Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6523

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
350890 HA RK 18-210
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie Middelburg

Procedurenummer: 350890 HA RK 18-210

Beslissing van 13 november 2018 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in de penitiaire inrichting [naam] ,

verder te noemen verzoeker,

raadsman: [naam advocaat 1] , advocaat te [plaatsnaam] (aanvankelijk [naam advocaat 2] advocaat te [plaatsnaam 2] ).

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het namens verzoeker op 23 oktober 2018 ingediende wrakingsverzoek, gericht tegen de meervoudige strafkamer, belast met de behandeling van de hierna te noemen strafzaak van verzoeker, en bestaande uit mrs. Nomes, Zuijdweg en Skalonjic;

  • -

    het op 5 november 2018 ingekomen e-mailbericht van de (huidige) raadsman van verzoeker;

  • -

    de voor de behandeling van dit wrakingsverzoek relevante processtukken in die strafzaak;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 7 november, waarbij zijn verschenen mrs. Nomes en Zuijdweg, alsook mr. van der Hofstede, officier van justitie. Mr. Skanlonjic is met bericht van verhindering niet verschenen. Evenmin zijn verschenen verzoeker en zijn advocaat.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mrs. Nomes, Zuijdweg en Skalonjic, leden van de meervoudige strafkamer, hierna ook te noemen de rechters, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 02/700173-16.

De rechters berusten niet in het verzoek tot hun wraking.

3 De feiten

3.1.

In de hiervoor genoemde strafzaak staat verzoeker samen met een medeverdachte terecht onder meer ter zake van een levensdelict. De (inhoudelijke) behandeling van de zaak door de strafkamer (in een andere samenstelling) heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 juni 2018, welke zitting is geschorst, waarna de stukken in handen zijn gesteld van de rechter-commissaris, aangewezen uit hun midden (zijnde mr. Nomes), voor het voeren van regie op de beantwoording van de door de raadsman van verzoeker nog te stellen vragen aan de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] .

3.2.

Ter pro forma zitting van de strafkamer (wederom in gewijzigde samenstelling) van 11 september 2018 heeft deze een door de verdediging gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker afgewezen. Tegen deze beslissing heeft verzoeker hoger beroep doen instellen, in welk beroep verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard, nu dit niet binnen de daarvoor geldende termijn was ingediend.

3.3.

De (voormalige) raadsman van verzoeker heeft vervolgens andermaal een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis ingediend, welk verzoek ter zitting van 16 oktober 2018 door de rechters is behandeld en door hen bij beslissing van 17 oktober 2018 is afgewezen. De rechters hebben daarbij het volgende overwogen:

“Door de verdediging is verzocht de voorlopige hechtenis bij gebreke van ernstige bezwaren op te heffen. In de kern komt het betoog van de verdediging neer op de presentatie van een alternatief scenario inhoudende dat het uitwendig inwerkend botsend geweld dat bij het slachtoffer tot traumatisch hersenletsel en daaropvolgend tot zijn dood heeft geleid door een eigen val van het slachtoffer is veroorzaakt. Dit heeft volgens de verdediging tot gevolg dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde zal kunnen komen. Uitgaande van dit scenario bestaan er geen ernstige bezwaren jegens verdachte.

De rechtbank overweegt het volgende. In het kader van de voorlopige hechtenis moet het bij de beoordeling van ernstige bezwaren gaan op (wrakingskamer: lees: om) een stevige verdenking in de zin van het waarschijnlijk moet zijn dat verdachte het strafbare feit heeft begaan. In deze zaak is uitvoerig technisch, tactisch en forensisch onderzoek verricht en een deel van de resultaten (onder meer de resultaten van sporenonderzoek, de gegevens van de telefoon die bij verdachte in gebruik was, getuigenverklaringen en verklaringen van de medeverdachte) is belastend voor verdachte. Tijdens de zitting van 18 juni 2018 zijn door verdachte en medeverdachte verklaringen afgelegd. Ter zitting is ook [deskundige 1] , arts en forensisch patholoog van het NFI, als deskundige gehoord. Zij heeft over het ook toen besproken alternatieve scenario dat door de verdediging aan haar was voorgelegd onder meer verklaard dat de letsels in het gezicht en in de hals van het slachtoffer minder waarschijnlijk zijn ontstaan door vallen dan dat ze zijn ontstaan door niet vallen (pagina 18 van het proces-verbaal van de zitting). Tevens heeft zij verklaard dat de bloeduitstortingen bij de oogleden van het slachtoffer aan de linkerkant niet typisch zijn voor een val (pagina 24 van genoemd proces-verbaal). Tijdens en in vervolg op de zitting zijn 114 vragen van de verdediging door [deskundige 1] en [deskundige 2] , radioloog, beantwoord. In vervolg daarop heft de verdediging verzocht om aanvullend 94 vragen aan beide deskundigen voor te leggen. De beslissing op dit verzoek ligt nog bij de rechter-commissaris.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat nog steeds sprake is van ernstige bezwaren jegens verdachte. Het geschetste alternatieve scenario is, mede gelet op genoemde verklaring van de deskundige [deskundige 1] , vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden.

