Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6495

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
BRE-18_4083
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Art. 31 Wet OB; Art. 6:9 Awb; Art. 65 AWR;

Zonnepanelenzaak. Belanghebbende heeft eerder verzocht om teruggaaf van omzetbelasting in verband met de aanschaf van zonnepanelen. Dat is toen – ook door de rechtbank – afgewezen met de motivering dat het teruggaafverzoek te laat is gedaan. Na het arrest van de Hoge Raad BNB 2018/76 heeft belanghebbende een suppletie-aangifte ingediend waarin een negatief bedrag is opgenomen. De rechtbank heeft onderzocht op welke manieren de suppletie-aangifte juridisch zou kunnen worden gezien. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat geen van de mogelijkheden kan leiden tot teruggaaf van omzetbelasting in deze procedure. Samengevat:

- De inspecteur heeft de suppletie-aangifte behandeld als een bezwaar tegen eigen aangiften van belanghebbende en vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan. Bij het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar bestaat echter geen belang, omdat niets op aangifte is betaald

- Als de suppletie-aangifte zou moeten worden gezien als een beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 4 juli 2015 over een eerder teruggaafverzoek over het jaar 2013, is dat beroep te laat

- Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een nieuw teruggaafverzoek, dan is het verzoek te laat gedaan.

- Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een verzoek om ambtshalve teruggaaf, dan is de rechtbank niet bevoegd om een oordeel te geven over de afwijzing van dat verzoek.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 31
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-02-2019
V-N Vandaag 2019/428
FutD 2019-0564 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/4083

uitspraak van 21 november 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beslissingen

De beslissingen van de inspecteur in de brief van 7 mei 2018 betreffende omzetbelasting over de periode 1 januari 2013 tot en met 1 april 2013.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur A] en [inspecteur B] .

1 Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2018;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het teruggaafverzoek;

- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de beslissing om geen ambtshalve teruggaaf te verlenen;

- draagt de griffier op het in 2.13 vermelde formulier aan de inspecteur te zenden;

- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 te vergoeden.

2 Motivering

Samenvatting

De beslissing van de rechtbank in deze zaak is hiervóór in juridische bewoordingen vermeld. De beslissing houdt in de kern in: de rechtbank kan de door belanghebbende verzochte teruggaaf van omzetbelasting niet verlenen.

De rechtbank begrijpt dat belanghebbende deze beslissing niet rechtvaardig zal vinden. Materieel gezien heeft belanghebbende immers recht op teruggaaf van omzetbelasting over de aanschaf van zijn zonnepanelen, maar toch kan de rechtbank die teruggaaf niet verlenen.

Hieronder volgt de juridische onderbouwing van de beslissing. Deze onderbouwing is wat lang en mogelijk voor belanghebbende wat lastig te volgen. Dat komt mede omdat het niet direct duidelijk is hoe de ‘suppletie-aangifte’ van belanghebbende juridisch moet worden gezien. De rechtbank heeft onderzocht op welke manieren de suppletie-aangifte juridisch zou kunnen worden gezien. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat geen van de mogelijkheden kan leiden tot teruggaaf van omzetbelasting in deze procedure. Samengevat:

  • -

    De inspecteur heeft de suppletie-aangifte behandeld als een bezwaar tegen eigen aangiften van belanghebbende en vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan. Bij het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar bestaat echter geen belang, omdat niets op aangifte is betaald (zie 2.7).

  • -

    Als de suppletie-aangifte zou moeten worden gezien als een beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 4 juli 2015 over een eerder teruggaafverzoek over het jaar 2013, is dat beroep te laat (zie 2.8).

  • -

    Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een nieuw teruggaafverzoek, dan is het verzoek te laat gedaan (zie 2.9.1-2.9.3).

  • -

    Als de suppletie-aangifte wordt gezien als een verzoek om ambtshalve vermindering, dan is de rechtbank niet bevoegd om een oordeel te geven over de afwijzing van dat verzoek (zie 2.10).

Juridische onderbouwing

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op enig moment in de periode tussen 28 december 2012 tot en met 31 maart 2013 zonnepanelen aangeschaft.

2.2.

