Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6588

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
02-811160-13 en RK 18-004982
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

klaagschrift ongegrond, definitieve inhoudsindicatie volgt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02/811160-13

rk.nummer: 18-004982

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingekomen ter griffie op 15 juni 2018 met betrekking tot voorwerpen, in beslag genomen in de zaak:

[naam 1] ,

geboren op [geboortedag naam 1] 1967 te [geboortedag naam 1] ,

wonende te [adres naam 1] ,

Klager is:

[klager]

geboren op [geboortedag klager] 1975,

wonende te [adres klager] ,

woonplaats kiezende ten kantore van mr. B.J. de Pree te (3512 TJ) Utrecht, Predikherenkerkhof 13.

Beslagene is:

[beslagene] ,

vertegenwoordigd door [naam 2] (enig aandeelhouder),

gevestigd aan de [adres beslagene] .

Derde belanghebbende is:

[naam 3]

vertegenwoordigd door de heer [naam 4] ,

gevestigd aan de [adres naam 3] ,

woonplaats kiezende ten kantore van mr. N. Kolste te (1075 AZ) Amsterdam, Prins Hendriklaan 19.

Raadsman: mr. N. Kolste te Amsterdam.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • -

    het klaagschrift, dat - ondertekend door of namens klager - tijdig is ingediend ter griffie van het op grond van artikel 552a Sv bevoegde gerecht;

  • -

    de kennisgeving van inbeslagneming;

 de schriftelijke reactie van de officier van justitie;

 de schriftelijke aantekeningen van de griffier van het onderzoek door de raadkamer van 13 november 2018 waaruit blijkt dat de officier van justitie, mr. Peters, mr. De Pree als gemachtigd raadsman van klager, de heer [naam 4] en diens raadsman mr. N. Kolste en de heer [naam 1] , zijn gehoord.

Klager is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling van onderhavig klaagschrift in raadkamer verschenen.

2 De beoordeling

Namens klager is aangevoerd dat in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek naar [naam 1] terzake een verdenking van witwassen op 24 mei 2018 onder een derde, te weten

[naam 2] (enig aandeelhouder van het bedrijf [beslagene] ), op conservatoire titel beslag is gelegd op een Rolls Royce Corniche met kenteken [kenteken] en een Bentley Continental R zonder Nederlands kenteken. Klager is eigenaar van voornoemde auto’s en wenst teruggave van beide auto’s aan hem. Voornoemde Rolls Royce en Bentley zijn door klager gekocht op 20 juni 2016. Naast de op naam gestelde facturen is er ten aanzien van de Rolls Royce nog het tenaamstelling- en schorsingsverslag, waaruit blijkt dat de auto op naam van klager staat. Van de Bentley is er een kentekenbewijs en tweede gedeelte tenaamstellingcode, waaruit volgt dat ook deze auto op naam van klager staat. Beide auto’s waren door klager aangeboden aan het bedrijf [beslagene] om te verkopen. De auto’s zijn door [naam 1] daar naartoe gebracht en anderhalf uur later inbeslaggenomen. Klager wordt door het voortduren van het beslag logischerwijs ernstig benadeeld en verzoekt dan ook om gegrondverklaring van het klaagschrift met last tot teruggave van beide auto’s aan klager.

De raadsman heeft in aanvulling op het klaagschrift ter zitting aangevoerd dat de Bentley grotendeels in eigendom toebehoort aan [naam 3] en slechts voor een deel (tot een bedrag van de aanbetaling van 7.500 euro) aan klager. De raadsman heeft verzocht om klager ten aanzien van de Bentley niet-ontvankelijk te verklaren mocht de rechtbank beslissen tot teruggave van de Bentley aan [naam 3] . Indien de rechtbank niet tot voornoemde beslissing komt, dan wenst klager dat er een beslissing volgt omtrent de vraag wie nu de eigenaar van de Bentley is. Voornoemd voertuig behoort volgens klager in ieder geval niet toe aan [naam 1] .