De verdenking, bezwaren en gronden, die in het meest recente bevel tot voorlopige hechtenis zijn vermeld, bestaan ook thans nog, zodat er geen redenen aanwezig zijn het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis toe te wijzen. “

4 De gronden van wraking

4.1.

Verzoeker stelt zich met verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt dat de rechters met hun beslissing van 17 oktober 2018 tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis jegens hem objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid hebben opgewekt. Verzoeker voert aan dat de eerdere afwijzende beslissing van 11 september 2018 op het toen gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis op zich genomen al voldoende reden gaf voor het doen veronderstellen van vooringenomenheid, maar die vooringenomenheid evident is komen vast te staan nu de rechters immers in hun beslissing van 17 oktober 2018 expliciet een uitspraak hebben gedaan over de aannemelijkheid van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, namelijk dat dit onvoldoende aannemelijk is.

4.2.

Dat de rechters daarbij het woord “vooralsnog” hebben gebezigd en dat de gewraakte motivering is gegeven in het kader van een beslissing over de voorlopige hechtenis, doet daaraan volgens verzoeker niets af. Naar verzoeker stelt gaat het niet slechts om de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid, maar om het bewijs van vooringenomenheid ten aanzien van een wezenlijk onderdeel van de uiteindelijke bewijsbeslissing, te weten de aannemelijkheid van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.

4.3.

In de opvatting van verzoeker hebben de rechters in hun beslissing onmiskenbaar, stellig en zonder voorbehoud, een (negatief) oordeel gegeven omtrent (de) stellingen, die verzoeker ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak wil betrekken. Aldus zijn zij op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen op de bewijswaardering, meer in het bijzonder op de waardering van die stellingen van verzoeker en aldus op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen op verschillende eindbeslissingen ex artikel 350 Sv.

4.4.

Ten aanzien van mr. Nomes voert verzoeker nog aan, dat hij zich als (gedelegeerde) rechter-commissaris, zonder valide reden en uitsluitend op grond van het aantal door de verdediging opgegeven vragen, heeft geweigerd deze (aanvullende) vragen aan de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] ter beantwoording door te sturen. Mr. Nomes heeft de verdediging verzocht het aantal vragen (aanzienlijk) te beperken en daarbij aangegeven, dat hij de vragen zal doorsturen aan slechts één van de deskundigen ( [deskundige 1] ). Deze gang van zaken, bezien in het licht van de afwijzende beslissing op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, heeft volgens verzoeker bijgedragen aan de vrees voor vooringenomenheid van mr. Nomes.

5 Het standpunt van de rechters

5.1.

De rechters voeren, ook namens mr. Skalonjic, aan dat het onjuist is dat zij stellig en zonder enig voorbehoud in hun beslissing van 17 oktober 2018 een oordeel hebben gegeven over de (on)aannemelijkheid van het door verdediging ter onderbouwing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker aangevoerde alternatieve scenario betrekking hebbend op de doodsoorzaak van het slachtoffer. In de beslissing, die naar zijn aard uitsluitend betrekking heeft op de voorlopige hechtenis, hebben zij immers met de bewoording “vooralsnog onvoldoende aannemelijk” de nodige reserve ten aanzien van de aannemelijkheid van dat scenario tot uitdrukking gebracht.

5.2.

Voor zover verzoeker zich ter onderbouwing van het wrakingsverzoek zich tevens op het standpunt stelt dat ook met de beslissing van 11 september 2018 op het eerdere gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis blijk is gegeven van vooringenomenheid, voert mr. Zuijdweg aan, dat ook dit standpunt onjuist is. Ook in die beslissing is volgens haar niet vooruitgelopen op de uiteindelijke bewijswaardering, terwijl mr. Nomes aanvoert dat hij, in tegenstelling tot de verdediging kennelijk aanneemt, geen deel heeft uitgemaakt van de strafkamer die op 11 september 2018 op het eerdere verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis heeft beslist.

5.3.

Wat betreft de specifiek tegen mr. Nomes gerichte wrakingsgrond betrekking hebbend op zijn hoedanigheid van (gedelegeerd) rechter-commissaris, bevestigt hij met verwijzing naar door hem overgelegde e-mailwisseling (van 5, 10, 13 september 2018 en 2, 8, 9, 11 en 15 oktober 2018) het door hem aan de verdediging gedane verzoek om de nadere (schriftelijke) vragen aan de deskundige [deskundige 1] in aantal te beperken alsook de mededeling dat aan de andere deskundige geen vragen zouden worden doorgeleid. Dit standpunt werd ingegeven door de eerder gemaakte afspraak tussen de verdediging en de griffier, dat er alleen nog enkele vragen bestemd voor [deskundige 1] zouden volgen. Ondanks die afspraak heeft de verdediging niet minder dan nog 94 vragen ingediend met het verzoek om deze aan beide deskundigen ter beantwoording voor te leggen. Veel van die vragen waren bovendien, al dan niet in een iets andere strekking, reeds aan de orde gekomen op de zitting van 18 juni 2018.