Belanghebbende heeft eerder de omzetbelasting in verband met die aanschaf teruggevraagd. De inspecteur heeft het verloop van die procedure in het verweerschrift geschetst. Niet van alle onderdelen van dat verloop zijn stukken bijgevoegd. De beschrijving door de inspecteur is echter evenmin bestreden. De rechtbank gaat daarom van de juistheid van het volgende verloop uit:

- De inspecteur heeft op 17 juli 2014 op verzoek van (de gemachtigde van) belanghebbende aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt over het tijdvak 28 december 2012 tot en met 31 december 2012 (hierna: tijdvak december 2012) en over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (hierna: tijdvak 2013)

- Op 12 augustus 2014 heeft belanghebbende de zogenoemde startersaangifte ingediend, waarbij in een afzonderlijk verzoek om teruggaaf van omzetbelasting wordt gevraagd voor het tijdvak december 2012 en voor het tijdvak 2013;

- Deze verzoeken zijn bij beschikkingen van 10 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding;

- Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Met dagtekening 10 juni 2015 zijn uitspraken op bezwaar gedaan.

- Belanghebbende heeft geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking voor het tijdvak 2013;

- Belanghebbende heeft wel beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking voor het tijdvak december 2012. Dit beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 26 april 2016 ongegrond verklaard (hierna: de eerdere uitspraak van 26 april 2016). Naar de rechtbank begrijpt is hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

2.3.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3127, BNB 2018/76 (hierna: het arrest BNB 2018/76) heeft belanghebbende een biljet ‘suppletie omzetbelasting’ ingediend over het eerste kwartaal van 2013 (hierna: de suppletie-aangifte). Dit biljet is op 29 december 2017 door de Belastingdienst ontvangen. Het biljet vermeldt een terug te geven bedrag van € 970, mede als gevolg van een aangegeven bedrag aan voorbelasting van € 1050, dat op de aanschaf van zonnepanelen ziet.

2.4.

De inspecteur heeft in zijn brief van 7 mei 2018 de suppletie-aangifte aangemerkt als “een bezwaar tegen eigen ingediende aangiften omzetbelasting” en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding (hierna: de uitspraak op bezwaar). De inspecteur heeft vervolgens de aangifte beoordeeld als “een ambtshalve verzoek om teruggaaf” op grond van artikel 65 van de AWR en beslist dat niet aan het verzoek kan worden tegemoetgekomen (hierna: de ambtshalve beslissing).

Geschil

2.5.

Belanghebbende stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte is en dat hij recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is en dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over de ambtshalve beslissing.

Beoordeling

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende materieel gezien recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting in verband met de aanschaf van zonnepanelen (zij het dat de inspecteur vindt dat een deel betrekking heeft op het jaar 2012 en niet op het eerste kwartaal van 2013). De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat, kort gezegd, formele regels in de weg staan aan het verlenen van teruggaaf.

2.7.

De inspecteur heeft de suppletie-aangifte aangemerkt als een bezwaar tegen eigen aangiften omzetbelasting. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand liggend in een geval als hier. Ten eerste, bezwaar tegen de eigen aangifte is als zodanig niet mogelijk, alleen bezwaar tegen de voldoening op aangifte. Ten tweede, belanghebbende heeft niet eerder over het eerste kwartaal van 2013 omzetbelasting op aangifte voldaan. Met andere woorden: bij afwezigheid aan voldane omzetbelasting heeft een bezwaar geen zin, want er valt niets terug te krijgen.

Dat neemt echter niet weg dat er wel een uitspraak op het (vermeende) bezwaar is gedaan en dat er beroep is ingesteld. De rechtbank moet daarover dan beslissen. Die beslissing luidt dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang (er valt niets terug te krijgen dat eerder door belanghebbende op aangifte is voldaan).

2.8.

Het ligt evenmin voor de hand om de suppletie-aangifte aan te merken als een rechtsmiddel tegen de eerdere uitspraak op bezwaar van 4 juni 2015 betreffende de afwijzing van het verzoek om teruggaaf over het tijdvak 2013. De suppletie-aangifte geeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit de bedoeling van belanghebbende met de suppletie-aangifte was. Het zou belanghebbende overigens ook niet geholpen hebben. De suppletie-aangifte zou dan namelijk als een beroep moeten worden aangemerkt, en dat beroep zou als uitgangspunt niet-ontvankelijk zijn wegens overschrijding van de beroepstermijn.