Ten aanzien van de Rolls Royce heeft mr. De Pree ter zitting aangevoerd dat dit voertuig volledig in eigendom aan klager toebehoort. Klager heeft de Rolls Royce volledig betaald en het kenteken staat ook op zijn naam. Voornoemd voertuig is op gangbare en juiste wijze in het bezit van klager gekomen. Anders dan door het Openbaar Ministerie wordt gesteld, beschikte klager over voldoende (legale) middelen om tot aankoop van de Rolls Royce over te gaan. Een en ander wordt volgens de raadsman middels juridische stukken voldoende gestaafd. Klager kan aldus buiten redelijke twijfel als rechthebbende op de Rolls Royce worden aangemerkt. De raadsman is van mening dat het Openbaar Ministerie slechts ruis veroorzaakt door de gehele geschiedenis van voornoemd voertuig voor te houden.

[naam 1] heeft ter zitting aangevoerd dat de inbeslaggenomen Bentley en Rolls Royce niet aan hem toebehoren. Hij kan de Rolls Royce wel goed beschrijven, omdat hij dit voertuig in 2015 op verzoek van [naam 5] heeft gerepareerd. De Bentley kent hij alleen maar van het vervoer van die auto van plaats A naar B.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er naar aanleiding van de feitelijke omstandigheden ten aanzien van het inbeslaggenomen Rolls Royce en de Bentley zoals weergegeven in het verweerschrift en de veroordeling van [naam 1] ter zake van onder meer gewoontewitwassen en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, er bij het Openbaar Ministerie grote twijfel bestaat over de (geclaimde) eigendom van de Rolls Royce en de Bentley door klager. Zij acht het niet aannemelijk/buiten redelijke twijfel dat klager eigenaar is van de Rolls Royce en de Bentley. Het Openbaar Ministerie blijft erbij dat gelet op de feitelijke omstandigheden de eigendom hoogstwaarschijnlijk bij [naam 1] berust. De officier van justitie verzoekt om het klaagschrift ongegrond te verklaren en heeft daarbij verwezen naar de inhoud van het verweerschrift, welke als bijlage aan deze beschikking gehecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor de vraag of klager als belanghebbende ex artikel 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen, is beslissend dat klager stelt eigenaar te zijn van de in beslag genomen auto, hetgeen hij doet. Klager kan derhalve in zijn klaagschrift worden ontvangen.

Het beslag op de Rolls Royce en de Bentley is gelegd op grond van artikel 94a Sv.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:

(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en

(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechter-commissaris heeft in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (“Apollo”) naar [naam 1] , op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend voor het leggen van conservatoir beslag. Daarin ligt besloten dat voldaan is aan de in artikel 126, eerste lid, Sv gestelde eis dat verdenking is gerezen van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

[naam 1] werd verdacht van witwassen. Het conservatoire beslag op de Rolls Royce en de Bentley is gelegd tot bewaring van het recht van verhaal voor het voor genoemde misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldboete dan wel van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verlenen van de machtiging door de rechter-commissaris brengt mee dat ten tijde van de beslaglegging sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van [naam 1] aan een of meer misdrijven, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het beslag is derhalve rechtmatig gelegd.

Bij vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober jl. is [naam 1] onder bovengenoemd parketnummer veroordeeld terzake van onder meer gewoontewitwassen en valsheid in geschrift (meermalen gepleegd). Nu het beslag rechtmatig is gelegd en er in de strafzaak een veroordeling is gevolgd, dient thans te worden beoordeeld of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Op basis van de thans beschikbare informatie kan niet worden gezegd dat dit hoogst onwaarschijnlijk is.

De Rolls Royce en de Bentley zijn in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek naar [naam 1] in beslaggenomen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat [naam 1] in voornoemde auto’s reed. Ingevolge artikel 109 en 119 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn.

Indien een derde – als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht – die stelt eigenaar te zijn, op grond van artikel 552a (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id44c5694ed623654d6ec264700281a798) Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van artikel 94a, derde (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id2f46ab813bfd78706e2e5d3ecdea1f1b) of vierde lid (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id2f46ab813bfd78706e2e5d3ecdea1f1b), Sv voordoet. (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.15).

De rechtbank heeft nu te beoordelen of buiten redelijke twijfel is dat klager als rechthebbende op de Rolls Royce en de Bentley kan worden aangemerkt.