5.4.

Mr. Nomes vervolgt, dat hij de door de verdediging ingebrachte bezwaren voor een reactie aan het openbaar ministerie heeft voorgelegd en na ontvangst van die reactie, deze naar de verdediging heeft toegezonden met het verzoek daarop te reageren. Die reactie is, behoudens het ingediende wrakingsverzoek, tot op heden uitgebleven.

5.5.

De rechters stellen zich op grond van het vorenstaande op het standpunt dat van vooringenomenheid geen sprake is, zodat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

6 Het standpunt van het openbaar ministerie

6.1.

Het openbaar ministerie deelt -samengevat- het standpunt van de rechters dat de beslissingen op de gedane verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis, noch de door de rechter-commissaris mr. Nomes aan de verdediging verzochte beperking van het aantal aan (uitsluitend) de deskundige [deskundige 1] te stellen vragen, reden kunnen geven voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

7 De beoordeling en de gronden daarvoor

7.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van rechters in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtszoekende dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.

7.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter(s), ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

7.3.

De wrakingskamer stelt voorop, dat zij het standpunt van verzoeker met betrekking tot de beslissing van 11 september 2018 op het eerder ingediende verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, opvat als achtergrondinformatie leidend tot het indienen van het wrakingsverzoek na de beslissing van de rechters van 17 oktober 2018 op het tweede, herhaalde verzoek tot die opheffing. Mocht dit standpunt zijn bedoeld als een zelfstandige wrakingsgrond -daarover heeft de wrakingskamer door de afwezigheid van verzoeker en zijn raadsman tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek geen duidelijkheid kunnen verkrijgen- dan dient deze grond onbesproken te worden gelaten, nu die niet is opgeworpen zodra de daaraan en grondslag liggende feiten en omstandigheden (blijkende uit de beslissing van 11 september 2018) aan verzoeker bekend zijn geworden. Aan het in artikel 513, lid 1 Sv genoemde tijdigheidsvereiste is immers niet voldaan.

7.4.

Anders dan verzoeker meent, kan in de motivering van de beslissing van de rechters van 17 oktober 2018 geen zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 7.1. genoemd worden gevonden. De gronden van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dat aan de rechters ter beoordeling voorlag, zagen immers op het door verdediging aangevoerde alternatieve scenario. Het lag dan ook volstrekt in de rede dat de rechters voor de beoordeling van het verzoek daarop dienden in te gaan en dan ook niet konden volstaan met de enkele constatering dat er ten aanzien van verzoeker nog steeds sprake was van ernstige bezwaren.

7.5.

De door de rechters daarbij gebezigde motivering kan niet anders worden gezien dan als een afweging van de op dat moment, in de stand van het onderzoek waarin zich dat toen bevond, beschikbare feiten en omstandigheden. Anders dan verzoeker meent, hebben zij dit in voldoende mate tot uitdrukking gebracht met hun constatering dat op grond van die feiten en omstandigheden nog steeds sprake is van ernstige bezwaren jegens verzoeker en dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, mede gelet op de verklaring van de deskundige [deskundige 1] ter zitting van 18 juni 2018, vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden.

7.6.

Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in zijn opvatting dat de rechters daarmee op de uiteindelijke bewijswaardering in de zaak zijn vooruitgelopen. In tegendeel, de motivering van de beslissing laat alle ruimte voor de verdediging van verzoeker voor een verweer gebaseerd op dit volgens verzoeker zich voorgedaan hebbende scenario. Dit blijkt temeer nu de verdediging in de gelegenheid is gesteld om, juist in het licht van dit scenario, aan de deskundigen nadere (schriftelijke) vragen te stellen.

7.7.

Wat betreft die vragen moet met mr. Nomes worden vastgesteld, dat nog niet door hem is beslist of het aantal door de verdediging inmiddels ingediende vragen moet worden beperkt en daarna uitsluitend ter beantwoording aan de deskundige [deskundige 1] moeten worden voorgelegd. Weliswaar heeft mr. Nomes om die beperking verzocht, maar de verdediging heeft daartegen bezwaren aangevoerd, die hij voor een reactie heeft voorgelegd aan het openbaar miniserie, waarna hij, na ontvangst van die reactie, deze vervolgens voor commentaar aan de verdediging heeft toegezonden. Mr. Nomes is voor zijn beslissing om de vragen te beperken en alleen voor te leggen aan de deskundige [deskundige 1] , nog steeds in afwachting van de reactie van de verdediging. Er kan dan ook niet anders worden geconstateerd, dan dat het op die grond ingediende wrakingsverzoek voorbarig is en dat daaruit geen gerechtvaardigde wraking kan volgen.

7.8.

Dit alles moet ertoe leiden dat het wrakingsverzoek als ongegrond moet worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met het hiervoor onder 2. genoemde parketnummer zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 13 november 2018 door mrs. Poerink, Duinhof en van Noort, in tegenwoordigheid van de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

--