2.9.1.

De rechtbank heeft de inspecteur ter zitting voorgehouden dat de suppletie-aangifte (ook) zou kunnen worden gezien als een nieuw verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur heeft voor dat geval ter zitting aangevoerd dat er al een eerder verzoek is gedaan waarop onherroepelijk is beslist, en dat dit tweede verzoek (bij de suppletie-aangifte) te laat is gelet op de termijnen van artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). Partijen hebben verzocht dat de rechtbank een oordeel geeft over de juistheid van dat standpunt. De rechtbank acht het mogelijk om in deze procedure het gevraagde oordeel te geven: uit proceseconomische overwegingen wordt aangenomen (i) dat in de brief van 7 mei 2018 een afwijzing van het nieuwe teruggaafverzoek besloten ligt en (ii) dat in het ingediende beroepschrift een rechtstreeks beroep tegen die afwijzing besloten ligt, met welk rechtstreeks beroep beide partijen hebben ingestemd.

2.9.2.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur gelijk heeft dat het bij suppletie-aangifte gedane teruggaafverzoek (hierna verder: het nieuwe teruggaafverzoek) te laat is en motiveert dit als volgt:

- Een verzoek om teruggaaf zoals hier moet op grond van artikel 31, lid 1, van de Wet OB worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan;

- Uit het arrest BNB 2018/7 volgt dat in een situatie waarin een ondernemer geen omzetbelasting hoeft te betalen omdat de in aftrek te brengen omzetbelasting hoger is dan de verschuldigde omzetbelasting, deze ondernemer niet verplicht is de inspecteur te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Er geldt in zo’n situatie geen termijn waarbinnen het verzoek om een dergelijke uitnodiging moet worden gedaan. Dit betekent dat een ondernemer die niet uit eigen beweging de aanvang van zijn belaste activiteiten heeft gemeld bij de inspecteur en die niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tijdig bij aangifte een verzoek om teruggaaf heeft gedaan.

- Aan belanghebbende mocht dus bij haar eerdere – in 2.2 genoemde – teruggaafverzoeken niet worden tegengeworpen dat hij niet tijdig bij aangifte een verzoek om teruggaaf had gedaan. Dat is aan belanghebbende echter wél tegengeworpen, eerst door de inspecteur en later – met betrekking tot het tijdvak december 2012 – door de rechtbank in de eerdere uitspraak van 26 april 2016. Dat was achteraf gezien dus onjuist, gelet op het arrest BNB 2018/7.

- Het probleem voor belanghebbende is dat in deze procedure niet de eerdere teruggaafverzoeken ter beoordeling voorliggen, maar het nieuwe teruggaafverzoek. De rechtbank mag ook niet alsnog in deze procedure beslissen over het eerdere teruggaafverzoek over het tijdvak 2013 en mag evenmin opnieuw over het eerder teruggaafverzoek over het tijdvak december 2012 beslissen. Het rechtssysteem zit zo in elkaar dat indien belanghebbende het oneens was met de eerdere uitspraak op bezwaar over het tijdvak 2013, er tijdig beroep had moeten worden ingesteld. Met betrekking tot het verzoek over het tijdvak december 2012 heeft de rechtbank al een oordeel gegeven in de eerdere uitspraak van 26 april 2016. Als belanghebbende het oneens was met die eerdere uitspraak, had hij toen (binnen de hogerberoepstermijn van 6 weken) hoger beroep moeten instellen om zijn rechten veilig te stellen. De rechtbank mag ook niet terugkomen op de eerdere uitspraak. De omstandigheid dat de rechtbank eerder de wet onjuist heeft uitgelegd, is geen grond voor herziening van de eerdere uitspraak.

