25 procent.

2.3.

Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam bij de vennootschap. In 2015 heeft belanghebbende een (gebruikelijk) loon genoten van € 44.000.

2.4.

Met dagtekening 7 oktober 2016 heef de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2015 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 135.000 en daarbij het verzamelinkomen vastgesteld op € 179.000. Bij die aanslag zijn de ingehouden en afgedragen loonheffingen (€ 13.507) en dividendbelasting (€ 20.250) als voorheffingen verrekend.

2.5.

Belanghebbende heeft een “Inkomensverklaring 2015 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige” overgelegd. In deze verklaring heeft belanghebbende ingevuld dat het “Totaal inkomsten die niet belast zijn in Nederland” nihil is. De Belgische belastingdienst heeft op 9 februari 2017 verklaard dat de door belanghebbende ingevulde gegevens overeenkomen met wat bij hen bekend is over het inkomen van belanghebbende.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende dient te worden aangemerkt als een ‘kwalificerende buitenlandse belastingplichtige’ als bedoeld in artikel 7.8, zesde dan wel achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.306 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 135.000. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij kan worden aangemerkt als een ‘kwalificerende buitenlandse belastingplichtige’ in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet. In dat kader is uitsluitend in geschil of is voldaan aan het vereiste dat het inkomen van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.

4.2.

In artikel 7.8 zesde lid, van de Wet is, voor zover van belang, in 2015 het volgende bepaald:

“Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie (…) in de belastingheffing van die andere lidstaat (…) wordt betrokken en:

a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of

b. (…),

onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.”.

4.3.

Artikel 10, eerste en tweede paragraaf, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: het Verdrag) luidt als volgt:

1 Dividenden betaald door een vennootschap die inwoner is van een verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2 Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende Staat waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan:

a. 5 percent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk gerechtigde een vennootschap is die onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van de vennootschap die de dividenden betaalt;

b. 15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen.”.

4.4.

Belanghebbende bepleit een grammaticale uitleg van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet. Het dividend is op grond van de Nederlandse wetgeving in Nederland belast en mag ingevolge artikel 10, tweede paragraaf, van het Verdrag in Nederland worden belast, omdat de vennootschap inwoner is van Nederland. Het bruto dividend moet daarom volgens belanghebbende aangemerkt worden als inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de inkomstenbelasting. Dit is volgens belanghebbende niet anders door het feit dat het dividend op grond van het Verdrag slechts tegen een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen. Daarmee is het inkomen van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel in Nederland aan de inkomstenbelasting onderworpen en concludeert belanghebbende dat hij kan worden aangemerkt als een ‘kwalificerende buitenlandse belastingplichtige’.

4.5.

De inspecteur heeft gesteld dat het dividend niet kan worden aangemerkt als inkomen dat geheel of nagenoeg geheel aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen. Nederland heeft als bronland ingevolge artikel 10, tweede paragraaf, van het Verdrag slechts een beperkt recht om belasting te heffen. Omdat in de tekst van artikel 7.8 van de Wet niet expliciet is bepaald dat beperkt belastbaar inkomen moet worden aangemerkt als inkomen dat ter heffing is toegewezen aan Nederland, moet volgens de inspecteur worden bezien wat het doel en strekking is van de wettelijke bepaling. Op grond van het arrest van het HvJ EG van 14 februari 1995, C-279/93 (Schumacker) moet de bronstaat bij de belastingheffing rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, indien het wereldinkomen geheel of nagenoeg geheel uit deze staat afkomstig is en in de woonstaat onvoldoende belasting is verschuldigd dan wel onvoldoende inkomsten worden genoten om er aldaar (effectief) rekening mee te houden. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in België voldoende belastbaar inkomen om rekening te houden met de persoonsgebonden tegemoetkomingen aldaar. Daardoor is het niet de bedoeling dat er tevens toegang is tot fiscale faciliteiten in Nederland en dient beperkt te belasten inkomen niet te worden aangemerkt als inkomen dat ter heffing wordt toegewezen aan de bronstaat.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 10 van het Verdrag bevat toewijzingsregels voor de heffingsbevoegdheid met betrekking tot dividend. In het geval van belanghebbende betekent dit dat het dividend in België (ingevolge de eerste paragraaf), maar tegelijkertijd ook in Nederland (ingevolge de tweede paragraaf) mag worden belast. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het dividend op grond van artikel 10, tweede paragraaf, van het Verdrag is onderworpen aan belasting in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet dermate duidelijk en eenduidig dat deze, wat er ook zij van de strekking, niet voor een andere uitleg vatbaar is. Aan het oordeel doet derhalve niet af dat het dividend ook in België belastbaar is en dat het in Nederland slechts tegen een beperkt tarief belastbaar is.

4.7.

De rechtbank is aldus van oordeel dat het dividend in Nederland is onderworpen aan de inkomstenbelasting. In dat geval is niet in geschil dat het inkomen van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel in Nederland aan de inkomstenbelasting is onderworpen. Belanghebbende dient derhalve te worden aangemerkt als een ‘kwalificerende buitenlandse belastingplichtige’ in de zin van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet. Niet in geschil is dat belanghebbende dan belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking mag nemen en dat deze negatief € 8.694 bedragen. Derhalve dient de aanslag te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.306 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 135.000. Het verzamelinkomen moet worden verminderd tot € 170.306.

4.8.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding, nu belanghebbende niet om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, zoals op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb is vereist. De rechtbank vindt wel aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Volgens belanghebbendes gemachtigde heeft de inspecteur belanghebbende ertoe gedwongen de onderhavige procedure te voeren. De inspecteur en het Ministerie van Financiën legden de wettekst aanvankelijk hetzelfde uit als de gemachtigde dat deed. Echter voordat de wettekst van kracht werd wijzigden de inspecteur en het Ministerie van Financiën hun standpunt. Door niet ervoor te zorgen dat de wettekst werd aangepast hebben ze belanghebbende in wezen gedwongen in bezwaar en beroep te gaan.

5.3.

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is een normering van de proceskosten gegeven, in die zin dat de proceskosten in beginsel forfaitair worden bepaald. Hiervan kan ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit worden afgeweken in bijzondere omstandigheden. Er is sprake van bijzondere omstandigheden indien de inspecteur verregaand onzorgvuldig handelen kan worden verweten dan wel hem het verwijt treft dat hij een uitspraak doet en deze handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen in te stellen of ingestelde procedure geen stand zal houden (zie het arrest van de Hoge Raad, 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2075). Van een dergelijk geval is naar het oordeel van de rechtbank hier echter geen sprake.

5.4.

De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.306 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 135.000 en vermindert het verzamelinkomen tot € 170.306;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.252,50;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 december 2018 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Stassen‑Kanters, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.