Uit onderzoek naar het eigendom van de Bentley volgt dat vanaf 16 mei 2000 tot en met 18 februari 2015 de Bentley was voorzien van een Belgische kenteken op naam van [naam 6] . Deze persoon is tevens (indirect) aandeelhouder van de onderneming [naam 7] te Heerlen. Volgens klaagster heeft zij de Bentley van deze onderneming gekocht. Vervolgens zou de Bentley door tussenkomst van een tussenpersoon ( [naam 8] ) op 20 juni 2016 door klaagster zijn verkocht aan [klager] . Door [naam 4] is tijdens het verhoor een factuur verstrekt waaruit blijkt dat [klager] een bedrag van 7.500 euro zou hebben aanbetaald. In afwachting van de voldoening van de rest van de koopsom, zijnde een bedrag van 20.000 euro, werd het Belgisch registratiebewijs door klaagster achtergehouden. Een en ander wordt ook door [klager] tijdens zijn verhoor bevestigd. Uit de verstrekte belastinggegevens bleek echter dat [klager] in juni 2016 niet over voldoende verklaarbaar legaal vermogen beschikte voor de aankoop van de Bentley.

Uit nader onderzoek naar de administratie van klaagster is gebleken dat de Bentley op 14 januari 2015 (boekdatum) werd gekocht van de onderneming [naam 7] in Heerlen voor een bedrag van 40.000 euro. In de grootboekrekeningen van 2015 en 2016 werd echter geen mutatie aangetroffen waaruit bleek dat de Bentley is verkocht. De door [klager] verstrekte factuur is eveneens niet aangetroffen in de administratie. Er is tevens geen boeking in de administratie zichtbaar welke correspondeert met een dergelijke factuur. Ook de aanbetaling van 7.500 euro en het openstaande bedrag van 20.000 euro zijn niet verwerkt in de administratie van klaagster. De Bentley maakte in 2015 en 2016 geen deel uit van de voorraad van de handelsonderneming.

Uit nader onderzoek naar de Rolls Royce blijkt het volgende:

• [naam 4] heeft verklaard dat hij de Rolls Royce in 2012 had geïmporteerd uit

de Verenigde Staten. De Rolls Royce zou ongeveer 2 of 3 jaar op naam van zijn vader hebben gestaan. Uit politiesystemen blijkt dat de Rolls Royce van 24 mei 2013 tot 9 december 2014 op naam stond van de vader van [naam 4] .

• Na overschrijving op 9 december 2014, stond de Rolls Royce op naam van de natuurlijk persoon

[naam 5] . Deze heeft verklaard eigenaar te zijn geweest van de Rolls Royce en derhalve op zijn naam had gestaan. Zijn zoon [naam 8] had de Rolls Royce gekocht bij [naam 4] uit Haarlem.

• Op 26 mei 2015 werd de Rolls Royce overgeschreven van [naam 5] naar [naam 9] . Zij heeft verklaard dat de Rolls Royce tot 10 augustus 2015 op haar naam had gestaan, maar dat de echte eigenaar vermoedelijk [naam 1] betrof. Dit werd bevestigd door haar vriend getuige [naam 10] .

• De Rolls Royce stond vervolgens van 10 augustus 2015 tot 28 juni 2016 op naam van het autobedrijf van [naam 11] , genaamd [naam 12] .. [naam 11] heeft verklaard dat hij de auto had ingekocht, maar niet meer wist van wie. Hij kon ook geen inkoopfactuur overleggen. Hij verklaarde verder de auto in juni 2016 te hebben verkocht aan het bedrijf [naam 13] te Deurningen. Hij verstrekte een verkoopfactuur waaruit bleek dat hij de Rolls Royce voor 30.000 euro aan genoemd bedrijf had verkocht. [naam 11] kon zich niet meer herinneren welke natuurlijke persoon namens [naam 13] had gehandeld bij de verkoop van de Rolls Royce. Uit tapgesprekken uit het onderzoek 2GOlita, blijkt echter dat het aannemelijk is dat [naam 11] de Rolls Royce op 28 juni 2016 aan [naam 14] had verkocht. Zoals vermeld, werd de auto op die datum echter op naam gezet van [naam 13] . In een (ander) tapgesprek op 29 juni 2016, vertelde [naam 11] aan ene [naam 15] , dat [naam 14] de auto inmiddels weer had doorverkocht aan [naam 1] .