- De rechtbank mag dus in deze procedure alleen een oordeel geven over het nieuwe teruggaafverzoek. In dat verband is van belang dat de inspecteur eerder op 17 juli 2014 op verzoek van belanghebbende onder meer een aangiftebiljet omzetbelasting heeft uitgereikt over het tijdvak 2013 (zie 2.2). De rechtbank heeft in het dossier niet de beschikking over een kopie van dat biljet, maar aangenomen kan worden dat de termijn die de inspecteur daarbij destijds heeft gesteld voor het indienen van het aangiftebiljet (hierna: de gestelde aangiftetermijn), ruim verstreken was toen belanghebbende het nieuwe teruggaafverzoek deed bij suppletie-aangifte van 29 december 2017.

- Aangezien het teruggaafverzoek moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, en aangezien de gestelde aangiftetermijn is overschreden bij de suppletie-aangifte, is het nieuwe teruggaafverzoek te laat gedaan. Bovendien is al eerder ‘de aangifte’ over het tijdvak 2013 gedaan naar aanleiding van de uitnodiging (zie 2.2), zodat ook in dat opzicht het nieuwe teruggaafverzoek te laat is.

2.9.3.

Het beroep is daarom ongegrond voor zover het opkomt tegen de afwijzing van het nieuwe teruggaafverzoek.

De ambtshalve beslissing

2.10.

Voor gevallen zoals hier is een weg voor belanghebbende nog om een verzoek om ambtshalve teruggaaf te doen. De inspecteur heeft de suppletie-aangifte echter al (mede) in behandeling genomen als een dergelijk verzoek, en dat verzoek afgewezen bij ambtshalve beslissing (zie 2.4). De ambtshalve beslissing komt er – naar de rechtbank begrijpt – in de kern op neer dat het beleid van de Staatssecretaris geen ruimte biedt om hier tot ambtshalve teruggaaf over te gaan.

De rechtbank mag geen oordeel geven of de inspecteur het beleid hier juist heeft toegepast en evenmin of het beleid hier al dan niet onevenredig zwaar uitwerkt en/of hier sprake is van een onvoorziene situatie. Zoals ter zitting toegelicht staat namelijk geen bezwaar en beroep open tegen de ambtshalve beslissing. De fiscale bestuursrechter is daarom onbevoegd. De civiele rechter is als restrechter bevoegd.

2.11.

Het voorgaande neemt niet weg dat, zoals de inspecteur ook ter zitting heeft beaamd, begrijpelijk is dat belanghebbende deze situatie als onrechtvaardig ervaart en als ‘niet uit te leggen’ ziet: waar belanghebbende geen teruggaaf krijgt hoewel hij al in een vroeg stadium in actie is gekomen om teruggaaf te krijgen, krijgt zijn spreekwoordelijke buurman die lange tijd niets heeft ondernomen en pas in actie is gekomen na het arrest BNB 2018/7 wél teruggaaf van omzetbelasting op de aanschaf van zonnepanelen.

De inspecteur heeft ter zitting nog toegezegd navraag te doen bij het Ministerie van Financiën over de uitwerking van het in 2.10 vermelde (algemene) beleid in een geval als hier.

Conclusie

2.12.

Uit het voorgaande volgt in juridische termen dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de uitspraak op bezwaar (zie 2.7) en ongegrond is voor zover het gericht is tegen de afwijzing van het nieuwe teruggaafverzoek (zie 2.9.1-2.9.3), alsmede dat de rechtbank onbevoegd is om een oordeel te geven over de ambtshalve beslissing (zie 2.10).

Dit betekent voor belanghebbende dat de rechtbank niet kan beslissen dat aan belanghebbende de verzochte teruggaaf moet worden verleend.

Proceskostenveroordeling en griffierecht

2.13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu het beroep ongegrond is.

Belanghebbende heeft overigens ná (het sluiten van het onderzoek tijdens) de zitting een formulier proceskosten afgegeven bij de centrale balie van de rechtbank. Dit formulier zal in het dossier worden gevoegd, en een kopie ervan zal aan de inspecteur worden gezonden zodat deze over het formulier beschikt.

2.14.

Gelet op wat in 2.7 is overwogen, is er aanleiding om de inspecteur op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van P. van der Hoeven, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.