• [naam 14] is ook als getuige gehoord. Hij heeft onder andere verklaard dat hij de Rolls Royce in zijn bezit had gekregen door deze te ruilen voor andere goederen. Hij had de auto geruild met [naam 5] en [naam 8] uit Zandvoort. Er zou niets op schrift zijn gezet. Het kenteken had nooit op zijn naam gestaan. Het kenteken was in maart 2015 overgeschreven, een vriend had dat voor hem geregeld. Deze verklaring van [naam 14] is consistent met een de eerder door hem gedane aangifte (d.d. 19 en 21 april 2017).

• De auto werd op 28 juni 2016 niet op naam van [naam 14] gesteld maar op naam van [naam 13] Destijds was [naam 16] enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. [naam 16] heeft verklaard dat hij samen met [naam 14] in auto’s handelde. [naam 14] kon echter geen auto’s op zijn naam zetten, daarom werd de Rolls Royce, die door [naam 14] in 2016 bij [naam 12] was gekocht op naam van [naam 13] gezet. [naam 16] had de auto nooit gezien. Het was volgens [naam 16] goed mogelijk dat [naam 14] de auto nadien had doorverkocht en de tenaamstelling had overgeschreven. [naam 16] kent de persoon [naam 17] niet.

• Op 8 juni 2017 werd de Rolls Royce overgeschreven van het bedrijf [naam 13] naar [naam 17] . Deze heeft aanvankelijk verklaard dat hij de Rolls Royce op zijn naam had gezet omdat hij hem

van [klager] wilde kopen. Hij had de Rolls Royce op zijn naam gezet om er enige tijd in te kunnen rijden. Hij had de auto verzekerd bij [naam 18] via zijn verzekeringsagent [naam 19] . Uit de verstrekte gegevens door de verzekeringsagent bleek echter dat [naam 17] nimmer een verzekering had afgesloten voor de Rolls Royce. In een later verhoor beriep [naam 17] zich op zijn zwijgrecht.

• De Rolls Royce werd op 26 april 2018 overgeschreven op naam van [klager] , de indiener van het klaagschrift. [klager] heeft een factuur verstrekt waaruit zou blijken dat hij de Rolls Royce op 20 juni 2016 had gekocht van [naam 3] voor een bedrag van 21.000 euro.

• Onderzoek naar de inkomsten en het vermogen van [klager] heeft uitgewezen dat hij in juni 2016 niet over voldoende verklaarbaar legaal vermogen beschikte voor de aankoop van de Rolls Royce. Uit onderzoek naar de door [klager] verstrekte aankoopfactuur (kennelijk opgemaakt door [naam 3] ) blijkt dat er in de administratie van

[naam 3] geen mutatie is aangetroffen die overeenkomt met de door [klager] verstrekte factuur. Verder blijkt uit die administratie ook niet dat de Rolls Royce ooit door de handelsonderneming is ingekocht. Zowel van de in- als verkoop is in de administratie van de handelsonderneming dus geen bewijs aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat de verstrekte verkoopfactuur, d.d. 20 juni 2016 valselijk is opgemaakt.

Op 24 mei 2018 reed [naam 20] , eigenaar van een garagebedrijf uit Numansdorp, samen met zijn

zoon naar de Rijsselbergen te Bergen op Zoom om een oldtimer op te halen. Op de Rijsselbergen

werden zij opgewacht door [naam 1] , die hen vervolgens voorging naar [adres] te Bergen op Zoom waar [naam 21] , een oom van [naam 1] , een autosloperij heeft genaamd [naam 22] . Op deze locatie stonden de Rolls Royce en de Bentley. De Rolls Royce werd op de aanhanger van [naam 20] .

geladen en door hem afgeleverd bij [beslagene] te Numansdorp. De Bentley werd daar

korte tijd later afgeleverd op een aanhanger, die was gekoppeld aan een voertuig bestuurd door [naam 1]

Onder voornoemde omstandigheden kan de rechtbank, met inachtneming van het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer, niet vaststellen dat buiten redelijke twijfel is dat klager als rechthebbende op de Rolls Royce en de Bentley kan worden aangemerkt. Het klaagschrift zal dan ook ongegrond worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is op 27 november 2018 gegeven door mr. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te ‘s-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).